Schuldig landschap en oernatuur

cropped-header-201708312.jpg

Een wandeling van Ramscheid tot Schönenseiffen, gedeeltelijk langs GR56, gelopen op vrijdag 4 augustus 2017

Op vakantie in de Eifel begin ik zonnig gehumeurd aan een wandeling langs de Duits-Belgische grens. Noem het naïef, noem het onwetend, ik had daar aanvankelijk geen andere gedachte bij dan dat grenzen nou eenmaal altijd tot de verbeelding spreken, in elk geval tot de mijne, zelfs als ze zijn afgeschaft. Nog geen dertig meter van de parkeerplaats word ik bij de eerste de beste bocht al met mijn argeloze neus op de historische feiten gedrukt. Een steen met gouden inscriptie herdenkt dat hier, op deze plek, in de nacht van 16 december 1944 het Duitse Ardennenoffensief begon. De slag om Rheinland en Eifel, The Battle of the Bulge, die maandenlang duurde en vele tienduizenden soldaten het leven heeft gekost. Ik loop langs kilometers drakentanden, betonnen driehoeken tot ruim een halve meter hoog, streng in het gelid, in rijen van drie of vijf of meer.

DSC00009

De Westwall, lees ik later, die het Duitse rijk moest beschermen tegen aanvallen vanuit het westen, werd gebouwd vanaf 1938 en is 630 kilometer lang. En nog altijd, nu bijna zeventig jaar later, doorsnijdt dit lugubere bouwwerk hier het landschap. En niet alleen het landschap, het snijdt ook mij door de ziel. In hun onafzienbare rijen doen deze betonnen driehoeken, verweerd, bemost en begroeid, scheefgezakt hier en daar tussen de later opgeschoten bomen en struiken, sterk denken aan de zerken van een verwaarloosd kerkhof. Verlaten en vergeten. Overwoekerd door de tijd.

Een terechte gedachte, komt mij voor. Tienduizenden anonieme soldatengraven zijn het, waar ik langsloop. Wat een trieste aanblik. Ik raak er danig van onder de indruk, en kan hier niet in straf wandeltempo aan voorbijlopen. Als een onbedoeld monument dwingen deze stellingen mij tot overpeinzing. Zoveel zinloze doden. Zoveel angst, zoveel lijden, zoveel verdriet staart mij hier aan. Zo een onvoorstelbare barbaarsheid. Ik maak wat foto’s, maar het lukt me niet de foto te maken die uitdrukt wat het bij me oproept. Later besef ik dat dat ook helemaal niet kan. Wat hier uitgedrukt moet worden, valt niet op een foto vast te leggen. Ook niet in woorden waarschijnlijk.
Verderop kom ik nog een aandenken uit die tijd tegen. Het Jonny Brückchen, het bruggetje van Jonny, vertelt het verhaal van een Belgische soldaat die in de oorlog verliefd werd op een Duits meisje en zich na de oorlog bij haar in de Eifel vestigde, een zoon met haar kreeg, maar in 1948 door de Duitse douane werd doodgeschoten terwijl hij voedsel voor zijn gezin over de grens probeerde te smokkelen. Een persoonlijk drama, maar het geeft ook te denken. Want als mensen van twee strijdende partijen verliefd op elkaar kunnen worden, en samen zonen kunnen krijgen, waarom wordt dan uiteindelijk gestreden? Moeten we niet allemaal verliefd op elkaar worden en zonen en dochters krijgen? Zou de wereld daar niet enorm van opknappen?

