Schuldig landschap en oernatuur

cropped-header-201708312.jpg

Een wandeling van Ramscheid tot Schönenseiffen, gedeeltelijk langs GR56, gelopen op vrijdag 4 augustus 2017

Op vakantie in de Eifel begin ik zonnig gehumeurd aan een wandeling langs de Duits-Belgische grens. Noem het naïef, noem het onwetend, ik had daar aanvankelijk geen andere gedachte bij dan dat grenzen nou eenmaal altijd tot de verbeelding spreken, in elk geval tot de mijne, zelfs als ze zijn afgeschaft. Nog geen dertig meter van de parkeerplaats word ik bij de eerste de beste bocht al met mijn argeloze neus op de historische feiten gedrukt. Een steen met gouden inscriptie herdenkt dat hier, op deze plek, in de nacht van 16 december 1944 het Duitse Ardennenoffensief begon. De slag om Rheinland en Eifel, The Battle of the Bulge, die maandenlang duurde en vele tienduizenden soldaten het leven heeft gekost. Ik loop langs kilometers drakentanden, betonnen driehoeken tot ruim een halve meter hoog, streng in het gelid, in rijen van drie of vijf of meer.

DSC00009

De Westwall, lees ik later, die het Duitse rijk moest beschermen tegen aanvallen vanuit het westen, werd gebouwd vanaf 1938 en is 630 kilometer lang. En nog altijd, nu bijna zeventig jaar later, doorsnijdt dit lugubere bouwwerk hier het landschap. En niet alleen het landschap, het snijdt ook mij door de ziel. In hun onafzienbare rijen doen deze betonnen driehoeken, verweerd, bemost en begroeid, scheefgezakt hier en daar tussen de later opgeschoten bomen en struiken, sterk denken aan de zerken van een verwaarloosd kerkhof. Verlaten en vergeten. Overwoekerd door de tijd.

Een terechte gedachte, komt mij voor. Tienduizenden anonieme soldatengraven zijn het, waar ik langsloop. Wat een trieste aanblik. Ik raak er danig van onder de indruk, en kan hier niet in straf wandeltempo aan voorbijlopen. Als een onbedoeld monument dwingen deze stellingen mij tot overpeinzing. Zoveel zinloze doden. Zoveel angst, zoveel lijden, zoveel verdriet staart mij hier aan. Zo een onvoorstelbare barbaarsheid. Ik maak wat foto’s, maar het lukt me niet de foto te maken die uitdrukt wat het bij me oproept. Later besef ik dat dat ook helemaal niet kan. Wat hier uitgedrukt moet worden, valt niet op een foto vast te leggen. Ook niet in woorden waarschijnlijk.
Verderop kom ik nog een aandenken uit die tijd tegen. Het Jonny Brückchen, het bruggetje van Jonny, vertelt het verhaal van een Belgische soldaat die in de oorlog verliefd werd op een Duits meisje en zich na de oorlog bij haar in de Eifel vestigde, een zoon met haar kreeg, maar in 1948 door de Duitse douane werd doodgeschoten terwijl hij voedsel voor zijn gezin over de grens probeerde te smokkelen. Een persoonlijk drama, maar het geeft ook te denken. Want als mensen van twee strijdende partijen verliefd op elkaar kunnen worden, en samen zonen kunnen krijgen, waarom wordt dan uiteindelijk gestreden? Moeten we niet allemaal verliefd op elkaar worden en zonen en dochters krijgen? Zou de wereld daar niet enorm van opknappen?

