Groeten uit Grolloo

cropped-header-grolloo.jpg

Groene Wissel 344, Op avontuur in boswachterij Grolloo, gelopen op woensdag 25 oktober 2017

Is het mogelijk een wandeling van, naar en rond Grolloo te maken zonder over Cuby + the Blizzards te beginnen? Nee, zo blijkt dus, hier en nu. En is het niet te flauw boven het verslag van zo’n wandeling dan ‘Groeten uit Grolloo’ te zetten? Ja, eigenlijk wel natuurlijk. Behoorlijk flauw. Al staat daar als excuus tegenover dat Blues Village Grolloo er alles aan doet te zorgen dat zijn beroemde zoon niet onopgemerkt zal blijven. De Godfadder van de Nederblues is alomtegenwoordig. Alle borden en pijlen wijzen naar zijn museum, langs de weg staan spandoeken van opgeblazen foto’s met allen Harry Muskee als bepalend middelpunt en op het asfalt staat zijn songtekst afgedrukt. Appleknockers Flophouse. That’s where we live in. En vanaf de brink ziet het ongenaakbaar bronzen borstbeeld dat het goed is. Enfin, het is een halve eeuw geleden allemaal, maar het blijft een fenomeen, zullen we maar zeggen, Cuby. Al moet ik bekennen dat ik het pas later ben gaan waarderen. In retrospectief. De elpee heb ik nog niet eens zo gek lang in huis. Een krijgertje, ook nog. Ik was meer van Herman Brood.

DSC01277

Goed, terug naar onze eigen tijd. Wat de moderne techniek al niet vermag. Mij baserend op buienradar én weeronline ben ik vandaag van huis gegaan voor een flinke wandeling, in de veilige wetenschap dat, hoe grijs het er ook uit ziet, het de hele dag droog zal blijven. En nu zit ik dus in de auto, op een verlaten parkeerterrein in een ook verder uitgestorven Blues Village Grolloo op mijn telefoontje te turen, terwijl het roffelt op het dak en het water langs de beslagen ruiten stroomt, om te kijken of het al droog is. Hoe deden we dat vroeger toch ook weer? Als het schermpje zegt dat het droog is ga ik nog op pad ook, de capuchon op tegen de regen. Appleknockers Flophouse, it’s a place in the sun.
Het zal het twijfelachtige weer zijn, maar ik ben alleen op de wereld vandaag, zo lijkt het. Geen kip, kom ik tegen. Geen hond. Geen mens. Erg vind ik dat niet, zo loopt er niemand in mijn uitzicht en op honden onderweg ben ik toch al niet dol. En ik hoef niet na te denken over hoe er gegroet moet worden. Dat blijkt namelijk, wandelend in Nederland, overal anders te zijn. Het is moi of hoi of hé of nog iets anders. Veiligheidshalve houd ik het meestal op goeiedag, dat kan niet verkeerd gaan. Tenminste dat dacht ik. Nu er toch plotseling iemand opduikt, in strakke zuurstokkleuren, die mij groet met ‘goeiedag’, raak ik zo van mijn apropos dat mijn tekst hier wordt ingepikt, dat ik er bij mezelf een verbouwereerd, alles dooreen verhaspelend gmweûh uit hoor komen. De man zal zich de rest van de dag hebben afgevraagd waar ik in vredesnaam vandaan kwam.

Verbouwereerd ook trouwens omdat het niet klopt met het door mij in de loop der jaren proefondervindelijk vastgestelde systeem van groeten. Mensen in zuurstokkleuren groeten geen wandelaars, in dat systeem, die hebben het daar te druk voor. Voor mensen in zuurstokkleuren op fietsen geldt dat nog sterker, die wanen zich van een hogere orde en nemen zelfs geen wandelaars waar. Wandelaars groeten iedereen, maar worden alleen teruggegroet door andere wandelaars, in de meeste gevallen. In uitzonderlijke gevallen ook door fietsers zonder zuurstokkleuren en ruiters. Dit systeem geldt alleen voor in de provincie. In randstedelijk gebied wordt in principe niet gegroet. Al passeer je elkaar op een pad van een halve meter breed en moet je voor elkaar de berm in, oogcontact wordt vermeden en ieder vervolgt het eigen gesprek of de eigen gedachtegang. Groeten wordt hier ervaren als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarom afgeraden.