DSC00055

Aangeslagen loop ik verder door het stroomdal van de Olef, een beekje waarvan je hier nog niet zou denken dat het verderop zal uitlopen in een machtig stuwmeer. Het is een prettig landschap, ik draai weer een beetje bij. Groene, sappige flanken met het idyllisch kronkelend geruis van water in de diepte. Op één of andere manier krijg ik zo het idee dat ik door de natuur loop zoals die bedoeld is, ooit, in het begin. Een soort oernatuur. Flauwekul natuurlijk, ik loop tenslotte over een keurig geëgaliseerd pad van precies een tractor breed door wat hoogstwaarschijnlijk een productiebos is, maar toch.. het is de ervaring die telt.
Later kom ik trouwens over een terrein waar helemaal korte metten wordt gemaakt met mijn romantisch ideaalbeeld. Want al die naaldbomen, valt er op een Duits informatiebord te lezen, horen hier helemaal niet. Die zijn hier tweehonderd jaar geleden allemaal aangeplant, voor het hout. Door de mens. Daarvóór werden deze heuvels, aldus nog steeds het informatiebord, al sinds de Romeinen gebruikt als grasland, voor het hooi. En dáárvoor, ja, dáárvoor was het dan oernatuur. Natuur zoals het bedoeld was. Met essen, elzen en wilgen. En díe oernatuur wordt hier en nu, onder meer door het rigoreus verwijderen van naaldbomen, weer teruggebracht. Waarna, zo belooft het bord ten slotte, de mens er verder met zijn tengels vanaf zal blijven. Tot het volgende nieuwste inzicht zich aandient, denk ik er zachtjes bij. Zover is het nu in elk geval nog niet, zie ik als ik zo eens om me heen kijk. Ik overzie een zo goed als kaalgeslagen terrein, zonder naaldbomen inderdaad, waarop ingewikkelde, wetenschappelijk ogende installaties staan opgesteld, met zonnepanelen, antennes, witte kastjes met genummerde bordjes, pinnen in de grond, aluminium constructies met opvangzakken van wit gaas en veel rood-wit afzetlint. Daartussen piepen dan hier en daar héél kleine loofboompjes, het zaailing-stadium maar nauwelijks ontgroeid. Die, zo neem ik aan, worden nu door alle technische rompslomp tot spiksplinternieuw oerbos gemonitord. Hoe de natuur het toch ooit zónder ons gered heeft, het is een groot raadsel.

DSC00050 x

Ik ben er dus dol op dit soort dingen tegen te komen tijdens het wandelen. Dingen die vragen oproepen. Raadsels soms. Die ook wel eens onopgelost blijven. Ook dat is wandelen voor mij. Af en toe stilstaan, en je verwonderen over wat je ziet. En niet eens alleen de grootse vergezichten, juist ook de kleine dingen.
Ik sta een tijdje stil bij een regenplas en zie dat daar van alles in leeft. Er schieten kleine salamandertjes tevoorschijn en weer weg, er scharrelen torretjes over de bodem, schrijvertjes dansen een Bauhausballet over het wateroppervlak met hun eigen wonderlijke schaduwen.
Ik buig me een tijdje over een mierenhoop en laat me hypnotiseren door het schijnbaar ordeloos gekrioel, maar krijg dan, wanneer ik het niet heel scherp meer zie, de indruk dat het juist een zeer systematisch krioelen is waarbij alle mieren in zeshoekige formaties steeds op dezelfde afstand van elkaar blijven en samen als één groot organisme functioneren. Het gestuntel en gehannes van een klein groepje mieren dat een dode kever naar boven probeert te slepen is daar dan weer grappig mee in tegenspraak.
Ik klim nog even in een Jagdstuhl, om hoog boven het dal wat te mijmeren over vroeger, toen mijn zonen onvermoeibaar élke Jagdstuhl beklommen, om te kijken of er misschien kogelhulzen lagen. Hier lagen ze niet, maar de herinnering was de klim wel waard.

DSC00155

Als ik na een dag door het bos wandelen het eindpunt nader en daar voor het eerst het bos verlaat, sta ik op een groene, hooggelegen vlakte plotseling oog in oog met groepjes enorme windmolens die daar kalm en bedaard hun rondjes draaien. Vreemd genoeg stralen ze een soort serene rust uit, dat zou je niet verwachten. En wat er verder ook over windmolens gezegd en gedacht mag worden, ik kan ze hier en nu niet lelijk vinden. Dat is allemaal maar een kwestie van tijd. Onze inmiddels tot heilig icoon verklaarde oerHollandsche windmolens werden in hun tijd óók als horizonvervuiling gezien. Een noodzakelijk kwaad waarvan bij de introductie van het stoomgemaal ook betoogd werd dat ze maar zo snel mogelijk moesten worden afgebroken. Dus. Als ik ze hier nu zo zie, als grote vriendelijke reuzen, die met de neus in de wind allemaal dezelfde kant op staan te kijken, vind ik dat eerder een surrealistische ervaring. Ik stel me voor dat ze zo, op een inmiddels uitgestorven aarde, worden aangetroffen door een onbekende buitenaardse beschaving, waarvan de geleerden zich dan voor dezelfde raadsels geplaatst zien als wij bij de beelden op Paaseiland, en er allerlei theorieën bij ontwikkelen over godenverering, offerceremonies en zonnerituelen. Maar goed, dan loop ik natuurlijk wel een beetje op de zaken vooruit.

