Wonderwater en brandewijn

Groene Wissel 402 Heiloo, gelopen zondag 30 april 2017

Vanaf Alkmaar Noord dringt de trein naar Heiloo zich plotseling vol met luidruchtig volk. Er worden flinke plastic tassen halve liters bier meegesjouwd maar zo te horen, zien en ruiken zijn die vandaag al wel voller geweest ook. Het is half tien in de ochtend. Heel even ben ik in de war, omdat het 30 april is, maar dan realiseer ik me dat het een voetbalwedstrijd zal zijn. Andere kleuren, grotendeels hetzelfde publiek, naar mijn bescheiden elitaire inschatting, en ik ben blij dat ik niet naar Rotterdam hoef. Héél blij. De slaperige rust die over Heiloo hangt bevalt mij een stuk beter. Als overgang staat er aan het einde van het perron een te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Ik verwacht op zijn minst een daklozenkrant aangeboden te krijgen, of een slecht verstaanbaar verzoek om geld, maar ik word een tikkeltje hooghartig zelfs genegeerd, dus misschien staat de man gewoon iemand van de trein te halen en heb ik te snel mijn vooroordeel klaar.

DSC08368

Het Heiloo waardoor ik vervolgens naar buiten loop, richting landgoed Nijenburg, is best een deftig stadje. Het doet een beetje aan Bergen denken, met meanderende smalle klinkerstraatjes, zonder noemenswaardige stoep, langs soms fraai afgewerkte vrijstaande huizen. De auto is te gast in deze straten, zo vermelden de borden streng, en dat is goed te zien: voor ieder huis staan er drie geparkeerd. Hoe dichter ik de bosrand nader hoe deftiger het wordt, meterslange en manshoge schuttingen met veel bordjes over levensgevaarlijke waakhonden maken duidelijk hoe de verhoudingen hier liggen. Wat verder meteen opvalt is dat ook Heiloo willoos is ingelijfd door de Onafhankelijke Republiek Schiphol. Elke zoveel minuten raast er een vliegtuig over en dat zal de hele wandeling doorgaan. Waar moet iedereen toch almaar naar toe? En hoezo, en waarom?
Ietsjes verheven boven het plein, gebouwd op het vermoeden van een heuvel, staat de Witte Kerk. Hij heet zo omdat hij wit is, en hij is wit geschilderd om de sporen van alle her- en verbouwingen sinds de 11e eeuw te verdoezelen. De geschiedenis van de kerk gaat terug tot rond het jaar 700, zo vertelt het informatiebord, wanneer een missionaris genaamd Willibrordus hier een put slaat waarvan het water geneeskrachtige werking heeft. Wonderwater. Bij die put wordt een houten kapel gebouwd die later vervangen wordt door een stenen kerk, die nog weer later wordt uitgebreid met een toren en in de loop der eeuwen verschillende malen van vorm en grootte verandert. De put is er nog steeds, al doet de opbouw uit 1950 weinig authentiek aan, om het zo maar te stellen, en wordt hij om veiligheidsredenen zelden meer opengesteld. Voorts staat op het informatiebord te lezen dat in vroeger tijden een groot verschil bestond tussen de kerk en de wereld daarbuiten. Dat binnen de onschendbaarheid van de kerk andere regels golden en dat misdadigers er veilig waren voor het wereldlijk gezag. Bedoeld wordt de 12e eeuw, maar het zouden evengoed de jaren vijftig kunnen zijn – waarnaar in deze bange dagen soms zo hevig wordt terugverlangd – en ik heb zelfs het idee dat er wat dat betreft misschien helemaal niet zo héél veel is veranderd.

DSC08395

Het landgoed Nijenhuis is een mooi en druk bewandeld bos, het is duidelijk zondagochtend, het is duidelijk mooi weer. Er wordt gelopen met de hond, er wordt gelopen met de kinderen, er wordt gelopen met verhitte koppen en moeilijke gezichten in lelijke zuurstokkleuren. Het bos wordt op zijn landgoeds doorkruist met walletjes, geulen en lanen met imposante en monumentale beuken, maar ook door de intercity Alkmaar – Amsterdam en de sprinter naar Haarlem en Uitgeest, op verschillende plekken nog ouderwets onbewaakt over te steken.
Tot aan Egmond volg ik dan de Egmonder binnenvaart die soms breed maar soms ook verbazend smal is. Toch was dit, sinds de inpoldering, eeuwenlang één van de belangrijkste vaarverbindingen in deze contreien. Liggend aan de nieuwbouwranden van Heiloo is het gebied dit eerste stuk nogal verparkt tot recreatieterrein met speeltuinen, picknickbanken en trimtoestellen. Ook worden er elke honderd meter nieuwe instructies gegeven over wat te doen met de hond. Aanlijnen of loslopen, met of zonder opruimplicht. Volkomen overbodige bordjes en paaltjes wat mij betreft omdat ik nogal nurks van mening ben dat men op openbaar terrein de hond altijd aangelijnd hoort te hebben, uit beleefdheid naar andere mensen die allicht niet van honden gediend zijn. Ergerniswekkende bordjes bovendien omdat ze altijd alleen lijken te gelden voor mensen zonder hond. Breekt u mij de bek niet open alstublieft, ik ben lekker aan het wandelen. En het is lente. Beuken staan nog maar teer in het groen, kastanjes al volop in kaars en blad en de esdoorns spuiten de grond uit. Ik zie het begin van lelietjes van dalen, ik ruik daslook. Overal vliegen vogels af en aan met takjes en nestmateriaal. Drie kauwtjes vechten een tissue aan stukken en nemen ieder hun deel. Een houtduif houdt zich stil in het kreupelhout en doet net of ik hem niet zie.

DSC08405

Op mijn weg vind ik een verdroogd kikkertje. Een piepkleine zwarte mummie, gestold in een laatste wanhoopskreet. Te slim af geweest door een reiger, of ander koudbloeddorstig gevogelte en onderweg naar het hongerig jong in de haast weer verloren. Zoiets stel ik me er bij voor in elk geval. En vroeger, toen mijn jongens nog klein waren en ik ze meenam op als ontdekkingsreis en avontuur vermomde wandelingen, vertelde ik het ze precies zo, als we zo’n kikkertje vonden. Het kikkertje ging dan mee naar huis om te worden toegevoegd aan de almaar uitdijende verzameling van dingen uit de natuur. Want we vonden altijd wel wat, op onze tochten. Schelpen, krabbeschaartjes, stenen, botjes, schedeltjes, galappeltjes.. noem het maar op. Het was allemaal even mooi en interessant en het ging allemaal mee naar huis. Nu krijg ik ze niet meer mee naar buiten en al voel ik nog altijd dezelfde opgetogenheid bij een nieuwe vondst, ik kan het met niemand meer delen. Misschien straks weer, met mijn kleindochter. Vandaag is de verzameling in elk geval weer aangevuld met één kikkertje, en een portie nostalgie.
Tussen Heiloo en Egmond Binnen begeeft de Egmonder Binnenvaart zich tussen de bollenvelden. Het is hier dan ook plotseling nog een stuk drukker. Het wordt hier opeens filelopen, het lijkt verdorie de avondvierdaagse wel. En het slaat feitelijk nergens meer op want voor de bollen zijn we te laat. De meeste tulpen zijn gekopt, velden vol uitgebloeide en bruin geworden narcissen en hyacinten, het staat er treurig bij. Nog treuriger zijn de velden die in hun geheel zijn afgedekt met enorme lappen plastic. Kilometers, moeten het zijn. Het levert vervreemdende beelden op, zo golvend in de wind en kaatsend in de zon, maar het zet je eigen goedbedoelde geschipper met plastic afval wel even in een ander perspectief. Alleen de blauwe druifjes, die zijn oogverblindend.
Van verre zag ik hem al in streng silhouet boven de horizon uitsteken en Egmond eenmaal gerond keek hij me ook nog lang in de rug, maar in Egmond zelf laat de St Adelbertabdij zich niet anders dan van gepaste afstand bezien. De deur is gesloten en de sleutel is gebroken. En het gebouw zelf is ook wat hermetisch. Enfin, de echte abdij, waarop het sneeuwde als je het glazen ei schudde, als bezongen door Boudewijn de Groot, is het toch niet. Die werd in 1573 door Willem van Oranje in brand gestoken. Met brandewijn, waarschijnlijk. Dat is koud vuur, dus dat geeft niet. En als het al in de krant komt, wordt er in elk geval niet heel kritisch over geschreven.