DSC01297

Even buiten het beroemde dorp loop ik boswachterij Grolloo in. Uitgesproken koddig is het verzoek bij het betreden van de boswachterij de mobiele telefoon uit te zetten, in verband met de radiotelescopen van de sterrenwacht. Ik vraag me in alle vrolijkheid af hoeveel mensen hieraan gehoor zullen geven. Aan de andere kant zou het een alternatieve verklaring kunnen zijn voor het feit dat ik hier dus moederziel alleen loop. Met mijn uitgezette mobiel. Op het Wilhelmus zul je me nooit betrappen, een brave burger ben ik evengoed wel.
De blues ga ik hier niet vinden, in boswachterij Grolloo, dat heb ik al snel gezien. Wat een schitterend gebied. Stukken heide en open ruigtes rond vennen worden afgewisseld met naaldbospercelen, donkerzwart van de regen, natte gebiedjes met berkenhout en loofbossen waar de inmiddels doorbrekende herfstzon gouden strepen doorheen tovert. Zó groen is het loof ook hier en daar nog dat het met het zonnetje erop bijna weer lente lijkt. Een plaatje! De weelderige overdaad aan paddestoelen roept me tot de orde. Net als het verend roestbruin bladertapijt dat veel van de paden bedekt. In de percelen met naaldhout strekt een fluorescerend groen moskleed zich uit. Andere paden en paadjes zijn door de overvloedige regen van de afgelopen weken in zompige modderpoelen veranderd. Zelfs de olifantenpaadjes die zich daarnaast hebben gevormd zijn soms al moeilijk begaanbaar geworden.

DSC01417

De routebeschrijving belooft een avontuur maar is zó gedetailleerd dat verdwalen in elk geval vrijwel is uitgesloten. Zelfs waar het fout zou kúnnen gaan is de beschrijving de wandelaar steeds een stapje voor. Als hij er nog ligt, wordt er bijvoorbeeld gewaarschuwd, dient men óm de omgezaagde boom heen te lopen, teneinde daarachter het bedoelde pad te vinden. Een andere moeilijk vindbare afslag het bos in is men voorbijgelopen wanneer men een paaltje met een 9 ziet. Even een stukje terug, luidt het advies. Toch zijn tijd en werkelijkheid soms nóg sneller. Een stuk hoog naaldbos waar men 500 meter doorheen wordt geleid is inmiddels van de aardbodem verdwenen. Er resten slechts treurige stompen. De gezellige horeca die in Schoonloo wordt aangekondigd, lijkt zich heden ten dage zo op het eerste oog te beperken tot een twijfelachtige pizzeria-snackbar tegenover een zéér voormalig café dat alleen nog hoeft in te storten. Achteraf blijkt dat een te snelle conclusie te zijn geweest. Schoonloo is groter dan het leek.
Vanaf Schoonloo gaat het linksom weer terug naar boven, terug naar het beginpunt. Stukjes door bos en hei, iets vaker over boerenweggetjes, langs zwart akkerland waar de voederbieten juist vanaf zijn gehaald, en langs ruime weiden met paarden. Zeker niet minder aangenaam. Zeker niet minder de moeite waard. Het is juist de afwisseling van het één met het ander die een wandeling zijn charme geeft.
Als de avond begint te vallen nader ik Grolloo weer. Voor mijn lange schaduw uit loop ik over een modderige weg de ondergaande zon tegemoet. Als een poor lonesome cowboy. Maar dat is meer country, geloof ik.

DSC01426

Bekijk eventueel ook het fotoalbum

Advertenties

Een helder, bijna welluidend kroe kroe

header dwingelderveld

Een herfstwandeling over en langs het Dwingelderveld, gelopen op maandag 23 oktober 2017

Herfstvakantie. Dan kun je je plannen beter niet te veel van het weer af laten hangen want dan kom je de deur niet uit. En dat zou zonde zijn, nietwaar. Kijk maar eens naar een dag als vandaag. Ja, de lucht is grijs en dreigend. En ja, er valt eens een buitje, zoals buienradar al had voorspeld, en er zou er straks best nog een kunnen vallen. Maar veel vaker nog is het droog, het bos ruikt heerlijk als het is natgeregend, de lucht is frisser dan ooit en de grijze wolkenluchten en de heiige vergezichten hebben een heel eigen, betoverende schoonheid. Bovendien komt het zonnetje er ook af en toe nog doorheen, het is herfst tenslotte, veranderlijk weer. Prima omstandigheden voor een herfstwandeling, zo moet je het zien. Wij laten ons in elk geval niet kisten en krijgen daar geen spijt van.