Advertenties

Kerkepad, hoogholtje, poffert, borg en hoeske

cropped-20171213-nk-baflo-e1513182175224.jpg

Van Baflo naar Uithuizen, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 21 juli 2017

Als we aan het eind van de middag in Uithuizen bij de Menkemaborg een afsluitend terrasje pikken, vraagt de waard ons bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Van het Nederlands Kustpad, dat nochtans zo goed als dóór zijn gelagkamer loopt, heeft hij nog nooit gehoord. We beloven hem de volgende etappe te openen op zijn terras, met een kop koffie, maar dat we nu op huis aan gaan. We hebben er een beste etappe op zitten, het is mooi geweest.

DSC09646

De dag begint in Baflo met kerkbezoek. Dat is toeval, want als we op het kerkje aflopen om er een snel maar eerbiedig fotorondje omheen te maken, gaat juist de deur open. De mevrouw die naar buiten komt wil de boel eigenlijk afsluiten maar vraagt ons of we misschien even binnen willen kijken. Zo voelt het als een buitenkansje, waar we graag gebruik van maken. De mevrouw is vrijwilligster bij de kerk, vertelt ze op ons navragen. Bij de deur hangt een bordje met een telefoonnummer dat je kunt bellen wanneer je de kerk zou willen bezichtigen. Als je dat nummer belt, krijg je de mevrouw aan de lijn. Ze wordt niet heel vaak gebeld, vertrouwt ze ons toe, maar áls ze gebeld wordt, dan komt ze. Bijna altijd meteen. Ze heeft nooit geen zin om te komen. Maar als we de toren willen bezichtigen, die als een apart gebouw los van de kerk staat, moeten we een ander telefoonnummer bellen. Dan komt er iemand anders. Want de toren valt onder een andere stichting.
We krijgen trouwens geen spijt van onze impulsieve reactie want de Laurentiuskerk is erg de moeite waard. Aan de buitenkant is goed te zien dat het een zeer oud kerkje is, waar in de loop van de geschiedenis het nodige aan bijgebouwd en weer afgebroken is. Opgelapt, aangepast en gerestaureerd. De spitsboogvensters zijn er duidelijk later ingezet, gevelstenen memoreren verbouwingen in de jaren des Heeren 1656 en 1808. De buitengevel is een grillig mozaïek van uiteenlopend metselwerk in verschillende steensoorten. Binnen zien we een uitstekend onderhouden en afgewerkt interieur. Witgepleisterde wanden met vensters alsof ze er altijd hebben gezeten, gekleurd glas zo hier en daar, een blauw geschilderd balkenplafond, of is het groen, en achterin een fraai, rijk versierd orgel. Roodhouten herenbanken rond een preekstoel in het midden van de lange wand. De mevrouw wijst ons op een aantal grote kiezels met ieder een naam erop geschreven. Een gebruik van speciaal deze kerk. Het zijn de namen van de dit jaar overledenen. De stenen liggen een jaar in de kerk, ter nagedachtenis aan de dode, waarna ze worden meegegeven aan de familie of nabestaanden.
Geheel in stijl verlaten we Baflo via het kerkepad, over het hoogholtje richting Rasquert. Een hoogholtje, ik zeg het er maar even bij, is een smal en steil houten bruggetje over het water. Een ander zou van een kippenbruggetje spreken, ik meende te weten dat dit soort bruggetjes in Groningen een til werd genoemd, maar het blijkt allemaal nog veel ingewikkelder te zijn. Om het extra verwarrend te maken is dit hoogholtje dan ook nog weer gemaakt van staal. Ik besluit geen pogingen meer te ondernemen het fijne ervan te doorgronden, als ik maar aan de overkant kom vind ik het allemaal best.