DSC08510

Na Egmond loop ik over de Limmerweg en de Zanddijk door de Vennewaterspolder weer terug naar Heiloo. Het kan iets drukker zijn op deze wegen, waarschuwt de routebeschrijving. Het advies is om links te lopen. Echt druk wordt het pas bij de pluktuin, waar verantwoorde ouders met hun kinderen onbespoten radijsjes komen oogsten en bloemen komen plukken. De linkerkant van de weg staat volgeparkeerd en het is een chaotisch komen en gaan van gezinsauto’s die elkaar geen duimbreed gunnen. Het lukt me hier maar net het vege lijf te redden.
De Vennewaterspolder zelf is, hoe zal ik het omschrijven, een vrij ongepolijst gebied. Er hebben waarschijnlijk bollen gestaan, nu is het voornamelijk zand en leeg en kaal en, ja.. interessant om ook een keer te zien, dat zeker, maar.. lelijk. Sorry. En dan niet de charmante lelijkheid, waar je nog de schoonheid van in kunt zien, maar gewoon rechttoe rechtaan en vreugdeloos lelijk.
Onder het spoor door weer bijna terug in Heiloo stuit ik eerst nog op het bedevaartsoord Onze Lieve Vrouw ter Nood, in het buurtschap met de toepasselijke naam Kapel. Het maakt de wandeling mooi rond want ook hier draait het om een put met verondersteld geneeskrachtig water. In 1409 werd voor de pelgrims die daar hopend op een wonder op af kwamen, een kapel gebouwd. Op de belendende heuvel die vrijwel meteen de kruipberg genoemd werd omdat processies om de kapel kruipend werden gehouden. In 1573 kwam ook hier Willem van Oranje langs, met brandewijn, en het heeft daarna eeuwenlang religieus gesteggel, gebekvecht en getrouwtrek gekost voor de put in 1905 weer definitief in gebruik werd genomen en er in 1930 dan ook weer een kapel bij werd gezet. De wat kitscherige, nep-romaanse kapel van zogenaamde rotsblokken waar ik vandaag omheen loop. Maar blijkbaar voorziet het in een behoefte want ik zie een vrouw in zuurstokgekleurde sportkleding wat water uit de put halen en er haar kennelijk geblesseerde been mee insmeren, met gewijde aandacht. Later staat ze biddend op de trappen van de kapel. Het is dus niet voor niets geweest.
Als ik bij station Heiloo het perron op loop, staat daar nog altijd de te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Misschien wacht ook hij op een wonder.

Noblesse oblige

Trage Tocht Beetsterzwaag, gelopen op woensdag 5 april 2017

De Hoofdstraat van Beetsterzwaag doet zijn naam wel eer aan vandaag, tjongejonge. Het lijkt of al het verkeer uit de wijde omtrek er van twee kanten tegelijk doorheen wordt geperst. Maar omdat Beetsterzwaag niet gebouwd is op al dat moderne extra large verkeer, moet dat soms stapvoets, en met geven en nemen, en net als in de grote boze stad is geven ook hier minder vanzelfsprekend dan nemen dus dat levert soms weinig stijlvolle taferelen op. En ook daarop is Beetsterzwaag eigenlijk niet gebouwd want aan bijna alles is te zien dat hier vroeger de adel resideerde. De adel, zo niet beschaafd, dan toch in elk geval stijlvol. Her en der staan statige landhuizen op riante percelen met hun rijkdom te pronken, maar ook de bescheidener huisjes langs het trottoir tonen een niet onbemiddeld verleden. En nog steeds staat het meeste er goed onderhouden en glimmend in de lak in oude stijl bij. Jammer dus van al dat verkeer, je zou je zomaar in het rijke verleden wanen.
DSC08151

Ook de wandeling start, en eindigt eveneens, in adellijke ambiance, bij het Lycklamahuis, één van de statige landhuizen voornoemd. Gebouwd in 1825 in opdracht van Catharina Johanna Aebinga van Humalda, douairière van Lynden, maar vernoemd naar de burgemeester van Opsterland, jonkheer Jan Anne Lycklama á Nijeholt, die in 1836 trouwde met de toenmalige eigenaresse, jonkvrouwe Ypkjen Hillegonda van Eysinga. Hoe adellijk wil je het hebben.. Tegenwoordig is de woonstee dan weer vrij gewoontjes in gebruik als gemeentekantoor. Sic transit gloria mundi.
Via de uitgestrekte overtuin van de Lycklamaatjes kom ik aan de rand van het stadje uit bij de Van Teyens Fundatie, een voorbeeld van het vandaag de dag min of meer in onbruik geraakte begrip noblesse oblige. De familie Van Teyens was dan wel niet direct van adel, groot geworden in de destijds lucratieve turfwinning en via tactische huwelijken waren ze wel zeer vermogend en invloedrijk. Toen de derde generatie echter kinderloos bleef, werd het kapitaal in goede werken omgezet: de Van Teyens Fundatie. Het pand waar ik vandaag naar sta te kijken werd in 1866 gebouwd en moest destijds onderdak bieden aan zes armlastige vrouwen die er, onder het bewind van regenten en regentessen uiteraard, zonder zorgen hun laatste jaren konden slijten. Door het invoeren van de aow ontstond een gebrek aan armlastige dames en het pand is nu verhuurd aan een huisartsenpraktijk, maar nog altijd worden de inkomsten van de stichting aangewend voor het algemeen belang.
Beetsterzwaag verlatend loop ik door een bosachtig landschap waarvan je je makkelijk kunt voorstellen dat het vroeger een landgoed geweest zal zijn, met lange zichtlanen en oude beuken, aangelegde watertjes met groen bemoste ronde randen en een open bleekveldje zo hier en daar. Het doet mij, voor degene die dan weet waar ik het over heb, een beetje aan het Haagse Clingendael denken. Niet alleen in het aldus deftig aandoend landschap toont zich trouwens de mensenhand, er is nauwelijks een boom langs het pad waarin geen jaartallen, namen of door de tijd soms intrigerend onleesbaar geworden mededelingen staan gekerfd. Noem mij een romanticus, maar ik vind dat een mooi idee, sporen van liefdes van jaren her, en de vraag wat ervan is geworden.

