Bohemian Rhapsody in het Karstlandschap

Wandeling in de Eifel, van Schönecken naar Ober Hersdorf, gelopen op zaterdag 10 augustus 2019

Gelukkig ben ik een flexibele wandelaar, anders was het vandaag misschien minder goed gelopen dan het nu gelopen is. Op de wandelkaart van onze tijdelijke omgeving was mijn aandacht getrokken door Schönecken. Vanwege de veelbelovende naam allicht, die nog onderstreept werd, letterlijk ook, op de kaart, met een uitgebreid assortiment aan gekleurde, gestippelde, doorgetrokken en geblokte kronkelende lijnen die allen een wandelroute markeerden, met ieder een eigen nummer, symbooltje, pictogrammetje of logootje. Soms voerden er wel vier of vijf tegelijk over hetzelfde bospad. Het Schneifelpad, het Jakobspad, het Nimstalpad, om er maar eens een paar te noemen, plus nog verschillende routes van de Eifelverein.. dat moest wel de moeite waard zijn, had ik gedacht. Daar ging ik heen.

P1060175

Heel even kwam de angstige gedachte bij me op dat dat dan misschien wel heel veel andere wandelaars zou aantrekken ook en ik, bewaar me, terecht zou komen in jolige wandelvierdaagse-taferelen van in file achter elkaar aan lopende prestatiewandelaars met heuptasjes met voldoende water, bezwete koppen onder rare petjes en hoedjes en ook verder in merkwaardige uitdossingen gestoken, maar dat was natuurlijk onzin want tijdens de wandelingen die ik tot nog toe gemaakt heb in Duitsland, ben ik slechts hoogstzelden een tweede wandelaar tegengekomen.
Heel even lijkt het alsnog verkeerd uit te pakken, er staan verdacht veel auto’s op de Wanderparkplatz en bij het informatiebord staat zich zelfs al een berugzakt en bewandelschoend duo te oriënteren, dat ik in het eerste half uur van de tocht overigens met enige moeite uit mijn kielzog  kwijt weet te raken, maar dat blijkt later verder allemaal reuze mee te vallen. De werkelijke moeilijkheid zit hem in de hoeveelheid aangeboden wandelingen. Op de toch behoorlijk gedetailleerde kaart is er, door de samenklonteringen van symbooltjes en nummertjes die soms cruciale splitsingen en kruisingen aan het oog onttrekken, maar moeilijk wijs uit te worden welk pad in te slaan voor de door mij gekozen route en ook ter plekke blijkt: het zijn er teveel. De paaltjes die ervoor bedoeld zijn, zijn te klein voor zo veel pijlen, plaatjes en stickers, soms half over elkaar geplakt en met stift veronduidelijkt met handgeschreven extra pijlen en aanwijzingen. Er is geen touw aan vast te knopen.

P1060152

Enigszins opgejaagd door het duo in mijn nek en, ik zal het eerlijk toegeven, tevens te bekakt om mij zelf ook even kalm en bedaard bij het informatiebord te oriënteren, sla ik lukraak rechtsaf, om er van af te zijn. Dat ik meteen een steil klimmetje moet maken klopt niet met hoe ik de route gepland had, op de overvolle kaart, want ik zou langs een beek, maar die gedachte maakt plaats voor de charmante en fotogenieke aanblik van een omber- en okergele rotspartij die plotseling in al zijn robuuste schoonheid boven mij uittorent. Kalkzandsteen, gok ik. Op het uiterste randje lijkt het laatste rijtje bomen zich krampachtig, huiverend, met al hun wortels vast te houden om te voorkomen dat ze de diepte in storten. Kijk, dit zijn de dingen waarvoor je eropuit trekt, dat hebben we thuis niet, in de polder. Ik neem er even de tijd voor.
Zoveel pijlen en bordjes er net nog stonden, zo weinig staan er nu, nu ik verder wil. Geen enkele aanwijzing over links, rechts of rechtdoor. Het kan alle drie. Ik ben net op weg en nu al verdwaald. Teruglopen is geen optie, op gevoel sla ik linksaf en klim pittig verder over een nogal grofkorrelig okergeel grindpad dat meer weg heeft van een drooggevallen rivierbedding, het heeft gisteren flink geregend en dat is hier nog goed te zien. Het gaat trouwens weer een beetje regenen merk ik, en wat nog erger is, de natuur roept. De natuur dringt aan zelfs. Hoewel ik goed voorbereid op pad ben gegaan, om het zo maar te zeggen, is er geen ontkomen aan, ik moet. En liefst een beetje snel. In de top 2000 van dingen waar ik een pesthekel aan heb is dit de Bohemian Rhapsody: schijten in de natuur, ik draai er maar niet meer om heen. Erover uitweiden ga ik trouwens evenmin, dat hoeft nou ook weer niet, al is het natuurlijk zo menselijk als wat, maar daar zit ik dan, in de bosjes naast het pad, die aan de magere kant zijn, in de regen, zakdoekje paraat, met in mijn achterhoofd het wandelduo achter mij, dat nu niet ver weg meer kan zijn. Mama Mia let me go.

P1060184

Wanneer ik even later, de nood gelenigd, de bui overgewaaid, het wandelduo afgeschud, in een ruime zigzag beweging een dal in meander, herken ik die beweging van de kaart. Dit is mijn terugweg. Dat wil zeggen, dit was mijn terugweg, want nu besluit ik er ook meteen korte metten mee te maken. Ik pak de kaart erbij en bepaal ter plekke een nieuwe route. Zo doen we dat. Het weidse, groen glooiende uitzicht dat ik hier heb bevalt me wel, is eigenlijk precies waar ik op uit was na een eerdere wandeling over voornamelijk bosbouwpaden door geometrisch productiebos, dus ik zou wel gek zijn als ik nu weer op zoek ging naar de juiste pijltjes en nummertjes. Vrijheid blijheid, wie doe me wat.
Het blijkt een goede beslissing want het wordt al met al een schitterende, gevarieerde wandeling door loofbossen, langs steile rotswanden, gouden korenvelden, glinsterende beekjes en glooiende dalen met witte dorpjes en leistenen kerktorentjes in de verte en roofvogels aan de blauwe hemel.
Wandelen is voor mij niet per se alleen maar in een straf tempo met voldoende water van a naar b lopen. Dan kun je beter met de fiets, denk ik dan. Het leuke van wandelen is juist het kalme, het langzame. Het bewuste, zo u wilt. Het onderdeel zijn van het geheel. Wandelen is ook af en toe stilstaan om te zien wat er te zien is, te horen wat er te horen is, te ervaren wat er te ervaren is, en zo het geluksgevoel te laten indalen.
Dus als ik verderop in het bos op tientallen meters even lange als hoge rotsformaties stuit, bizarre stapelingen van enorme, met mos begroeide stenen die, zeker in combinatie met het lieflijk ruisend beekje ter rechterzijde, een feeërieke en voorwereldlijke sfeer van ongereptheid oproepen, laat ik mij graag betoveren. Ik waan mij vanzelf een ontdekkingsreiziger en start de klimtocht tussen en over de rotsblokken naar de top. Een jongensachtige excursie die mij ook doet terugdenken aan de wandelingen die ik vroeger met mijn zonen maakte, die dit destijds helemaal de bom hadden gevonden, maar ik wil ook voorkomen dat het leven alleen nog maar uit nostalgische overwegingen bestaat dus ik ga hier gewoon toegeven dat ik dit geklauter, dit bedwingen van de woeste natuur, hier en nu, in mijn eentje, ook gewoon als een hoogtepunt van de wandeling beschouw.

