Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde

Van Houwerzijl naar Baflo, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op woensdag 17 mei 2017

Houwerzijl lijkt best een aardig plaatsje, toch krijgt het van ons niet de aandacht die het dus waarschijnlijk verdient. Er zijn een hele winter en een half voorjaar overheen gegaan sinds we hier de wandeling onderbraken en nu we de draad weer op willen pakken, kunnen we hem zo gauw niet meer vinden. Houwerzijl ligt net naast de voorgeschreven route, dus het boekje biedt maar weinig soelaas, en markeringen, hoe goed we ook zoeken, ontbreken. Een man met een grote snor die zijn dito hond voor ons tot kalmte maant, zet ons op het spoor naar de Houwerzijlstervaart, en dan komt alles goed.

DSC08659

Wij hervatten onze tocht over een zeer uitbundig met fluitekruid omzoomd fietspad langs het water. De fietsers die we daarbij tegenkomen zijn niet geërgerd dat wij hun de weg versperren, zoals je ook wel meemaakt als wandelaar, maar roepen ons stuk voor stuk blijmoedig toe hoe móói het hier is, met al dat fluitekruid. En verderop, in Leens, zet die gemoedelijke trend zich voort. Daar ontmoeten we meerdere mensen die uitgebreid in de tuin zitten, de ramen zemen of de bloembakken water geven en ons bij het langslopen aanmoedigen met de vaststelling dat het schitterend wandelweer is. Iets dat wij telkens even opgewekt beamen. Het ís ook schitterend wandelweer. Langzaam breekt de zon door en wordt het steeds warmer. Met in de mensen duidelijk een welbehagen.

DSC08665

Iets vóór Leens betreden wij met gepaste eerbied nog Olle Weem. Een zeer oud kerkhof, gelegen op een wierde, idyllisch omzoomd door bomen en opnieuw bloeiend fluitekruid. Het is het enig overblijfsel van Vliedorp, dat hier in oude tijden lag. Zo lezen wij op het informatiebord. Tot het jaar des Heeren 1695 liepen de inwoners van Houwerzijl hier op zondag langs het kerkepad naartoe om de mis te bezoeken. Daarna raakte de kerk van Vliedorp in onbruik, werd hij afgebroken en werden zijn stenen hergebruikt voor de pastorie van Leens. Het dorp bleef bewoond tot het eind van de achttiende eeuw. Het kerkhof was tot 1868 in gebruik als dodenakker van Houwerzijl. Bij slecht weer werd de rouwstoet per boot over de Houwerzijlstervaart vervoerd, lezen wij nog. Begin twintigste eeuw is de wierde voor een groot deel afgegraven, om de vruchtbare zeeklei waarvan zij was opgeworpen aan belendende provincies te verkopen, een lot dat veel wierden in die tijd was beschoren. Een operatie waarbij in dit geval blijkbaar geen rekening werd gehouden met het gegeven dat de kostbare aarde hier eeuwige rust bood aan de doden, aangezien er veel zerken bij verloren zijn gegaan. Die zijn, aldus nog altijd het informatiebord, door boeren uit de omgeving ‘voor allerlei doeleinden’ aangewend. Een mededeling van een nieuwsgierig makende vaagheid. Wat overbleef zijn twaalf verspreid liggende, moeilijk leesbare zerken. En de ondanks alles verstilde sfeer.
Even voorbij Leens leggen we aan bij de borg Verhildersum, omringd door een slotgracht, gelegen temidden van barokke tuinen, een lommerrijk landgoed en aan het eind van een statige oprijlaan. In 1398 bescheiden begonnen als een verdedigbare woontoren, groeide het vanaf de zestiende eeuw uit tot de rijke herenwoonstee die er nu nog staat, met koetshuis, arbeidershuisje, duiventil en boerderij.

DSC08726

Langs het Scheeftilsterpad lopen we verder langs een toch echt lichtglooiend landschap. Veel landerijen worden gebruikt voor de aardappelteelt en zijn zandkleurig, grijsachtig bruin, bruinachtig grijs. Gestreept, met hoge ruggen, alsof het land zorgvuldig met een reuzenkam gekamd is, in superstrakke voren. Soms kaarsrecht, soms in concentrische bogen. Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde.
Langs het Warfhuisterloopdiep komen we terecht in Warfhuizen, dat een soort havenstadje blijkt te zijn, middenin het Groningse land. Langs de vaart ligt een lange rij bootjes in soorten en maten afgemeerd. En in uiteenlopende staten van onderhoud, dat ook. Maar in bijna allemaal wordt druk getimmerd, geklopt en gezaagd. Er moet blijkbaar nog heel wat gebeuren voor er gevaren kan worden. Iets verderop treffen we zelfs een werfje, met op het droge een heel aantal boten, waarvan sommigen zolang even op een paar oliedrums zijn gestald. Aan de waterkant een eenvoudige takel om ze weer in de vaart te tillen. In de schaduw van één van die boten staan twee mannen een gemoedelijk praatje te maken. Ze blijken te wachten op de eigenaar van de werf, en de takel, die de boot van de mannen vandaag volgens afspraak te water zou laten. Al lijkt het erop dat hij niet op komt dagen, stellen ze laconiek vast. Eén van de mannen vertelt uit Rotterdam te komen. Waar zijn ouders in 1941 naar terugkeerden, toen het nog smeulde. Maar nu woont hij dus hier en dat bevalt hem prima. Al wacht hij dan waarschijnlijk vergeefs tot zijn boot te water wordt gelaten. De man draagt een rond hoornen brilletje, een boordloos overhemd, een krullende snor, lang haar en een platte pet waar hij regelmatig onder krabt. Het is te warm voor een wollen pet. Zijn veel te ruime ribfluwelen broek wordt door rode bretels omhoog gehouden en hij hanteert een bij dit alles passende artistieke onverschilligheid die wat bestudeerd aandoet. Wanneer wij opperen dat hij de man van de takel misschien kan bellen, werpt hij zijn beide armen in gespeelde hulpeloosheid in de lucht en roept schamper uit dat hij niet eens weet hoe zo’n 06-ding wérkt. De mannen accepteren aldus de tegenslag en besluiten de middag elders en op een andere manier door te brengen. Wij vervolgen onze weg.

DSC08731

Bij het gemaal Abelstok betreden we zo’n beetje de Groningse actualiteit van gaswinning en zakkende bodem. Het is één van de gemalen die werden gebouwd op de grens van het verzakkingsgebied met als taak het waterpeil in het gebied aan te passen aan de dalende bodem. Over de herkomst van de naam Abelstok doen verschillende verhalen de ronde. Het meest tot onze verbeelding spreekt de 19e eeuwse sage van ene Abel die, om een weddenschap te winnen, met een polsstok de Hoornse vaart bedwong maar daarbij zó ver sprong dat hij aan de overkant volledig uit zicht verdween, tot radeloosheid van de achtergebleven toeschouwers.
Bij het gemaal ontmoeten we een man waarvan we achteraf denken dat hij wel eens een ver familielid van Abel Stok zou kunnen zijn. Hij zit nogal verlegen om een praatje, en de oude en der dagen zatte teckel die hij bij zich heeft legt zich daar amechtig hijgend van de inmiddels zomerse hitte bij neer. De man vertelt ons met enig bravoure hoe hij een aantal keer per week het tegenoverliggend Abelstokbos intrekt om er met een boomstam van soms wel 80 kilo weer uit te komen, die hij dan vervolgens op zijn schouder naar huis vervoert. Bij wijze van sport en beweging. Die bomen blijven daar toch maar liggen, vindt de man, en dat is dan misschien in het kader van het moderne natuurbeheer, maar zo komt hij mooi aan zijn brandhout voor de winter. Toen de stammen eens te groot waren om te dragen, had hij een kettingzaagje meegenomen. Hij zou er natuurlijk ook met een aanhanger heen kunnen gaan, en zijn hele voorraad in één keer meenemen, dat snapte hij ook wel, maar dan was het dus geen sport meer. En op deze manier werd hij víer keer warm van zijn hout, rekent hij ons voor. Wisten wij trouwens dat er naast het gemaal ook een vistrap was gebouwd? Zodat de vis ongestoord langs het gemaal van a naar b kon zwemmen. Flauwekul en zonde van het geld, als je het hem vroeg, want hij had er nog nooit een vis in gezien.

