Ben + Tim

P1050885

Wandelend over de heuvelrug genaamd Der Schwarze Mann, in de Eifel, plaatselijk bekend als één van de hoogste, werd ik door meerdere bordjes uitnodigend gewezen op een bijzonder uitzichtpunt. Eifelblick, heette de route die ik liep, geloof ik. Een Aussichtanlage was het, met uitzicht op drie landen. Duitsland, uiteraard, België en Luxemburg. En dan ben ik toerist genoeg om even een kijkje te nemen.
In de berm was een iets verhoogd podium gebouwd dat ruimte bood aan minstens veertig belangstellenden. Met een stevig hek eromheen voor de veiligheid, een bank om op te zitten voor de ouderen en de corpulenten, en een informatiebord om op te lezen waar je welk land kon zien en waarom.
Ik zag het niet, maar dat vond ik niet erg. In een hoekje namelijk stond iets dat alles goed maakte.
Het was een bescheiden, eenvoudig maar vooral zelfgetimmerd bankje. Een restje schuttinghout, met twee handenvol ferme spijkers op evenveel aan de haard ontkomen stammetjes vastgenageld. Aan één kant volgens een min of meer symmetrisch systeem, aan de andere kant met een wat lossere aanpak. Aan beide kanten was goed te zien dat er flink getimmerd was.
Een rugleuning had het bankje niet nodig, dat was te ingewikkeld, maar op de zitting was een bordje gespijkerd waarop je kon lezen wie dit bankje gemaakt had. Dat waren Ben + Tim. Het stond er met zwarte stift geschreven, in onbeholpen letters en met zo’n verdraaide N.
Tim het oudere broertje, vulde ik ter plekke in, die al aan elkaar heeft leren schrijven, en Ben de jongste, die vooral zijn eigen naam heeft geoefend. De N blijft lastig. Papa heeft de datum erbij gezet. 25 4 19. Tim timmerde de rechterkant, Ben de linker. Papa trots het bordje. Samen hebben ze het naar hier gebracht, als geschenk aan de wereld. Met een beetje pijn in het hart achtergelaten misschien, zo’n mooi werkstuk.
Ik besloot even op dit bankje te gaan zitten. Ik had toch net trek in een appeltje. En een slokje water. Ik wilde toch net even rusten, om even wat te mijmeren.
Het uitzicht over drie landen kon mij verder gestolen worden, ik genoot dankzij dit bankje van een veel mooier uitzicht. Op de dagen namelijk dat deze papa zelf zijn dochter meenam naar het atelier, en later ook zijn zonen, gedrieën zijn eigen Tim en Ben, zo kort geleden nog maar, zo lang geleden alweer, om een dagje te zagen en te timmeren. Iets moois te maken, op eigen kracht, met een beetje hulp van papa, die toen nog alles wist en alles kon.
Uitzicht op de rijkdom van je bestaan. Het beste inzicht dat je kunt hebben. En geen bordje dat je er op wijst. Daar heb je een bankje als dit voor nodig.

Waxinelichtjes in aluminium cupjes

cropped-p1050848.jpg

Wandeling rond Sellerich-Hontheim, gelopen op maandag 5 augustus 2019

Vanuit ons vakantieverblijf in de Eifel maak ik vanmiddag een eerste verkennende wandeling. We logeren wat onderaan in een dal, dus waar ik ook besluit heen te lopen, het begint met klimmen. Flink klimmen, ook nog. Ik vind dat een soort van spannend, laat ik het nu maar bekennen, want sinds mijn hier tot nu toe verzwegen operatie vorig jaar is het voor het eerst dat ik dat weer doe. Wandelingen bergop leverden mij voorheen steevast de bekende pijn op de borst, waardoor ik elke klim in behapbare stukken of stukjes moest verdelen en telkens op adem moest komen. Waar ik in de loop der jaren behoorlijk behendig in was geworden. Overigens was ik er in de loop der jaren ook buitengewoon handig in geworden dit soort noodzakelijke pauzes te maskeren met een meer of minder uitgebreid fotomoment, een sanitaire stop, een slok water of het raadplegen van kaart of mobiel. Niet alleen voor eventuele medewandelaars, ook, of misschien wel vooral, voor mezelf.
Goed.
Van wandelingen thuis weet ik inmiddels wel dat, wat het me verder ook allemaal aan al of niet blijvende nasleep heeft opgeleverd, de pijn op de borst is verdwenen. In elk geval voorlopig, houd ik immer op mijn hoede een slag om de arm.

P1050845

Desondanks begin ik niet helemáál onbevangen aan de weg naar de top van dienst, der Schwarze Mann, wat trouwens een tikje onheilspellend klinkt, maar dat heb je wel vaker in het Duits. Het wordt zo’n klim waarvan je bij elke bocht of wending denkt dat je er wel zo’n beetje bent maar die dan telkens een nieuw stuk in petto heeft. Aanvankelijk moet ik een beetje zoeken naar een geschikt tempo, veel lager dan ik hoogmoedig heb ingezet, zoeken ook naar rust en vertrouwen in mijn lijf, maar zonder kleerscheuren of ademnood geraak ik boven. Hetgeen mij tot bescheiden tevredenheid stemt.
Onderweg hoop ik altijd wild te treffen. Een ree, of twee, een koppeltje wilde zwijnen.. ze moeten er zijn, in deze uitgestrekte bossen, er staat niet voor niets elke tweehonderd meter een Jagdstuhl – zo’n op stelten van multiplex en asfaltpapier in elkaar geflanste schiethut van waaruit de sportieve jager zijn prooi op zijn gemakje, zonder al te veel arbeidsintensief sluipen en achtervolgen, af kan knallen – maar ze laten zich niet zien. Niet aan mij. Het is niet de juiste tijd van de dag, weet ik natuurlijk ook wel, veel te warm, veel te vroeg. En een rammelende rugzak en dat eeuwig knerpende grind onder de wandelschoenen helpen ook niet echt. Ik moet het doen met een lui opvliegende blonde Greifvogel en het nodige klein grut waar ik de namen ook niet van weet.
Zoals mij wandelend in Duitsland al wel eens eerder gebeurde, kom ik ook vanmiddag de oorlog tegen. Halverwege de klim naar boven stuit ik op een monument dat oproept in de Here Jezus te geloven. Het monument is neergezet, lees ik, ter nagedachtenis aan drie mannen die hier, de eerste maand na de oorlog, bij herstelwerkzaamheden aan de waterleiding, op een landmijn stuitten. Of het een geallieerde of een Duitse mijn was vermeldt het verhaal niet. Ik vraag me een tijdje af of dat verschil zou maken, voor de tragiek ervan, maar kom er niet uit. De Here Jezus zat er verder niet mee in elk geval.