DSC00055

Aangeslagen loop ik verder door het stroomdal van de Olef, een beekje waarvan je hier nog niet zou denken dat het verderop zal uitlopen in een machtig stuwmeer. Het is een prettig landschap, ik draai weer een beetje bij. Groene, sappige flanken met het idyllisch kronkelend geruis van water in de diepte. Op één of andere manier krijg ik zo het idee dat ik door de natuur loop zoals die bedoeld is, ooit, in het begin. Een soort oernatuur. Flauwekul natuurlijk, ik loop tenslotte over een keurig geëgaliseerd pad van precies een tractor breed door wat hoogstwaarschijnlijk een productiebos is, maar toch.. het is de ervaring die telt.
Later kom ik trouwens over een terrein waar helemaal korte metten wordt gemaakt met mijn romantisch ideaalbeeld. Want al die naaldbomen, valt er op een Duits informatiebord te lezen, horen hier helemaal niet. Die zijn hier tweehonderd jaar geleden allemaal aangeplant, voor het hout. Door de mens. Daarvóór werden deze heuvels, aldus nog steeds het informatiebord, al sinds de Romeinen gebruikt als grasland, voor het hooi. En dáárvoor, ja, dáárvoor was het dan oernatuur. Natuur zoals het bedoeld was. Met essen, elzen en wilgen. En díe oernatuur wordt hier en nu, onder meer door het rigoreus verwijderen van naaldbomen, weer teruggebracht. Waarna, zo belooft het bord ten slotte, de mens er verder met zijn tengels vanaf zal blijven. Tot het volgende nieuwste inzicht zich aandient, denk ik er zachtjes bij. Zover is het nu in elk geval nog niet, zie ik als ik zo eens om me heen kijk. Ik overzie een zo goed als kaalgeslagen terrein, zonder naaldbomen inderdaad, waarop ingewikkelde, wetenschappelijk ogende installaties staan opgesteld, met zonnepanelen, antennes, witte kastjes met genummerde bordjes, pinnen in de grond, aluminium constructies met opvangzakken van wit gaas en veel rood-wit afzetlint. Daartussen piepen dan hier en daar héél kleine loofboompjes, het zaailing-stadium maar nauwelijks ontgroeid. Die, zo neem ik aan, worden nu door alle technische rompslomp tot spiksplinternieuw oerbos gemonitord. Hoe de natuur het toch ooit zónder ons gered heeft, het is een groot raadsel.

DSC00050 x

Ik ben er dus dol op dit soort dingen tegen te komen tijdens het wandelen. Dingen die vragen oproepen. Raadsels soms. Die ook wel eens onopgelost blijven. Ook dat is wandelen voor mij. Af en toe stilstaan, en je verwonderen over wat je ziet. En niet eens alleen de grootse vergezichten, juist ook de kleine dingen.
Ik sta een tijdje stil bij een regenplas en zie dat daar van alles in leeft. Er schieten kleine salamandertjes tevoorschijn en weer weg, er scharrelen torretjes over de bodem, schrijvertjes dansen een Bauhausballet over het wateroppervlak met hun eigen wonderlijke schaduwen.
Ik buig me een tijdje over een mierenhoop en laat me hypnotiseren door het schijnbaar ordeloos gekrioel, maar krijg dan, wanneer ik het niet heel scherp meer zie, de indruk dat het juist een zeer systematisch krioelen is waarbij alle mieren in zeshoekige formaties steeds op dezelfde afstand van elkaar blijven en samen als één groot organisme functioneren. Het gestuntel en gehannes van een klein groepje mieren dat een dode kever naar boven probeert te slepen is daar dan weer grappig mee in tegenspraak.
Ik klim nog even in een Jagdstuhl, om hoog boven het dal wat te mijmeren over vroeger, toen mijn zonen onvermoeibaar élke Jagdstuhl beklommen, om te kijken of er misschien kogelhulzen lagen. Hier lagen ze niet, maar de herinnering was de klim wel waard.

