Schipper, mag ik overvaren?

Graft – Zaanse Schans, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op zondag 26 oktober 2014

Ja, waar sláát dat nou op? Het is de schipper aan het woord, van het pontveer Jan Hop te Spijkerboor. Hij heeft net ongelovig mijn wat gênante bekentenis aangehoord, namelijk dat ik niet meer contant geld in mijn portemonnee heb dan de twintig cent waarmee ik vanochtend van huis ben gegaan. De motor van de pont had hij al gestart toen ik aan kwam lopen, maar ik durf niet zonder meer aan boord te stappen.
Wie gaat er nou zonder geld van huis? Vraagt hij zich vervolgens oprecht verontwaardigd af, zijn ogen ten hemel opslaand. Zelf vind ik het ook opeens wel wat onbenullig. Twintig cent, verdorie, wat ben ik ook een knurft. Als het nou nog een euro geweest was. Maar ja, gut.. we leven in de moderne tijd, contant geld wordt nauwelijks nog ergens op prijs gesteld. Klein bedrag, pinnen mag, is het motto van de winkelier zelfs al geworden, en in het openbaar vervoer is het gewoon verplicht inchecken geblazen. Er gaan weken voorbij dat ik het prima red, zonder contant geld. Ik zou er bij wijze van spreken wel een weddenschap op af durven sluiten dat je zonder contant geld de wereld rond kunt reizen, al of niet in tachtig dagen. Zolang je Spijkerboor een beetje mijdt, uiteraard.
Een flink eind voorbij De Rijp was het me pas te binnen geschoten, dat de moderne tijd op een pontje natuurlijk niet zo’n vat heeft. Dat dat uiteindelijk ook de charme is, van pontjes, nietwaar? En dat ik dus, even kijken.. zestig cent te kort ging komen, voor de overtocht. Tegen beter weten in had ik daarna bij Fort Spijkerboor nog geprobeerd aan contanten te komen, maar uiteraard zou een pinapparaat dáár helemaal een anachronisme geweest zijn. De kans om nog met guldens te kunnen betalen was er waarschijnlijk groter geweest. Het voorgenomen bezoek aan het fort komt daarmee trouwens wel te vervallen, wegens gebrek aan contanten.
En nu sta ik dus, aan de oever van een machtige rivier, en heb geen cent om te schipper te betalen. Mag ik overvaren ja of nee? Ik durf er niet op te rekenen. Maar met een barse hoofdbeweging laat de veerman me weten dat hij me heus niet zal laten staan. Zwijgend en er het zijne van denkend zet hij me over. Ik sta schuldbewust aan de reling op de reddende overkant te wachten. Toch is zijn wrevel onderweg, zo kort als de overtocht is, blijkbaar verwaterd, want als ik aan de overkant hardop bedenk dat ik bij het daar gelegen café misschien een euro extra kan pinnen bij een kopje koffie, wuift hij het idee met een breed gebaar uit de lucht. Het komt de volgende keer wel, besluit hij, en wil er niks meer over horen. Opnieuw vervuld van vertrouwen in de uiteindelijke goedheid van de mens vervolg ik mijn weg, langs de Knollendammervaart, richting Oostknollendam en Wormer.