DSC08763

Langs het Mensingeweersterloopdiep en Mensingeweer zelf tenslotte, geraken we in Maarhuizen, bestaande uit niet veel meer dan een grote boerderij van 1811 die er verlaten bijstaat. Op het erf staan wat roestige voorwerpen, de ruiten van de stal zijn gebroken, de luiken van het woonhuis hermetisch gesloten. De stalmuur is met dikke houten balken gestut. Nu staan we dus echt op verzakte bodem, bedenken wij, al weten we het zeker niet zeker. Geen teken van leven dat ons tegenspreekt. Maarhuizen is verlaten. Gevlucht voor de NAM, en het beven der aarde. Alleen de doden zijn achtergebleven, in serene rust, op het naastgelegen wierdekerkhof.

 

Advertenties

Schuldig landschap en oernatuur

cropped-header-201708312.jpg

Een wandeling van Ramscheid tot Schönenseiffen, gedeeltelijk langs GR56, gelopen op vrijdag 4 augustus 2017

Op vakantie in de Eifel begin ik zonnig gehumeurd aan een wandeling langs de Duits-Belgische grens. Noem het naïef, noem het onwetend, ik had daar aanvankelijk geen andere gedachte bij dan dat grenzen nou eenmaal altijd tot de verbeelding spreken, in elk geval tot de mijne, zelfs als ze zijn afgeschaft. Nog geen dertig meter van de parkeerplaats word ik bij de eerste de beste bocht al met mijn argeloze neus op de historische feiten gedrukt. Een steen met gouden inscriptie herdenkt dat hier, op deze plek, in de nacht van 16 december 1944 het Duitse Ardennenoffensief begon. De slag om Rheinland en Eifel, The Battle of the Bulge, die maandenlang duurde en vele tienduizenden soldaten het leven heeft gekost. Ik loop langs kilometers drakentanden, betonnen driehoeken tot ruim een halve meter hoog, streng in het gelid, in rijen van drie of vijf of meer.

DSC00009

De Westwall, lees ik later, die het Duitse rijk moest beschermen tegen aanvallen vanuit het westen, werd gebouwd vanaf 1938 en is 630 kilometer lang. En nog altijd, nu bijna zeventig jaar later, doorsnijdt dit lugubere bouwwerk hier het landschap. En niet alleen het landschap, het snijdt ook mij door de ziel. In hun onafzienbare rijen doen deze betonnen driehoeken, verweerd, bemost en begroeid, scheefgezakt hier en daar tussen de later opgeschoten bomen en struiken, sterk denken aan de zerken van een verwaarloosd kerkhof. Verlaten en vergeten. Overwoekerd door de tijd.

Een terechte gedachte, komt mij voor. Tienduizenden anonieme soldatengraven zijn het, waar ik langsloop. Wat een trieste aanblik. Ik raak er danig van onder de indruk, en kan hier niet in straf wandeltempo aan voorbijlopen. Als een onbedoeld monument dwingen deze stellingen mij tot overpeinzing. Zoveel zinloze doden. Zoveel angst, zoveel lijden, zoveel verdriet staart mij hier aan. Zo een onvoorstelbare barbaarsheid. Ik maak wat foto’s, maar het lukt me niet de foto te maken die uitdrukt wat het bij me oproept. Later besef ik dat dat ook helemaal niet kan. Wat hier uitgedrukt moet worden, valt niet op een foto vast te leggen. Ook niet in woorden waarschijnlijk.
Verderop kom ik nog een aandenken uit die tijd tegen. Het Jonny Brückchen, het bruggetje van Jonny, vertelt het verhaal van een Belgische soldaat die in de oorlog verliefd werd op een Duits meisje en zich na de oorlog bij haar in de Eifel vestigde, een zoon met haar kreeg, maar in 1948 door de Duitse douane werd doodgeschoten terwijl hij voedsel voor zijn gezin over de grens probeerde te smokkelen. Een persoonlijk drama, maar het geeft ook te denken. Want als mensen van twee strijdende partijen verliefd op elkaar kunnen worden, en samen zonen kunnen krijgen, waarom wordt dan uiteindelijk gestreden? Moeten we niet allemaal verliefd op elkaar worden en zonen en dochters krijgen? Zou de wereld daar niet enorm van opknappen?

DSC00055

Aangeslagen loop ik verder door het stroomdal van de Olef, een beekje waarvan je hier nog niet zou denken dat het verderop zal uitlopen in een machtig stuwmeer. Het is een prettig landschap, ik draai weer een beetje bij. Groene, sappige flanken met het idyllisch kronkelend geruis van water in de diepte. Op één of andere manier krijg ik zo het idee dat ik door de natuur loop zoals die bedoeld is, ooit, in het begin. Een soort oernatuur. Flauwekul natuurlijk, ik loop tenslotte over een keurig geëgaliseerd pad van precies een tractor breed door wat hoogstwaarschijnlijk een productiebos is, maar toch.. het is de ervaring die telt.
Later kom ik trouwens over een terrein waar helemaal korte metten wordt gemaakt met mijn romantisch ideaalbeeld. Want al die naaldbomen, valt er op een Duits informatiebord te lezen, horen hier helemaal niet. Die zijn hier tweehonderd jaar geleden allemaal aangeplant, voor het hout. Door de mens. Daarvóór werden deze heuvels, aldus nog steeds het informatiebord, al sinds de Romeinen gebruikt als grasland, voor het hooi. En dáárvoor, ja, dáárvoor was het dan oernatuur. Natuur zoals het bedoeld was. Met essen, elzen en wilgen. En díe oernatuur wordt hier en nu, onder meer door het rigoreus verwijderen van naaldbomen, weer teruggebracht. Waarna, zo belooft het bord ten slotte, de mens er verder met zijn tengels vanaf zal blijven. Tot het volgende nieuwste inzicht zich aandient, denk ik er zachtjes bij. Zover is het nu in elk geval nog niet, zie ik als ik zo eens om me heen kijk. Ik overzie een zo goed als kaalgeslagen terrein, zonder naaldbomen inderdaad, waarop ingewikkelde, wetenschappelijk ogende installaties staan opgesteld, met zonnepanelen, antennes, witte kastjes met genummerde bordjes, pinnen in de grond, aluminium constructies met opvangzakken van wit gaas en veel rood-wit afzetlint. Daartussen piepen dan hier en daar héél kleine loofboompjes, het zaailing-stadium maar nauwelijks ontgroeid. Die, zo neem ik aan, worden nu door alle technische rompslomp tot spiksplinternieuw oerbos gemonitord. Hoe de natuur het toch ooit zónder ons gered heeft, het is een groot raadsel.

DSC00050 x

Ik ben er dus dol op dit soort dingen tegen te komen tijdens het wandelen. Dingen die vragen oproepen. Raadsels soms. Die ook wel eens onopgelost blijven. Ook dat is wandelen voor mij. Af en toe stilstaan, en je verwonderen over wat je ziet. En niet eens alleen de grootse vergezichten, juist ook de kleine dingen.
Ik sta een tijdje stil bij een regenplas en zie dat daar van alles in leeft. Er schieten kleine salamandertjes tevoorschijn en weer weg, er scharrelen torretjes over de bodem, schrijvertjes dansen een Bauhausballet over het wateroppervlak met hun eigen wonderlijke schaduwen.
Ik buig me een tijdje over een mierenhoop en laat me hypnotiseren door het schijnbaar ordeloos gekrioel, maar krijg dan, wanneer ik het niet heel scherp meer zie, de indruk dat het juist een zeer systematisch krioelen is waarbij alle mieren in zeshoekige formaties steeds op dezelfde afstand van elkaar blijven en samen als één groot organisme functioneren. Het gestuntel en gehannes van een klein groepje mieren dat een dode kever naar boven probeert te slepen is daar dan weer grappig mee in tegenspraak.
Ik klim nog even in een Jagdstuhl, om hoog boven het dal wat te mijmeren over vroeger, toen mijn zonen onvermoeibaar élke Jagdstuhl beklommen, om te kijken of er misschien kogelhulzen lagen. Hier lagen ze niet, maar de herinnering was de klim wel waard.