DSC09681

Via Rasquert en Breede geraken we in Warffum, een stadje waaraan de voorspoed uit vroeger tijden goed is af te zien met een handvol statige herenhuizen, met grote vensters en balkons, versierde daklijsten en decoratief metselwerk. Middenin het dorp ligt openluchtmuseum het Hoogeland, waar de geschiedenis van de streek in twintig gebouwen levend wordt gehouden. Als oppervlakkige cultuurbarbaren komen wij niet verder dan het terras van het museumcafé. Waar we de plaatselijke lekkernij bestellen, dat dan weer wel. De poffert met kaneelroom. Een soort cake die zonder oven wordt gebakken, als een wentelteefje, maar dan toch weer anders. Armeluiscake, wordt er gezegd. Ons smaakt ie prima en als het tafeltje naast ons wat aarzelend is over de poffert, en ons op aanwijzing van het bedienend personeel om advies vraagt, raden wij hem van harte aan.

DSC09697

Als we Warffum weer uitlopen, worden we langs de begraafplaats gestuurd. Omdat wij van kerkhoven en begraafplaatsen houden, met hun verstilde sfeer, bedenken we dat we er net zo goed overheen kunnen lopen, en er wat van zien. Het is een fraaie, uitgestrekte begraafplaats die vreemd het midden houdt tussen aangeharkt en in verval. Al ronddwalend zien we tamelijk veel familiegraven met een sfeerverhogend roestig hekje eromheen waarbinnen het gras hoog opschiet, scheefgezakte stenen, een wat luguber ogende grafkelder van wel zeer sober grindbeton, graven die soms hutje mutje bij elkaar lijken te schuilen en anderen eenzaam en alleen in een groene zee van ruimte. Rust zacht lieve doden, staat ergens te lezen op een grijze naald van eroderend beton waarvan de lelijkheid de boodschap een tikkeltje ondermijnt. We krijgen het allemaal twee keer te zien want als we de begraafplaats aan gene zijde weer willen verlaten, blijkt daar een sloot te liggen. Heel even overwegen we een sprong, maar kiezen uiteindelijk natuurlijk voor de veilige weg terug op onze schreden.

DSC09730

In Rottum bezoeken we het beroemde kleinste huisje van Groningen. Het blijft opmerkelijk hoe belangrijk dat gevonden wordt, dat iets het grootste of het kleinste of het hoogste of het oudste of het langste of het dikste ergens van is. Alsof alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. Alsof iets alleen maar interessant kan zijn in de overtreffende trap. Als er in Groningen nou nog drie huisjes hadden gestaan die nét iets kleiner waren, dan was dit waarschijnlijk het kleinste huisje van midden noord oost Groningen geweest, om toch in de behoefte te voorzien. Maar.. wordt dit hoeske van Tais’ Joaptje daar nou meer of minder van? Welnee, het staat er en vertelt zijn verhaal. Op het eerste gezicht is dat misschien een romantische ‘vroeger was alles nog zo ouderwets gezellig en gezellig ouderwets oudHollandsch openluchtmuseum’ geschiedenisles, maar als je er even bij stil staat is het een heel ander verhaal. Want dit is inderdaad een piepklein huisje en het valt niet voor te stellen dat hier ook echt mensen in hebben gewoond. Hoe dan? Vragen wij ons onmiddellijk af. Want we staan er nu met één  medetoerist ons kont niet te kunnen keren en ergeren ons nú al aan elkaars aanwezigheid. Nog onvoorstelbaarder is het dat dit huisje van, wat zal het zijn.. twaalf vierkante meter, nog in 1953 werd bewoond. 1953! Drie kinderen op het stro op zolder, de ouders in de bedstee, het secreet achter het huis. Onderweg in Groningen hebben we borgen zien staan waarvan de kleinste kast waarschijnlijk nog groter was dan dit arbeidershuisje. Begin dit jaar heeft het huisje nog in de kranten gestaan toen het door actievoerders werd ingepakt in een zelfgebreide deken, om aandacht te vragen voor de problemen die Groningen ondervindt van onze gasconsumptie. Een situatie die je gerust een actuele variant op het verhaal zou kunnen noemen. De geschiedenis leert het blijkbaar nooit.
Met dit alles in ons achterhoofd betreden we aan het eind van de dag het landgoed bij de Menkemaborg in Uithuizen, om het op het terras, met uitzicht op de riante borg, wat te laten bezinken. De waard vraagt bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Maar dat hadden we al verteld.
DSC00856