TVP graft schans 074

Op de Oudelandsdijk heb ik al snel twee dames in mijn kielzog. Dames met wapperende sjaaltjes, flodderige, ooit felgekleurde jasjes en blommige rokjes over verschoten broeken. Hippiemeisjes van vijftig. Medewandelaars, die ook wel van de pont zullen komen en hoogstwaarschijnlijk dezelfde route lopen. Ik heb niks tegen medewandelaars, herhaal ik nog maar eens. Wandelaars, dat is goed volk. Maar ze moeten niet een hele wandeling in mijn nek lopen hijgen, en ze moeten ook niet een hele dag hinderlijk in mijn blikveld blijven hangen. Nee zeg, het is de avondvierdaagse niet, dáár heb ik geen zin in. Normaalgesproken kost het trouwens weinig moeite weer van elkaar af te komen. Een korte stop volstaat, over het algemeen. Medewandelaars hebben zelf namelijk ook geen zin in medewandelaars en zetten er even flink de pas in, om een voorsprong op te bouwen, zodat daarna iedereen weer de prettige illusie kan hebben dat hij alleen op pad is. Maar deze dames vallen buiten het systeem. Wat ik ook stop, versnel of vertraag onderweg, ik blijf ze de rest van de dag tegenkomen. Het lijkt wel of ze het erom doen, hoewel ze mijn consequent groeten maar nauwelijks, of liever nog helemaal niet beantwoorden. Alsof ík de stalker ben. Als ik bij Wormer rechtsaf sla om de alternatieve route via Zaanse Schans te lopen, heb ik de hoop al opgegeven, en inderdaad slaan de dames daar vijf minuten later óók rechtsaf.

TVP graft schans 093

Lopend door dit gebied heb ik gedurig het idee dat ik zo’n beetje ín het water loop. Dat idee klopt ook wel natuurlijk want het is hier alles droogmakerij en polder wat je ziet. Een uitgestrekte lappendeken van drooggemalen en ingepolderde meren, waarin het water toch nog altijd alomtegenwoordig is. Rechts van mij de Knollendammervaart, waarin het zelfs letterlijk boven mij uittorent: als ik de dijk beklim zie ik dat het water zo goed als tot de kruin staat, de weg waarop ik loop ligt toch zeker twee meter lager. Maar ook links, in het Wormer- en Jisperveld glinstert het zó hoog in de brede sloten dat de weilanden en de weg het hoofd maar net boven water lijken te kunnen houden. Het water mag overwonnen zijn, en ingedamd, het is ons niet vergeten. Het wacht op een kans. Op een moment van onoplettendheid.
Na Oostknollendam loop ik verder langs de Zaan, met aan de overkant het industrieel uitzicht dat zich al vanaf Spijkerboor aan de horizon aandiende. Een wirwar van oudhollandse molens, moderne Europese subsidie windmolens, hoogspanningsmasten, rokende fabrieksschoorstenen, silo’s en grote, lelijke gebouwen en loodsen. Je zou het mistroostig kunnen noemen, zeker op een grijze dag als deze, maar ik vind het wel wat hebben. Het is mooi van lelijkheid, inderdaad, net wat u zegt. En dat aan mijn kant van de Zaan de weg is opgebroken, en gedeeltelijk vervangen door roestige stalen rijplaten, is alleen maar sfeerverhogend, wat mij betreft. Zelfs de onafgebroken stoet vliegtuigen waarmee het groothertogdom Schiphol zijn immer groeiende nabijheid verraadt, past hier in het plaatje.