P1050863

Bovenop de heuvelrug tref ik een bunker. De resten van een bunker, met een door de tand des tijds aangevreten hek er nauwelijks nog omheen. Het lijkt mij een vreemde plek voor een bunker, zo lukraak midden in het bos, tot ik bedenk dat ik hier natuurlijk langs de Westwall loop. En dat dat bos er destijds waarschijnlijk niet stond en men vanaf dit hoge punt een riant uitzicht en vrij schootsveld over het aanpalende dal gehad zal hebben. Bunker, vermeldt een vervaagd opschrift in gothische letters, om misverstanden uit te sluiten. Het is een wanordelijke stapel grove brokstukken zwart en grijs beton waar de bewapening aan alle kanten roestig uit steekt. Alsof er met een enorme hamer op is geslagen hangt de tientallen centimeters dikke dakplaat aan zijn betonijzer in stukken naar binnen. Het lijkt er niet op dat dit ook het werk van de tand des tijds is. Het lijkt er meer op dat deze bunker met het nodige geweld aan zijn einde is gekomen. Dat zou dan dus oorlogsgeweld geweest kunnen zijn, ben ik geneigd te denken, want als het een naoorlogse opruimactie is geweest, waarom de brokstukken dan niet ook afgevoerd? De ellendige omstandigheden waarin mensen elkaar hier naar het leven hebben gestaan, ben ik geneigd er in gepaste stilte bij te denken.
Alweer op de terugweg bezoek ik nog een kleine, witte Mariakapel die we eerder al hadden zien afsteken tegen de groene verte. Het is opmerkelijk hoeveel kapelletjes, Maria’s en kruisbeelden je op de vreemdste en meest afgelegen plekken tegenkomt, waar ook vaak nog een kaarsje in brandt, of verse bloemetjes bij zijn gezet, in een vaasje.
Aan de rand van de weg ernaartoe staan eerst nog twee grote, klassiekerig uit brokken geel steen opgemetselde pilaren, in het niets. Restanten van een toegangshek, schat ik zo in. Nu slechts toegang biedend aan een lege weide, en het glooiend landschap erachter, maar eerder misschien aan de oprijlaan van een inmiddels verdwenen landhuis of burcht.
Een te romantische gedachte. Volgens een bijgeleverd bord gaat het om de Eingangstor zum ehemaligen Reichsarbeitsdienstlager Hontheim. Internet leert dat dit van 1933 tot 1945 dienst heeft gedaan als opvoedings- en werkkamp voor Duitse jonge mannen, die hier zes maanden verplicht te werk werden gesteld in de oorlogsindustrie. Er zou bijvoorbeeld gewerkt zijn aan benodigdheden en onderdelen voor de Westwall. Later, toen de jonge mannen op begonnen te raken, werden er ook vrouwen aan het werk gezet.

P1050925

Het kapelletje ten slotte, want daar kom ik voor, blijkt in 1948 te zijn opgericht ter ere van de heilige maagd Maria, als dank voor het feit dat Zij de plaatselijke bevolking zou hebben gered bij het passeren van de geallieerde frontlijn, 21 september 1944, in de nadagen van de oorlog. Maria geeft geen krimp, aan de muur van haar witte kapel. Zij laat het zich gewoon maar aanleunen.
Het is stil en vredig in het kapelletje. En warm. Op twee tafeltjes branden kaarsjes, waxinelichtjes in aluminium cupjes, op een eenvoudig altaar staan bloemen. Aan de muren zijn tal van bordjes geschroefd waarmee Maria dank wordt gezegd voor allerlei andere, niet nader benoemde verleende diensten – in marmer gebeiteld, geëmailleerd of aandoenlijk met naïeve hand in dito vrolijke kleuren geschilderd. Er hangt ook een geplastificeerd verzoek niet uit eigen beweging schildjes op de muur te bevestigen. Maria, nogmaals, ziet het allemaal onbewogen aan.
Als ik de gewijde stilte van het kapelletje weer verlaat, parkeert er juist een auto op het grindpad. Dat zal de koster wezen, denk ik, die de boel komt afsluiten. Als niet-religieus begin ik mij alvast schuldig te voelen voor mijn ironische, louter toeristische belangstelling voor deze verheerlijking, maar het blijkt al gauw dat de vermeende koster, geheel in het groen gekleed, met een heel ander oogmerk aan de rand van het bos komt parkeren. Dure groene tassen komen er uit de kofferbak tevoorschijn, onderdelen worden aan elkaar geschroefd. Mijn groet wordt niet beantwoord. Met plotseling enige huiver passeer ik de resterende Jagdstuhlen op weg naar ons tijdelijk huis.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.