Randonneur mechant

Wandeling rond Chapelle du Mur (Fr), gedeeltelijk de GR380, gedeeltelijk de PR4. Gelopen woensdag 16 juli 2014.

Goed, het was een doodlopende weg, volgens het daarvoor gebruikelijke bord. En de gemarkeerde route wees ons ook de andere kant op, in het geel én in het roodwit. Maar wij wisten van onze splinternieuwe wandelkaart dat er rechtsaf een kapelletje stond. Altijd leuk, een kapelletje. En dat je daarlangs gewoon je weg kon vervolgen, terug naar de bedoelde route. Voor auto’s was het doodlopend, misschien, voor wandelaars zeker niet.
Bovendien, nergens een bordje propiété privé. Of acces interdit. Of passage interdit of interdit au public. Of iets anders van die strekking.
Bovendien, een kapelletje.. het vakantiehuisje van de barmhartige Heer.
Bovendien, nergens een bordje chien mechant. Of attention au chien.
En toch staat daar, meteen als we rechtsaf slaan, een heel vervelend hondje te blaffen. Als we dichterbij komen duikt hij zelfs grommend plat op de grond, in het gras. In een aanvalshouding, dat is duidelijk. Een beetje parmantig is het ook wel want het is een nogal klein en niet meer zo jong hondje, maar hij méént het wel: als we manhaftig doorlopen springt hij fanatiek naar mijn kuit en zet er grauwend zijn tanden in. Godallemachtig! Wat zullen we nou hebben? Dat beest bijt me gewoon in mijn been!
Van de eigenaar hebben we weinig te verwachten, dat is een oud mannetje dat met een lawaaiapparaat onkruid staat te wieden en weliswaar vagelijk iets onverstaanbaars in het rond roept, het frans equivalent van ’hij doet niks’ waarschijnlijk, maar zijn apparaat zet hij daar niet voor uit. We weten niet eens zeker of hij het tegen ons of tegen zijn hondje heeft. Het hondje trekt zich er in elk geval niks van aan en blijft ons driftig grommend en blaffend achtervolgen terwijl wij beteuterd en uit het veld geslagen de aftocht blazen. Dan maar geen kapelletje. Thank you Lord, thank you Jesus.
En het vervelende, behalve dat je schrikt en pijn aan je been hebt en je zorgen maakt of je, nu het ook nog gaat bloeden, niet beter één of andere prik kunt gaan halen, is dat de rest van je nog maar net begonnen wandeling vergald is, omdat je je nog kilometerslang tandenknarsend loopt af te vragen waarom je dit nou in vredesnaam maar weer gewoon laat gebeuren, als een blijkbaar onvermijdelijk ongemak. En je je te laat en te lang loopt te bedenken wat je die aso met zijn kuthondje allemaal had kunnen toevoegen, had moeten toevoegen, in het Nederlands desnoods, in plaats van maar weer lafhartig het beschaafde hazenpad te kiezen. Altijd sorry, pardon en een stapje opzij.
Ook loop je niet meer zo lekker omdat je verder bij iedere vorm van bebouwing op je hoede bent voor de volgende aanval. Niet geheel ten onrechte trouwens want even verderop is het merdedemerde wéér zover. Een loslopende boxer wacht ons blaffend en grommend op en begeleidt ons dreigend, intimiderend brommend, de nekharen overeind, de hele weg langs zijn erf. Terwijl we toch gewoon op de openbare weg lopen, net als de boxer inmiddels. Pas als we allang weer voorbij zijn, wordt er vanuit het huis iets gebiedends maar onverstaanbaars geroepen, hopelijk naar de hond.
Onbegrijpelijk, vinden wij, om het zachtjes uit te drukken. Je kunt natuurlijk best een hond nemen om te zorgen dat je geen last hebt van mensen met kwade bedoelingen, maar dan zul je toch ook moeten zorgen dat mensen zonder kwade bedoelingen geen last hebben van je hond. Voor de gemiddelde hondenbezitter is dit duidelijk geen vanzelfsprekendheid. Wij hebben het in elk geval weer eens helemaal gehad, met de hond en zijn baasje, en nemen ons voor zo snel mogelijk standaard een busje pepperspray in de rugzak te hebben.

Advertenties

Aristocratische gekkigheid

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Driehuis tot Castricum, gelopen op vrijdag 27 juni 2014

We smokkelen er een paar kilometer af vandaag, en nemen de trein naar Driehuis. In plaats van naar Santpoort Noord. Ach, veel scheelt het niet eens, maar heel eerlijk gezegd zijn onze verwachtingen voor het eerste gedeelte van deze etappe niet al te hooggespannen. Het pontje bij Velsen, okay, dat is leuk, een pontje is altijd leuk, maar voor de rest hebben we er tot Wijk aan Zee een beetje een hard hoofd in. Dus hoe eerder we daar zijn hoe beter.
Wel hebben we eerst zin in koffie, het liefst met appeltaart. Op Driehuis hoeven we wat dat betreft niet te rekenen, merken we al gauw. Dat de trein uit Amsterdam er stopt is wel weer genoeg wereldse zwier, vinden ze daar waarschijnlijk. Misschien hebben we niet goed opgelet hoor, maar zelfs onder de kerktoren treffen we geen café. We zullen ons geluk verderop moeten beproeven.

