De IJssel en de Dommerbeek

Langs de IJssel van Zutphen terug naar Deventer, gelopen op donderdag 8 mei 2014

Ieder weer is wandelweer. Ik voer het al jaren als welgemoed motto, welgemeend en al. Toch is mijn humeur vandaag aan het eind van de wandeling opeens behoorlijk aan het verpieteren, in de regen. En het regent verdorie niet eens echt hard. Evengoed ben ik nat tot op mijn vel en we sjouwen net, daar was blijkbaar even niks aan te doen, een stuk langs een druk bereden asfaltweg. Op de fietsstrook. Scheldend op auto’s die ons maar net, en schijnbaar onwillig ontwijken. En in de regen dus. Het zal de ongelukkige combinatie van één en ander zijn, die mijn stemming de das om dreigt te doen. Nat tot op mijn vel was ik namelijk al vóór dat het ging regenen. Zonder er verder bij na te denken hadden wij ons eerder, langs de Dommerbeek, manhaftig een weg gebaand waar geen pad meer was. Dwars door manshoog fluitekruid, kletsnat van eerdere buien. En voor ik het door had, was ik dat óók. Kletsnat van eerdere buien. Te laat om je dáár nog op te kleden. Nou ja, héél even drukt het de pret, een beetje, maar eigenlijk mag dat dus niet.
We beginnen de tocht in Zutphen, maar doen haar nauwelijks recht met een zelfverzonnen en wel zéér beknopte stadswandeling. Ik herinner me niet ooit eerder in Zutphen geweest te zijn, en ik val onmiddellijk voor de charmante oude binnenstad, met haar brede pleinen en smalle achterommetjes. Gebogen straatjes, verscholen poortjes, torens en torentjes overal bovenuit. Overhellende gevels met hoge ramen, luiken en ornamenten. De rijke Hanze-historie straalt er overvloedig vanaf.

Afbeelding

Met het voornemen er ooit nog eens wat uitgebreider terug te komen, verlaten we Zutphen via de brug over de IJssel. Zo’n fijne, ouderwetse boogbrug, zoals een brug bedoeld is. Niks geen moderne, ijle fratsen met pylonen en tuien en vormentaal, maar gewoon een zware, degelijke recht zo die gaat constructie van stalen profielen in verouderde kleuren en een lekker dicht grid van duimdikke klinknagels. Daar komen we mee aan de overkant, en meer vragen we niet van een brug.
Over de dijk slingeren we door het uiterwaard, langs de IJssel, richting Deventer. Een weids en weldoorvoed landschap. Alles is groener dan groen, staat vol in blad en bloem en blaakt van geile levenslust. Uitgestrekte velden boterbloemen compenseren de lage lucht en de grijze, veelkleurige dampen met een waas van zonnig geel, zover het oog reikt. Al snel is ook de IJssel alleen in de verte nog te zien, en dan vooral omdat er een boot passeert. De grote maar toch bescheiden herenboerderijen die we her en der verspreid zien staan, zijn keurig onderhouden, net als het landschap zelf, dat hier en daar zelfs als een wel zéér uitgestrekte tuin aandoet, en doen vermoeden dat dit al een tijdje een best wel welvarende streek is.
Alleen net boven Zutphen is er een overhoop gegooid en afgekloven stuk land dat nogal detoneert met al die grazige lieflijkheid. Grote gele monsters graven voren door het groen en werpen rulle, bruine bergen op. Zandvlaktes met wrede bandensporen overwoekeren het groen, groen, groen, groen knollen, knollenland. Hier wordt ruimte gemaakt voor de rivier. Van de strijd tegen het water wordt misschien gedacht dat die uitsluitend tegen de zee gericht is, hier is het de rivier waar rekening mee moet worden gehouden. Er is, zo lezen wij, gekozen voor een strategie van meestribbelen. De dijk zal plaatselijk een flink stuk landinwaarts worden opgeschoven, waardoor de IJssel, in geval van nood, meer bewegingsvrijheid heeft.

Afbeelding

Meer sporen van strijd en oorlog treffen we verderop, bij Voorst. Daar staat de ruïne van Fort De Nijenbeek, we zien haar al van verre robuust boven de horizon uitsteken. Dichterbij gekomen stappen we zó een schilderij van Constable in. Een ruïne uit de boekjes, dames en heren. Een vierkante kolos van afbrokkelend baksteen, een half ingestort achterhuis, de golvende restanten van een muur, een verzakte toegangspoort met zwaar verroest en uit de scharnieren hangend hek wordt met houten stutten voor omvallen behoed. Eens een toonbeeld van macht, kracht en rijkdom, nu weerloos in bezit genomen door de natuur. Zelfs op het hoogste punt groeit een boompje. Een uitloper van de IJssel heeft zich in sierlijke bochten gebogen op de achtergrond in groene oevers gedrapeerd.
Op internet lees ik later dat deze donjon in de dertiende eeuw als verdedigingswerk werd gebouwd, een roerige geschiedenis van vernieling, troonswisselingen, restauratie, uitbreiding en aanpassingen heeft doorlopen om in 1945 voor het laatst en definitief in puin geschoten te worden door de geallieerden, bij het bevrijden van ons land. De eeuwenoude rode beuk op het grasveld voor de ruïne heeft het waarschijnlijk allemaal onaangedaan zien gebeuren.
Verder lees ik dat men nu van plan is de ruïne in de huidige staat te fixeren. Haar voor volledig instorten te behoeden, te verstevigen en te restaureren, zonder haar aan te vullen of in de oude staat te willen herstellen. Een uitstekend plan, dunkt mij, waarvan je alleen maar kunt hopen dat het lukt zonder dat er parkeerplaatsen of pannenkoekenhuizen en patatkramen aan te pas komen.

Afbeelding

Wij besluiten bij Gorssel met het pontje de IJssel weer over te steken, om daar over het pad langs de Dommerbeek naar Deventer te lopen. Hoe dat afloopt weten we inmiddels. Al vragen we ons nu nog af of het veer wel zal varen op deze onbeduidende doordeweekse regendag. Veel belangstelling lijkt er niet te bestaan, we zien geen mens, geen kip, geen hond. Eenmaal aan de steiger zien we het pontje liggen, aan de overkant. Het ligt zich stierlijk te vervelen, maar wel met de vlag in top. Blij dat wij er eindelijk zijn maakt het zich los van de oever en haast zich naar onze kant van het verhaal. Een uur heeft hij op ons gewacht, vertelt de veerman. Een uur. Als er dan ook nog een dame op de fiets aankomt voor de overkant, vinden wij het bijna sneu dat die niet net iets later kwam. Dan had het pontje nog een keer extra heen en weer kunnen varen. Van de dame op de fiets, als zij aan de overkant afscheid neemt, vragen wij ons tenslotte te laat af waarom zij helemaal alleen door de regen fietst, met volle bepakking nog wel. Waar komt ze vandaan? Waar gaat ze naar toe? Voor wie is ze op de vlucht? We hadden het haar moeten vragen. Op de pont. Toen het nog kon.