DSC00155

Als ik na een dag door het bos wandelen het eindpunt nader en daar voor het eerst het bos verlaat, sta ik op een groene, hooggelegen vlakte plotseling oog in oog met groepjes enorme windmolens die daar kalm en bedaard hun rondjes draaien. Vreemd genoeg stralen ze een soort serene rust uit, dat zou je niet verwachten. En wat er verder ook over windmolens gezegd en gedacht mag worden, ik kan ze hier en nu niet lelijk vinden. Dat is allemaal maar een kwestie van tijd. Onze inmiddels tot heilig icoon verklaarde oerHollandsche windmolens werden in hun tijd óók als horizonvervuiling gezien. Een noodzakelijk kwaad waarvan bij de introductie van het stoomgemaal ook betoogd werd dat ze maar zo snel mogelijk moesten worden afgebroken. Dus. Als ik ze hier nu zo zie, als grote vriendelijke reuzen, die met de neus in de wind allemaal dezelfde kant op staan te kijken, vind ik dat eerder een surrealistische ervaring. Ik stel me voor dat ze zo, op een inmiddels uitgestorven aarde, worden aangetroffen door een onbekende buitenaardse beschaving, waarvan de geleerden zich dan voor dezelfde raadsels geplaatst zien als wij bij de beelden op Paaseiland, en er allerlei theorieën bij ontwikkelen over godenverering, offerceremonies en zonnerituelen. Maar goed, dan loop ik natuurlijk wel een beetje op de zaken vooruit.

Advertenties

Gevorkt

cropped-header-ijsvogelwanderweg.jpg

Op de vakantiebestemming in de Eifel liepen wij de Eisvogelwanderweg. Geen ijsvogel gehoord of gezien natuurlijk. Die zijn veel te schuw om zich voor het karretje van de Touristeninformation te laten spannen. Dat weet je van tevoren.
Ja, was het een uitzending van de Baardmannetjes op Max geweest, dan was het wel anders gelopen. Dan had Nico de Haan ons op de hem kenmerkende alwetende toon uitgelegd dat hij ons vandaag zeker een heel goede kans op een ijsvogeltje gaf, omdat die in dit gebied best wel vaak voorkwamen, we langs een snelstromend beekje liepen, met veel laag overhangende takken, en dat dat een ideaal leef- en jaaggebied voor ijsvogeltjes was. Dat hij dus zijn best zou gaan doen voor een ijsvogeltje. En dan zou Nico de Haan wel gezorgd hebben dat het op het eind van de dag gelukt was. Desnoods met listig ingemonteerde archiefbeelden. En dan hadden wij, als bestudeerd naïeve Hansen Dorrestijns, verheugd en ontroerd ah en oh kunnen roepen. Maar dat zat er dus niet in. De enige ijsvogels die we gezien hebben, waren de foto’s op de informatieborden van de wandeling.

DSC09852

Nou vind ik de ijsvogel persoonlijk toch een beetje té, eerlijk gezegd. Ik vind ze een beetje opgelegd mooi. Alsof iemand gedacht heeft: nu ga ik een vogeltje maken dat iedereen wel mooi móet vinden. Een beetje uitsloverig. Al dat blauw. Al dat oranje. Al die exotiek. En dan gewoon een standvogel zijn. En je dan te goed voelen om je af en toe eens te laten zien, aan de hardwerkende wandelaar. Al kan het ook zijn dat het ijsvogeltje dat zelf ook allemaal vindt, en zich daarom liever niet laat zien. Dat zou dan weer zielig zijn. En niet nodig.
Enfin, het was een fijne wandeling, klimmend en dalend langs het stroomdal van een allervriendelijkst beekje. We waren het er over eens dat één en ander een paradijselijke indruk op ons maakte. Waaruit maar weer blijkt dat we daar weinig voor nodig hebben. Het geruis van zacht stromend water over een paar rotsen, de lommer van een handvol jonge boompjes, wat overhangend groot hoefblad, een beetje balsemien en je bent een heel eind, wat ons betreft. Al verzinnen wij daar wel onze jongetjes bij natuurlijk, die dit jaar voor het eerst te groot zijn voor een vakantie met hun ouders, maar in onze herinnering nog altijd even druk in de weer met keien en stenen om de loop der dingen te bedwingen.