DSC01063

We lopen van Dwingeloo in de bosrand langs het Dwingelderveld richting Lhee, over schelpenpaadjes en brede boslanen, maken een kronkel over de heide en vinden in de vallende schemer onze weg terug over smalle, soms moeilijk zichtbare paden en paadjes door het bos. Maar al lopen we op veel plaatsen over een dik, licht verend, roodbruin pakket van afgevallen blad, het herfsttapijt is nog lang niet af. De bomen gaan ook nog volop in herfstkleuren getooid, variërend van groenig geel en gelig groen tot roestbruin, bordeaux en knalrood. Een lust voor het oog, zo clichématig als het zijn mag. En nu dat woord toch gevallen is: het schijnt een misvatting te zijn dat paddestoelen alleen in de herfst voorkomen. Dat schijnt een romantisch en onwaar cliché te zijn. Dat heb ik wel eens ergens gehoord, dat heb ik wel eens ergens gelezen. Maar ik weet niet of de kabouters dat ook weten want tjongejonge, wat hebben we er veel gezien, paddestoelen bedoel ik. Paddenstoelen, zo u wilt. Bermen, stronken en boomstammen vol. In soorten, maten, cirkels, rijen, groepjes en kleuren. The usual suspects als vliegenzwam, stuifzwam en elfenbankje, de soorten waar je dan heel stoer de naam van denkt te weten, al begin ik nu ik het zo opschrijf alweer te twijfelen of elfenbankje wel een officiële naam is.. is dat niet meer een kinderaanduiding die ten onrechte is blijven hangen? Dat geldt trouwens misschien ook wel voor eekhoorntjesbrood.. En wat ik nu een stuifzwam noem, was dat niet een bovist? Is er verschil tussen een bovist en een boleet, en zo ja: welke is wat? Of andersom?

paddestoelen dwingelderveld

In het bezoekerscentrum, dat we een paar dagen later bezoeken, wordt ons bij een zwaar geurende herfsttafel bevestigd wat we al wel wisten ook: er bestaan honderden verschillende soorten paddestoelen, die zelfs de kenner soms maar moeilijk uit elkaar kan houden. We zouden het ontzettend leuk vinden er alles van en over te weten, maar leggen ons er bij neer dat dat er nooit van zal komen. Het is onbegonnen werk. Het is teveel. Al belet dat ons niet er plezier aan te beleven. We zien vreemde en buitenissige exemplaren en bij gebrek aan de boom der kennis zijn we niet te beroerd er zelf, als Adam en Eva in het paradijs, een naam voor te verzinnen. Zo ontdekken wij bijvoorbeeld de Anemoonamoniet, de Hortensiazwam, de Gewone Koeienvlaai en de Kokosbovist. Stuk voor stuk zeer afdoende namen wat ons betreft, al worden we voor twee ervan bijna ter plekke gecorrigeerd door de boswachter die toevallig ons pad kruist. Als hij ons vanuit de verte gebiologeerd over de natuur gebogen ziet staan, stapt hij van zijn houten fiets om ons op eventuele bijzonderheden te wijzen. En om een praatje te maken allicht, want zoals hij de eerste levende ziel is die wij tegenkomen, zijn wij dat misschien ook voor hem.

DSC01054

Of wij op het paadje links achter ons de gekraagde aardster hebben gezien? Vraagt de boswachter, met twinkelende oogjes. Een bijzondere, zo niet zeldzame paddestoel, die op het Dwingelderveld alléén op juist dát paadje voorkomt, voor zover hij weet. Wij herkennen onmiddellijk onze Anemoonamoniet en vertellen opgetogen dat die ons inderdaad is opgevallen. Onze Hortensiazwam, die langs hetzelfde paadje stond, herkent de boswachter dan weer als de Grote Sponszwam, al had hij hem zelf nog niet gezien op die plek. Voordat hij weer verder fietst, misschien wel om de Grote Sponszwam alsnog te gaan bekijken, vertrouwt hij ons toe dat we, als we geluk hebben, best eens kraanvogels tegen zouden kunnen komen. Een ontmoeting waar wij de rest van de wandeling op gespitst blijven.
We passeren sprookjesachtige miniatuurlandschappen van boomstronken begroeid met bekertjesmos, rendierenmos en piepkleine paddestoeltjes en zwammetjes, de sporen van het helgroene mos in dit perspectief als een geheimzinnig woud van reusachtige bomen. We gaan er graag voor door de knieën, om ons te laten betoveren. Een afgebroken stuk met bekertjesmos begroeid schors gaat voorzichtig in mijn capuchon gepakt mee naar huis. Net als twee door de bosbeheerder uit de grond gerukte dennetjes. Daar komen we de aankomende kerst wel mee door.