P1060268

Uiteraard loop ik ook nog een stukje door het ruisend beekje, waarvan mij eerder al was opgevallen, waarvan het mij eerder al had bevreemd dat het hele stukken alleen maar een droge bedding was maar dat er dan plotseling ook weer ergens water door kabbelde. Een informatiebord legt het uit. Het is in het Duits dus ik doorgrond het maar half, met mijn verzakte middelbare school Duits, en bij aardrijkskunde heb ik het misschien ook wel gehad maar dat vond ik toen nog saai, maar ik doe mijn best. Wat ik ervan begrijp is dat het water gedeeltelijk ondergronds loopt. Doordat kalklagen in de bodem zijn opgelost is daar ruimte voor. Plaatselijk, waar minder kalk heeft gezeten neem ik dan maar aan, welt het water naar boven om bovengronds haar weg te zoeken, om waar het kan dan weer weg te zakken, zoals water nou eenmaal graag doet. Bij voldoende aanvoer van hemelwater zal de beek trouwens wel helemaal vollopen als ik die bedding zo bekijk. Het zou leuk zijn, bedenk ik, het dan ook eens te zien. Verder lees ik dat op sommige plekken zulke grote ondergrondse ruimtes met water ontstaan dat de boel instort en er een groot, kratervormig gat in de bosbodem ontstaat. Verderop kom ik daar inderdaad een voorbeeld van tegen, dat ik zonder het bord niet had herkend. Eén en ander zijn kenmerken van het zogenoemde Karstlandschap. Dus dat weet ik nu dan ook weer. Kennis om thuis mee aan te kunnen komen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Advertenties

Ontmoetingen en avonturen in Blôte Bieneland

cropped-p1050562.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Nieuwe Niedorp naar Twisk, gelopen op vrijdag 21 juni 2019

Geparkeerd onder de pittoreske kerktoren van Nieuwe Niedorp hopen we als eerste een kop koffie te kunnen scoren, om de wandeling voor vandaag officieel te openen. Dat blijkt nog niet zo makkelijk. Aan het plein zien we De Roode Eenhoorn, dat met een uitgestald terras weliswaar sterk op een uitspanning lijkt maar het bij navraag niet blijkt te zijn. Ze hebben wel koffie, vertelt de jongedame die ons te woord staat, maar ze zijn geen café. De mededeling blijft wat onduidelijk in de lucht hangen zodat wij beleefd groetend maar weer naar buiten klossen.

de roode eenhoorn
De Roode Eenhoorn in andere tijden

Later op internet blijkt de Roode Eenhoorn nota bene het oudste café van Nederland te zijn geweest, dat in 1530 reeds werd genoemd als rustplaats voor man en paard, maar in 2012 werd omgebouwd tot een woonzorghuis. We zijn gewoon te laat. In de voormalige feestzaal zijn nu negen appartementen gevestigd, waar evenzoveel zorgbehoevenden wonen, het cafégedeelte is de gemeenschappelijke ruimte waar wordt gekookt, gegeten, gespeeld en ontmoet. En koffie gedronken. Maar niet door ons dus.
Wij lopen door naar De Maurits, die op dit uur echter nog gesloten blijkt, behalve uiteraard voor de eigenaar, die genoeglijk met een bakkie en zijn telefoon op zijn eigen terras neerstrijkt. Wij hebben ons geluk dan al beproefd bij de buren, een wat beduimelde snackbar waarvan je je zelfs zou kunnen afvragen of hij ooit betere tijden gehad zal hebben maar waar een vriendelijke jongeman ons twee superieure cappuccino’s brengt. Zo zie je maar. Ook de pittoreske kerktoren blijkt overigens niet helemaal te zijn wat het lijkt want de bijbehorende kerk werd meerdere malen afgebroken en voor het laatst in 1966 vervangen door het zwaar gedateerde, gewilde modern van kerkgebouwen uit die tijd, met de dan weer niet ontoepasselijke naam Fenixkerk.

P1050508

Door de Dorpsstraat wandelen we Nieuwe Niedorp uit, langs grote, fraaie en soms rijk versierde huizen die aan één kant van de straat achter een vaart liggen en vanaf de weg ieder met een eigen brug bereikbaar zijn. De vaart, de beurtvaart, werd in vroeger tijd gebruikt om de oogst naar de groenteveiling te vervoeren maar is nu zo goed als onbegaanbaar doordat de bruggen laag en breed net boven het water hangen ten behoeve van de auto’s des huizes. De zomer begint vandaag, de bomen staan volop in het groen. Een aantal imposante zwarte beuken verleent het dorpsgezicht extra statuur.
Via de n239 lopen we rechtsaf het land in richting Aartswoud, het kolossaal silhouet van het Seminario Redemptoris Mater kijkt ons na. Even zien we in de verte het Kremlin nog door de bomen schemeren. Niet het echte uiteraard maar een plaatselijk bekende, misschien zelfs beroemde tuin waarin de bewoner louter voor zijn eigen plezier een groot aantal fantasierijke bouwsels in Russische stijl heeft neergemetseld. Zogenoemde follies. Ons boekje maakt er geen melding van, maar we komen er ook niet echt langs natuurlijk. We hebben het erover omdat het boekje wel melding maakt van follies in Italiaanse stijl, bij Aartswoud. Daar zouden we dus wel langs komen. Het kan zijn dat we niet verder hebben gekeken dan onze neus lang is, maar ook deze follies gaan aan onze neus voorbij. Ze zijn niet te vinden. Maar ach, we kunnen zonder, er is genoeg te zien.