DSC09866

We zagen paarden, in de weilanden langs de beek. Op sommige plekken konden ze de beek oversteken naar een weiland aan de andere kant. Dat leek ons leuk voor de paarden.
We zagen koeien, on-nederlandse koeien, in andere kleuren en met horens. Dát zijn we al niet meer gewend, deze koeien stonden ook nog in familieverband bij elkaar. Vader stier, in volle glorie, met een handjevol moeders koe en een hele bende kalfjes er dartelend omheen. Dat leek ons leuk voor de koeien.
Op het eind van de wandeling vloog ons dan nog een grote roofvogel in het vizier, waarvan wij meenden te weten dat dat een wouw was. Milan, in het Duits. Wisten we ook nog. Aan de staart kun je zien of het een Rotmilan of een Schwarzmilan is. De één is gevorkt, de ander niet. Welke wel en welke niet, dat waren we dan weer kwijt. Bovendien bleek het later niet helemaal waar te zijn. Beiden hebben een gevorkte staart. De rode iets meer dan de zwarte. Of andersom. En de onze had wel een érg gevorkte staart, zodat we later ook weer zijn gaan twijfelen aan onze waarneming.
Nee, daar kan Hans Dorrestijn nog een puntje aan zuigen.

Wandelen naar de twaalfde stad

cropped-header-201706-4.jpg

Een etappe van de Elfstedentocht als wandeling, van Franeker naar Berlikum, gelopen op donderdag 8 juni 2017

Het toeval bepaalde dat ik een dag in Franeker terecht zou komen, met ruim de tijd voor een wandeling. Op internet diende zich toen de tiende etappe van de Elfstedentocht aan, van Franeker naar Berlikum, als wandeltocht, met net de goede afstand. En zo is het gekomen.
Eerlijk gezegd heb ik niet zo heel veel met de Elfstedentocht. Sorry, zal ik er maar bij zeggen, voor de zekerheid, want dat is het meteen een beetje: er hangt voor mij ongeveer hetzelfde hysterisch nostalgisch oud Hollandsch VOC sfeertje omheen dat het Sinterklaasfeest inmiddels tot een onverteerbaar nationaal ijkpunt heeft gemaakt. Met nuance, een opgetrokken wenkbrauw of een relativerende kanttekening maak je in dat boze witte wespennest al snel vijanden voor het leven. Maar goed, ik overdrijf, uiteraard, dat weet ik heus wel, en in juni zal het nogal meevallen, heb ik dan maar gedacht. Al blijft het uitkijken natuurlijk.

DSC09217

Omdat ik mijn wandeling niet, als voorgeschreven, bij het station begin maar bij het planetarium, ik van daar af de kaart verkeerd lees en op zoek naar de omschreven route wat richtingloos door het oude centrum van Franeker loop te dwalen, ontdek ik dat het eigenlijk doodzonde is dat je vanaf het station min of meer met de kortste weg van de stad wordt weggeleid. Franeker is een prachtig stadje, waar de oud Friesche geschiedenis op elke straathoek trots vanaf straalt. Gemiste kans dus. Oude klinkerstraatjes en grachten, bruggetjes, musea, kerken en monumentale panden en gevels.. een groen bolwerk om de oude stad.. ik zie het nu per ongeluk, omdat ik geen kaart kan lezen en geen richtinggevoel heb, maar het zou zeker de moeite waard zijn deze wandeling ook officieel met een uurtje uit te breiden.
Als je dan de Elfstedentocht gaat lopen, verwacht je een beetje de hele dag het water links of rechts te hebben liggen. Een tocht langs wijde vaarten en brede sloten, klunend over jaagpaden en schelpenpaadjes door het uitgestrekte Friese land en langs pittoreske dorpsgezichten. Fantaserend eventueel van winterse heroïek. Van Franeker naar Berlikum is dat niet precies het geval, zal ik maar vast verklappen. Niet dat dat verder veel uitmaakt, het wordt geen vervelende wandeling – een wandeling is eigenlijk nooit echt vervelend, als je maar uit je doppen kijkt en zolang het niet regent – maar echt spectaculair wordt het ook niet. Nee. Daarvoor zit er teveel asfalt in de route. Vóór je de A31 eindelijk niet meer ziet of hoort, loop je al bijna weer op het betonnen fietspad langs de druk en hard bereden Dongjumerweg. Alleen het laatste stuk, van Ried naar Berlikum, langs het Berlikumer Wijd, is aangenaam autoloos.