DSC00155

Als ik na een dag door het bos wandelen het eindpunt nader en daar voor het eerst het bos verlaat, sta ik op een groene, hooggelegen vlakte plotseling oog in oog met groepjes enorme windmolens die daar kalm en bedaard hun rondjes draaien. Vreemd genoeg stralen ze een soort serene rust uit, dat zou je niet verwachten. En wat er verder ook over windmolens gezegd en gedacht mag worden, ik kan ze hier en nu niet lelijk vinden. Dat is allemaal maar een kwestie van tijd. Onze inmiddels tot heilig icoon verklaarde oerHollandsche windmolens werden in hun tijd óók als horizonvervuiling gezien. Een noodzakelijk kwaad waarvan bij de introductie van het stoomgemaal ook betoogd werd dat ze maar zo snel mogelijk moesten worden afgebroken. Dus. Als ik ze hier nu zo zie, als grote vriendelijke reuzen, die met de neus in de wind allemaal dezelfde kant op staan te kijken, vind ik dat eerder een surrealistische ervaring. Ik stel me voor dat ze zo, op een inmiddels uitgestorven aarde, worden aangetroffen door een onbekende buitenaardse beschaving, waarvan de geleerden zich dan voor dezelfde raadsels geplaatst zien als wij bij de beelden op Paaseiland, en er allerlei theorieën bij ontwikkelen over godenverering, offerceremonies en zonnerituelen. Maar goed, dan loop ik natuurlijk wel een beetje op de zaken vooruit.

Gevorkt

cropped-header-ijsvogelwanderweg.jpg

Op de vakantiebestemming in de Eifel liepen wij de Eisvogelwanderweg. Geen ijsvogel gehoord of gezien natuurlijk. Die zijn veel te schuw om zich voor het karretje van de Touristeninformation te laten spannen. Dat weet je van tevoren.
Ja, was het een uitzending van de Baardmannetjes op Max geweest, dan was het wel anders gelopen. Dan had Nico de Haan ons op de hem kenmerkende alwetende toon uitgelegd dat hij ons vandaag zeker een heel goede kans op een ijsvogeltje gaf, omdat die in dit gebied best wel vaak voorkwamen, we langs een snelstromend beekje liepen, met veel laag overhangende takken, en dat dat een ideaal leef- en jaaggebied voor ijsvogeltjes was. Dat hij dus zijn best zou gaan doen voor een ijsvogeltje. En dan zou Nico de Haan wel gezorgd hebben dat het op het eind van de dag gelukt was. Desnoods met listig ingemonteerde archiefbeelden. En dan hadden wij, als bestudeerd naïeve Hansen Dorrestijns, verheugd en ontroerd ah en oh kunnen roepen. Maar dat zat er dus niet in. De enige ijsvogels die we gezien hebben, waren de foto’s op de informatieborden van de wandeling.

DSC09852

Nou vind ik de ijsvogel persoonlijk toch een beetje té, eerlijk gezegd. Ik vind ze een beetje opgelegd mooi. Alsof iemand gedacht heeft: nu ga ik een vogeltje maken dat iedereen wel mooi móet vinden. Een beetje uitsloverig. Al dat blauw. Al dat oranje. Al die exotiek. En dan gewoon een standvogel zijn. En je dan te goed voelen om je af en toe eens te laten zien, aan de hardwerkende wandelaar. Al kan het ook zijn dat het ijsvogeltje dat zelf ook allemaal vindt, en zich daarom liever niet laat zien. Dat zou dan weer zielig zijn. En niet nodig.
Enfin, het was een fijne wandeling, klimmend en dalend langs het stroomdal van een allervriendelijkst beekje. We waren het er over eens dat één en ander een paradijselijke indruk op ons maakte. Waaruit maar weer blijkt dat we daar weinig voor nodig hebben. Het geruis van zacht stromend water over een paar rotsen, de lommer van een handvol jonge boompjes, wat overhangend groot hoefblad, een beetje balsemien en je bent een heel eind, wat ons betreft. Al verzinnen wij daar wel onze jongetjes bij natuurlijk, die dit jaar voor het eerst te groot zijn voor een vakantie met hun ouders, maar in onze herinnering nog altijd even druk in de weer met keien en stenen om de loop der dingen te bedwingen.

DSC09866

We zagen paarden, in de weilanden langs de beek. Op sommige plekken konden ze de beek oversteken naar een weiland aan de andere kant. Dat leek ons leuk voor de paarden.
We zagen koeien, on-nederlandse koeien, in andere kleuren en met horens. Dát zijn we al niet meer gewend, deze koeien stonden ook nog in familieverband bij elkaar. Vader stier, in volle glorie, met een handjevol moeders koe en een hele bende kalfjes er dartelend omheen. Dat leek ons leuk voor de koeien.
Op het eind van de wandeling vloog ons dan nog een grote roofvogel in het vizier, waarvan wij meenden te weten dat dat een wouw was. Milan, in het Duits. Wisten we ook nog. Aan de staart kun je zien of het een Rotmilan of een Schwarzmilan is. De één is gevorkt, de ander niet. Welke wel en welke niet, dat waren we dan weer kwijt. Bovendien bleek het later niet helemaal waar te zijn. Beiden hebben een gevorkte staart. De rode iets meer dan de zwarte. Of andersom. En de onze had wel een érg gevorkte staart, zodat we later ook weer zijn gaan twijfelen aan onze waarneming.
Nee, daar kan Hans Dorrestijn nog een puntje aan zuigen.

Terug naar De Horsten

cropped-header-20170706-5.jpg

NS wandeling van Den Haag naar Voorschoten, gelopen op zondag 11 juni 2017

Den Haag lijdt aan de ziekte van Mondriaan. Een duidelijk geval, zie ik als ik er doorheen loop. Op de raarste plekken vertoont het straatbeeld een felgekleurde uitslag. Op tramhaltes en pleinen, gevels en schuttingen, bankfilialen, kantoorkolossen, musea en ijspaleizen, in etalages en vijvers.. waar je kijkt zie je rode, blauwe en gele vlekken, vierkant en rechthoekig, in willekeurige formaties bij elkaar geharkt met meestal nog een handvol achteloos neergegooide zwarte lijnen. Hoppeta.. wéér een eerbetoon aan de 100 jarige Stijlbeweging, en dan met name diens bekendste zoon. Die zich natuurlijk driewerf omdraait in zijn graf bij al dat goedkoop en liefdeloos hoeren en sloeren met zijn werk. Een levenslange zoektocht teruggebracht tot een placemat van de Action. Kunst behapbaar gemaakt voor de ignorante SBS6-consument. Mondriaan als Bekende Nederlander. Ik krijg er jeuk van op een nare plaats waar ik net niet bij kan.
Bij het immer in staat van verbouwing verkerend Centraal Station loop ik gelukkig het Haagse Bos in, dat tot nog toe blijkbaar aan de aandacht van de gemeentelijke cultuurprojectgroep is ontsnapt. Hier is alles nog gewoon, en gelijkmatig groen. Op de vroege jogger na, de homo fluorescensis, in zijn neonpakje, die blazend en puffend langs komt zwoegen en geen adem meer over heeft om mij, dorpsbewoner inmiddels, terug te groeten.