P1050545

We ondergaan uitgestrekte groene landschappen met frisblauwe luchten erboven die schilderachtig zijn opgemaakt met helderwitte, zonbeschenen wolken. We zien eenden met pullen zwemmen, een tweede leg, kun je vermoeden, in deze tijd van het jaar. Jonge fuutjes ook, met nog een gestreepte kop maar te groot al voor op mama’s rug. We passeren een loods waar schapenwol te koop wordt aangeboden, waar het rafelig schaap dat kreupel in het weitje aan de weg staat te rochelen en te steunen geen aanbeveling voor is. Tot hoog boven de horizon wordt in de verte met een aantal windmolens aan het nieuwe Nederland gebouwd. Dichterbij steken de oranje pannendaakjes van het oude Nederland boven het groen uit, een volle waslijn ernaast, bollend in de wind. Een tractor rijdt heen en weer door het hooi om het te keren en werpt daarbij grote stofwolken op. Het is een nostalgisch beeld, met een nostalgische geur.
Even buiten Aartswoud ontmoeten we een dame met een fiets, een zonneklep en een blijde lach. De fiets staat geparkeerd bij een kippenbruggetje over de Veersloot en het lijkt of de dame ons op staat te wachten. Wat niet zo is uiteraard, maar zo komt het al snel tot een praatje. Als het even kan zit ze op de fiets, vertelt de dame. Tentje achterop en gaan. En maar zien waar ze uitkomt. Naar België en Frankrijk ook wel, maar ook veel in eigen land. Moet ze ergens met de trein heen, gaat de fiets mee. Voor de verloren uurtjes. Rieta heet ze, met i e, en fotografe is ze. Te Monnickendam. Portretten. Trouw- en rouwreportages. Geen nieuwsfoto’s, dat moeten anderen maar doen, dat is niks voor haar. Ze geeft ons haar kaartje mee. De fiets is een verhaal apart, vertelt ze, en zo ziet ie er ook uit. Als een studentikoos vehikel. Het is een peperdure kwaliteitsfiets, verklapt ze ons, maar ter voorkoming van diefstal heeft ze hem eerst wat nonchalant in de matte witte verf gezet, waarna de kleinkinderen hielpen met versieren en ze aldus op het fleurige idee kwam om iedereen met wie ze onderweg een praatje maakte zijn of haar naam op de fiets te laten schrijven. Ze heeft er speciaal een handvol gekleurde stiften voor in het stuurtasje zitten. Ook wij mogen een plekje uitzoeken, op het volgeschreven frame. Van veel namen weet Rieta nog uitgebreid te vertellen wie en waar het was. Wij vleien ons daarom met de gedachte dat wij nu ook in haar repertoire zijn opgenomen en besluiten dat de wereld enorm opknapt van mensen als Rieta.

P1050606

We lopen verder over ‘t Blôte Bienepad, wat Westfries is voor blote benenpad. Waarom het zo heet wordt niet duidelijk, een blote voetenpad is het in elk geval niet. Het schijnt dat de streek rond Aartswoud Blôte Bieneland genoemd wordt, door de Westfries, en dat zou er dan weer mee te maken kunnen hebben dat Aartswoud in vroeger tijden aan de woeste Zuiderzee lag en dat haar bewoners in die tijd bekend stonden als laten we zeggen nogal ondernemende en proactieve strandjutters. De stompe kerktoren zou in die dagen ook dienst hebben gedaan als soms wat misleidende vuurtoren, lezen wij. Maar goed, deze historische duiding speculeren we hier ter plekke bij elkaar, zie maar wat u ervan gelooft.
Voor we bij Lambertschaag opnieuw op de Westfriese Omringdijk stuiten gaat ’t Blôte Bienepad over in het Pannepad. Over de oorsprong van die naam heeft ons routeboekje gelukkig iets te melden. Hier werden vroeger stieren gefokt die van een zo hoge kwaliteit waren dat ze wereldwijd werden verkocht. En al deze stieren heetten Pan, om één of andere reden. Het pad is naar hen genoemd.
Of het een nazaat van zo’n beroemde Pan is weten we natuurlijk niet zeker maar het zou zomaar kunnen want feit is dat we juist hier een pink aan de verkeerde kant van het hek treffen. Hoe ze er gekomen is, is ons een raadsel, al horen we later van iemand die het weten kan dat pinken ‘achterlijk hoog’ kunnen springen. Daar staat ze, midden op het pad. Haar soortgenoten staan nieuwsgierig tegen het hek gedromd om maar niets te missen van wat komen gaat en dat er wat komen gaat is onvermijdelijk, wij besluiten namelijk dat we iets moeten doen. Zo zijn wij dan weer. Al weten we niet precies wat wijsheid is, want zo zijn we ook. We knopen het hek, dat met boerentouw is dichtgebonden, los en zetten het op een kiertje, niet te groot want we zijn als de dood dat de andere pinken straks ook de benen nemen en we met een veel groter probleem zitten opgescheept. Dan proberen we met strategische danspassen en armbewegingen de wegloper terug het weiland in te krijgen, maar die houdt zich niet aan ons rommelig plan en dreigt paniekerig steeds verder af te dwalen. Gelukkig krijgen we hulp van twee fietsers die toevalligerwijs ieder van de andere kant aan komen rijden en zo het smalle pad in beide richtingen afsluiten. Een tijdje kijken ze ons geklungel welwillend aan, dan neemt één van hen de leiding over. Hij is opgegroeid op een boerderij, vertelt hij, en weet dus hoe te handelen. En inderdaad is de kudde in een vloek en een zucht herenigd, aan de goede kant van het hek. Onze redder in nood blijkt juist op weg te zijn naar de eigenaar van deze pinken en hij neemt afscheid met de belofte een goed woordje voor ons te doen.