DSC08189

Het kerkje van Olterterp, waar ik dan op aan loop, ligt er op het oog wat verloren bij, zo alleen in het bos op haar terp, met slechts het gezelschap van een aanpalende boerderij en het eigen kerkhofje. De grafstenen staan niet allemaal meer even keurig in het gelid en het kerkje zelf – schattig, piepklein, bouwjaar 1500 – heeft ook al het nodige meegemaakt. Het is zichtbaar oud en zichtbaar gerenoveerd. De toren is er in 1744 bijgebouwd, voor vijfhonderd guldens. En blijkens een ferme gevelsteen, opdat de noblesse obligé niet onopgemerkt zou blijven, gebeurde dat op kosten van raadsheer Ayzo van Boelens en zijn vrouw Rinske Lycklama á Nijeholt. De vader van deze Rinske, Augustinus Lycklama á Nijeholt, was dan weer de broer van de betovergrootvader van de Jan Anne waar ik het eerder over had, de burgemeester van Opsterland.
Dan het landgoed Lauswolt. Ook hier is de hand der mensen alom aanwezig, maar minder subtiel. Sterker nog, hij dringt zich vrij stevig op. Direct bij binnenkomst al stuit ik op een boom waarin met grote gebaren het beeld van een man is uitgehakt. De man draagt een hoed met veren, of hij heeft lang haar, hij leunt op een ouderwetse radiator, of een accordeon, of iets dat daar op lijkt en in zijn hand heeft hij een langwerpig voorwerp dat zowel een zwaard als een stokbrood kan zijn, of een wandelstok, of nog iets anders. Het waren grote gebaren, zei ik al. Dit is niet het werk van een verliefde tiener met een zakmesje. Hier is groot materieel aan te pas gekomen, en grof geweld. Kettingzaag en bijl – er gaapt een gat van minstens een meter hoog, dertig centimeter breed en tien centimeter diep in de boomstam. Een gezonde, levende boom! Even verderop wijst een al even grof uitgehakte hand vooruit naar een compleet beeldenpark van cultureel gevandaliseerde bomen. Een tweeling in toga met twee paard-achtigen, een man met een lange baard, een vrouw met een puntmuts die over de vers uitgebaggerde waterpartij uitkijkt, een heks met een lantaarn en een knuppel, een ridderfiguur op wacht.. de één nog groter en dieper uitgehakt dan de ander. Op internet vind ik later uit wat ik zelf al vermoedde: hier is sprake van een project. Een upgrade. Hier is over nagedacht door een gemeentelijke werkgroep. Een commissie. Hier wordt een gebied aantrekkelijk gemaakt voor een bredere doelgroep. Allerlei sporen van werkzaamheden die nog maar net achter de rug zijn wezen daar ook al op. Nieuwe, verbrede paden met een verse laag grijs steenslag, kale en omgewoelde bosbodem, keurig van struikgewas en kreupelhout ontdaan, kakelverse haarscherpe bermen. Een nagelnieuw bruggetje, de uitgebaggerde waterpartij. De boombeelden zijn onderdeel van dit plan. ‘Monumentale bomen vertellen voortaan Friese sagen en legenden’, kopt De Woudklank trots. De vrouw met de puntmuts bijvoorbeeld, blijkt het vrouwtje van Stavoren te zijn.

DSC08215

Er is, zo sust De Woudklank de verontruste romanticus, door de carvers zoveel mogelijk rekening gehouden met reeds aanwezige inscripties in de bomen. En, als troost voor de natuurliefhebber, er is gekozen voor bomen die op de nominatie stonden om ooit gekapt te worden. Dat laatste lijkt mij wel een goed voorbeeld van een self-fulfilling prophecy.
Eén boom staat er nog, in het voor een brede doelgroep aantrekkelijk gemaakte gebied, die de kans heeft gekregen een natuurlijke dood te sterven. In grillig silhouet overwoekerd door donkergrijze tonderzwammen is hij duizend keer mooier dan welke gemeentelijke werkgroep ooit kan bedenken. Waarvan akte.

Langs een boslaan met statige beuken, de bemoste voeten groen oplichtend in de zon die in gulle bundels door het voorzichtig beginnend loof binnenvalt, bekom ik een beetje van de schrik. Ik passeer bosbeekjes en vennen en met heide begroeide open plekken in het bos. Op één of andere manier niet direct een landschap dat ik met Friesland associeer maar het ligt er toch echt, dus dat moet dan wel mijn incomplete beeld van Friesland zijn.
In het Alpherbos stappen er een eindje voor mij twee mannen een tikkeltje schichtig uit de berm. Het zijn twee nogal glimmende mannen met kaalgeschoren hoofden en rooie oortjes. Ze dralen wat maar besluiten dan toch voor mij uit te gaan lopen. Eén van hen draagt een rugzak maar ik houd ze niet voor wandelaars, daarvoor lopen ze ook te langzaam. Een knalroze condoomverpakking, na het aangenaam verpozen in de berm achtergelaten, bevestigt mijn vermoeden. ‘We hebben gezelschap gekregen’, hoor ik de mannen tegen elkaar kirren als ik ze blijkbaar te dicht naar hun zin ben genaderd en ik erger me eraan dat ík me nu gegeneerd moet voelen bij de situatie. Ik erger me er ook aan dat ik me daarna volautomatisch afvraag of die ergernis wel past bij de tolerante instelling die ik mijzelf toedicht, maar ik besluit dat het wel kan. Dat het weinig stijlvol gedrag is, en ergernis dus zeker op zijn plaats. Ik heb geen zin om achter het tweetal te blijven hangen, ik heb ook geen zin om voor ze uit te lopen, ik neem een kwartier pauze om ze kwijt te raken.

DSC08287

Door het open terrein van de Hemrikkerscharren loop ik langs lange, rechte, min of meer verharde landbouwwegen met een omtrekkende beweging weer langzaamaan op Beetsterzwaag aan. Rechtsaf over de Ald Hearrewei dwars door de Lippenhuisterheide, een aantrekkelijk gebied met watertjes, jonge berkenboompjes en grote graspollen in het tegenlicht.
Een onooglijk betonnen bruggetje over een onbeduidend watertje brengt me terug in het Wallebosch rond Beetsterzwaag. Bijna zou ik het gedachteloos als een onooglijk bruggetje over een onbeduidend watertje zijn overgelopen als een bordje mij er niet op had gewezen dat het hier om het bekende bruggetje over het Ald Djip ging, het Koningsdiep nog maar liefst. Lange tijd was dit onooglijke bruggetje de enige verbinding tussen Beetsterzwaag en Lippenhuizen, en het onbeduidende watertje een blijkbaar onneembare hindernis. Dingen zijn niet altijd wat ze lijken, dat zien we maar weer.
Langs de randen van het Wallebosch is goed te zien waaraan dat zijn naam dankt:  de paden waarover ik loop liggen beduidend hoger dan de aangrenzende gronden. Als wallen inderdaad. Ik stel mij voor dat ik langs de turfstekerijen loop waarmee de familie Van Teyens zijn rijkdom vergaarde.

Van armoe zingend door de blubber

Zwarte Haan – Hegebeintum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op dinsdag 1 maart 2016

Zwarte Haan moet wel het eind van de wereld zijn, denken wij zo. Als we er met de auto op aan rijden worden we ruim van tevoren gewaarschuwd: we rijden een doodlopende weg in zónder keermogelijkheden. De lange en zeer smalle dijk, waarop men zich gelukkig prijst dat er geen tegenliggers zijn, eindigt na een bochtige rit ten slotte abrupt tegen de zeedijk. Links en rechts liggen nog twee of misschien drie huizen en een herberg, die De Zwarte Haan heet, en gesloten is, maar voor de rest is er de zee, het land en de lucht. Verder kun je niet. Alleen terug. Het eind van de wereld.