DSC09363

Uit mijn ooghoek meen ik dan iets bijzonders te zien en verdomd, daar zít ook iets bijzonders. Een eekhoorn! In het Haagse Bos, op steenworp afstand van de zojuist overgestoken A12 en het hectisch centrum van de grote stad, direct naast een druk bereden fietspad, sterker nog.. midden in een speeltuin, zit daar een eekhoorn. Eekhoorns, dat zijn bij mijn weten ontzettend schuwe beestjes die je alleen bij hoge uitzondering en met veel geluk af en toe te zien krijgt als je met je ouders op vakantie bent in een bos ver weg op de Veluwe. Zó lang is het geleden dat ik een eekhoorn heb gezien. En automatisch doe ik wat mij toen geleerd is: héééél stil zijn, niet bewegen en kijken. Héél voorzichtig ook maak ik een paar foto’s, met de camera op maximaal inzoomen dus tot mislukken gedoemd, maar goed, je moet wat, als je wild ziet.
Na een tijdje zo in de gloria geweest te zijn, besluit ik een poging te wagen iets dichterbij te komen, omdat ik per slot toch ook weer een keer door wil lopen. En dan pas wordt het me duidelijk, hoe het zit. Want in tegenstelling tot wat ik verwacht had, vlucht de eekhoorn niet schichtig zigzaggend en spiralend de dichtstbijzijnde boom in, maar blijft hij zitten waar hij zit en keurt me geen blik waardig. Terwijl ik me nou niet bepaald als een Winnetou door het struweel beweeg. En om het me nog iets beter in te wrijven krijgt hij uit de dichtstbijzijnde boom zelfs nog gezelschap van een tweede eekhoorn. Verderop zie ik er nog drie scharrelen trouwens. Goed, de tijd heeft ook voor de eekhoorn niet stil gestaan begrijp ik, en het zal misschien niet lang meer duren voor je ze bij je terrastafeltje weg moet jagen, toch koester ik tot diep in Wassenaar mijn geluksgevoel. Een eekhoorn! Vlakbij!
Meer dan veertig jaar heb ik in Den Haag gewoond, ik ben er geboren en getogen, en het is dus zeker niet voor het eerst dat ik door het Haagse Bos loop, of over de Wassenaarse landgoederen. Toch gaat het nooit vervelen. Omdat overal de herinneringen voor het ophalen liggen natuurlijk. Maar ook omdat ik diep in mijn hart toch steeds een Hagenaar ben gebleven. Een Hagenees. Hier kom ik vandaan. Hier ben ik thuis. Al zijn er tot mijn verbazing ook delen van de route die ik voor het eerst zie. In Park Marlot bijvoorbeeld, tref ik voor mij geheel nieuwe uit- en aanzichten.

DSC09385

Zoals het vaalwitte beeld dat uitkijkt over een zeer lange vijver, in de lommer van dubbele beukenrijen langs het wandelpad. Het is een beeld van twee in lange gewaden gehulde dames die samen wat ongeïnteresseerd een schild ophouden met de Haagse ooievaar, waaronder vrij geprononceerd de tekst S Severijn. Wat niet de naam is van de landheer, de baron of de hertog, zoals ik eerst dacht, maar de naam van de beeldhouwer. Op de krullerige bovenkant van het schild staat dan nog een pronte kroon. Op één of andere manier, en wat oneerbiedig waarschijnlijk, gaat dat samen nogal lijken op Prince John, de ijdele en wat dommige leeuw uit de Disney versie van Robin Hood, met zijn te grote kroon steevast half over de ogen gezakt.

prince john severijn

Nou goed, ik zal de enige zijn die het erin ziet. Maakt niet uit.
Het beeld maakt doodgemoedereerd de indruk hier altijd al gestaan te hebben. Een restant van een ingangspartij of een monument voor het één of ander. Maar dat is, vind ik later uit, dus niet waar. Op het inmiddels alweer lang en breed ter ziele zijnde Haagse blog Hofstijl lees ik dat het, onder de naam ‘gevelbekroning’, afkomstig zou zijn van de Zwaardvegersgaarde, in Den Haag Zuid. Waar het dan volgens mij, gezien de Zwaardvegersgaarde heden ten dage, toch op zijn laatst halverwege de jaren vijftig in grote sloopdrift verdwenen zou moeten zijn. Al zou ik zo één twee drie ook niet weten welke gevel het daar dan in vredesnaam bekroond zou moeten hebben. Als gevelbekroning zou het nog wel eens deel uitgemaakt kunnen hebben van het oude Haagse stadhuis aan de Groenmarkt, van een aan modernisering ten onder gegane vleugel, zo gaat ook een verhaal. Dat lijkt meer te kloppen, want nader onderzoek wijst uit dat op het overgebleven stuk oude stadhuis nog een zeer vergelijkbare gevelbekroning staat. Het beeld waar ik nu naar kijk zou dan, na de sloop, bij halfslachtige wijze van monumentenzorg, in de Zwaardvegersgaarde terecht kunnen zijn gekomen. Tot het daar om onbekende redenen, stijlbreuk waarschijnlijk, ook weer weg moest en het in Park Marlot werd geparkeerd. Waar het vervolgens ook niet ongestoord tot de dag van vandaag op mijn komst heeft staan wachten aangezien het vrij recent ook nog zwaar gevandaliseerd op de gemeentestort is gesignaleerd. En blijkbaar dus weer teruggeplaatst, in ere hersteld, want daar staat het. Recht tegenover mij. Op de foto’s die ik tijdens mijn digitale speurtocht vind, staat de te grote kroon er trouwens niet altijd op. Dus daar is ook iets mee.

3x severijn

Het is een beeld met een verhaal. Een Haags verhaal, dat nog wat vragen openlaat, maar ook daarom een tot de verbeelding sprekend verhaal. Het is maar goed dat ik er niet achteloos ben langsgelopen.
Vóór ik de N44 oversteek naar de landgoederen van Wassenaar, loop ik eerst nog een stukje door de woonwijk Marlot. Hoewel dit gedeelte van Den Haag wel echt ’s Gravenhage mag heten. Godskolere wat een kasten van huizen, om het zo maar eens te zeggen. In één van de meer dan riante tuinen staat een meneer als uit een stripverhaal, in witte badjas te telefoneren. En al is het vandaag volgens de berichten de warmste junidag in jaren, aan zijn voeten stoomt voor straks vast de ingegraven hot tub.

DSC09417

Eenmaal in Wassenaar veranderen woonwijken in landgoederen. De villa’s, paleizen en kastelen die hier verstrooid tussen eeuwenoude beukenlanen en huizenhoge rodondendrons, op uitgestrekte gazons tussen waterpartijen staan te dromen, zijn zó groot en uitgebreid dat je bijna niet kunt geloven dat hier mensen wónen. Als ministerie of bankkantoor zouden ze ook het ook heel aardig doen. Hekken en camera’s houden de wandelaar op gepaste afstand en sommige landgoederen zijn zó deftig dat rood-witte routemarkering er niet getolereerd kan worden, zo meldt de uitgeprinte routebeschrijving, die hier dus kort bij de hand gehouden moet worden om verdwalen te voorkomen. Opvallend is dan wel weer dat hoe dieper ik het rijke gebied binnendring, hoe vriendelijker er gegroet wordt. Op het uitbundige af soms. Na een aantal van dit soort goedgemutste ontmoetingen begin ik mij dan af te vragen hoe het komt dat je aan mensen kunt zien dat ze rijk zijn. Waar ‘m dat in zit, buiten het gegeven natuurlijk dat je ze tegenkomt in oud Wassenaar. De pruikentijd is voorbij, hoge hoeden worden niet meer gedragen, men verplaatst zich niet meer in koetsen en als je zijn auto’s buiten beschouwing laat, is de rijke mens qua uiterlijk schijnbaar geheel geïntegreerd, met vale vrijetijdskleding en sportschoenen. En toch pik je ze er zó uit. Het is het haar. Tot die conclusie kom ik. Het haar zit te perfect. En de verwaten blik uiteraard. Die is het ook.
Wat rijk en deftig en toch heel gewoon gebleven betreft, kent deze wandeling trouwens een goede opbouw want in de loop van de dag waarschuwt een niet te missen stenen pilaar dat men hier het privé jachtgebied van zkh prins Frederik betreedt. Ik nader De Horsten, achtertuin van het Koninklijk Gezin, maar gedeeltelijk nog altijd voor elke onderdaan toegankelijk, tegen betaling van één euro. Contant te voldoen, serieus, aan een bemand loket. Een tolhuis, zou je kunnen zeggen. Wie zegt dat de monarchie een achterhaald instituut is?