P1050624

Vanaf Lambertschaag maken we ons op de A7 over te steken. We lopen er op af over een fantasieloos stuk van de Westfriese Dijk met rechts van ons een druk bereden n239. Een ononderbroken stroom vrachtverkeer trekt voorbij. De schoorstenen van Hartog dierenvoeders stoten verschillende merkwaardige kleuren rook uit. We rapen enorm veel plastic en blikjes uit de berm, de meegebrachte boodschappentas is ook vandaag weer te klein. Veel is door de maaier al tot scherpe en voor dieren levensgevaarlijke snippers gemalen, je mag hopen dat het gedroogde gras dat hier ligt niet als hooi gebruikt gaat worden.
Dan gaat het naar Twisk, langs een dichtbevolkt vogelgebied. We lopen langs de natuurlijke oever van de Oostermare, lezen we, een oude veenstroom, nu in gebruik als waterberging en broedgebied voor allerlei vogels. De roerdomp, de slobeend, de tureluur, de grutto.. ze komen hier allemaal voor. Wij herkennen de kluut en het visdiefje. Aan de overzijde van het water is een oeverzwaluwwand geplaatst waarvan het meer dan tachtig paartjes geen bal uitmaakt of dat van beton is of niet.
In Twisk verlaten we de voorgeschreven route en slaan rechts- in plaats van linksaf, omdat daar de auto nou eenmaal staat geparkeerd. Zo zien we dan weer wel een gedeelte van Twisk dat anders voor ons verborgen zou zijn gebleven. Het lintdorp ziet eruit als een openluchtmuseum. Links en rechts van de klinkerweg staan lange rijen goed onderhouden en rijkversierde stolpboerderijen en rijksmonumenten in de middagzon te glimmen. Het zal geen straf zijn hier de volgende etappe in omgekeerde richting weer te beginnen.
We sluiten de dag af zoals we hem begonnen, met een zoektocht naar koffie. Een enorme uitspanning die met grote parasols en protserige witte beelden nogal de aandacht op zich vestigt blijkt niettemin gesloten en zo eindigen we ook in Twisk bij de buren: een uit de kringloop ingerichte koffiehoek die onwillig deel uitmaakt van een dorpse winkel van sinkel annex bouwmachineverhuur die tevens dienst doet als postagentschap en waar een nurkse meneer die alles al een keer gezien heeft en zich nergens meer over verbaast de scepter zwaait. Zonder zich te haasten verdeelt hij zijn karige aandacht over ons en de talrijke klanten die zich in zijn winkel aandienen. Bij de balie staat een molen met kromgetrokken ansichtkaarten uit de begintijd van de fotografie, met straatbeelden van het Twisk van toen. Het hondje van de zaak loopt zich regelmatig vast tussen de stoelpoten rond onze voeten, aan zijn touw van dertig meter waarmee hij ook het terras bestrijkt, in de hoop dat er een stukje appeltaart zal vallen. Warme appeltaart, dat dan weer wel.

Dit verslag werd ook gepubliceerd op Samen Uit En Thuis, weblog van een wandeling langs het Groot Frieslandpad, met ook nog tal van rubrieken.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Waxinelichtjes in aluminium cupjes

cropped-p1050848.jpg

Wandeling rond Sellerich-Hontheim, gelopen op maandag 5 augustus 2019

Vanuit ons vakantieverblijf in de Eifel maak ik vanmiddag een eerste verkennende wandeling. We logeren wat onderaan in een dal, dus waar ik ook besluit heen te lopen, het begint met klimmen. Flink klimmen, ook nog. Ik vind dat een soort van spannend, laat ik het nu maar bekennen, want sinds mijn hier tot nu toe verzwegen operatie vorig jaar is het voor het eerst dat ik dat weer doe. Wandelingen bergop leverden mij voorheen steevast de bekende pijn op de borst, waardoor ik elke klim in behapbare stukken of stukjes moest verdelen en telkens op adem moest komen. Waar ik in de loop der jaren behoorlijk behendig in was geworden. Overigens was ik er in de loop der jaren ook buitengewoon handig in geworden dit soort noodzakelijke pauzes te maskeren met een meer of minder uitgebreid fotomoment, een sanitaire stop, een slok water of het raadplegen van kaart of mobiel. Niet alleen voor eventuele medewandelaars, ook, of misschien wel vooral, voor mezelf.
Goed.
Van wandelingen thuis weet ik inmiddels wel dat, wat het me verder ook allemaal aan al of niet blijvende nasleep heeft opgeleverd, de pijn op de borst is verdwenen. In elk geval voorlopig, houd ik immer op mijn hoede een slag om de arm.

P1050845

Desondanks begin ik niet helemáál onbevangen aan de weg naar de top van dienst, der Schwarze Mann, wat trouwens een tikje onheilspellend klinkt, maar dat heb je wel vaker in het Duits. Het wordt zo’n klim waarvan je bij elke bocht of wending denkt dat je er wel zo’n beetje bent maar die dan telkens een nieuw stuk in petto heeft. Aanvankelijk moet ik een beetje zoeken naar een geschikt tempo, veel lager dan ik hoogmoedig heb ingezet, zoeken ook naar rust en vertrouwen in mijn lijf, maar zonder kleerscheuren of ademnood geraak ik boven. Hetgeen mij tot bescheiden tevredenheid stemt.
Onderweg hoop ik altijd wild te treffen. Een ree, of twee, een koppeltje wilde zwijnen.. ze moeten er zijn, in deze uitgestrekte bossen, er staat niet voor niets elke tweehonderd meter een Jagdstuhl – zo’n op stelten van multiplex en asfaltpapier in elkaar geflanste schiethut van waaruit de sportieve jager zijn prooi op zijn gemakje, zonder al te veel arbeidsintensief sluipen en achtervolgen, af kan knallen – maar ze laten zich niet zien. Niet aan mij. Het is niet de juiste tijd van de dag, weet ik natuurlijk ook wel, veel te warm, veel te vroeg. En een rammelende rugzak en dat eeuwig knerpende grind onder de wandelschoenen helpen ook niet echt. Ik moet het doen met een lui opvliegende blonde Greifvogel en het nodige klein grut waar ik de namen ook niet van weet.
Zoals mij wandelend in Duitsland al wel eens eerder gebeurde, kom ik ook vanmiddag de oorlog tegen. Halverwege de klim naar boven stuit ik op een monument dat oproept in de Here Jezus te geloven. Het monument is neergezet, lees ik, ter nagedachtenis aan drie mannen die hier, de eerste maand na de oorlog, bij herstelwerkzaamheden aan de waterleiding, op een landmijn stuitten. Of het een geallieerde of een Duitse mijn was vermeldt het verhaal niet. Ik vraag me een tijdje af of dat verschil zou maken, voor de tragiek ervan, maar kom er niet uit. De Here Jezus zat er verder niet mee in elk geval.