Zelf ziet Zwarte Haan het anders. Hier ziet men zich juist als het begin van de wereld. Start hier immers niet het Jacobspad? Het pelgrimspad naar Santiago de Compostella, dat eindigt bij Kaap Finisterra? En Finisterra, daar hoef je geen latijn voor gestudeerd te hebben, dat betekent uiteraard: Het eind van de wereld. De logica is van een charmante eenvoud.
Tot 1948 trouwens, was Zwarte Haan eind- noch beginpunt. Van de 16e eeuw tot aan dat jaar werd vanuit hier een veerdienst op Ameland onderhouden. We lezen het op een informatiebord. Samen met het weetje dat de naam Zwarte Haan niets te maken heeft met de mannetjeskip, hoewel die door de gelijknamige herberg dan wel weer pontificaal als logo wordt gevoerd, maar dat Haan hier waarschijnlijk een verbastering is van het woord Harne, dat hoek betekent. We staan in Zwarte Hoek, dus. Dat klinkt dan toch wel weer een klein beetje als het eind van de wereld.
Als we de dijk beklimmen vragen we ons eerlijk gezegd meteen af of het geen vergissing was vandaag te gaan lopen. Er staat een snijdende wind die dwars door onze jassen gaat, en het is stervenskoud. De lente was dit jaar niet verder weg dan vandaag. Dat wordt flink doorstappen. We mijden de kruin van de dijk en lopen ons vastberaden warm over het schuin weglopend asfalt aan de wadzijde. Met links de blik over de kwelder. De grootste kwelder van Nederland, lezen we in het boekje. Al in de 16e eeuw begon men hier, ter verdediging tegen de zee, zogenoemde duikertsdammen aan te leggen, een soort golfbrekers die het vormen van kwelders bevorderden. In de zomermaanden kleurig begroeid, deze kwelder, met allerlei zoutminnende planten, aldus opnieuw het boekje, nu zwart en bruin uitgestrekt tot aan de Waddenzee in de verte. Het zou deprimerend zijn als het niet ook een zekere schoonheid had.


Net als we ons voorzichtig zorgen beginnen te maken hoe en waar we in vredesnaam even wat moeten eten, zonder te bevriezen, of – nog huiveringwekkender vooruitzicht – het hoognodige plasje kunnen doen, doemt in de verte een gebouw op waarvan de wapperende vlaggen doen vermoeden dat het een recreatieve functie heeft. Misschien een camping die er vroeg bij is, hopen wij. Allicht zal er een hoekje zijn waar we wat uit de wind kunnen staan. We zijn met weinig tevreden. Even later blijkt dit het nagelnieuw ogende kweldercentrum Noarderleech te zijn. Neergezet om de grootste kwelder van Nederland te ontsluiten voor de toerist. Dagelijks geopend tussen 9:00 en 17:00 uur. Je leest wel dat er ook mensen zijn die zich daar bozig zorgen over maken, dat de natuur altijd maar ‘leuk’ gemaakt moet worden, met bezoekerscentra, wandelroutes, laarzenpaden, educatieve bordjes en activiteiten voor de kids. Dat de natuur aldus genadeloos wordt verpretparkt. En onder andere omstandigheden zouden wij het daar best nog wel mee eens kunnen zijn ook, maar vandaag vinden we het wel best. Voor een prikkie halen we koffie en thee uit de automaat, we plassen op een kraakhelder toilet, eten ons broodje op überhip steigerhouten loungemeubilair en warmen gratis een beetje op. Als dank laten we een speciaal voor de gelegenheid geschreven wandellimerick achter in het gastenboek.

Of het als straf van hogerhand voor onze decadente pauze gezien moet worden weten we niet, maar als we weer naar buiten stappen, is het inmiddels gaan sneeuwen. Zeker als we landinwaarts trekken en de wind pal tegen waait, snijdt de sneeuw ons buitengewoon onvriendelijk in het gezicht. Onderlangs een rij van acht driftig boven ons uit wiekende windmolens worden we dwars door de weilanden, door de zompige blubber van tractorsporen langs halfbevroren slootjes naar Ferwert gestuurd. Het is een spannende route: de enkeldiepe modderplassen zijn niet altijd even makkelijk te ontwijken, het is glibberig en ongelijk terrein en onze dichtgeslibde en aangekoekte schoenen hebben nauwelijks nog grip. Het regent inmiddels gestaag. Linksaf, rechtsaf baggeren we door het Friese kleiland en vergeten ons voor te stellen hoe fraai dit stuk zou zijn wanneer de zon er op zou schijnen en het zou geuren naar vers gemaaid gras, of akkerbloemen.


Aangekomen in Ferwert zijn onze vingers verstijfd en onze kleren doorweekt. Het leuke is er dan wel vanaf. Met nauwverholen tegenzin slepen we ons naar Hegebeintum, waar de auto nou eenmaal staat. Het zelfverzonnen lied waarmee we de stemming er zojuist nog aardig inhielden, wordt niet meer gezongen en een wandellimerick voor Ferwert zit er niet meer in. We besluiten er de volgende etappe dan maar opnieuw te beginnen, om het plaatsje alsnog recht te doen.

Ook Hegebeintum, waaraan ondanks alles duidelijk valt te zien dat het de moeite waard is, gunnen we vandaag geen verder onderzoek. Druipend en verkleumd vallen we er het bezoekerscentrum binnen, waar we hartelijk en met mededogen worden ontvangen met speciaal voor ons gezette koffie. Als de dienstdoende heren horen dat we zijn komen lopen van Zwarte Haan schudden ze getweeën meewarig het hoofd. Gelopen vanaf de Zwarte Haan, herhalen ze. Jullie lijken wel gek. Nou goed, helemaal ongelijk kunnen we ze vandaag ook weer niet geven.

Ufo’s boven de kwelderwal

Oosterbierum – Zwarte Haan, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 13 februari 2016

Oosterbierum ligt er niet op z’n voordeligst bij vandaag. Vóór we uit de auto stappen, ruiken we het al: een gênante putlucht die zwaar over het dorp hangt. Voor de St Joriskerk ligt een flink stuk straat opengebroken te wachten tot het vrije weekend voorbij is. Tegen een hek staat een groepje verweerde putten zich modderig en verroest in het onvermijdelijke te schikken, met een schuin oog op het torentje blinkend nieuwe soortgenoten dat met uitsloverig machtsvertoon klaar staat om het over te nemen, maandag. Tot dan is het verstandig met een bochtje om Oosterbierum heen te lopen, en dat is wat we doen. Over de Fiskerlaene rechtstreeks naar de zeedijk langs de Waddenzee.

Dat het nogal mistig is, is eigenlijk niet zo erg. Dat geeft de uitzichten onderweg iets extra’s, een zachte gelaagdheid en iets mysterieus, ook dankzij de silhouetten van de kale bomen die met een precies pennetje in het grijzige landschap getekend lijken.
Schijnbaar eindeloos slingert de grasdijk zich de verte in. Links het langzaam maar zichtbaar droogvallend wad, een schitterend uitzicht dat in vele kleuren geel en bruin als een aquarel in de grijsblauwe lucht wegloopt. Het natte zand blijft achter in de grillige vormen van hersenkwabben, vingertoppen na een lang warm bad. Verderop ligt aan de voet van de dijk een mini-archipel van bijna perfect cirkelvormige eilandjes, borstelig begroeid met gelig gras. En er zijn natuurlijk de diepzwarte golfbrekers die naar de einder reiken, kaarsrecht of met een lichte buiging, hunkerend naar de zee.
Het landschap rechts is weids, afwisselend groen van gras en glanzend bruin omgeploegd. Met op gepaste afstand van elkaar grote boerderijen, waardoor het ook weer niet leeg wordt. Er zijn er altijd een paar in beeld, omgeven door ieder een eigen kring hoge bomen, die veel wind vangen immers. Langs de sloten staat goudbruin het riet van de zomer ervoor. Aan de horizon het wazig beeld van de toren van Tzummarum.