DSC09466

Ik ben vandaag wel bewust op weg naar De Horsten trouwens, om jeugdsentimentele redenen. Als kind kwam ik er vaak, onder de vleugels van mijn ouders. Die hadden een jaarkaart, weet ik nog. Die moest je eens per jaar met de pet in de hand komen vernieuwen, bij een boswachtershuis aan het eind van een lange oprijlaan. Verder, moet ik eerlijk bekennen, weet ik er verbazend weinig meer van. Er zweven wat vage, herfstkleurige beelden door mijn geheugen, maar iets concreets wil er niet naar boven komen. Misschien omdat ik er later nooit meer ben terug geweest, zoals wel in de andere bossen en parken uit mijn jeugd. Dus misschien, bedenk ik mij nu, zijn de vroege herinneringen die ik dáár aan heb ook wel niet zo betrouwbaar als ik zou willen en heb ik die pas veel later gemaakt. Het geheugen doet vaak maar wat tenslotte. In elk geval, het leek mij aardig, nu ik in de gelegenheid was, eens te kijken of er, door er doorheen te wandelen, toch niet wat authentieke oude beelden uit mijn jeugd wilden verschijnen. Je weet maar nooit tenslotte. Maar dat gebeurde niet. Zelfs de koninklijke seringenberg, die destijds toch indruk gemaakt moet hebben op het jongensgemoed, met zijn smalle naar boven spiralende weggetje, woelt niets ouds in mij los. Zo veel en vaak  ik er als jongen ook gerend en gedraafd mag hebben, vijftig jaar later loop ik er toch echt gewoon alsof ik er voor het eerst ben. Nou ja, dat is ook een bijzondere gebeurtenis, een hernieuwde kennismaking. De tweede keer voor het eerst.

 

Scheve toren, gewonde terp

cropped-header-20170627.jpg

Een etappe van het Nederlands Kustpad, van Ferwert naar Ternaard, gelopen op woensdag 13 april 2016

We waren al eerder in Ferwert, dat klopt. Maar door bittere kou en aanhoudende regen uit ons normale doen gebracht, lieten wij het die keer, ten onrechte, ongeïnteresseerd en ongeïnspireerd links liggen, op weg naar een goed heenkomen. Vandaag, met de lente in de lucht en het zonnetje erop, komt het allemaal veel beter tot zijn recht. Het dorpsplein, met het rood wit gestreepte zeil van de kaaskraam, de kletsende dames met de fiets aan de hand, de kastanjes die in het blad dreigen te schieten, de vriendelijke huisjes onder de kerk, het bordje dat maant tot stapvoets rijden.. het is allemaal even plezierig. We lopen onder een poortje door, voor een rondje om de kerk, achter het plein gelegen op een terp en met zijn overzichtelijk kerkhof omzoomd door versgeknotte wilgen. Net als we tot de conclusie komen dat het een goed idee was Ferwert deze tweede kans te gunnen, worden we aangesproken door een meneer die, verlegen om een praatje, welwillend beaamt dat Ferwert best een aardig plaatsje is, maar ons vooral ook dringend adviseert naar de buren in Hegebeintum te gaan. Want dat is pas écht bijzonder.

DSC04625

Niet om de meneer te dissen, maar dat Hegebeintum bijzonder is, dat wisten we al. Ook daar waren we namelijk eerder. We probeerden er toen onze schoenen en broeken te drogen, en onze koude botten te warmen aan de koffie, vers gezet door twee hoofdschuddende heren die niet konden begrijpen dat je met dit weer ging wandelen. De rondleiding, besloten we toen, zouden we voor de volgende keer bewaren. En de volgende keer, dat is nu. Daar gaan we.
Een vriendelijke mevrouw voert ons gemoedelijk over de terp, langs de bebouwing, door het kerkje en de geschiedenis. Tenminste, over de terp, de wierde.. over wat er nog van over is, kunnen we beter zeggen. Er zijn enorme happen uit genomen, dat is duidelijk te zien, het zwaargewonde historisch landschap draagt metershoge littekens van beton. Trapsgewijs gestorte wallen die de boel voor wegschuiven en instorten moeten behoeden. Het oogt hier en daar als een bunkercomplex, onderdeel van de Atlantikwall. Je zou dat lelijk kunnen vinden, en zonde. Zeker. Je zou ook kunnen zeggen dat de wierde er niet minder historisch op is geworden. Dat er hooguit wat modernere historie aan is toegevoegd. En dat het interessant is te zien hoe er in diverse tijdsgewrichten werd gedacht en beslist over dit soort monumentale landschappen. En dan zou je ook gelijk kunnen hebben.
De oudste bewoning ter plekke dateert van 600 voor Christus, het romaanse kerkje bovenop van omtrent 1200 erna. In de eeuwen daartussen zal dus langzaamaan de wierde zijn ontstaan, steeds hoger opgeworpen als vluchtoord voor het grillige water. Met bijna negen meter boven de zeespiegel is dit de hoogste terp van Nederland.
De plaggen waarmee werd opgehoogd werden van de nu niet meer bestaande Middelzee gehaald. En dat gegeven is de wierde, en ook het kerkje, bijna fataal geworden. Toen door bedijking de zee geen gevaar meer opleverde en de terp zijn beschermende functie aldus verloor, is men begonnen hem weer af te graven, om de vruchtbare zeeklei voor goed geld te verkopen aan Midden Friesland en Drenthe, waar de arme zand- en veengronden ermee werden verrijkt. Tot ver in de twintigste eeuw was dat de praktijk. Zó voortvarend ging de koopman daarbij te werk, dat er werd afgegraven tot op enkele meters van het kerkje, waardoor de toren, door gebrek aan aards tegenwicht, inmiddels zeven centimeter uit het lood is komen te staan en met omvallen wordt bedreigd. Of de dominee toen een spaak in het wiel heeft gestoken, dat er toch cultuurhistorisch besef in het spel was of dat de handel in zeeklei instortte door de brede opkomst van het veel makkelijkere kunstmest vermeldt de geschiedenis niet. In elk geval, de terp is gestut met beton, Hegebeintum is beschermd dorpsgezicht, het kerkje staat er nog en de toren wordt met een ingewikkelde en peperdure operatie van instorten gered. Al blijft hij wel uit het lood staan, omdat rechtzetten onvermijdelijk ook instorten zou betekenen. Nou goed, een scheve toren.. daar kan het VVV wel weer wat mee.

DSC04649

De buitenkant van het kerkje mag er niet zo mee te koop lopen, en de Reformatie mag eroverheen gegaan zijn, binnenin is er wel degelijk sprake van enige pracht en praal onder het grijsblauw houten tongewelf. Achterin staat bijvoorbeeld de herenstoel. Een riant bouwwerk van eikenhout over de breedte van de kerk, rijk geornamenteerd met gebeeldhouwde familiewapens, een luifel gedragen door pilaren en nogal barok afgetopt met een wirwar van krullen, leeuwen, kronen en schilden. Een kerkbank deluxe. Hierin konden de gefortuneerde kerkgangers, de landheer, zijn familie en personeel plaatsnemen en – ongehinderd door maar wel goed zichtbaar voor het gemene kerkvolk – rijk, devoot en belangrijk zitten wezen. De heer en zijn familie bovenin, onder de luifel, met ieder een eigen vuistdikke bijbel, het personeel een halve meter lager op de begane grond, met maar één bijbel. Al was dat laatste, zo vertelt de gids, omdat alleen het hoofd van het personeel kon lezen.  
Verder springt ook de indrukwekkende verzameling rouwborden aan de wanden meteen in het oog, grote houten borden die de gefortuneerdere doden in herinnering moeten houden. Aanvankelijk nog redelijk sober en ingetogen uitgevoerd, gaandeweg steeds rijker en uitbundiger versierd en gebeeldhouwd, met familiewapens in bladgoud, uit glanzend hout gesneden krullen en strikken en opzichtige memento mori: schedels met holle ogen boven gekruiste beenderen. Dat ze hier nog hangen, vertelt de gids, is te danken aan de omwonenden van lang geleden, die ze tijdens de Bataafse Revolutie in huis verborgen om ze aldus te redden van de brandstichtende meute, die het toentertijd in het kader van de égalité niet zo op de gefortuneerden had begrepen. Ook niet op de dode.
De weelderig gebeeldhouwde preekstoel is uitgerust met een forse zandloper. Normaalgesproken ook een memento mori, een herinnering dat onze tijd hier op aarde eindig is en een waarschuwing vooral er wijs mee om te gaan in verband met wat er daarna komt. Deze zandloper is eerder het tegenovergestelde misschien. Met precies vijf kwartier op voorraad gaf hij de voorgeschreven lengte van de preek aan. De dominee kon zien of hij een beetje moest voortmaken, of dat hij er eerder nog een eindje aan vast moest breien, en de gemeente kon zien hoe lang het nog duurde voor het eind in zicht kwam.