P1050863

Bovenop de heuvelrug tref ik een bunker. De resten van een bunker, met een door de tand des tijds aangevreten hek er nauwelijks nog omheen. Het lijkt mij een vreemde plek voor een bunker, zo lukraak midden in het bos, tot ik bedenk dat ik hier natuurlijk langs de Westwall loop. En dat dat bos er destijds waarschijnlijk niet stond en men vanaf dit hoge punt een riant uitzicht en vrij schootsveld over het aanpalende dal gehad zal hebben. Bunker, vermeldt een vervaagd opschrift in gothische letters, om misverstanden uit te sluiten. Het is een wanordelijke stapel grove brokstukken zwart en grijs beton waar de bewapening aan alle kanten roestig uit steekt. Alsof er met een enorme hamer op is geslagen hangt de tientallen centimeters dikke dakplaat aan zijn betonijzer in stukken naar binnen. Het lijkt er niet op dat dit ook het werk van de tand des tijds is. Het lijkt er meer op dat deze bunker met het nodige geweld aan zijn einde is gekomen. Dat zou dan dus oorlogsgeweld geweest kunnen zijn, ben ik geneigd te denken, want als het een naoorlogse opruimactie is geweest, waarom de brokstukken dan niet ook afgevoerd? De ellendige omstandigheden waarin mensen elkaar hier naar het leven hebben gestaan, ben ik geneigd er in gepaste stilte bij te denken.
Alweer op de terugweg bezoek ik nog een kleine, witte Mariakapel die we eerder al hadden zien afsteken tegen de groene verte. Het is opmerkelijk hoeveel kapelletjes, Maria’s en kruisbeelden je op de vreemdste en meest afgelegen plekken tegenkomt, waar ook vaak nog een kaarsje in brandt, of verse bloemetjes bij zijn gezet, in een vaasje.
Aan de rand van de weg ernaartoe staan eerst nog twee grote, klassiekerig uit brokken geel steen opgemetselde pilaren, in het niets. Restanten van een toegangshek, schat ik zo in. Nu slechts toegang biedend aan een lege weide, en het glooiend landschap erachter, maar eerder misschien aan de oprijlaan van een inmiddels verdwenen landhuis of burcht.
Een te romantische gedachte. Volgens een bijgeleverd bord gaat het om de Eingangstor zum ehemaligen Reichsarbeitsdienstlager Hontheim. Internet leert dat dit van 1933 tot 1945 dienst heeft gedaan als opvoedings- en werkkamp voor Duitse jonge mannen, die hier zes maanden verplicht te werk werden gesteld in de oorlogsindustrie. Er zou bijvoorbeeld gewerkt zijn aan benodigdheden en onderdelen voor de Westwall. Later, toen de jonge mannen op begonnen te raken, werden er ook vrouwen aan het werk gezet.

P1050925

Het kapelletje ten slotte, want daar kom ik voor, blijkt in 1948 te zijn opgericht ter ere van de heilige maagd Maria, als dank voor het feit dat Zij de plaatselijke bevolking zou hebben gered bij het passeren van de geallieerde frontlijn, 21 september 1944, in de nadagen van de oorlog. Maria geeft geen krimp, aan de muur van haar witte kapel. Zij laat het zich gewoon maar aanleunen.
Het is stil en vredig in het kapelletje. En warm. Op twee tafeltjes branden kaarsjes, waxinelichtjes in aluminium cupjes, op een eenvoudig altaar staan bloemen. Aan de muren zijn tal van bordjes geschroefd waarmee Maria dank wordt gezegd voor allerlei andere, niet nader benoemde verleende diensten – in marmer gebeiteld, geëmailleerd of aandoenlijk met naïeve hand in dito vrolijke kleuren geschilderd. Er hangt ook een geplastificeerd verzoek niet uit eigen beweging schildjes op de muur te bevestigen. Maria, nogmaals, ziet het allemaal onbewogen aan.
Als ik de gewijde stilte van het kapelletje weer verlaat, parkeert er juist een auto op het grindpad. Dat zal de koster wezen, denk ik, die de boel komt afsluiten. Als niet-religieus begin ik mij alvast schuldig te voelen voor mijn ironische, louter toeristische belangstelling voor deze verheerlijking, maar het blijkt al gauw dat de vermeende koster, geheel in het groen gekleed, met een heel ander oogmerk aan de rand van het bos komt parkeren. Dure groene tassen komen er uit de kofferbak tevoorschijn, onderdelen worden aan elkaar geschroefd. Mijn groet wordt niet beantwoord. Met plotseling enige huiver passeer ik de resterende Jagdstuhlen op weg naar ons tijdelijk huis.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Een helder, bijna welluidend kroe kroe

header dwingelderveld

Een herfstwandeling over en langs het Dwingelderveld, gelopen op maandag 23 oktober 2017

Herfstvakantie. Dan kun je je plannen beter niet te veel van het weer af laten hangen want dan kom je de deur niet uit. En dat zou zonde zijn, nietwaar. Kijk maar eens naar een dag als vandaag. Ja, de lucht is grijs en dreigend. En ja, er valt eens een buitje, zoals buienradar al had voorspeld, en er zou er straks best nog een kunnen vallen. Maar veel vaker nog is het droog, het bos ruikt heerlijk als het is natgeregend, de lucht is frisser dan ooit en de grijze wolkenluchten en de heiige vergezichten hebben een heel eigen, betoverende schoonheid. Bovendien komt het zonnetje er ook af en toe nog doorheen, het is herfst tenslotte, veranderlijk weer. Prima omstandigheden voor een herfstwandeling, zo moet je het zien. Wij laten ons in elk geval niet kisten en krijgen daar geen spijt van.

DSC01063

We lopen van Dwingeloo in de bosrand langs het Dwingelderveld richting Lhee, over schelpenpaadjes en brede boslanen, maken een kronkel over de heide en vinden in de vallende schemer onze weg terug over smalle, soms moeilijk zichtbare paden en paadjes door het bos. Maar al lopen we op veel plaatsen over een dik, licht verend, roodbruin pakket van afgevallen blad, het herfsttapijt is nog lang niet af. De bomen gaan ook nog volop in herfstkleuren getooid, variërend van groenig geel en gelig groen tot roestbruin, bordeaux en knalrood. Een lust voor het oog, zo clichématig als het zijn mag. En nu dat woord toch gevallen is: het schijnt een misvatting te zijn dat paddestoelen alleen in de herfst voorkomen. Dat schijnt een romantisch en onwaar cliché te zijn. Dat heb ik wel eens ergens gehoord, dat heb ik wel eens ergens gelezen. Maar ik weet niet of de kabouters dat ook weten want tjongejonge, wat hebben we er veel gezien, paddestoelen bedoel ik. Paddenstoelen, zo u wilt. Bermen, stronken en boomstammen vol. In soorten, maten, cirkels, rijen, groepjes en kleuren. The usual suspects als vliegenzwam, stuifzwam en elfenbankje, de soorten waar je dan heel stoer de naam van denkt te weten, al begin ik nu ik het zo opschrijf alweer te twijfelen of elfenbankje wel een officiële naam is.. is dat niet meer een kinderaanduiding die ten onrechte is blijven hangen? Dat geldt trouwens misschien ook wel voor eekhoorntjesbrood.. En wat ik nu een stuifzwam noem, was dat niet een bovist? Is er verschil tussen een bovist en een boleet, en zo ja: welke is wat? Of andersom?