Gevorkt

cropped-header-ijsvogelwanderweg.jpg

Op de vakantiebestemming in de Eifel liepen wij de Eisvogelwanderweg. Geen ijsvogel gehoord of gezien natuurlijk. Die zijn veel te schuw om zich voor het karretje van de Touristeninformation te laten spannen. Dat weet je van tevoren.
Ja, was het een uitzending van de Baardmannetjes op Max geweest, dan was het wel anders gelopen. Dan had Nico de Haan ons op de hem kenmerkende alwetende toon uitgelegd dat hij ons vandaag zeker een heel goede kans op een ijsvogeltje gaf, omdat die in dit gebied best wel vaak voorkwamen, we langs een snelstromend beekje liepen, met veel laag overhangende takken, en dat dat een ideaal leef- en jaaggebied voor ijsvogeltjes was. Dat hij dus zijn best zou gaan doen voor een ijsvogeltje. En dan zou Nico de Haan wel gezorgd hebben dat het op het eind van de dag gelukt was. Desnoods met listig ingemonteerde archiefbeelden. En dan hadden wij, als bestudeerd naïeve Hansen Dorrestijns, verheugd en ontroerd ah en oh kunnen roepen. Maar dat zat er dus niet in. De enige ijsvogels die we gezien hebben, waren de foto’s op de informatieborden van de wandeling.

DSC09852

Nou vind ik de ijsvogel persoonlijk toch een beetje té, eerlijk gezegd. Ik vind ze een beetje opgelegd mooi. Alsof iemand gedacht heeft: nu ga ik een vogeltje maken dat iedereen wel mooi móet vinden. Een beetje uitsloverig. Al dat blauw. Al dat oranje. Al die exotiek. En dan gewoon een standvogel zijn. En je dan te goed voelen om je af en toe eens te laten zien, aan de hardwerkende wandelaar. Al kan het ook zijn dat het ijsvogeltje dat zelf ook allemaal vindt, en zich daarom liever niet laat zien. Dat zou dan weer zielig zijn. En niet nodig.
Enfin, het was een fijne wandeling, klimmend en dalend langs het stroomdal van een allervriendelijkst beekje. We waren het er over eens dat één en ander een paradijselijke indruk op ons maakte. Waaruit maar weer blijkt dat we daar weinig voor nodig hebben. Het geruis van zacht stromend water over een paar rotsen, de lommer van een handvol jonge boompjes, wat overhangend groot hoefblad, een beetje balsemien en je bent een heel eind, wat ons betreft. Al verzinnen wij daar wel onze jongetjes bij natuurlijk, die dit jaar voor het eerst te groot zijn voor een vakantie met hun ouders, maar in onze herinnering nog altijd even druk in de weer met keien en stenen om de loop der dingen te bedwingen.

DSC09866

We zagen paarden, in de weilanden langs de beek. Op sommige plekken konden ze de beek oversteken naar een weiland aan de andere kant. Dat leek ons leuk voor de paarden.
We zagen koeien, on-nederlandse koeien, in andere kleuren en met horens. Dát zijn we al niet meer gewend, deze koeien stonden ook nog in familieverband bij elkaar. Vader stier, in volle glorie, met een handjevol moeders koe en een hele bende kalfjes er dartelend omheen. Dat leek ons leuk voor de koeien.
Op het eind van de wandeling vloog ons dan nog een grote roofvogel in het vizier, waarvan wij meenden te weten dat dat een wouw was. Milan, in het Duits. Wisten we ook nog. Aan de staart kun je zien of het een Rotmilan of een Schwarzmilan is. De één is gevorkt, de ander niet. Welke wel en welke niet, dat waren we dan weer kwijt. Bovendien bleek het later niet helemaal waar te zijn. Beiden hebben een gevorkte staart. De rode iets meer dan de zwarte. Of andersom. En de onze had wel een érg gevorkte staart, zodat we later ook weer zijn gaan twijfelen aan onze waarneming.
Nee, daar kan Hans Dorrestijn nog een puntje aan zuigen.