DSC04710

Via Blije bereiken we, langs boerenwegen en onderhoudspaden met aan elke horizon een kerktoren, de Waddenzee. De kwelder ligt lui in de zon tegen de dijk uitgestrekt. We zien de veerboot de route naar Ameland zoeken. Ameland zelf zien we trouwens ook duidelijk liggen, het is een heldere dag en zó ver is het niet, hemelsbreed. De grasdijk waarover we lopen, wordt bevolkt door schapen met hun al flinke lammeren, modern met de spuitbus toegetakeld. Erg florissant zien ze er niet uit, we zien meerdere hinkepoten en kneuzen waarvan we maar zorgelijk hopen dat daar naar om wordt gekeken. De dijk laat zich er niet over uit. Die reikt slechts ongenaakbaar naar zover het oog kan zien. En waarschijnlijk nog wel verder ook. Wij haken na een tijdje af, en nemen de afslag naar Ternaard.
Op het terras van de Waard van Ternaard krijgen we dan gezelschap bij de koffie, van een meneer met een petje op het zweterige haar, een vettige bril en een halve liter bier die zeker niet ter plaatse is gekocht. Het laat zich vermoeden dat het ook niet zijn eerste is vandaag. Dat de man niettemin op het toch redelijk deftige terras getolereerd wordt, met zijn in geen enkele Nederlandse uitspanning toegestane meegebrachte consumptie, verklaren wij uit zijn levensverhaal, waar hij ons met hinkstapsprongen door rond leidt. Hij schuift er zijn stoel voor bij aan ons tafeltje, dat praat wat makkelijker, aldus onze gastheer. Zo leren wij dat hij onbezoldigd klusjesman is bij de Waard van Ternaard. Vandaar. We leren ook dat de waard van de Waard van Ternaard graag kookt met lokale produkten. Dat hij er ook niet tegenop ziet aangereden gevogelte of anderszins verongelukt wild of boerderijdier een tweede leven op de menukaart te geven. Dat hij bij voorkeur ook álles van het dier gebruikt om de borden te vullen, en waarom niet. Hij vertelt ons over zijn Braziliaanse ex-vrouw, die nog altijd in Ternaard woont en waar hij warme contacten mee onderhoudt. Ook blijkt hij warme contacten te onderhouden met de plaatselijke jeugd, die ook hier maar wat bij elkaar klit, op het plein, met minirok en bietelhaar, en die hij dus regelmatig een avondje thuis ontvangt. Met gratis bier en cola, en zijn begrijpend, meevoelend gezelschap. En dat daar over gepraat wordt, in het dorp. En dat hij dat heus wel weet, maar dat hij zich daar dus niks van aantrekt. Wij zeggen dat we het snappen, en daar is geen woord aan gelogen. Altijd leuk, zulke close encounters, ze kleuren de dag. Maar het tweede kopje koffie, dat houdt de Waard van Ternaard van ons tegoed. We moeten nog een heel eind rijden, voor we thuis zijn. Zullen we maar zeggen.

Wandelen naar de twaalfde stad

cropped-header-201706-4.jpg

Een etappe van de Elfstedentocht als wandeling, van Franeker naar Berlikum, gelopen op donderdag 8 juni 2017

Het toeval bepaalde dat ik een dag in Franeker terecht zou komen, met ruim de tijd voor een wandeling. Op internet diende zich toen de tiende etappe van de Elfstedentocht aan, van Franeker naar Berlikum, als wandeltocht, met net de goede afstand. En zo is het gekomen.
Eerlijk gezegd heb ik niet zo heel veel met de Elfstedentocht. Sorry, zal ik er maar bij zeggen, voor de zekerheid, want dat is het meteen een beetje: er hangt voor mij ongeveer hetzelfde hysterisch nostalgisch oud Hollandsch VOC sfeertje omheen dat het Sinterklaasfeest inmiddels tot een onverteerbaar nationaal ijkpunt heeft gemaakt. Met nuance, een opgetrokken wenkbrauw of een relativerende kanttekening maak je in dat boze witte wespennest al snel vijanden voor het leven. Maar goed, ik overdrijf, uiteraard, dat weet ik heus wel, en in juni zal het nogal meevallen, heb ik dan maar gedacht. Al blijft het uitkijken natuurlijk.

DSC09217

Omdat ik mijn wandeling niet, als voorgeschreven, bij het station begin maar bij het planetarium, ik van daar af de kaart verkeerd lees en op zoek naar de omschreven route wat richtingloos door het oude centrum van Franeker loop te dwalen, ontdek ik dat het eigenlijk doodzonde is dat je vanaf het station min of meer met de kortste weg van de stad wordt weggeleid. Franeker is een prachtig stadje, waar de oud Friesche geschiedenis op elke straathoek trots vanaf straalt. Gemiste kans dus. Oude klinkerstraatjes en grachten, bruggetjes, musea, kerken en monumentale panden en gevels.. een groen bolwerk om de oude stad.. ik zie het nu per ongeluk, omdat ik geen kaart kan lezen en geen richtinggevoel heb, maar het zou zeker de moeite waard zijn deze wandeling ook officieel met een uurtje uit te breiden.
Als je dan de Elfstedentocht gaat lopen, verwacht je een beetje de hele dag het water links of rechts te hebben liggen. Een tocht langs wijde vaarten en brede sloten, klunend over jaagpaden en schelpenpaadjes door het uitgestrekte Friese land en langs pittoreske dorpsgezichten. Fantaserend eventueel van winterse heroïek. Van Franeker naar Berlikum is dat niet precies het geval, zal ik maar vast verklappen. Niet dat dat verder veel uitmaakt, het wordt geen vervelende wandeling – een wandeling is eigenlijk nooit echt vervelend, als je maar uit je doppen kijkt en zolang het niet regent – maar echt spectaculair wordt het ook niet. Nee. Daarvoor zit er teveel asfalt in de route. Vóór je de A31 eindelijk niet meer ziet of hoort, loop je al bijna weer op het betonnen fietspad langs de druk en hard bereden Dongjumerweg. Alleen het laatste stuk, van Ried naar Berlikum, langs het Berlikumer Wijd, is aangenaam autoloos.

