Naar de bollen en Polder Q

Een dagtocht van het Zijper Landschap, gelopen op woensdag 16 april 2014

Al zolang ik hier woon neem ik mij voor nou eens op tijd te zijn voor de bollenvelden. Om nou ook eens te genieten van dien Hollandschen kleurenpragt, waar andere mensen met bussen tegelijk hun verre landen voor verlaten, om dat met eigen ogen te aanschouwen. Ik woon er middenin, bij wijze van spreken, en nog nooit is het er van gekomen. Ik denk er even aan als ik toevallig zie dat de bollen de grond weer ingaan, ergens in het najaar, nog eens als de eerste groene punten zich laten zien, en dan pas weer als het hele zooitje al weer lang en breed gekopt is. Te vroeg en te laat dus. En dat al jarenlang. Schande, eigenlijk.
Vandaar dat ik dit jaar extra alert ben. Al een tijdje ligt er een kaartje van Het Zijper Landschap op mijn bureau op een goed moment te wachten, dus toen de weerman van dienst deze week een zonnige woensdag afkondigde, moest en zou het er maar eens van komen, besloot ik.
Vanaf het Wildrijk, waar we trouwens wel ieder jaar strijk en zet naar het sprookje van de wilde hyacinten gaan kijken, loop ik de Belkmerweg af. Een lange, lange, rechte, rechte weg, zoals ze nu eenmaal zijn in de polder. Parallel aan de kust, maar nog paralleller aan het Noordhollandsch Kanaal, dat al net zo lang en recht is. Aan landschappelijk schoon of architectuur is nauwelijks moeite verspild. Het is hier wat het is: een stuk land achter de duinen waar we bollen verbouwen. De namen op de kaart zeggen ook al genoeg: Polder R, Polder Q, Polder L en Polder M. Schuren zijn groot, recht en van golfplaat. Functionele opschriften zijn in drie talen gesteld: Nederlands, Engels en Russisch. Huizen zijn sober, recht toe recht aan met een puntdak. De enkele statige boerderij die er wel staat, en het handjevol  oudhollandsche molens natuurlijk, wordt zo goed als overschaduwd door de lange rijen veel en veel hogere nieuwetijds windmolens.

Afbeelding

Het is dus maar goed dat er links en rechts bollenvelden liggen, met zonbeschenen kleur tot zover het oog reikt, anders was het wel echt alleen een lange, rechte weg geweest. De lucht is zoet en zwaar van de hyacinten. Narcissen tonen bijna transparant van de felle zon die ze aanlicht. De tulpen zorgen voor de felste kleuren: paars, geel, wit en oranje. De rode velden zijn mijn favoriet. Hier vloeien individuele tulpen samen tot één gloeiende, trillende kleur. Tot één levend, ademend rood waar je blik in wordt gezogen en verdwijnt. Een beetje zoals Barnett Newman het rood in zijn Who’s afraid of red, yellow and blue bedoeld zal hebben, stel ik mij voor.
Toch vind ik het ook niet erg dat het uitzicht bij Burgervlotbrug verandert en ik de bollenvelden weer een beetje achter mij laat. Het is blijkbaar net als met ijs, of chocolade: het is lekker, erg lekker zelfs, maar op een gegeven moment heb je genoeg. En Burgervlotbrug biedt meteen het juiste tegenwicht. Een troosteloos straatje schrale huisjes, bijeengeveegd op een overgeschoten strook tussen twee drukbereden provinciale wegen en langs het Noordhollandsch kanaal, waar juist op dit moment een soort cruiseschip passeert. Ook op bedevaart langs de bollen waarschijnlijk. Het schip steekt overal bovenuit en detoneert hevig bij zijn sobere omgeving.