HK driehuis - castricum 042

Op landgoed Beeckestijn bijvoorbeeld, waar we al snel terechtkomen. Daar lijkt het te gaan lukken, want daar zit al iemand met koffie op het terras. Het is iemand van de bediening dus dat is makkelijk, dan kunnen we meteen bestellen. Tenminste, dat hadden wij gedacht. Ha! Met een klantvriendelijke glimlach worden we gewoon van het terras geweerd. Het is nog niet open. Ze is er zelf nog maar net, zegt de bediening, en blaast in haar koffie. Dus. Vanaf elf uur zijn we welkom. Tien minuutjes. En geen seconde eerder. Gastvrijheid op zijn Hollands.
Ontredderd vervolgen wij onze wandeling. Zó ontredderd zelfs dat we op het toch zeer overzichtelijk volgens Engelse tuinwetten aangelegd landgoed de draad kwijtraken, aarzelend op onze schreden terugkeren en toch nog een extra rondje draaien. Mét een half oog voor de buitenexpositie trouwens, die op het landgoed is ingericht en waar juist een groepje welwillend toeluisterende bejaarden langs wordt geleid, door een gids die alles wat zij weet voorleest uit een map.

HK driehuis - castricum 041

Zo zien we bijvoorbeeld een groot, niet te missen, fluorescerend groen vierkant op de grond liggen, met op iedere hoek een wat aanstellerig, wit beeld, dat, door de reflectie van het vierkant natuurlijk, groen wordt aangelicht. Het is ons niet meteen duidelijk of de beelden er al stonden, of dat ze er voor de gelegenheid zijn neergezet, al lijkt het eerste het waarschijnlijkst. Verschillende honden hebben hun modderig spoor al over het vierkant getrokken, waardoor het kunstwerk ook een beetje wordt teruggebracht tot het zeildoek dat het is. Of dat goed is, weten we niet.
Verder staat er een kruisvormig bouwsel van transparante, zéér rode plastic bakstenen. Als je er doorheen loopt, of er middenin gaat staan, zie je alles rood. Tja, dat wel. Het ziet er wat haastig afgewerkt uit en doordat het op een onderstel van verchroomde buizen met zeer lullige zwenkwieltjes staat, lijkt het eerder een afgedankt stuk winkeldecoratie dan een folly. Want dat is het, wat we hier zien, lezen we de week erna in een ook nog enthousiaste Volkskrantrecensie. Folly’s, dames en heren. Gebouwtjes zonder functie. Dwaasheden. Aristocratische gekkigheid uit de achttiende eeuw, waar op het landgoed Beeckestijn ook ooit voorbeelden van te vinden zijn geweest. Nu wel zéér dunnetjes overgedaan en naar de moderne tijd gehaald, wat ons betreft. Wij zijn in dit geval toch echt meer gecharmeerd van de om de hof gemetselde slangenmuur, uit de achttiende eeuw. Sorry. De bejaarde kunstliefhebbers ondertussen, hebben plaatsgenomen op het inmiddels geopende terras. Maar wij zijn gekke Henkie niet natuurlijk, en lopen ijskoud door.

HK driehuis - castricum 056

Dat onze verwachtingen óók maar wat doen, blijkt als we Velsen Zuid inlopen. Een onvermoed stukje oud Hollandsche glorie. Vriendelijke straatjes en pleintjes met bakstenen trapgeveltjes, gezellige pannendakjes, kruislatten in de vensters en luiken langszij. Stokrozen in alle kleuren bloeien metershoog in de zon. Leiboompjes fris in het groen. Pas in tweede instantie valt op dat nergens auto’s staan geparkeerd. Waar men ze hier laat.. geen idee, maar niet voor de deur. Het levert een romantisch ongeschonden straatbeeld op dat niet zou misstaan in een film van Bert Haanstra. Jammer dat Velsen Zuid maar zo klein is. Voor we het weten zijn we er alweer doorheen en staan we aan de barre oever van het Noordzeekanaal. Met uitzicht op allerhande rokende en dampende bedrijvigheid. Schoorstenen, kranen, windmolens en moeilijk te doorgronden gebouwen. Aan de overkant wordt vanaf een roestig en afgebladderd zeeschip een klein boodschappenbootje te water gelaten.