DSC09244

Langs het bolwerk en via een charmant onaangeharkt boerenerf laat ik Franeker achter me. Aan de horizon kondigt zich al snel Schalsum aan, met een bescheiden kerktorentje dat maar nauwelijks boven de bomen uitsteekt. Ik vind het altijd aardig om zo’n kerkje wat te bekijken en verheug me er vast op. Vreemd genoeg weet de routebeschrijving mij er echter op slinkse wijze omheen te leiden. Pas als ik Schalsum aan de andere kant alweer uitloop zie ik verdorie wat er gebeurd is, maar om er nou voor terug te lopen vind ik ook weer zo wat. Des te vreemder is het wanneer je bedenkt dat dit stuk van de route het Jabikspad volgt, een pelgrimsroute nota bene. Het zal een kerkje van een ketters geloof geweest zijn.
Met de wind en daarmee het geraas van de A31 in de rug loop ik verder richting Boer. Verderop, bij een kippenbruggetje, of een tille, zoals het hier ten lande schijnt te heten, staat een busje geparkeerd. De deuren en de klep staan open, het is duidelijk het busje van een of ander onderhoudsbedrijf. Er hoort een in rode overall gestoken man bij, zie ik nu, en er klinken duidelijk verontrustende werkgeluiden vanaf het bruggetje. Even vrees ik het ergste, maar de man in rode overall vertelt mij vriendelijk en breeduit glimlachend dat hij alleen wat planken en balken hoeft te vervangen. Om nut en noodzaak van zijn klus te onderstrepen houdt hij een stuk brugleuning omhoog waarvan de uiteinden inderdaad hun beste tijd gehad hebben. Ieder jaar is er wel iets te vervangen, zegt de man, het staat nou eenmaal buiten, in weer en wind. Maar het zal zijn nut wel hebben, denkt hij, het bruggetje. En voor hem is het allemaal weer werk. Dus. Vandaag en morgen zal hij er nog wel mee bezig zijn, schat hij onverstoorbaar doorglimlachend in. En anders is er na morgen nóg een dag. Ook in Friesland kan het leven goed zijn.
Van de andere kant van het smalle pad langs de sloot zie ik dan een dame aankomen met twee enorme honden van een bedenkelijk merk. Wederom vrees ik het ergste. Ik ben niet dol op honden als verschijnsel. Daar kunnen de honden meestal niet zo veel aan doen, het zijn honden tenslotte, maar hondeneigenaren houden er vaak wat merkwaardige ideeën op na wat betreft beleefdheid en sociale omgang. Zodat je als wandelaar regelmatig in, laten we zeggen, uitdagende situaties terecht komt. Om mijzelf de bek niet open te breken ga ik daar nu niet verder op in en dat hoeft ook helemaal niet want deze dame toont zich een dame, die weet hoe het hoort. Zij lijnt haar honden kort aan en laat ze in de berm zitten tot ik ongehinderd gepasseerd ben. Het kan dus wel, wil ik maar zeggen. Het is niet onmogelijk. Ik heb het zelf gezien.