Lopend op de kop van de dijk, pal in de wind, is het goed te voelen dat vandaag een winterse dag is. Het is bij vlagen bar koud. Snijdend koud. Op het onaangename af eerlijk gezegd. Na verloop van tijd vervolgen we onze weg dan ook aan de voet van de dijk, in de luwte. Maar dat is pas na Koehool, want eigenlijk willen we het wad niet kwijt uit ons blikveld. Koehoal, ja, we lachen erom, flauw en oneerbiedig. Maar we mijmeren ook over hoe het zou zijn hier te wonen, met de Waddenzee voor de deur, steeds weer vol en leeglopend in een eeuwig ritme. Wat zou dat met je doen? Zou ons leven anders zijn? En zouden we dat willen? Het zijn vragen die zomaar boven kunnen komen drijven, tijdens de betere wandeling. Naast de meer concrete vragen onderweg. Zoals die drie grote koepels, die we iets van de dijk zien staan. Enorme koepels, beter gezegd. We denken dat het mestsilo’s zijn. Fraai is het niet. Het detoneert wat, in het plaatje. Het geeft te denken, bovendien. En niet alleen over ons natuurlijk te romantisch beeld van het platteland.
Verderop nog zo’n raadselachtig gebouw trouwens, maar dan zijn we al wel een heel eind richting St Jacobiparochie. Een nogal plompe vierkante toren staat daar, met een ongeveer even grote grijze bol erop. Op internet zien we onze vermoedens al snel bevestigd, dit is iets militairs. Het is Radarpost Noord, van de koninklijke luchtmacht. Hier wordt over onze veiligheid gewaakt, mag je aannemen. En dat is misschien maar goed ook, gezien de ook op internet gevonden berichten dat in het luchtruim boven St Jacobiparochie meer dan eens Ufo’s zijn gesignaleerd. In 1974 bijvoorbeeld zag een in zijn woonplaats als zeer betrouwbaar bekend staand heer ‘een verschijnsel in de vorm van een schotel, dat aan de zijkanten een fel licht uitstraalde, van dezelfde kleur, maar met een grotere intensiteit dan de verlichting van het verschijnsel zelf, dat geelwit van kleur was’. Ook is er sprake van ‘een ovaal verschijnsel met een kop en zeer veel kleuren dat zeer lang werd waargenomen’. En nog in 2012 maakte een mevrouw op weg naar de kapper melding van ‘een Object dat met een langzame snelheid laag over de radarpost vloog maar in het donker helaas heel moeilijk te zien was’.
Net voorbij Koehool treffen we nog een wit, half in de dijk ingegraven kaboutergebouwtje. Het ziet er best vriendelijk uit, met zijn deurtje en zijn raampjes. Spelende kinderen op zijn dak. Maar het is een laatste overblijfsel van een bunkercomplex dat de Duitse bezetter hier halverwege de oorlog bouwde, en dat onderdeel uitmaakte van de luchtverdediging langs de kust. Het staat er nog omdat de plaatselijke bevolking zich, ruim na de oorlog, met besturen en klankbordgroepen verzette tegen de sloop. Opdat wij niet vergeten.


Vanaf hier trekken we landinwaarts. Over een uitgebreid netwerk van vriendelijk met het landschap mee bewegende dijkjes, langs meanderende slootjes met gedrongen boompjes bereiken we met de Griene Dyk uiteindelijk St Jacobiparochie. Het Bildt, heet het gebied waar we doorheen lopen. Voormalig graanschuur van Fryslan en geboortegrond van de Bildtstar aardappel. Een zeer oud poldergebied, waar de polders luisteren naar functionele namen als Zuidwester- en Noorderpolder. Na een tijdje valt het ons op dat het terrein eigenlijk best wel glooit, iets dat je nou niet direct rijmt met polders, en Friesland. Een verklaring vinden we in de ontstaansgeschiedenis van het gebied. Ooit lag hier de Middelzee, die in de loop van het verleden echter langzaam verlandde, kwelders en kwelderwallen vormde en vanaf de late Middeleeuwen verder definitief werd ingepolderd door kolonisten uit Zuid Nederland. Dat laatste is dan nog weer merkbaar aan de katholieke inslag van het gebied, met al zijn parochies, aan de fruitteelt die destijds werd geïmporteerd en hier en daar nog stand houdt, en aan het feit dat in dit gebied blijkbaar een eigen Hollands-Fries dialect wordt gesproken, al hebben wij dat zelf niet gehoord.

In de ijdel blijkende hoop op een kop koffie lopen we St Jacobiparochie even in. Ook om de kerk even te bekijken trouwens, waarvan we de malle toren al geruime tijd boven de einder uit zien steken. Een uitzinnig okergeel geverfd geval is het, dat met zijn dorische zuilengalerij en zijn ronde torenspits op pootjes erg zijn best doet om on-Nederlands te lijken. Aan ons is het niet zo besteed, maar goed. De Groate Kerk is inmiddels een kultureel sintrum geworden en huisvest onder meer het pelgrimsinformatiecentrum St Jacob. De kerk presenteert zich als het officiële Friese startpunt voor de beroemde pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Als we later op de dag Zwarte Haan bereiken, lezen we daar in een soortgelijk bericht echter dat híer, in Zwarte Haan, gestart moet worden. Kijk, ons maakt het verder niet uit, wij bestellen warme chocolademelk in de herberg en aanvaarden daarna de thuisreis, maar de pelgrim, aan het begin van zijn zoektocht naar zingeving en betekenis, heeft misschien toch behoefte aan duidelijkheid.

De voortschrijdende tijd

Harlingen – Oosterbierum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 11 december 2015

Wat een mooi stadje is Harlingen. We waren er eerder natuurlijk, omdat de vorige etappe er eindigde, maar kwamen toen niet veel verder dan de rand. Nu dwalen we er van die rand af dwars doorheen. Linksaf en rechtsaf langs grachten en binnenhavens, met meest bescheiden maar prachtige oude en opgeknapte geveltjes aan de kant, in alle soorten van de regenboog. Klokgevels, trapgevels, driehoekige of rechte gevels en combinaties daarvan, met versierde daklijsten, witte hoek-ornamenten en kleurige, fantasierijke gevelstenen. Oude pakhuisjes, huizen met trappen ervoor, smalle steegjes en bruggetjes.. alles wat een historisch stadshartje begeert. In de Noorderhaven verraadt zich de vloed. Het water staat zo hoog dat de gietijzeren Raadhuisbrug het oppervlak bijna raakt, van het woud der dukdalven zijn alleen de vuilwitte badmutsen nog te zien zodat ze als in een zwanenmeer over het water uit lijken te waaieren.

Eerder stuiten we nog op het beeld van Anton Wachter, van wie we ons pas herinneren wie dat ook al weer was, als we kort daarna het geboortehuis van Simon Vestdijk passeren. Al blijft het zelfs dan bij een wat muffe herinnering aan de middelbare school. We kennen hem niet persoonlijk, Anton Wachter, alleen van horen zeggen. Misschien is dat, zoveel jaar later, eigenlijk onterecht.
We klimmen een dijk op en lopen dan plotseling langs en over de Tsjerk Hiddessluizen, een complex dat er met zijn afgerond strakke en witgepleisterde jaren vijftig vormgeving als een dubbel anachronisme bijligt: het past niet bij het historisch Harlingen waar we net uitkomen, maar zo modern als het ooit bedoeld is, oogt het ook al een tijdje niet meer. Een monument voor de voortschrijdende tijd.

