Industriële vergezichten

cropped-header-20171209-21.jpg

Van Tjamsweer naar Termunterzijl, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 1 december 2017

Logistiek is het gekkenwerk natuurlijk, maar we hebben het in ons hoofd gezet dat we het Nederlands Kustpad nog dit jaar willen afronden. Een race tegen de klok. Niet zozeer omdat het jaar bijna is afgelopen, we schrijven december, maar vooral omdat het laatste stukje Groningen met een reistijd van ruim twee-en-een-half uur nou niet direct naast onze respectievelijke deuren ligt en het ’s middags vóór vijven al donker is. We schrijven niet voor niets december. Niettemin starten we de dag optimistisch onder de kerktoren van Tjamsweer. Het is koud, er ligt zelfs een vliesje ijs op de sloot rond het kerkhof, maar de zon schijnt ook, het is een kraakheldere, veelbelovende dag.

DSC02962

Tjamsweer lijkt niet heel veel meer dan haar kerk te zijn want zodra we de weg zijn overgestoken lopen we Appingedam binnen. Een plaatsnaam die, we durven het bijna niet te zeggen in deze tijden van tweedracht en kloofdenken, bij ons voormalig randstedelingen geen grootse beelden oproept. Dat blijkt ten onrechte. Appingedam heeft een schitterend historisch stadsgezicht, met krommende straatjes en stokoude huisjes, karakteristieke geveltjes, de grootste kerk uit de Groningse ommelanden naast een raadhuis uit 1638 op het plein, een eigen museum en hangende keukens boven de gracht. Een plaatje.
Bij de koffie krijgen we aanspraak van de bediening, die ons met toenemende verbetenheid uit de doeken doet hoe de andere kant van de medaille eruitziet, in mooi Groningen. Huizen die permanent in de stutten staan, telkens opnieuw scheuren en langzaamaan onverkoopbaar zijn geworden. De frustratie daarover, over hoe daarmee om wordt gegaan, is zeer voelbaar. Onze machteloosheid moet ook te merken zijn want na enige tijd wordt overgeschakeld op het weer, dat heerlijk is, en kunnen we veilig de aftocht blazen.

DSC03005

Voordat Delfzijl het overnam was Appingedam, in een economische bloeitijd, een stad van enige industriële betekenis, lezen wij later op internet. Met onder meer een steenfabriek, een strokartonindustrie en een kalkoven. Even buiten de oude stad, aan het Damsterdiep, komen we daarvan een overblijfsel tegen. Industrieel erfgoed, mogen we aannemen. Een witgepleisterd kantoorgebouw, dakpannen, een rood bakstenen fabriekshal met zo’n iconisch zaagtanddak, een bakstenen schoorsteenpijp, een trapgeveltje en eenvoudig, wat hoekig siermetselwerk. Honderd jaar geleden zal het een indrukwekkend groot complex geweest zijn. Vandaag, afgezet tegen wat we verderop rondom Delfzijl nog te zien krijgen, valt vooral de menselijk maat op. Hier werd, leert internet ons, tussen 1907 en 2004 de zogenaamde Bronsmotor geproduceerd, een vinding van de Groningse bouwvakker Jan Brons. Een zuinige maar krachtiger variatie op de dieselmotor, begrijpen we ervan. Zware motoren, toegepast onder meer in de scheepvaart en in gemalen.
In Delfzijl zien we dan voor het eerst weer de zee, dat wil zeggen, de Eems. Het is eb. Het kost enige moeite de zeedijk te bereiken, omdat Delfzijl zich opmaakt voor de toekomst, blijkens een metershoog banier, wat in het heden de gebruikelijke rommel geeft. Her en der rijdt zwaar materieel, overal liggen hopen zand en steen en staan bouwhekken en borden die de vrije doorgang ontmoedigen. Rechts wordt een jaren zeventig flat duurzaam afgebroken. Esthetisch gezien lijkt het ons geen groot verlies, maar in de Volkskrant lezen we later in de week een reportage over de laatste bewoners, die er veertig jaar met veel plezier hebben gewoond. Zijn we toch weer elitair bezig verdorie. Belangrijk argument voor sloop was trouwens, dixit de Volkskrant, dat het gebouw niet voldoende aardbevingsbestendig was. Waarmee de nieuwe Groningse werkelijkheid dus andermaal om de hoek komt kijken.