DSC09281

In het buurtschap Boer staat, zo meldt de routebeschrijving wervend, het oudste stenen woonhuis van Friesland. Een bezoekje waard, had ik gedacht, maar dat had ik gedacht inderdaad. De bewoners van het oudste stenen woonhuis van Friesland houden blijkbaar niet van cultuurhistorische pottenkijkers want dit stukje Fries erfgoed is rondom daadkrachtig aan het oog onttrokken door dikke en metershoge beukhagen, vol in het frisgroene blad. Zou je het willen bekijken, dan zou je daarvoor de privétuin moeten betreden en iets zegt mij dat dat niet op prijs gesteld zou worden. Gelukkig staat daar ook de 12e eeuwse Mariakerk, om troost te bieden. Ossenbloedrood gepleisterd weggedoken achter een bomenrij, op een bescheiden terpje met een overzichtelijk kerkhof rondom. De ingangspartij trekt nogal de aandacht. Door zijn nogal barokke vormgeving – pilasters  met kleurrijke krullen en versiersels en een door brullende leeuwen geflankeerd timpaan – lijkt die niet helemaal bij de kerk te horen. Dat blijkt ook te kloppen gelukkig. Het is de uit 1664 stammende toegangspoort van de voormalige Elgersmastate, die later, toen de state werd afgebroken, aan de kerk is vastgeplakt. Vroeger hadden ze geen welstandscommissies die daar moeilijk over deden waarschijnlijk en ach, als het lang genoeg is zoals het is gaat het vanzelf zo horen. Tijd heelt alle wonden. Hoewel dat voor het kerkje dat ik in Ried aantref misschien minder het geval is. Daar zijn aan de achterkant, waar je het niet ziet zal men gedacht hebben, twee zulke lelijke vierkante bakstenen puisten tegenaan gemetseld dat de tijd er zijn handen vol aan zal hebben.

DSC09350

Langs het Berlikumer Wijd loop ik dan richting Berlikum. Waarvan de kerk, omdat we het daar nu toch over hebben, zich al lang van te voren aan de horizon aandient. Een indrukwekkende koepel met een gezellig extra koepeltorentje erop waarvan ik later op internet leer dat dat een lantaarn heet. Gebouwd in 1777. Een staartje barok in Berlikum. De twaalfde stad, zoals ze zich zelf noemen, omdat er, getuige een toeristische folder, aanwijzingen zouden zijn dat men er vroeger stadsrechten heeft gehad die later om onbekende redenen zouden zijn verlopen. Het had, begrijp ik, maar heel weinig gescheeld of we hadden ons ieder jaar weer vreselijk druk gemaakt over een Twaalfstedentocht.

Een staaltje Hollands Glorie

Een wandeling op, over en achter de Hondsbossche Zeewering, gelopen op dinsdag 12 augustus 2014

Camperduin is deze dagen wel een héél goede plek om, na een vakantie aan Bretonse kliffen en stranden, weer thuis te komen aan Hollandse kust. Hollandser dan het hier nu is, zal het namelijk niet snel worden. Hier, aan de voet van de Hondsbossche Zeewering, op zichzelf al een oerHollandsch fenomeen natuurlijk, met ook nog die fijne dicteefähige spelling, wordt nog maar eens eventjes onderstreept dat God dan misschien de wereld schiep, maar dat Holland toch echt gemaakt werd door de Hollanders, zoals het zelfverzonnen en in het Engels de wereld rondgebazuinde spreekwoord luidt, want bescheidenheid maakt nou eenmaal geen deel uit van de Hollandse Cultuur. Hier, achter de wegkijkende blik van de bronzen jutter op de miniboulevard, is inmiddels een begin gemaakt met de aanleg van een spiksplinternieuw stukje Nederland. Tussen Camperduin en Petten wordt, langs de hele zeedijk van vijf en een halve kilometer, een nieuwe strook duinen en strand opgespoten, die meer dan tweehonderd meter de zee insteekt. Die goeie ouwe Hondsbossche Zeewering is na honderdveertig jaar trouwe dienst opeens als zwakke schakel aangemerkt, door de boven ons gestelden, en op deze manier brengt men de kust hier naar verluidt weer op kracht.