Maar goed, het industriehavengebied waar we dan in terechtkomen is beslist nóg minder lieflijk nostalgisch. Zandoverslag, dicht op elkaar geschoven vissersboten in roestige kleuren, fantasieloze loodsen en complexen zonder opsmuk en petrochemische industrie met zulke ingewikkelde stelsels van buizen en pijpleidingen dat het moeilijk is voor te stellen dat er ook nog mensen zijn die daar wijs uit kunnen. En of we het als geruststellend moeten opvatten weten we niet, maar rondom staat iedere tien meter een blusinstallatie.
De kleuren die we hier tegenkomen zijn rood, blauw, geel en groen.. maar zeker tegen de donkergrijze en rumoerige wolkenlucht wil het geen vrolijk of kleurig schouwspel worden. Wel mooi, trouwens. Of, nou ja.. stoer, robuust. Ongepolijst. Het hoeft voor ons niet per se altijd paradijselijk ongerept natuurgebied te zijn, waar we doorheen wandelen. We vinden het juist wel boeiend om ook door dit soort zwaar gebruikte industriële landschappen te lopen. Het maakt immers evenzeer deel uit van de kust. En schoonheid tref je overal, zolang je er oog voor hebt.

Op de zeedijk zien we links de Waddenzee, met aan de horizon, hoe heiig ook, Vlieland en Terschelling. Voor de juiste volgorde komt voor de tweede keer vandaag onze schooltijd om de hoek kijken. De tv-tas, inderdaad. Wat, nu ik het zo neerschrijf, als een nogal vreemd ezelsbruggetje op mij overkomt, want wie doet in vredesnaam zijn tv in een tas? Zeker in de bloeitijd van het ezelsbruggetje had je niet veel aan een tas, om je tv te vervoeren. Twee potige kerels, daar had je meer aan. En wat er op tv gebied verder ook veranderd is, in de bijna vijftig jaar waar we het nu over hebben, dat in elk geval niet. Maar goed, het onderwijs is wel vaker ondoorgrondelijk.
Zigzaggend door het Friese landschap gaat het verder. We zien kale, zompige velden in aardkleuren vooral. Bruin, oker en omber. Zwarte plukjes kale bomen aan de einder, hier en daar. Statige boerderijen met afgekloven schuren. We passeren in de verte de Ropta State.
Dan verschijnt de kerktoren van Wijnaldum aan de donkergrijze horizon. Van een afstandje hebben we er geen hoge verwachtingen van. We zien het soort onbijzondere rijtjeshuizen waar er overal in Nederland dertien van in een half dozijn gaan. Maar als we dan een rondje om de kerk lopen, zien we het ware Wijnaldum. Een piepklein stokoud dorpje, in smalle, besloten, uit geel baksteen opgetrokken straatjes, dicht bijeen geschaard rondom de kerk die, zoals dat hoort, op een terp staat. De Andreaskerk, die er ondanks de gele kloostermoppen uit de 15e eeuw uitziet alsof hij er nog maar net staat. Grondig gerenoveerd of zelfs opnieuw opgebouwd, schatten wij in. Van de modern ogende, rood bakstenen toren, waarvan we later lezen dat het inderdaad niet de eerste en zelfs niet de tweede is, weten we dat ter plekke al zeker.
Even buiten Wijnaldum ligt de kaatsbaan er verlaten bij. Onder water gezet door de ijsvereniging ligt hij, naar oud Fries gebruik, op de vorst te wachten.

Langs de Sexbierumer vaart en langs de Riedpolder, langs weilanden van opengetrokken klei, in grote glimmende bonken, grijs, zwart en nat, trotseren we de regen. Aan de vaart treffen we, aan weerszijden van het water, twee onduidelijke, nogal massieve ruïnes aan. We zien nog een restje groene plavuizen en afgebrokkelde gemetselde bogen. De ruïnes horen duidelijk bij elkaar, ze neigen beiden naar de overkant, naar malcander. Het zijn de restanten van een spoorbrug. Ooit reed hier een trein. Van Sexbierum naar Wijnaldum. Stel je voor. Op internet vinden we later uit dat dat ergens tussen 1900 en 1930 geweest moet zijn. Een stoomtrein, rijdend op de lijn Harlingen – Tzummarum, voor de Noord-Friesche Locaal Spoorwegmaatschappij, die in die tijd een uitgebreid netwerk van lokale spoorlijnen onderhield. Er werden passagiers vervoerd, maar ook piepers.
Over de Slachtedijk tenslotte lopen we naar Oosterbierum, het eindpunt voor vandaag. Het is een duizend jaar oude dijk die is samengesteld uit in de loop der jaren langzaam met elkaar verbonden geraakte stukjes dijk die her en der, apart van elkaar werden opgeworpen, als plaatselijke bescherming tegen de destijds verderop gelegen Middelzee. Toen die in de loop der tijd werd afgesloten werd de Slachtedijk afgewaardeerd tot slaperdijk. Vandaag de dag is de Middelzee helemaal verdwenen. Alleen de Slachtedijk herinnert er nog aan. Ook die is een monument voor de voortschrijdende tijd.

De benen van de bruid

Een rondje Zaanse Schans, onderdeel van het Trekvogelpad, gelopen op dinsdag 29 september 2015

Ruim anderhalf miljoen bezoekers trekt de Zaanse Schans, gemiddeld, per jaar, de laatste jaren. Anderhalf miljoen toeristen die van over de hele wereld eens een kijkje komen nemen in het Nederland van weleer. Het romantisch reservaat voor het Hollandsch ideaalbeeld waar zo naar terug wordt verlangd, deze bange dagen. Nu zullen ze niet alle anderhalf miljoen met de trein komen, zoals ik vandaag, maar die het wel doen krijgen op NS station Koog Zaandijk toch een merkwaardige eerste indruk. Wat een haveloze treurnis! Wat een vervuilde, verwaarloosde en afgekloven bende. Toeristen schijnen over het algemeen geen bijzonder accuraat idee te hebben van waar Nederland nou precies ligt, eenmaal uitgestapt op Koog Zaandijk zullen de meesten er stellig van overtuigd zijn dat het ergens in de diepste krochten van Oost Europa moet zijn. Eind zeventiger jaren bovendien. Zelfs ikzelf ga even twijfelen. Ik maak me snel uit de voeten. Gelukkig is het mooi weer. Aan de overkant van de Zaan ligt Zaanse Schans opgepoetst te glimmen in de zon, daar ligt het niet aan.
Hoewel Zaanse Schans weldegelijk door echte mensen echt wordt bewoond, bestaat het eigenlijk niet. Tenminste.. het is niet het authentieke Zaanse dorp dat de tand des tijds dapper heeft weerstaan, al die eeuwen, waar je het ook voor zou kunnen houden, als je niet beter wist. In werkelijkheid is het een openluchtmuseum. In 1961 is men begonnen oude houten Zaanse huisjes en schuren en molens, waarvoor elders vanwege de oprukkende moderne tijd geen ruimte meer was, naar deze plek aan de overkant van de Zaan te verplaatsen. Om ze te behouden voor de toekomst.
Wat mensen beweegt er te willen wonen is mij onduidelijk, het moet vreselijk zijn. Ook vandaag, een onbijzondere doordeweekse dag buiten welk seizoen dan ook, wemelt het van de toeristen. Voornamelijk Japanners. Veel bleke, onpraktisch uitgedoste meisjes die het Holland van vroeger uitsluitend via de selfiestick bekijken, zichzelf prominent op de voorgrond, met modieuze gezichtsuitdrukkinkjes. Een authentiek ogende man staat zijn voordeur te schilderen, drie Japanse meisjes hangen schaamteloos over het hek in de hortensia’s, om zichzelf te fotograferen met dit rustieke tafereel in de linkerbovenhoek. De man doopt zijn kwast nog maar eens onverstoorbaar in de verf. Het lijkt of ieder die hier rondloopt de wereld vooral via het schermpje waarneemt. Zelf heb ik ook een camera op zak, maar al zou ik dus allesbehalve uit de toon vallen, ik voel vreemd genoeg teveel schroom om foto’s te maken.