Afbeelding

Richting Schoorl gaat het nu, over de Oude Schoorlse Zeedijk, om te beginnen. En Schoorl mag dan misschien de hoogste zandduinen van Nederland hebben, zoals ik laatst ergens las of hoorde, van dit lieve, kleine dijkje is het moeilijk voor te stellen dat het ooit serieus als bescherming tegen de zee bedoeld is geweest. Nu ligt er de Hondsbossche Zeewering, onverzettelijk in beton gegoten, maar vóór die tijd zal de zee zich er niet altijd iets van hebben aangetrokken, van de Schoorlse Zeedijk.  De aanblik van de Harger en Pettener Polder erachter doet zelfs een beetje vermoeden dat de woeste golven er niet eens zo héél lang geleden nog een tijdje flink vrij spel hebben gehad. Smalle asfaltweggetjes voeren bochtig door een aftands en afgekloven, moeilijk te duiden landschap. Het is geen natuur, het is geen agrarisch gebied, geen gebied in ontwikkeling.. het ís er alleen. Het bestaat, maar het lijkt vergeten. Polder X, was een goede naam geweest.
Hier en daar liggen wat kleine, ondiepe, vormloze plassen, met bergen vuil zand ernaast, of eromheen. Er loopt een vaart, waar een paar woonboten in bivakkeren, verscholen in het riet. Er staan een paar molens en boerderijen, wat huisjes, die niet echt verwaarloosd maar ook niet echt onderhouden zijn. Voor één ervan zit een man in een blauwe overall op zijn knieën naast een houten broeikas en trekt bokkig het onkruid tussen zijn groente uit. Een vlugge blik door het raam vertelt het verhaal van een zonderling, een eenzame vrijgezel in de scharrige woonkamer waarin zijn ouders hem jaren geleden hebben achtergelaten. Waar het nog altijd 1953 is. Maar misschien gaat mijn fantasie nu wel met mij op de loop.

Afbeelding

Het zijn hier huizen zonder tuinen. Zonder hekken, of tierelantijnen. Geen bomen langs het tuinpad van mijn vader. Geen opsmuk. De welstandscommissie is er waarschijnlijk ook nooit geweest, de bewoners lijken het allemaal zelf wel een beetje te regelen. Tot ieders tevredenheid. Een schoorsteenpijp steekt scheef en wankel, zwartgeblakerd uit een gevel. Een erf is bezaaid met pipowagens, boten en karren. Zelfverzonnen bouwsels. Verderop staat een verzameling ruïnes en verlaten bunkers. Het heeft alles van een vrijstaat. Het is van een heel andere, veel weerbarstiger schoonheid dan de bollenvelden van zojuist, maar zeker niet minder. En ook zeker niet minder Hollands.
Tot slot beklim ik de Hondsbossche Zeewering en loop op haar kruin in een kaarsrechte lijn terug richting Petten. Links de zee, rechts de polder. En er zit vandaag al zoveel zomer in de lucht dat de zee zelfs al even voor een aangenaam verkoelend briesje zorgt. In de verte schittert nog het rood van de tulpen. 

De kunst van het omdenken

Hollands Kustpad, van Haarlem naar De Zilk, gelopen op vrijdag 11 april 2014

Het is verleidelijk, op een ochtend als deze, in welgemeend gemopper op de NS te blijven hangen. Aan de andere kant, als je twee keer moet overstappen onderweg, weet je het eigenlijk al: dat gaat natuurlijk een keer fout. Je kunt je daar ook bij neerleggen. In mijn jonge jaren was de grap al dat NS de afkorting was voor Niet Stipt. Mijn jonge jaren, kun je nagaan. En in al die tijd is dat blijkbaar niet veranderd, al is het lachen me soms ook wel een beetje vergaan, inmiddels.
Waar vanochtend de ene trein met vijf minuten vertraging het station binnenloopt, vertrekt de aansluitende sprinter evengoed precies op tijd, waardoor hij dus niet meer aansluit, en ik hem nog juist het perron zie verlaten. De bus naar De Zilk kunnen we nu ook wel vergeten, en die rijdt eens in het uur. Gelukkig bedenkt mijn schoonzus, mijn wandelgenoot, die van de andere kant aan komt rijden, in de gauwigheid dat we de etappe ook best andersom kunnen lopen. Van Haarlem naar De Zilk.
En zie: zo keren de zaken zich dan al snel weer ten goede, want nu starten we de dag met een vrolijke cappuccino en onze bol in de zon op een terras aan het Spaarne. Dat was in De Zilk zeer zeker niet gelukt. Bovendien dwalen we nu aan het begin van de dag door het oude centrum van Haarlem, langs vriendelijke hofjes en glopjes en historische grandeur, die we aan het eind van een stevige dagmars en haastend op weg naar de trein vast minder op waarde hadden weten te schatten.