TVP graft schans 176

Wat het vooral charmant maakt, denk ik, is de 19e eeuw die hier en daar de kop nog opsteekt, tussen het modernere geweld van golfplaat, beton en blinkende kilometers pijpleiding. Een bakstenen torentje met kantelen, dat tevoorschijn piept op kniehoogte van een enorm en grijs complex. Een vriendelijk bruinrood geveltje met wat sober decoratief metselwerk onder het puntdak, te midden van puur functioneel rechttoe rechtaan de hoogte in. Met als onbetwist hoogtepunt: Zeepziederij De Adelaar. Een klassiek fabrieksgebouw, een vierkant fort van rood baksteen met drie verdiepingen, een raster van ramen in iedere muur, laaddeuren rechts van het midden en op de linkerhoek een soort watertoren met een metershoge, gietijzeren adelaar op het zinken puntdak, de vleugels heerszuchtig uitgespreid. Ooit zal dit een enorm gebouw geweest zijn, een imposant toonbeeld van welvaart en rijkdom dat almachtig boven zijn platte omgeving uittorende. Nu staat het er bijna bedremmeld bij, als een oude man, minzaam gedoogd tussen veel jongere silo’s en loodsen en hallen, die allemaal stukken groter zijn, maar plompverloren neergezet met nog niet een honderdste van de liefde en de aandacht waarmee De Adelaar zelf werd gebouwd.
Als de geur van linoleum langzaam plaatsmaakt voor die van cacao, nader ik Zaanse Schans. Een openluchtmuseum. Een stukje Holland dat eigenlijk niet meer bestaat, zoals aan de overkant van het water ook duidelijk te zien is. Een handvol molens op een rij, een dorp van houten huizen, glimmend onderhouden en opgetuigd alsof de tijd heeft stilgestaan sinds de 18e eeuw. Een nepdorp, feitelijk. Ik begrijp dat hier ook gewoon mensen wonen, maar het lijkt me een vreselijk lot want zelfs nu, eind oktober, krioelt het nog van de toeristen. Er rijdt verdorie zelfs een riksha heen en weer. Ik hoor Spaans, Italiaans, Japans, Engels, Hindi, Zweeds, Duits, Frans, Oosteuropees.. alle talen van de regenboog. Mensen sjokken verveeld achter elkaar aan, huisje in huisje uit, van molen naar molen, alsof ze zelf ook niet precies weten waarom ze hier zijn. Alsof ze het zich toch anders hadden voorgesteld misschien, Holland. Een verliefd stelletje laat zich in een vreemde taal fotograferen, door een andere toerist, met een windmill op de achtergrond. Drie meisjes zijn een half uur in de weer om foto’s van elkaar te maken terwijl ze een koket sprongetje maken op één van de smalle bruggetjes. Een kennelijke bewoner met een hond wringt zich er moeizaam langs. Een Nederlander leidt zijn Engelse gasten in Dunglish langs de molens en de houten schuren met de rieten daken op een toon alsof hij ze eigenhandig gebouwd heeft.

TVP graft schans 207

Ik zit het op een bankje allemaal eens te bekijken wanneer iemand mij vraagt of ik alstublieft tien minuten op zijn reclamebord zou willen letten. Het is de jongen van de riksha, zie ik. Hij heeft zijn bord al van het slot maar heeft nu toch nog weer twee klanten, voor een ritje naar het station. En geen zin het bord weer vast te maken. Blijkbaar is hij niet benauwd dat ík er nu met zijn bord vandoor ga. Ach, ik vind het wel best. Ik doe graag iemand een plezier, zeker wanneer het zo weinig moeite kost. Bovendien, zo weet ik tenminste zeker dat ik mijn dames niet ook nog in de trein terug naar huis tegenkom. Terwijl zijn klanten nog op zijn Japans het toeristenwinkeltje induiken, en de tien minuten al snel verdubbelen, maakt de jongen een praatje. Zo kom ik te weten dat de riksha elektrisch wordt aangedreven maar dat je na een dagje heen en weer fietsen evengoed behoorlijk afgemat bent, dat een ritje naar het station zeven euro vijftig kost en een complete rondrit vijftien, dat de jongen dit als vakantie- en weekendbaantje doet, dat hij het leuk werk vindt en dat hij cabaretier wil worden. Ik raad hem aan te beginnen met een programma over toeristen aan de Zaan.
Als de jongen na gedane zaken terugkeert en ik na nóg een praatje aankondig maar eens naar het station te gaan, oppert hij mij met de riksha te brengen. Ik vertel van mijn pijnlijke overtocht bij Spijkerboor, en bedank. Maar de jongen bedoelt een gratis ritje. En ik verlaat Zaanse Schans geheel in stijl. In toeristenstijl, maar ook in stijl van de dag. Want die weddenschap, dat zit wel goed. Met mensen als deze op mijn pad, moet ik die makkelijk kunnen winnen.