DSC01116

Verderop, wanneer we de heide zijn opgelopen en een aantal vennen zijn gepasseerd, worden we andermaal met onze onwetendheid op natuurgebied geconfronteerd. Op een picknicktafel ligt iets, of groeit iets, of leeft iets, iets intrigerends, dat ons voor raadselen plaatst. Het is een bobbelig hoopje van een behangerslijmachtige substantie, een onsmakelijk drilpuddinkje, alles bij elkaar ter grootte van een duim. Als een sterk uitvergroot klompje cellen ligt het daar, een onverklaarbaar embryo. Er steekt een sliertje uit, een navelstreng, een restje darm, met het vermoeden van bloederigheid en eromheen en half er op liggen zwarte bolletjes, alsof iemand er een lepel kaviaar overheen heeft geschept. Zijn het de inmiddels opgezwollen ingewanden van een diertje dat hier op een nare manier aan zijn eind is gekomen? En zijn de zwarte bolletjes zijn laatste maaltje geweest? De zaden van het een of ander? Is het een slijmerige zwamsoort? Een schimmel? Met zwarte bolletjes als sporen? Heeft iemand hier iets vies zitten doen? We komen er eenmaal weer thuis, op internet pas achter. Het blijkt te gaan om sterrenschot, uit bijgelovige overlevering ook wel heksensnot genoemd. Hier is een vrouwelijke kikker te grazen genomen, door een reiger, of een ooievaar. Of een kraanvogel natuurlijk. En wat op tafel is blijven liggen, is het weer uitgekotste kikkerdril. De wittige substantie het door maagsappen en regen opgezwollen en opengebarsten eiwit, de zwarte bolletjes de onfortuinlijke kikkertjes die nooit zullen meemaken hoe weergaloos mooi maar ook gevaarlijk en wreed het leven op het Dwingelderveld kan zijn.

DSC01148

Dan, als we de hoop al bijna hebben opgegeven, horen we een helder, bijna welluidend kroe kroe in de lucht. Allebei tegelijk steken we onze vinger in de lucht: hoor je het? We horen het allebei. Het is een nieuw geluid voor ons leken, en we weten dus niet welke vogel er bij hoort, maar voor hetzelfde geld is het een kraanvogel. Uiteraard hebben we ook geen idee welk geluid een kraanvogel maakt. We weten zo weinig eigenlijk. Wel zien we in een flits een grote vogel achter de bomen verdwijnen zodat we ons in elk geval even kunnen verheugen in de mogelijkheid dat het een kraanvogel was die we hoorden. Een verheugen van korte duur omdat we vrij snel daarna opnieuw het kroe kroe horen, dat deze keer duidelijk zichtbaar gemaakt wordt door iets dat zeer zeker geen kraanvogel is. Eerder een kraai. Maar een kraai, dat weten we dan in elk geval nog wel, zegt géén kroe kroe. En zeker niet helder of bijna welluidend. Het is ook groter dan een kraai, zien we nu. Met waarschijnlijk kinderlijk aandoende logica besluiten we dat het dan wel een roek zal zijn. Waarom niet. Ook leuk. Thuis op internet worden we vervolgens in verwarring gebracht wanneer we lezen dat de kraanvogel weldegelijk een helder, trompet-achtig kroe kroe voortbrengt. Zie je nou wel, zeggen we tegen elkaar. Maar als we het bijgeleverde geluidsbestand afspelen weten we weer beter, een kraanvogel was het niet. Voor de zekerheid spelen we dan ook de roek af. Een factcheck kan nooit kwaad tenslotte. En dat blijkt, want mijn hemel, wat een roek voortbrengt, dat komt niet eens bij welluidend in de buurt. Het is geen kroe kroe, het is geen krassen, het is niks, het is geluidsoverlast. Uiteindelijk komen we uit bij de raaf. De raaf roept precies het kroe kroe dat wij hebben gehoord. Helder en bijna welluidend. We snappen er niks van. Wordt in de bekende fabel van De La Fontaine niet beweerd dat de raaf zó vals krast dat hij niet mee mag zingen in het koor van vogels? Dat moet een vergissing zijn. De La Fontaine heeft duidelijk een roek gehoord, maar heeft net zo veel verstand van de natuur gehad als wij.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.