paddestoelen dwingelderveld

In het bezoekerscentrum, dat we een paar dagen later bezoeken, wordt ons bij een zwaar geurende herfsttafel bevestigd wat we al wel wisten ook: er bestaan honderden verschillende soorten paddestoelen, die zelfs de kenner soms maar moeilijk uit elkaar kan houden. We zouden het ontzettend leuk vinden er alles van en over te weten, maar leggen ons er bij neer dat dat er nooit van zal komen. Het is onbegonnen werk. Het is teveel. Al belet dat ons niet er plezier aan te beleven. We zien vreemde en buitenissige exemplaren en bij gebrek aan de boom der kennis zijn we niet te beroerd er zelf, als Adam en Eva in het paradijs, een naam voor te verzinnen. Zo ontdekken wij bijvoorbeeld de Anemoonamoniet, de Hortensiazwam, de Gewone Koeienvlaai en de Kokosbovist. Stuk voor stuk zeer afdoende namen wat ons betreft, al worden we voor twee ervan bijna ter plekke gecorrigeerd door de boswachter die toevallig ons pad kruist. Als hij ons vanuit de verte gebiologeerd over de natuur gebogen ziet staan, stapt hij van zijn houten fiets om ons op eventuele bijzonderheden te wijzen. En om een praatje te maken allicht, want zoals hij de eerste levende ziel is die wij tegenkomen, zijn wij dat misschien ook voor hem.

DSC01054

Of wij op het paadje links achter ons de gekraagde aardster hebben gezien? Vraagt de boswachter, met twinkelende oogjes. Een bijzondere, zo niet zeldzame paddestoel, die op het Dwingelderveld alléén op juist dát paadje voorkomt, voor zover hij weet. Wij herkennen onmiddellijk onze Anemoonamoniet en vertellen opgetogen dat die ons inderdaad is opgevallen. Onze Hortensiazwam, die langs hetzelfde paadje stond, herkent de boswachter dan weer als de Grote Sponszwam, al had hij hem zelf nog niet gezien op die plek. Voordat hij weer verder fietst, misschien wel om de Grote Sponszwam alsnog te gaan bekijken, vertrouwt hij ons toe dat we, als we geluk hebben, best eens kraanvogels tegen zouden kunnen komen. Een ontmoeting waar wij de rest van de wandeling op gespitst blijven.
We passeren sprookjesachtige miniatuurlandschappen van boomstronken begroeid met bekertjesmos, rendierenmos en piepkleine paddestoeltjes en zwammetjes, de sporen van het helgroene mos in dit perspectief als een geheimzinnig woud van reusachtige bomen. We gaan er graag voor door de knieën, om ons te laten betoveren. Een afgebroken stuk met bekertjesmos begroeid schors gaat voorzichtig in mijn capuchon gepakt mee naar huis. Net als twee door de bosbeheerder uit de grond gerukte dennetjes. Daar komen we de aankomende kerst wel mee door.

DSC01116

Verderop, wanneer we de heide zijn opgelopen en een aantal vennen zijn gepasseerd, worden we andermaal met onze onwetendheid op natuurgebied geconfronteerd. Op een picknicktafel ligt iets, of groeit iets, of leeft iets, iets intrigerends, dat ons voor raadselen plaatst. Het is een bobbelig hoopje van een behangerslijmachtige substantie, een onsmakelijk drilpuddinkje, alles bij elkaar ter grootte van een duim. Als een sterk uitvergroot klompje cellen ligt het daar, een onverklaarbaar embryo. Er steekt een sliertje uit, een navelstreng, een restje darm, met het vermoeden van bloederigheid en eromheen en half er op liggen zwarte bolletjes, alsof iemand er een lepel kaviaar overheen heeft geschept. Zijn het de inmiddels opgezwollen ingewanden van een diertje dat hier op een nare manier aan zijn eind is gekomen? En zijn de zwarte bolletjes zijn laatste maaltje geweest? De zaden van het een of ander? Is het een slijmerige zwamsoort? Een schimmel? Met zwarte bolletjes als sporen? Heeft iemand hier iets vies zitten doen? We komen er eenmaal weer thuis, op internet pas achter. Het blijkt te gaan om sterrenschot, uit bijgelovige overlevering ook wel heksensnot genoemd. Hier is een vrouwelijke kikker te grazen genomen, door een reiger, of een ooievaar. Of een kraanvogel natuurlijk. En wat op tafel is blijven liggen, is het weer uitgekotste kikkerdril. De wittige substantie het door maagsappen en regen opgezwollen en opengebarsten eiwit, de zwarte bolletjes de onfortuinlijke kikkertjes die nooit zullen meemaken hoe weergaloos mooi maar ook gevaarlijk en wreed het leven op het Dwingelderveld kan zijn.

DSC01148

Dan, als we de hoop al bijna hebben opgegeven, horen we een helder, bijna welluidend kroe kroe in de lucht. Allebei tegelijk steken we onze vinger in de lucht: hoor je het? We horen het allebei. Het is een nieuw geluid voor ons leken, en we weten dus niet welke vogel er bij hoort, maar voor hetzelfde geld is het een kraanvogel. Uiteraard hebben we ook geen idee welk geluid een kraanvogel maakt. We weten zo weinig eigenlijk. Wel zien we in een flits een grote vogel achter de bomen verdwijnen zodat we ons in elk geval even kunnen verheugen in de mogelijkheid dat het een kraanvogel was die we hoorden. Een verheugen van korte duur omdat we vrij snel daarna opnieuw het kroe kroe horen, dat deze keer duidelijk zichtbaar gemaakt wordt door iets dat zeer zeker geen kraanvogel is. Eerder een kraai. Maar een kraai, dat weten we dan in elk geval nog wel, zegt géén kroe kroe. En zeker niet helder of bijna welluidend. Het is ook groter dan een kraai, zien we nu. Met waarschijnlijk kinderlijk aandoende logica besluiten we dat het dan wel een roek zal zijn. Waarom niet. Ook leuk. Thuis op internet worden we vervolgens in verwarring gebracht wanneer we lezen dat de kraanvogel weldegelijk een helder, trompet-achtig kroe kroe voortbrengt. Zie je nou wel, zeggen we tegen elkaar. Maar als we het bijgeleverde geluidsbestand afspelen weten we weer beter, een kraanvogel was het niet. Voor de zekerheid spelen we dan ook de roek af. Een factcheck kan nooit kwaad tenslotte. En dat blijkt, want mijn hemel, wat een roek voortbrengt, dat komt niet eens bij welluidend in de buurt. Het is geen kroe kroe, het is geen krassen, het is niks, het is geluidsoverlast. Uiteindelijk komen we uit bij de raaf. De raaf roept precies het kroe kroe dat wij hebben gehoord. Helder en bijna welluidend. We snappen er niks van. Wordt in de bekende fabel van De La Fontaine niet beweerd dat de raaf zó vals krast dat hij niet mee mag zingen in het koor van vogels? Dat moet een vergissing zijn. De La Fontaine heeft duidelijk een roek gehoord, maar heeft net zo veel verstand van de natuur gehad als wij.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Schuldig landschap en oernatuur