Een paar honderd meter verder houdt het op. Daar staan geen molens meer, geen houten huisjes en toeristenwinkeltjes. Daar rest alleen het landschap. Woest en ledig. Met aan de overkant van de Zaan de industrie. Glimmende silo’s, leidingen en schoorstenen met hier en daar nog een stukje uit rood baksteen gemetseld verleden. Absoluut hoogtepunt wat dat betreft is zeepziederij De Adelaar. Voor de toerist is het te ver, ik vind het een adembenemend uitzicht, al zie ik het niet voor het eerst. Ik loop vandaag een rondje Trekvogelpad, van Zaanse Schans naar Zaanse Schans, omdat de bedenkers van dit pad hier twee mogelijkheden bieden, en ik niet kan kiezen. Ik wil ze allebei. Vandaar een rondje, waarvan een klein stukje dus voor de tweede keer. Niet het minste stukje.
In noordelijke richting loop ik door Bartelsluis onder Wormer door, langs de ringvaart om de Enge Wormer, een droogmakerij uit 1638, met aan de andere kant de Wijde Wormer, die rond 1626 uit zichzelf droogviel. Het verschil is goed te zien. Rechts is het maaiveld twee meter lager, liggen smalle, kaarsrechte sloten met wiskundige precisie naast elkaar. Links staat het water in brede grillige sloten nagenoeg even hoog als de dijk waarover ik loop. Weiland en water lopen er zo goed als naadloos in elkaar over.
Zo opgepoetst en aangeharkt als Zaanse Schans is, zo grof en ongepolijst is het omringend landschap. De industriële horizon uiteraard, met zijn rookpluimen, die de hele wandeling in het oog blijft springen, maar ook tal van half vervallen loodsen en schuren, rommelige erven en schijnbaar aan hun lot overgelaten stukken land. Mij doe je er een plezier mee. Hoogtepunt is een wat afgezonderd erf met een dichtgetimmerd huis, een sterk vervuilde silo en een verzameling verzakte, nog net niet ingestorte boetjes en bouwsels, sommigen eigenlijk nog niet eens afgebouwd, met als stralend middelpunt een pipowagen waarvan de rode luiken in stuitende typografie vrolijk beweren dat men open is. Het is jammer dat ik toch niet verder naar binnen durf.

Nog weer verder, langs de Kalverpolder, tref ik een huisje, ik zie het van verre al staan, met op het dak een enorme windmolen. Veel groter dan het huisje zelf. Het is het soort windmolen dat je soms in een weiland ziet staan, van een gelig soort kunststof, vier wiekjes plus een staartstuk dat de boel in de wind houdt. Maar dan veel en veel groter. Metershoog torent het boven het landschap uit, 32 wieken in een  reusachtige cirkel. Mijn fantasie slaat onmiddellijk op hol. Hier woont een excentrieke uitvinder, een professor die in de verlatenheid van de Zaanse polder een geheimzinnig experiment voorbereidt. Die een allesverwoestende wind wil opwekken en zo de wereldheerschappij in handen denkt te krijgen. Of juist een groot gevaar denkt af te kunnen wenden, en de wereld te redden. Door juist op tijd de koers van de aarde te veranderen, waardoor het gevaar uit de ruimte ons op een haar na mist. Of.. het is een moderne Noach, die zijn huis op wil laten stijgen, en weg, ver weg wil vliegen van dit land in verwarring.
Met een boog loop ik terug naar de Zaan. Tenminste, dat is de bedoeling. In ’t Kalf – een fantasieloze buitenwijk van lage apenrotsflats en piepkleine, haastig uit grindbetonblokken opgetrokken huisjes en woonerven met betegelde tuinen – verdwaal ik jammerlijk, terwijl ik mild bedenk dat het hier dan eigenlijk wel begrijpelijk is dat mensen het gefiguurzaagde woord HOME pontificaal in de vensterbank zetten. Je zou je anders inderdaad kunnen gaan afvragen wat je hier deed, in deze vreugdeloze gribus.
Het Jagersveld, waarvan ik, door de naam misschien, het idee had dat het een natuurgebiedje zou kunnen zijn, blijkt al snel een zeer aangelegd stadspark van grazige ligweiden langs tekentafelwatertjes met designerstrandjes en geometrisch meanderende betonpaden. Er is zelfs een trimbaan, met bij ieder toestel een bordje dat geïllustreerd en al precies uitlegt wat je er moet doen, en hoe vaak. Aardig misschien, zo’n park, als her en der leuke jonge moeders met hun kroost in het gras op aanspraak zitten te wachten, vandaag is het praktisch uitgestorven. Een opa zit er, met zijn drie kleinkinderen, lijdzaam te wachten tot het erop zit. Een moeder met een hoofddoek snauwt tegen haar kind, een magere man wandelt met twee hazewinden. Bejaarden op elektrische fietsen. Ik maak dat ik wegkom.


Wanneer ik de cirkel bijna rond heb, wandel ik Haaldershoek in, en dat is een aangename verrassing. Dit is ongeveer het authentiek Zaanse buurtschapje dat Zaanse Schans probeert te zijn. Een stuk eenvoudiger, dat is waar, veel minder pracht en praal, maar ook zonder toeristen. En daardoor toch bijzonderder misschien, voor mij in elk geval. Schoolkinderen fietsen er achteloos doorheen, met hun modieus op de knieën gescheurde broeken en hun veel te grote kratten met niks erin aan het stuur. Die zien het niet, hoe mooi dit is. Die zien alleen elkaar, wat ook weer mooi is natuurlijk.
Betoverd loop ik een extra rondje. Houten huisjes, strak en glimmend groen met wit in de lak, met luiken aan de ramen en versierde makelaars in de nok. Smalle klinkerstoepjes langs sloten en klassieke tuintjes, en bruggetjes die te smal zijn voor iets anders dan een wandelaar.
Terug in Zaanse Schans verbaas ik me nog één keer over de toeristenmenigte, die dus nooit zal weten hoe lieflijk en stil het er tien minuten verderop bijligt.
Een bruidspaar laat zich fotograferen met de Tinkoepel op de achtergrond. Genadig valt het tegenlicht door de bruidsjurk, en verklapt dat de benen van de bruid er mogen zijn.

De â van Ferwâlde

Workum – Makkum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 22 mei 2015

De terrassen lopen gestadig vol, op het marktplein in Workum, deze doodgewone vrijdagochtend. Met wandelaars als wij, aan het begin van de tocht; plaatselijke dames met kleurige brillen, moeilijk haar en gebloemde gewaden, lekker aan het gebak; een wat haveloze zwerver met een verfomfaaid pakje sigaretten, weggedoken in een opeens veel te warme jas; moeders met kinderwagens; een enkele toerist in het Duits al.. iedereen zoekt een plekje in de zon, die we dan ook bijna zomers kunnen noemen vandaag. Wát een heerlijkheid. Maar dat mocht ook wel een keer, vinden wij eensgezind. Het Jopie Huisman museum schiet er daardoor dan wel weer bij in; de zon staat het eenvoudig niet toe. Met een cultureel schuldgevoel gaan wij op pad. Op kerkepad, om precies te zijn, dus dat komt mooi uit.