 

Haags bier in Oudesluis

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Petten naar Oudesluis, gelopen op zondag 5 oktober 2014

Aan het begin van de wandeling gunnen we ons eigenlijk de tijd niet om heel even te kijken hoe het inmiddels opschiet, met het nieuwe land. Voor de Hondsbossche Zeewering immers, wordt deze dagen ruim tweehonderd meter blanke top der duinen en strand aan het vaderland toegevoegd. Bij de vorige etappe stonden we daar al met ontzag naar te kijken, naar de vanzelfsprekendheid van het gebeuren, en de voortvarendheid waarmee te werk wordt gegaan. Met hoeveel schijnbaar gemak er ook inderdaad een heel nieuw stuk land uit de zee opwelt, dat er dan meteen ook maar bij ligt of het altijd zo geweest is. En evengoed trekt het ook vandaag, het spektakel. Er wordt tenslotte geschiedenis geschreven, hier en nu, vaderlandse geschiedenis nog wel. We besluiten daarom aan het eind van de dag, wanneer we de auto op komen halen, nog even poolshoogte te nemen. Met een beetje geluk zien we dan ook meteen de zeehonden, die onlangs hun onverwachte intrek schijnen te hebben genomen, aan de nieuwe kustlijn. Nu slaan we, als we de dijk bij Petten beklimmen, om te beginnen rechtsaf, en voor ons ligt dan nog het stuk Hondsbossche Zeewering zoals die eens bedoeld was. In zijn eentje tegen de zee. Misschien is het wel voor het laatst dat we hem zo zien. Een piepklein historisch moment.

zeehonden

Richting St Maartenszee lopen we de Pettemer duinen in. Zanderige heuvels, grillig voorzien hier en daar van donkere samenscholingen van dennen, eensgezind kromgetrokken, weggedoken haast, in gesloten formaties, zo onopvallend mogelijk meeglooiend met het landschap en huiverend bescherming zoekend bij elkaar. Tegen weer en wind allicht, maar misschien ook wel tegen iets anders. Ze geven de duinen bij Petten iets geheimzinnigs in elk geval, met net boven de horizon ook nog de glanzende koepel en de schoorsteen van de kerncentrale. En wat doet dat vreemde blauw-witte en geblindeerde torentje daar eigenlijk? Met dat trappetje naar boven, die antenne en dat rode zwaailicht op het dak? En wat loopt daar voor griezelig gitzwart monster over het pad? Wat staat daar met zijn staart dreigend omhoog, in de aanvalshouding? Het lijkt wel een schorpioen, als je het ons vraagt. Nou goed, wel een heel kleintje dan, met zijn hooguit tweeëneenhalve centimeter. Toch houden we onze vingers voor de zekerheid zoveel mogelijk thuis als we het beest leuk boos proberen te krijgen, voor de foto. Niet helemaal ten onrechte blijkt later op internet, al is het niet de intimiderende staart waar we voor op hadden hoeven passen. Hij bijt gewoon van voren en nog onaardig bovendien, naar verluidt. Een schorpioen is het ook niet trouwens. We maken kennis met de stinkende kortschildkever. Die zijn naam dankt aan zijn blijkbaar korte dekschilden, en de niet lekker ruikende vloeistof die hij afscheidt wanneer hij zich bedreigd voelt. Nog bedreigder dan door ons.