cropped-header-201708312.jpg

Een wandeling van Ramscheid tot Schönenseiffen, gedeeltelijk langs GR56, gelopen op vrijdag 4 augustus 2017

Op vakantie in de Eifel begin ik zonnig gehumeurd aan een wandeling langs de Duits-Belgische grens. Noem het naïef, noem het onwetend, ik had daar aanvankelijk geen andere gedachte bij dan dat grenzen nou eenmaal altijd tot de verbeelding spreken, in elk geval tot de mijne, zelfs als ze zijn afgeschaft. Nog geen dertig meter van de parkeerplaats word ik bij de eerste de beste bocht al met mijn argeloze neus op de historische feiten gedrukt. Een steen met gouden inscriptie herdenkt dat hier, op deze plek, in de nacht van 16 december 1944 het Duitse Ardennenoffensief begon. De slag om Rheinland en Eifel, The Battle of the Bulge, die maandenlang duurde en vele tienduizenden soldaten het leven heeft gekost. Ik loop langs kilometers drakentanden, betonnen driehoeken tot ruim een halve meter hoog, streng in het gelid, in rijen van drie of vijf of meer.

DSC00009

De Westwall, lees ik later, die het Duitse rijk moest beschermen tegen aanvallen vanuit het westen, werd gebouwd vanaf 1938 en is 630 kilometer lang. En nog altijd, nu bijna zeventig jaar later, doorsnijdt dit lugubere bouwwerk hier het landschap. En niet alleen het landschap, het snijdt ook mij door de ziel. In hun onafzienbare rijen doen deze betonnen driehoeken, verweerd, bemost en begroeid, scheefgezakt hier en daar tussen de later opgeschoten bomen en struiken, sterk denken aan de zerken van een verwaarloosd kerkhof. Verlaten en vergeten. Overwoekerd door de tijd.

Een terechte gedachte, komt mij voor. Tienduizenden anonieme soldatengraven zijn het, waar ik langsloop. Wat een trieste aanblik. Ik raak er danig van onder de indruk, en kan hier niet in straf wandeltempo aan voorbijlopen. Als een onbedoeld monument dwingen deze stellingen mij tot overpeinzing. Zoveel zinloze doden. Zoveel angst, zoveel lijden, zoveel verdriet staart mij hier aan. Zo een onvoorstelbare barbaarsheid. Ik maak wat foto’s, maar het lukt me niet de foto te maken die uitdrukt wat het bij me oproept. Later besef ik dat dat ook helemaal niet kan. Wat hier uitgedrukt moet worden, valt niet op een foto vast te leggen. Ook niet in woorden waarschijnlijk.
Verderop kom ik nog een aandenken uit die tijd tegen. Het Jonny Brückchen, het bruggetje van Jonny, vertelt het verhaal van een Belgische soldaat die in de oorlog verliefd werd op een Duits meisje en zich na de oorlog bij haar in de Eifel vestigde, een zoon met haar kreeg, maar in 1948 door de Duitse douane werd doodgeschoten terwijl hij voedsel voor zijn gezin over de grens probeerde te smokkelen. Een persoonlijk drama, maar het geeft ook te denken. Want als mensen van twee strijdende partijen verliefd op elkaar kunnen worden, en samen zonen kunnen krijgen, waarom wordt dan uiteindelijk gestreden? Moeten we niet allemaal verliefd op elkaar worden en zonen en dochters krijgen? Zou de wereld daar niet enorm van opknappen?

DSC00055

Aangeslagen loop ik verder door het stroomdal van de Olef, een beekje waarvan je hier nog niet zou denken dat het verderop zal uitlopen in een machtig stuwmeer. Het is een prettig landschap, ik draai weer een beetje bij. Groene, sappige flanken met het idyllisch kronkelend geruis van water in de diepte. Op één of andere manier krijg ik zo het idee dat ik door de natuur loop zoals die bedoeld is, ooit, in het begin. Een soort oernatuur. Flauwekul natuurlijk, ik loop tenslotte over een keurig geëgaliseerd pad van precies een tractor breed door wat hoogstwaarschijnlijk een productiebos is, maar toch.. het is de ervaring die telt.
Later kom ik trouwens over een terrein waar helemaal korte metten wordt gemaakt met mijn romantisch ideaalbeeld. Want al die naaldbomen, valt er op een Duits informatiebord te lezen, horen hier helemaal niet. Die zijn hier tweehonderd jaar geleden allemaal aangeplant, voor het hout. Door de mens. Daarvóór werden deze heuvels, aldus nog steeds het informatiebord, al sinds de Romeinen gebruikt als grasland, voor het hooi. En dáárvoor, ja, dáárvoor was het dan oernatuur. Natuur zoals het bedoeld was. Met essen, elzen en wilgen. En díe oernatuur wordt hier en nu, onder meer door het rigoreus verwijderen van naaldbomen, weer teruggebracht. Waarna, zo belooft het bord ten slotte, de mens er verder met zijn tengels vanaf zal blijven. Tot het volgende nieuwste inzicht zich aandient, denk ik er zachtjes bij. Zover is het nu in elk geval nog niet, zie ik als ik zo eens om me heen kijk. Ik overzie een zo goed als kaalgeslagen terrein, zonder naaldbomen inderdaad, waarop ingewikkelde, wetenschappelijk ogende installaties staan opgesteld, met zonnepanelen, antennes, witte kastjes met genummerde bordjes, pinnen in de grond, aluminium constructies met opvangzakken van wit gaas en veel rood-wit afzetlint. Daartussen piepen dan hier en daar héél kleine loofboompjes, het zaailing-stadium maar nauwelijks ontgroeid. Die, zo neem ik aan, worden nu door alle technische rompslomp tot spiksplinternieuw oerbos gemonitord. Hoe de natuur het toch ooit zónder ons gered heeft, het is een groot raadsel.