Afbeelding

Tevreden over deze wending en ons eigen creatief omdenkend vermogen verspreiden we blijkbaar zoveel vrolijkheid en plezier dat het opvalt: er wordt veel en welwillend gegroet, in Haarlem. Een mevrouw die ons, bekent zij, per ongeluk zo smakelijk hardop hoort genieten, vertrouwt ons toe dat zíj daar nog helemaal niet aan toe was gekomen, aan genieten, de afgelopen dagen, met al dat mooie weer. Omdat ze niks anders deed dan de tuin en de schuur op orde brengen. Even vrezen wij een ellenlange klaagzang, maar ons advies onmiddellijk met een kop koffie in de zon te gaan zitten, neemt zij prompt ter harte, en wij wandelen verder.
Een eindje richting Zandvoort, langs deftige lanen  en uitgestrekte landgoederen, stuiten we op Kraantje Lek, niet te verwarren met de halfgelijknamige rapper. Het is een uitspanning waarvan de naam zeer tot onze verbeelding spreekt, ook omdat wij die om één of andere reden al heel lang kennen, zonder er ooit geweest te zijn. Een herberg, volgens het bijbehorend bord, waar in zeer vroeger tijden de vissers uit Zandvoort, met hun zilte koopwaar lopend op weg naar de Haarlemse vismarkt, even neerstreken. Maar die ruige tijd is voorbij. Nu blijkt het een doodgewoon pannenkoekenhuis te zijn, waar groepjes dagjesmensen saai op af sloffen, vanaf de zilvergrijze middenklasser op het parkeerterrein. Zodat wij Kraantje Lek bij nader inzien liever laten voor wat het is.
We beklimmen een rulle zandheuvel, de eerste voorpost van de duinen, en vinden een omgevallen boom om even op te zitten. Tijd voor de traditionele mueslibol met oude kaas. We krijgen al snel luidruchtig gezelschap van twee vermoedelijke bakfietsmoeders. In elk geval gaan ze geheel in die voor hun leeftijd misschien net iets te meisjesachtige stijl gekleed: met kleurige jasjes, genopte rokjes over driekwart leggings, het haar in een schijnbaar achteloze knot, zonnebril niet ter zake doend bovenop het hoofd. Hijgend en puffend bereiken zij onze top.
“Dit is toch niet leuk?”, schalt de eerste die boven is, en kijkt naar ons voor bijval. Wij vinden het geen handige opmerking naar mensen met wandelschoenen, rugzakken en mueslibollen met oude kaas, maar we glimlachen beleefd. Bovendien, kakelen de bakfietsmoeders beteuterd verder, hadden ze eigenlijk verwacht dat ze vanaf deze top een fraai uitzicht over de zee zouden hebben. Maar Haarlem ligt niet aan zee, zo blijkt. Dus hoewel ze allebei een grote, dure camera om de nek hebben hangen, gaan ze zonder een foto te maken al snel weer naar beneden. Drie kwartier naar Zandvoort lopen, dat wordt ze echt te dol. Dat is iets dat je beter te paard kunt doen, besluiten ze eensgezind.

Afbeelding

Wij krijgen de zee trouwens ook niet te zien vandaag. Na de Kennemerduinen buigen we ruim voor Zandvoort af, de Amsterdamse Waterleidingduinen in, waar we de rest van de dag zullen lopen. Een uitgestrekt en afwisselend gebied. We lopen over bospaden, onder het fris, ontluikend groen. We zien donker naaldhout, we passeren meertjes en vennen. Komen soms langs weidse zandvlaktes die eerder aan verre savannes of steppen doen denken, met hier en daar een enkele noeste, weerbarstige boom. Op andere plekken geven strakke betonnen beekjes, langs wiskundige bochten meanderend, het landschap eerder een parkachtige aanblik. Hier stroomt het toekomstig drinkwater van de Amsterdammer onder de brug.
Net als bij de vorige etappe struikelen we over de herten. We zien ze na bijna iedere bocht. Ze zien ons ook, maar schuw zijn ze nauwelijks. Het kost zó weinig moeite ze te fotograferen dat we dat op het laatst ook maar achterwege laten. Al blijft het een bijzondere ervaring deze dieren in het wild tegen te komen. Het woord overlast komt niet meteen bij ons op, al staan ze natuurlijk ook niet bij ons in de achtertuin de knoppen van de bomen te vreten.
Eenmaal weer terug in De Zilk, waar we de laatste keer ook al waren geëindigd, is het de bus die ons in de steek laat. In de veertig minuten die we moeten wachten, kunnen we, zo rekenen we snel even uit, net zo goed zelf naar station Hillegom lopen. Waar we dan, als we een beetje dóórlopen én het even mee zit, precies de sprinter terug naar huis kunnen halen.