stinkende kortschildkever

Bij St Maartenszee draaien we het strand op en dat komt mooi uit, want daar hebben we vandaag allebei net zin in en het weer is er prima geschikt voor, hoewel dat bij het strand voor iedere weersoort geldt natuurlijk. Op het terras van de laatste strandtent van het seizoen is de voertaal Duits, de buren vieren de Dag van de Eenheid en dat doen ze blijkbaar het liefst in het buitenland, we zullen ze meer tegenkomen vandaag. Alleen aan het tafeltje achter ons wordt algemeen beschaafd Hollands gebezigd. Je moet niet zo zeuren, snauwt een keurige grijzende man zijn keurige grijzende vrouw af. Op bekakte toon, dat wel. Jij zit altijd zo te zéuren, komt er nog bestraffend achteraan. Waarna de echtelijke conversatie zonder overgang weer gemoedelijk langs ditjes en datjes door meandert. Zo kan het dus ook.
Op het strand wordt ondertussen een ingewikkeld ogend spel gespeeld. Er komen allerlei verschillende houtjes en blokjes aan te pas waarmee gegooid moet worden naar weer andere stokken, die juist in het zand gestoken staan, maar die waarschijnlijk om moeten vallen. We doen ons best, vanachter onze koffie, maar voor we erachter zijn hoe het werkt, is het spel afgelopen.
Langs onze goede vriend de zee lopen we naar Callantsoog. De hemel staat er strakblauw boven en heeft pittoreske witte wolkjes aangetrokken om er nog mooier uit te zien. Van ons beider geboortestad Den Haag is dat wat we alletwee nog wel eens missen: de zee op tien minuten afstand. Wel is het een geruststellende gedachte dat ze altijd op ons blijft wachten, omdat wij altijd terug zullen blijven komen.
Even buiten Callantsoog, we lopen weer landinwaarts inmiddels en zijn het spoor even bijster, treffen we een scharrig, uitgemergeld katje dat zonder al te veel hoop wat om ons heen draait. Het beest lijkt bij een halfslachtig in het bos weggestopte caravan te horen, die er al net zo scharrig en uitgemergeld uitziet. Misschien nog wel erger. De burgerplicht gebiedt ons nu misschien daar eens poolshoogte te nemen, maar daar voelen we toch weinig voor. Het is bepaald geen verlaten bospaadje en we zijn in Callantsoog, dus we doen als de Callantsogers, besluiten wij. Ons latente schuldgevoel kopen we af met een boterham met worst, waar het dier zich uitgehongerd op stort, terwijl wij ons, fraai is het niet, uit de voeten maken.
Richting ’t Zand lopen we over de Zijperdijk, met uitzicht over de Zijpepolder, één van de oudste polders van ons land. In elk geval was het in 1597 de grootste polder die in één keer bedijkt werd, een succesverhaal dat indertijd de weg vrijmaakte voor misschien bekendere polders als de Schermer en de Beemster. Nu we er zo doorheen lopen is het maar moeilijk meer voor te stellen hoe de zee hier ooit de baas was. Links en rechts is het grasland wat we zien. En bollenland, bedekt met grijzig zand, stro of ondergelopen met water. Het is typisch Noordhollands landschap, denken wij. Rechttoe rechtaan, functioneel, sober.  Mooi, ook.

HK Petten Oudesluis 201

In ’t Zand steken we via de vlotbrug het Noordhollands kanaal over om even verderop weer met de Zijperdijk  Oudesluis binnen te lopen. Oudesluis, de eerste sluis in het destijds nieuwe gebied, vandaar de naam. Eens lagen hier schepen van de roemruchte VOC, om via het Marsdiep naar de rest van de wereld te varen. Tot nieuwere polders de weg naar de zee versperden. Nu ligt er nog een pittoresk maar piepklein sluisje, en een groene dijk middenin het groene land.
In café De Oude Herberg is volgens het bordje op de deur alleen toegang voor 50+, een criterium waar wij ruim aan kunnen voldoen, dus vol vertrouwen stappen wij binnen. Onze bestelling, twee maltbier (wij zijn 50+ en moeten nog rijden), stelt de barvrouw echter voor een probleem, want met al die verschillende soorten bier tegenwoordig heeft ze maar zeer beperkt ruimte in de koelkast, en nu Arie zo vreselijk ziek is geweest drinkt die ook alleen nog maar malt, dus ja, dan gaat het hard, en nu heeft ze nog maar één maltbiertje in huis. En hoewel wij het serieus als grap hadden bedoeld, kregen wij zonder morren één maltbier met twee glaasjes. Veel Haagser hadden we het niet kunnen wensen.