Via de Tillefonne verlaten we Workum. Een smal en onaanzienlijk steegje waarlangs men dus in vroeger tijden, na de kerkdienst op zondag, gesticht en opgelucht weer huiswaarts keerde, naar de boerderij in het buitengebied. Honderd meter lang is het steegje, zeker niet meer, maar als we erdoor zijn is de beginnende drukte op het marktplein volkomen uit het gehoor verdwenen en kijken we uit over een stil en weids weidelandschap, waar het kerkepad van één voet breed zijn weg door zoekt, van het ene hoge witte bruggetje naar het volgende. Tillen, heten die bruggetjes. Vandaar de naam Tillefonne. Een fonne is dan namelijk weer een stuk land dat niet zo vaak gemaaid wordt. Aan die regel houdt men zich heden ten dage trouwens blijkbaar niet meer: na het tweede bruggetje moeten we eerst even ruim baan geven aan een vriendelijk groetende hooischudder.
Als we ons af en toe omdraaien zien we de kerk van Workum nog lang hoog, maar vooral ook breed boven het landschap uittorenen. Het zal niet eens zo heel veel afwijken van het beeld dat de kerkganger van weleer gezien heeft. Een toren als een deftige tante met een strenge, hooggesloten jurk aan en een mal hoedje op. Een bazige tante, die met haar klokken bepaalde wanneer je ter kerke moest, wanneer het sluitingstijd was voor het café en wanneer je alleen nog met een lamp naar buiten mocht. Maar ook een zorgzame tante, die je waarschuwde voor brand en dijkdoorbraak.
Op de zeedijk richting Ferwoude maakt het kerkepad plaats voor een niet veel breder schapenpaadje, waarop we met kalme belangstelling worden gadegeslagen door schapen wit en zwart, met hun lammeren. Lopend over de dijk hebben we ruim zicht over het uitgestrekte Friese land. Oneindige weilanden, matgroen en geurig van het gemaaide gras, velden rood van zuring, geel van boterbloem en koolzaad, paars en lila van weer andere bloemen, waarvan het niet uitmaakt dat wij de namen niet kennen. De knotwilgen langs de weg schieten ook alweer aardig in het leven.
Hier en daar een statige boerderij, dichtbij of in de licht heiige verte, met oranje dakpannen, zonnepanelen soms, het erf omringd door een jas van bomen.  Aan de andere kant gloort het IJsselmeer. We zien piepkleine zeilbootjes langs de horizon glijden.
Overal zijn vogels in de weer, grutto’s, scholeksters, kieviten.. tureluurs misschien wel.. weten wij veel. Onder iedere dakpan lijkt een spreeuwennest te zitten, goedgevuld met veeleisend grut. Vaders en moeders spreeuw vliegen puffend af en aan. We horen sloten vol kwakende kikkers, we zien de pinken in de wei, insecten en vlinders darren door de lucht.. en alles roept ons toe: het is begonnen! Het is eindelijk begonnen!

Ferwoude is een klein dorpje. Omgeven door een grazig veldje vol grafstenen staat een pittoresk, vers geelgeverfd kerkje uit 1767, gebouwd onder opsigt van de kerkvoogden Pier Binkes en Claas Luwes. Op internet lezen we later dat het kerkje dat hier eerder stond in 1762 werd afgebroken, om de tufsteen waar het mee gebouwd was aan de cementfabriek in Makkum te verkopen. Of Claas en Pier daar beter van zijn geworden, vermeldt de geschiedenis niet, maar het laat zich denken.
Op de basisschool zijn maar liefst twee kinderen geboren. Van de juffen, nemen wij aan. Waarmee de toekomst van de school lijkt veilig gesteld, al vragen wij ons af, wie er nog voor de klas zal staan. Er staan lieve huisjes met tuintjes, in Ferwâlde. Plus een wat nors ogend buurthuis en de timmerwerkplaats van Anne Rinkes Feenstra, die we juist op de fiets zien springen, met de duimstok in de buuze. De buurvrouw vertrekt even later, met een forse printer losjes achterop de bagagedrager. Of dat wel gaat, vragen wij bezorgd, maar we worden niet begrepen.
Veel meer heeft het dorpsleven niet te bieden vandaag. We zitten op een bankje onder een frisgroene es en zien het allemaal gebeuren. Aan een man die zijn kinderen in de auto laadt, vragen we hoe we Ferwâlde uit moeten spreken, als we het goed willen doen. Vooral de â stelt ons voor problemen, dat spreekt. Die wordt een beetje langer dan een a, legt de man ons uit, maar wordt toch net geen aa.
Richting Allingawier gaat het dan. Langs de weg staat als vanouds van alles en nog wat te koop. Eerder passeerden we al een jamfiets en diverse scharreleieren, hier staan een soort manden te koop waarvan we het nut niet één twee drie kunnen raden. De heer des huizes, die ons toevallig net achterop fietst, zo te zien net terug van de bakker, vertelt dat het eendenkorven zijn. Wie er één koopt krijgt een mooie verse groene, roept hij ons nog na vanaf het tuinpad, op weg naar de middagboterham. Inderdaad zagen we er al één in de sloot staan, bedenken wij. Maar hier hangen er ook twee in de boom. De hongerige heer des huizes kunnen we het niet meer vragen, die is al naar binnen. Blijkbaar nestelen eenden ook in de boom, nemen we dan maar aan. Al vragen we ons wel af hoe de pulletjes, die mijn wandelgenoot overigens pijltjes noemt, zo’n hooggelegen nest ooit veilig moeten verlaten.

In Allingawier woont bijna niemand. Het is een museumdorp. Als erin wilt, moet je betalen, al geldt dat hopelijk niet voor de enkeling die er nog wel woont. De route van het Nederlands Kustpad loopt precies langs de kassa. Wandelaars hoeven weliswaar geen entree te betalen, maar mogen dan ook niet het bruggetje over dat toegang biedt aan het dorp. Aan de overkant van het slootje wordt echter koffie verkocht. En drabbelkoek. Maar al hadden wij onze zinnen daar al een tijdje met enig bravoure op gezet, nu puntje bij paaltje komt durven we niet zomaar burgerlijk ongehoorzaam tóch over de brug. Er is helemaal niemand in het museum en de kassa is vijf meter van het bruggetje. We voelen de ogen priemen. We besluiten het dus maar netjes te vragen. En dat loont. Als we belóven níet het museum in te gaan, mogen we een kopje koffie drinken. Opgelucht beloven we het. De drabbelkoek, zo blijkt, wordt ter plekke gemaakt, en is niets minder dan een belevenis.
Langs het Van Panhuyskanaal  tenslotte lopen we richting Makkum. Een rijtje schuiten met zwaarden kondigt de havenstad aan. Makkum ziet eruit als een vriendelijk stadje met veel water. Leuke kleine huisjes die een zekere rijkdom verraden, fijn geornamenteerd en goed onderhouden. Maar hoog overschaduwd door een enorme loods van golfplaat die het historisch straatbeeld kaarsrecht en zonder enig gevoel voor verhoudingen afvlakt, dichtplamuurt. De Vries Makkum, staat er met brutaal grote letters op te lezen. Een scheepswerf, zoals blijkt. Als we er op een terras vlak naast zitten, zien we er met enig gedoe een wanstaltig jacht in verdwijnen. Een wit glimmend oorlogsschip, met een flinke batterij radar-achtige bollen bovenin. Zelfs het jacht steekt boven de huizen uit. Het beroemde Makkummer aardewerk, waar we nota bene nog even naar op zoek zijn, krijgen we nergens te zien.