HK driehuis - castricum 082

Met de pont steken we het Noordzeekanaal over. Autoverkeer is er niet, wel fietsers en voetgangers. Naast ons op het houten bankje ploft zuchtend een Chinese man neer. Hij is onderweg naar Alkmaar, vertelt hij, en wijst op een mountainbike die zo op het oog veel te klein voor hem is. Vanavond rijdt hij weer terug. Hij gaat er op visite. De man spreekt vloeiend maar moeilijk verstaanbaar Nederlands en zijn bruingeblakerd en zeer geschonden gebit maakt het zeker niet makkelijker ons op zijn woorden te concentreren. Niettemin begint hij een begeesterd gesprek over de meeuw, die ons vanaf een meerpaal, vlakbij, nauwlettend in de gaten zit te houden, met z’n roodomlijnde oogjes. Een mantelmeeuw, meen ik te weten. Een agressieve vogel, volgens de man. Hij is er drie keer door aangevallen. Niet per se door dit exemplaar, zoals ik eerst nog ongelovig informeer, maar door soortgenoten. Want agressief zijn ze allemaal, weet de man met grote stelligheid. Hij illustreert zijn verhaal met een aantal lastig te volgen voorbeelden van vrienden en bekenden die ook werden aangevallen door meeuwen, inclusief een voorval waarbij dat fataal was afgelopen voor de betrokken meeuw. Iets waar de politie nog aan te pas was gekomen, omdat je niet zomaar een meeuw mag doden. Vlak voor aankomst aan de overkant van het kanaal begint de man een nieuw verhaal. Over tafeltennis ditmaal, een sport die hij volgens eigen zeggen fanatiek beoefent. Net als we beginnen te vrezen dat we hem niet meer kwijt zullen raken vandaag, we zijn alweer aan wal, springt hij op zijn fiets en wenst ons een goede wandeling. We zien dat zijn mountainbike inderdaad aan de kleine kant is. En Alkmaar is best nog ver weg.

HK driehuis - castricum 094

Het gebied waar we vanaf de pont doorheen lopen is waarschijnlijk één van de lelijkste stukjes van ons land. Dat moet wel. Er zijn industriële gebieden die in hun lelijkheid, of in hun verval, of in hun hightech functionaliteit nog iets van schoonheid herbergen. Mooi van lelijkheid zogezegd. Maar Velsen Noord is echt alléén maar lelijk. Zonder enige charme. Troosteloos, vreugdeloos, hopeloos. We maken er verder geen woorden aan vuil, dit strookt dan toch weer geheel met onze verwachting. Net als de weg die we volgen naar Wijk aan Zee. Het is dat het moet, maar leuk is anders, zo vlak langs het razend autoverkeer. Als we dan in de duinen voor Wijk aan Zee de roodwitte markering voor de zoveelste keer kwijtraken vandaag dreigt het humeur zelfs een beetje te bezwijken, zo hier en daar. Wijk aan Zee kan dan allang geen goed meer doen. Het is ons een raadsel wat toeristen hier vinden. Als je de zee zoekt zijn er verdorie wel betere plekken te vinden dan dit rafelige gat. Dit tegen de duinrand aan gewaaid achterstandswijkje. En dat het voor de helft is ingepakt in ratelend oranje landbouwplastic helpt ook niet echt. Wat wel helpt is de appeltaart, eindelijk!, op het terras van Gewoon Wijk aan Zee. Die verzoent ons weer met de loop der dingen, precies zoals ons door de goedgeluimde bediening was beloofd. Zelfs de geluidstechnici, die zich met veel wanthoe en oyoyoyo door de microfoon een kwartiertje goedbetaalde dj’s wanen maar in werkelijkheid voorbereidingen treffen voor wat bij navraag de jaarlijkse zeepkistenrace blijkt te zijn, ondergaan wij met een milde glimlach. Waarom niet? Eenmaal in de duinen achter Wijk aan Zee aanbeland komen we zelfs een zeepkist tegen. We wensen hem een goede race.

HK driehuis - castricum 166

Tot we uiteindelijk afbuigen naar Castricum lopen we door een uitgestrekt en afwisselend duingebied. Bossen en zanderige vlakten, tanige boompjes aan de horizon, watertjes en heuvelachtig terrein met erachter de onzichtbare maar immer aanwezige zee. We zien Schotse Hooglanders, lui verscholen in het kreupelhout. We zien Scottish Blackface schapen rondstruinen en plotseling een vos, die zich snel uit de voeten maakt. We stuiten op een wat aan het oog onttrokken hekwerkje rond twee stenen platen in de grond. Het blijkt het graf te zijn van twee honden, Fifine en Arthur. De favoriete jachthonden van ene Jan Hendrik van Boelens van der Haer. Een rijke Hagenaar die het duingebied waar we doorheen lopen aan het begin van de vorige eeuw als privéjachtgebied in zijn bezit had. Over aristocratische gekkigheid gesproken. Het graf is juist gerestaureerd, meldt een bordje. Maar vast niet op kosten van de familie van Boelen van der Haer, denken wij. Een bosmuisje springt nog weg voor mijn voeten en een zebrarups kruipt over het bankje waarop we even rusten. Dat wordt straks een sint-Jacobsvlinder, leren wij ’s avonds op internet. Enorme aalscholverkolonies hebben hier en daar hele boompartijen in bezit genomen en schijten die systematisch van voor naar achteren hartstikke dood. Trieste, grijswitte staketsels zonder hoop op leven blijven over. Het biedt een vreemd contrast met het uitbundig bloeiend slangenkruid dat het laatste stuk tot aan Castricum zover het oog reikt in een levendige, paarse gloed zet.