wandeling petten kris 004

Direct als we ergens halverwege de dijk hebben beklommen, zien we de eerste verandering. Op een meter of vijftig, zestig uit de kust is van links naar rechts een nieuwe, tweede branding ontstaan, om de zee maar ook de vele bezoekers vast wat te laten wennen. Aan het eind van de dijk, aan de horizon in dit platte land, bij Camperduin dus, is de eerste uitstulping in zee al duidelijk te zien. Het is een bijzonder schouwspel, dat moet gezegd. Hier wordt iets groots verricht, die sfeer. Pronte schepen varen af en aan om ergens ver uit het zicht het benodigde zand van de zeebodem te halen en hier weer af te leveren. Op het nieuwe land rijden shovels, graafmachines en kiepauto’s bedrijvig heen en weer. Honderden meters roestige buis doorkruisen het groffe zandlandschap, in forse stapels ligt er nog veel meer te wachten op wat ongetwijfeld komen gaat. Mannen in oranje jassen met gele helmen op nemen het werk van enige afstand in kalme ogenschouw. Ze lijken de zaak volledig onder controle te hebben. De gewoonste zaak van de wereld, even een stukje zee dempen. Onder aan het nieuwe duin rijdt een tractor met een tankje op sleeptouw, waaruit een grijzige, natte smurrie op het zand wordt gespoten. Om het stuiven tegen te gaan, concluderen wij. Later lezen we dat dit papierpulp is, en geen rivierzand, wat we zelf hadden bedacht. De oude pokdalige dijk ligt er wat beduusd bij.

wandeling petten kris 029

Er staat een straffe wind. Man! Ver voorovergebogen worstelen we ons er tegenin, we kunnen elkaars kreten van verwondering maar nauwelijks verstaan. Ook de mannen in oranje jassen moeten in elkaars oren roepen hoe lekker het allemaal gaat. Het zand dat van het werk geblazen wordt, striemt ons in het gezicht en tegen de blote armen en benen. Pijnlijk. Maar het geeft het tafereel van de eeuwige Hollandse strijd tegen het water wel een extra heroïsch tintje, dat wel.
Overigens zou Holland Holland niet zijn wanneer er niet ook de nodige tegengeluiden te horen waren, ontdekken we later op internet. Lang niet iedereen is overtuigd van de noodzaak van dit peperdure projekt, blijkt op Twitter, en in fora. Het grondwater achter de dijk, vrezen sommigen, zal straks waarschijnlijk zo de kelders inlopen, met die miljoenen kilo’s extra zand voor de deur, zoals dat bij Katwijk ook gebeurde. De natuur krijgt het zwaar te verduren, denken anderen. De strekdammen, nu nog voedselbank voor talloze vogels, verdwijnen onder het zand. Het brakke gebied achter de dijk, uniek leefgebied voor allerlei vogels en planten, zal minder bereikbaar zijn voor kwelwater en dus minder brak worden, met alle gevolgen van dien. Die gele rook die de zandschepen dag en nacht uitbraken, foetert een derde, tarten iedere wetgeving op het gebied van uitstoot voor bijvoorbeeld personenauto’s.
Tja. Wij weten het natuurlijk ook niet. Maar nu we het allemaal zo lezen, vinden we het zelf bijvoorbeeld nogal zorgwekkend dat in het kielzog van dit zogenoemde kustopkrachtprojekt gerept wordt van ´kansen om de mogelijkheden voor recreatie, toerisme, natuur en economie in het gebied te vergroten´. Kijk, daar wordt het over het algemeen niet beter van, naar onze bescheiden mening. Uitzichtpunten en verbeterde strandopgangen. Jaja. Parkeerterreinen, patatkramen en pannenkoekenboerderettes. Brrr.
Ook in de Harger en Pettemerpolder, waar de wandeling na Camperduin verder gaat, zijn nieuwe voorzieningen voor recreanten gedacht. Extra wandel- en fietspaden. Voor ons hoeft het niet, eerlijk gezegd. Het is hier goed zoals het is. Kijk dan: weids, leeg, ongepolijst. Zonder opsmuk. Ongemoeid. En heel erg Hollands. Of het altijd zo geweest is.

wandeling petten kris 060

Randonneur mechant

Wandeling rond Chapelle du Mur (Fr), gedeeltelijk de GR380, gedeeltelijk de PR4. Gelopen woensdag 16 juli 2014.