IMG_3800

Over de kruin van de zeekering, een smal betonnen pad met aan weerszijden een borstwering, lopen we in ganzenpas om Delfzijl heen, een fantasieloze omgevallen blokkendoos met veel geparkeerd blik. Voor de charme van Delfzijl moeten we toch echt aan de andere kant zijn. Daar zien we de Eems in het blauw oplossen, één wordend met de rookpluimen van Eemshaven in de verte, in monochrome aquarellen. En daarna windmolens, kranen en ander havengeweld dat scherp en kleurrijk afsteekt tegen de blauwe hemel. Aan de overkant ligt Duitsland. We passeren een aantal zijlen, kolkende verbindingen tussen de zee en het land, lopen langs de scheepswerven van Farmsum, via de groene zeedijk onder een rechtlijnig netwerk van glimmende pijpleidingen door, langs vreemde bouwsels op poten en een doods pekelbassin richting de industriële vergezichten die Groningen Seaport verder nog in petto heeft. De chemische industrie, de aluminiumfabriek, de vuilverbranding. Natuurschoon komt er weinig aan te pas, deze etappe, maar goed, dat hoeft van ons ook niet altijd. Wij zijn de beroerdsten niet en ook zeker in staat te genieten van het schouwspel dat ons wel geboden wordt. De laaghangende zon deelt zachtmakende, sepia-oranje-achtige kleuren uit aan al die grote en vreemde gebouwen, al dat ingewikkelde en dampende en stomende technisch vernuft, aan de inmiddels dreigende wolkenluchten erboven en zet deze hele onheilspellende wereld ondanks alles in een romantische gloed. Torenhoge windmolens en dikke rookpluimen worden mysterieus aangelicht. Als we omkijken zien we de vuilverbranding afsteken tegen een lucht die veranderd is in een vuurzee. Het is een spectaculaire aanblik. Wat we allemaal inademen, daar denken we dan maar liever even niet aan.

IMG_3760

Een keerzijde is er ook, aan al deze futuristische schoonheid. De industriële vergezichten die Delfzijl het Rotterdam van het Noorden zagen worden, hebben ook slachtoffers gemaakt. Drie complete dorpen die hier eeuwen hebben gelegen zijn aan de vooruitgang opgeofferd. Van Heveskes zien we alleen het kerkje nog staan, aan de overzijde van de Oosterhornhaven. Een eenzaam overblijfsel van een oud verleden. Een anachronisme, nietig en reddeloos verloren tussen de boven haar uit torenende kathedralen van de chemische industrie. Van Oterdum zijn alleen de grafstenen bewaard gebleven. Het dorp zelf is, met kerk en kerkhof en al, afgebroken om plaats te maken voor verzwaring van de zeewering en uitbreiding van het industriegebied. De grafstenen zijn op de dijk geplaatst, als een laatste groet aan het dorp dat hier ooit lag maar door het land werd verzwolgen, om te voorkomen dat het land door de zee werd verzwolgen. Van Weiwerd tenslotte is niet veel méér over dan de wierde waarop het ooit lag. Een wat verwaarloosd kerkhof en een dichtgetimmerde boerderij contrasteren onaangenaam met de intimiderende machinerieën en buizencomplexen die letterlijk tot aan de rand van het dorp zijn opgerukt. Over de wierde ligt een plattegrond van klinkerweggetjes en beukenhaagjes die er zó nieuw en onderhouden uitzien dat ze bijna wel vooruit moeten lopen op de herinrichting van Weiwerd, die op een groot bord aan de weg wordt aangekondigd. Een herinrichtingsplan dat het dorp opnieuw in authentieke stijl wil opbouwen, op de fundamenten die er nog liggen, om er vervolgens kleinschalige high-tech bedrijvigheid in te vestigen. Een brainwierde, moet het worden, waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de omringende chemische- en metaalindustrie, die het plan ook initieerden. Klinkt mooi, en idealistisch. Maar wij lezen ook dat er weinig met de grond gedaan kan worden vanwege de archeologische waarde, met bijbehorende regelgeving. We lezen ook dat de bevolking van Weiwerd jarenlang behoorlijk is gepiepeld, door overheid en ondernemingen. Misleid en aan het lijntje gehouden met valse beloften en niet nagekomen afspraken en uiteindelijk toch verjaagd van de grond waar ze generaties lang woonden. Waar ze ondanks alles niet weg wilden. Grond waar nu, tientallen jaren later, eigenlijk nog steeds niets mee gedaan is. Geschiedenis, is het. Maar het klinkt ons ook razend actueel in de oren.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Advertenties