DSC09244

Langs het bolwerk en via een charmant onaangeharkt boerenerf laat ik Franeker achter me. Aan de horizon kondigt zich al snel Schalsum aan, met een bescheiden kerktorentje dat maar nauwelijks boven de bomen uitsteekt. Ik vind het altijd aardig om zo’n kerkje wat te bekijken en verheug me er vast op. Vreemd genoeg weet de routebeschrijving mij er echter op slinkse wijze omheen te leiden. Pas als ik Schalsum aan de andere kant alweer uitloop zie ik verdorie wat er gebeurd is, maar om er nou voor terug te lopen vind ik ook weer zo wat. Des te vreemder is het wanneer je bedenkt dat dit stuk van de route het Jabikspad volgt, een pelgrimsroute nota bene. Het zal een kerkje van een ketters geloof geweest zijn.
Met de wind en daarmee het geraas van de A31 in de rug loop ik verder richting Boer. Verderop, bij een kippenbruggetje, of een tille, zoals het hier ten lande schijnt te heten, staat een busje geparkeerd. De deuren en de klep staan open, het is duidelijk het busje van een of ander onderhoudsbedrijf. Er hoort een in rode overall gestoken man bij, zie ik nu, en er klinken duidelijk verontrustende werkgeluiden vanaf het bruggetje. Even vrees ik het ergste, maar de man in rode overall vertelt mij vriendelijk en breeduit glimlachend dat hij alleen wat planken en balken hoeft te vervangen. Om nut en noodzaak van zijn klus te onderstrepen houdt hij een stuk brugleuning omhoog waarvan de uiteinden inderdaad hun beste tijd gehad hebben. Ieder jaar is er wel iets te vervangen, zegt de man, het staat nou eenmaal buiten, in weer en wind. Maar het zal zijn nut wel hebben, denkt hij, het bruggetje. En voor hem is het allemaal weer werk. Dus. Vandaag en morgen zal hij er nog wel mee bezig zijn, schat hij onverstoorbaar doorglimlachend in. En anders is er na morgen nóg een dag. Ook in Friesland kan het leven goed zijn.
Van de andere kant van het smalle pad langs de sloot zie ik dan een dame aankomen met twee enorme honden van een bedenkelijk merk. Wederom vrees ik het ergste. Ik ben niet dol op honden als verschijnsel. Daar kunnen de honden meestal niet zo veel aan doen, het zijn honden tenslotte, maar hondeneigenaren houden er vaak wat merkwaardige ideeën op na wat betreft beleefdheid en sociale omgang. Zodat je als wandelaar regelmatig in, laten we zeggen, uitdagende situaties terecht komt. Om mijzelf de bek niet open te breken ga ik daar nu niet verder op in en dat hoeft ook helemaal niet want deze dame toont zich een dame, die weet hoe het hoort. Zij lijnt haar honden kort aan en laat ze in de berm zitten tot ik ongehinderd gepasseerd ben. Het kan dus wel, wil ik maar zeggen. Het is niet onmogelijk. Ik heb het zelf gezien.

DSC09281

In het buurtschap Boer staat, zo meldt de routebeschrijving wervend, het oudste stenen woonhuis van Friesland. Een bezoekje waard, had ik gedacht, maar dat had ik gedacht inderdaad. De bewoners van het oudste stenen woonhuis van Friesland houden blijkbaar niet van cultuurhistorische pottenkijkers want dit stukje Fries erfgoed is rondom daadkrachtig aan het oog onttrokken door dikke en metershoge beukhagen, vol in het frisgroene blad. Zou je het willen bekijken, dan zou je daarvoor de privétuin moeten betreden en iets zegt mij dat dat niet op prijs gesteld zou worden. Gelukkig staat daar ook de 12e eeuwse Mariakerk, om troost te bieden. Ossenbloedrood gepleisterd weggedoken achter een bomenrij, op een bescheiden terpje met een overzichtelijk kerkhof rondom. De ingangspartij trekt nogal de aandacht. Door zijn nogal barokke vormgeving – pilasters  met kleurrijke krullen en versiersels en een door brullende leeuwen geflankeerd timpaan – lijkt die niet helemaal bij de kerk te horen. Dat blijkt ook te kloppen gelukkig. Het is de uit 1664 stammende toegangspoort van de voormalige Elgersmastate, die later, toen de state werd afgebroken, aan de kerk is vastgeplakt. Vroeger hadden ze geen welstandscommissies die daar moeilijk over deden waarschijnlijk en ach, als het lang genoeg is zoals het is gaat het vanzelf zo horen. Tijd heelt alle wonden. Hoewel dat voor het kerkje dat ik in Ried aantref misschien minder het geval is. Daar zijn aan de achterkant, waar je het niet ziet zal men gedacht hebben, twee zulke lelijke vierkante bakstenen puisten tegenaan gemetseld dat de tijd er zijn handen vol aan zal hebben.

DSC09350

Langs het Berlikumer Wijd loop ik dan richting Berlikum. Waarvan de kerk, omdat we het daar nu toch over hebben, zich al lang van te voren aan de horizon aandient. Een indrukwekkende koepel met een gezellig extra koepeltorentje erop waarvan ik later op internet leer dat dat een lantaarn heet. Gebouwd in 1777. Een staartje barok in Berlikum. De twaalfde stad, zoals ze zich zelf noemen, omdat er, getuige een toeristische folder, aanwijzingen zouden zijn dat men er vroeger stadsrechten heeft gehad die later om onbekende redenen zouden zijn verlopen. Het had, begrijp ik, maar heel weinig gescheeld of we hadden ons ieder jaar weer vreselijk druk gemaakt over een Twaalfstedentocht.

Wonderwater en brandewijn

cropped-header2017-5.jpg

Groene Wissel 402 Heiloo, gelopen zondag 30 april 2017

Vanaf Alkmaar Noord dringt de trein naar Heiloo zich plotseling vol met luidruchtig volk. Er worden flinke plastic tassen halve liters bier meegesjouwd maar zo te horen, zien en ruiken zijn die vandaag al wel voller geweest ook. Het is half tien in de ochtend. Heel even ben ik in de war, omdat het 30 april is, maar dan realiseer ik me dat het een voetbalwedstrijd zal zijn. Andere kleuren, grotendeels hetzelfde publiek, naar mijn bescheiden elitaire inschatting, en ik ben blij dat ik niet naar Rotterdam hoef. Héél blij. De slaperige rust die over Heiloo hangt bevalt mij een stuk beter. Als overgang staat er aan het einde van het perron een te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Ik verwacht op zijn minst een daklozenkrant aangeboden te krijgen, of een slecht verstaanbaar verzoek om geld, maar ik word een tikkeltje hooghartig zelfs genegeerd, dus misschien staat de man gewoon iemand van de trein te halen en heb ik te snel mijn vooroordeel klaar.

DSC08368

Het Heiloo waardoor ik vervolgens naar buiten loop, richting landgoed Nijenburg, is best een deftig stadje. Het doet een beetje aan Bergen denken, met meanderende smalle klinkerstraatjes, zonder noemenswaardige stoep, langs soms fraai afgewerkte vrijstaande huizen. De auto is te gast in deze straten, zo vermelden de borden streng, en dat is goed te zien: voor ieder huis staan er drie geparkeerd. Hoe dichter ik de bosrand nader hoe deftiger het wordt, meterslange en manshoge schuttingen met veel bordjes over levensgevaarlijke waakhonden maken duidelijk hoe de verhoudingen hier liggen. Wat verder meteen opvalt is dat ook Heiloo willoos is ingelijfd door de Onafhankelijke Republiek Schiphol. Elke zoveel minuten raast er een vliegtuig over en dat zal de hele wandeling doorgaan. Waar moet iedereen toch almaar naar toe? En hoezo, en waarom?
Ietsjes verheven boven het plein, gebouwd op het vermoeden van een heuvel, staat de Witte Kerk. Hij heet zo omdat hij wit is, en hij is wit geschilderd om de sporen van alle her- en verbouwingen sinds de 11e eeuw te verdoezelen. De geschiedenis van de kerk gaat terug tot rond het jaar 700, zo vertelt het informatiebord, wanneer een missionaris genaamd Willibrordus hier een put slaat waarvan het water geneeskrachtige werking heeft. Wonderwater. Bij die put wordt een houten kapel gebouwd die later vervangen wordt door een stenen kerk, die nog weer later wordt uitgebreid met een toren en in de loop der eeuwen verschillende malen van vorm en grootte verandert. De put is er nog steeds, al doet de opbouw uit 1950 weinig authentiek aan, om het zo maar te stellen, en wordt hij om veiligheidsredenen zelden meer opengesteld. Voorts staat op het informatiebord te lezen dat in vroeger tijden een groot verschil bestond tussen de kerk en de wereld daarbuiten. Dat binnen de onschendbaarheid van de kerk andere regels golden en dat misdadigers er veilig waren voor het wereldlijk gezag. Bedoeld wordt de 12e eeuw, maar het zouden evengoed de jaren vijftig kunnen zijn – waarnaar in deze bange dagen soms zo hevig wordt terugverlangd – en ik heb zelfs het idee dat er wat dat betreft misschien helemaal niet zo héél veel is veranderd.