Goed, het was een doodlopende weg, volgens het daarvoor gebruikelijke bord. En de gemarkeerde route wees ons ook de andere kant op, in het geel én in het roodwit. Maar wij wisten van onze splinternieuwe wandelkaart dat er rechtsaf een kapelletje stond. Altijd leuk, een kapelletje. En dat je daarlangs gewoon je weg kon vervolgen, terug naar de bedoelde route. Voor auto’s was het doodlopend, misschien, voor wandelaars zeker niet.
Bovendien, nergens een bordje propiété privé. Of acces interdit. Of passage interdit of interdit au public. Of iets anders van die strekking.
Bovendien, een kapelletje.. het vakantiehuisje van de barmhartige Heer.
Bovendien, nergens een bordje chien mechant. Of attention au chien.
En toch staat daar, meteen als we rechtsaf slaan, een heel vervelend hondje te blaffen. Als we dichterbij komen duikt hij zelfs grommend plat op de grond, in het gras. In een aanvalshouding, dat is duidelijk. Een beetje parmantig is het ook wel want het is een nogal klein en niet meer zo jong hondje, maar hij méént het wel: als we manhaftig doorlopen springt hij fanatiek naar mijn kuit en zet er grauwend zijn tanden in. Godallemachtig! Wat zullen we nou hebben? Dat beest bijt me gewoon in mijn been!
Van de eigenaar hebben we weinig te verwachten, dat is een oud mannetje dat met een lawaaiapparaat onkruid staat te wieden en weliswaar vagelijk iets onverstaanbaars in het rond roept, het frans equivalent van ’hij doet niks’ waarschijnlijk, maar zijn apparaat zet hij daar niet voor uit. We weten niet eens zeker of hij het tegen ons of tegen zijn hondje heeft. Het hondje trekt zich er in elk geval niks van aan en blijft ons driftig grommend en blaffend achtervolgen terwijl wij beteuterd en uit het veld geslagen de aftocht blazen. Dan maar geen kapelletje. Thank you Lord, thank you Jesus.
En het vervelende, behalve dat je schrikt en pijn aan je been hebt en je zorgen maakt of je, nu het ook nog gaat bloeden, niet beter één of andere prik kunt gaan halen, is dat de rest van je nog maar net begonnen wandeling vergald is, omdat je je nog kilometerslang tandenknarsend loopt af te vragen waarom je dit nou in vredesnaam maar weer gewoon laat gebeuren, als een blijkbaar onvermijdelijk ongemak. En je je te laat en te lang loopt te bedenken wat je die aso met zijn kuthondje allemaal had kunnen toevoegen, had moeten toevoegen, in het Nederlands desnoods, in plaats van maar weer lafhartig het beschaafde hazenpad te kiezen. Altijd sorry, pardon en een stapje opzij.
Ook loop je niet meer zo lekker omdat je verder bij iedere vorm van bebouwing op je hoede bent voor de volgende aanval. Niet geheel ten onrechte trouwens want even verderop is het merdedemerde wéér zover. Een loslopende boxer wacht ons blaffend en grommend op en begeleidt ons dreigend, intimiderend brommend, de nekharen overeind, de hele weg langs zijn erf. Terwijl we toch gewoon op de openbare weg lopen, net als de boxer inmiddels. Pas als we allang weer voorbij zijn, wordt er vanuit het huis iets gebiedends maar onverstaanbaars geroepen, hopelijk naar de hond.
Onbegrijpelijk, vinden wij, om het zachtjes uit te drukken. Je kunt natuurlijk best een hond nemen om te zorgen dat je geen last hebt van mensen met kwade bedoelingen, maar dan zul je toch ook moeten zorgen dat mensen zonder kwade bedoelingen geen last hebben van je hond. Voor de gemiddelde hondenbezitter is dit duidelijk geen vanzelfsprekendheid. Wij hebben het in elk geval weer eens helemaal gehad, met de hond en zijn baasje, en nemen ons voor zo snel mogelijk standaard een busje pepperspray in de rugzak te hebben.