DSC08395

Het landgoed Nijenhuis is een mooi en druk bewandeld bos, het is duidelijk zondagochtend, het is duidelijk mooi weer. Er wordt gelopen met de hond, er wordt gelopen met de kinderen, er wordt gelopen met verhitte koppen en moeilijke gezichten in lelijke zuurstokkleuren. Het bos wordt op zijn landgoeds doorkruist met walletjes, geulen en lanen met imposante en monumentale beuken, maar ook door de intercity Alkmaar – Amsterdam en de sprinter naar Haarlem en Uitgeest, op verschillende plekken nog ouderwets onbewaakt over te steken.
Tot aan Egmond volg ik dan de Egmonder binnenvaart die soms breed maar soms ook verbazend smal is. Toch was dit, sinds de inpoldering, eeuwenlang één van de belangrijkste vaarverbindingen in deze contreien. Liggend aan de nieuwbouwranden van Heiloo is het gebied dit eerste stuk nogal verparkt tot recreatieterrein met speeltuinen, picknickbanken en trimtoestellen. Ook worden er elke honderd meter nieuwe instructies gegeven over wat te doen met de hond. Aanlijnen of loslopen, met of zonder opruimplicht. Volkomen overbodige bordjes en paaltjes wat mij betreft omdat ik nogal nurks van mening ben dat men op openbaar terrein de hond altijd aangelijnd hoort te hebben, uit beleefdheid naar andere mensen die allicht niet van honden gediend zijn. Ergerniswekkende bordjes bovendien omdat ze altijd alleen lijken te gelden voor mensen zonder hond. Breekt u mij de bek niet open alstublieft, ik ben lekker aan het wandelen. En het is lente. Beuken staan nog maar teer in het groen, kastanjes al volop in kaars en blad en de esdoorns spuiten de grond uit. Ik zie het begin van lelietjes van dalen, ik ruik daslook. Overal vliegen vogels af en aan met takjes en nestmateriaal. Drie kauwtjes vechten een tissue aan stukken en nemen ieder hun deel. Een houtduif houdt zich stil in het kreupelhout en doet net of ik hem niet zie.

DSC08405

Op mijn weg vind ik een verdroogd kikkertje. Een piepkleine zwarte mummie, gestold in een laatste wanhoopskreet. Te slim af geweest door een reiger, of ander koudbloeddorstig gevogelte en onderweg naar het hongerig jong in de haast weer verloren. Zoiets stel ik me er bij voor in elk geval. En vroeger, toen mijn jongens nog klein waren en ik ze meenam op als ontdekkingsreis en avontuur vermomde wandelingen, vertelde ik het ze precies zo, als we zo’n kikkertje vonden. Het kikkertje ging dan mee naar huis om te worden toegevoegd aan de almaar uitdijende verzameling van dingen uit de natuur. Want we vonden altijd wel wat, op onze tochten. Schelpen, krabbeschaartjes, stenen, botjes, schedeltjes, galappeltjes.. noem het maar op. Het was allemaal even mooi en interessant en het ging allemaal mee naar huis. Nu krijg ik ze niet meer mee naar buiten en al voel ik nog altijd dezelfde opgetogenheid bij een nieuwe vondst, ik kan het met niemand meer delen. Misschien straks weer, met mijn kleindochter. Vandaag is de verzameling in elk geval weer aangevuld met één kikkertje, en een portie nostalgie.
Tussen Heiloo en Egmond Binnen begeeft de Egmonder Binnenvaart zich tussen de bollenvelden. Het is hier dan ook plotseling nog een stuk drukker. Het wordt hier opeens filelopen, het lijkt verdorie de avondvierdaagse wel. En het slaat feitelijk nergens meer op want voor de bollen zijn we te laat. De meeste tulpen zijn gekopt, velden vol uitgebloeide en bruin geworden narcissen en hyacinten, het staat er treurig bij. Nog treuriger zijn de velden die in hun geheel zijn afgedekt met enorme lappen plastic. Kilometers, moeten het zijn. Het levert vervreemdende beelden op, zo golvend in de wind en kaatsend in de zon, maar het zet je eigen goedbedoelde geschipper met plastic afval wel even in een ander perspectief. Alleen de blauwe druifjes, die zijn oogverblindend.
Van verre zag ik hem al in streng silhouet boven de horizon uitsteken en Egmond eenmaal gerond keek hij me ook nog lang in de rug, maar in Egmond zelf laat de St Adelbertabdij zich niet anders dan van gepaste afstand bezien. De deur is gesloten en de sleutel is gebroken. En het gebouw zelf is ook wat hermetisch. Enfin, de echte abdij, waarop het sneeuwde als je het glazen ei schudde, als bezongen door Boudewijn de Groot, is het toch niet. Die werd in 1573 door Willem van Oranje in brand gestoken. Met brandewijn, waarschijnlijk. Dat is koud vuur, dus dat geeft niet. En als het al in de krant komt, wordt er in elk geval niet heel kritisch over geschreven.

DSC08510

Na Egmond loop ik over de Limmerweg en de Zanddijk door de Vennewaterspolder weer terug naar Heiloo. Het kan iets drukker zijn op deze wegen, waarschuwt de routebeschrijving. Het advies is om links te lopen. Echt druk wordt het pas bij de pluktuin, waar verantwoorde ouders met hun kinderen onbespoten radijsjes komen oogsten en bloemen komen plukken. De linkerkant van de weg staat volgeparkeerd en het is een chaotisch komen en gaan van gezinsauto’s die elkaar geen duimbreed gunnen. Het lukt me hier maar net het vege lijf te redden.
De Vennewaterspolder zelf is, hoe zal ik het omschrijven, een vrij ongepolijst gebied. Er hebben waarschijnlijk bollen gestaan, nu is het voornamelijk zand en leeg en kaal en, ja.. interessant om ook een keer te zien, dat zeker, maar.. lelijk. Sorry. En dan niet de charmante lelijkheid, waar je nog de schoonheid van in kunt zien, maar gewoon rechttoe rechtaan en vreugdeloos lelijk.
Onder het spoor door weer bijna terug in Heiloo stuit ik eerst nog op het bedevaartsoord Onze Lieve Vrouw ter Nood, in het buurtschap met de toepasselijke naam Kapel. Het maakt de wandeling mooi rond want ook hier draait het om een put met verondersteld geneeskrachtig water. In 1409 werd voor de pelgrims die daar hopend op een wonder op af kwamen, een kapel gebouwd. Op de belendende heuvel die vrijwel meteen de kruipberg genoemd werd omdat processies om de kapel kruipend werden gehouden. In 1573 kwam ook hier Willem van Oranje langs, met brandewijn, en het heeft daarna eeuwenlang religieus gesteggel, gebekvecht en getrouwtrek gekost voor de put in 1905 weer definitief in gebruik werd genomen en er in 1930 dan ook weer een kapel bij werd gezet. De wat kitscherige, nep-romaanse kapel van zogenaamde rotsblokken waar ik vandaag omheen loop. Maar blijkbaar voorziet het in een behoefte want ik zie een vrouw in zuurstokgekleurde sportkleding wat water uit de put halen en er haar kennelijk geblesseerde been mee insmeren, met gewijde aandacht. Later staat ze biddend op de trappen van de kapel. Het is dus niet voor niets geweest.
Als ik bij station Heiloo het perron op loop, staat daar nog altijd de te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Misschien wacht ook hij op een wonder.