DSC00050 x

Ik ben er dus dol op dit soort dingen tegen te komen tijdens het wandelen. Dingen die vragen oproepen. Raadsels soms. Die ook wel eens onopgelost blijven. Ook dat is wandelen voor mij. Af en toe stilstaan, en je verwonderen over wat je ziet. En niet eens alleen de grootse vergezichten, juist ook de kleine dingen.
Ik sta een tijdje stil bij een regenplas en zie dat daar van alles in leeft. Er schieten kleine salamandertjes tevoorschijn en weer weg, er scharrelen torretjes over de bodem, schrijvertjes dansen een Bauhausballet over het wateroppervlak met hun eigen wonderlijke schaduwen.
Ik buig me een tijdje over een mierenhoop en laat me hypnotiseren door het schijnbaar ordeloos gekrioel, maar krijg dan, wanneer ik het niet heel scherp meer zie, de indruk dat het juist een zeer systematisch krioelen is waarbij alle mieren in zeshoekige formaties steeds op dezelfde afstand van elkaar blijven en samen als één groot organisme functioneren. Het gestuntel en gehannes van een klein groepje mieren dat een dode kever naar boven probeert te slepen is daar dan weer grappig mee in tegenspraak.
Ik klim nog even in een Jagdstuhl, om hoog boven het dal wat te mijmeren over vroeger, toen mijn zonen onvermoeibaar élke Jagdstuhl beklommen, om te kijken of er misschien kogelhulzen lagen. Hier lagen ze niet, maar de herinnering was de klim wel waard.

DSC00155

Als ik na een dag door het bos wandelen het eindpunt nader en daar voor het eerst het bos verlaat, sta ik op een groene, hooggelegen vlakte plotseling oog in oog met groepjes enorme windmolens die daar kalm en bedaard hun rondjes draaien. Vreemd genoeg stralen ze een soort serene rust uit, dat zou je niet verwachten. En wat er verder ook over windmolens gezegd en gedacht mag worden, ik kan ze hier en nu niet lelijk vinden. Dat is allemaal maar een kwestie van tijd. Onze inmiddels tot heilig icoon verklaarde oerHollandsche windmolens werden in hun tijd óók als horizonvervuiling gezien. Een noodzakelijk kwaad waarvan bij de introductie van het stoomgemaal ook betoogd werd dat ze maar zo snel mogelijk moesten worden afgebroken. Dus. Als ik ze hier nu zo zie, als grote vriendelijke reuzen, die met de neus in de wind allemaal dezelfde kant op staan te kijken, vind ik dat eerder een surrealistische ervaring. Ik stel me voor dat ze zo, op een inmiddels uitgestorven aarde, worden aangetroffen door een onbekende buitenaardse beschaving, waarvan de geleerden zich dan voor dezelfde raadsels geplaatst zien als wij bij de beelden op Paaseiland, en er allerlei theorieën bij ontwikkelen over godenverering, offerceremonies en zonnerituelen. Maar goed, dan loop ik natuurlijk wel een beetje op de zaken vooruit.

Gevorkt

cropped-header-ijsvogelwanderweg.jpg

Op de vakantiebestemming in de Eifel liepen wij de Eisvogelwanderweg. Geen ijsvogel gehoord of gezien natuurlijk. Die zijn veel te schuw om zich voor het karretje van de Touristeninformation te laten spannen. Dat weet je van tevoren.
Ja, was het een uitzending van de Baardmannetjes op Max geweest, dan was het wel anders gelopen. Dan had Nico de Haan ons op de hem kenmerkende alwetende toon uitgelegd dat hij ons vandaag zeker een heel goede kans op een ijsvogeltje gaf, omdat die in dit gebied best wel vaak voorkwamen, we langs een snelstromend beekje liepen, met veel laag overhangende takken, en dat dat een ideaal leef- en jaaggebied voor ijsvogeltjes was. Dat hij dus zijn best zou gaan doen voor een ijsvogeltje. En dan zou Nico de Haan wel gezorgd hebben dat het op het eind van de dag gelukt was. Desnoods met listig ingemonteerde archiefbeelden. En dan hadden wij, als bestudeerd naïeve Hansen Dorrestijns, verheugd en ontroerd ah en oh kunnen roepen. Maar dat zat er dus niet in. De enige ijsvogels die we gezien hebben, waren de foto’s op de informatieborden van de wandeling.

DSC09852

Nou vind ik de ijsvogel persoonlijk toch een beetje té, eerlijk gezegd. Ik vind ze een beetje opgelegd mooi. Alsof iemand gedacht heeft: nu ga ik een vogeltje maken dat iedereen wel mooi móet vinden. Een beetje uitsloverig. Al dat blauw. Al dat oranje. Al die exotiek. En dan gewoon een standvogel zijn. En je dan te goed voelen om je af en toe eens te laten zien, aan de hardwerkende wandelaar. Al kan het ook zijn dat het ijsvogeltje dat zelf ook allemaal vindt, en zich daarom liever niet laat zien. Dat zou dan weer zielig zijn. En niet nodig.
Enfin, het was een fijne wandeling, klimmend en dalend langs het stroomdal van een allervriendelijkst beekje. We waren het er over eens dat één en ander een paradijselijke indruk op ons maakte. Waaruit maar weer blijkt dat we daar weinig voor nodig hebben. Het geruis van zacht stromend water over een paar rotsen, de lommer van een handvol jonge boompjes, wat overhangend groot hoefblad, een beetje balsemien en je bent een heel eind, wat ons betreft. Al verzinnen wij daar wel onze jongetjes bij natuurlijk, die dit jaar voor het eerst te groot zijn voor een vakantie met hun ouders, maar in onze herinnering nog altijd even druk in de weer met keien en stenen om de loop der dingen te bedwingen.

DSC09866

We zagen paarden, in de weilanden langs de beek. Op sommige plekken konden ze de beek oversteken naar een weiland aan de andere kant. Dat leek ons leuk voor de paarden.
We zagen koeien, on-nederlandse koeien, in andere kleuren en met horens. Dát zijn we al niet meer gewend, deze koeien stonden ook nog in familieverband bij elkaar. Vader stier, in volle glorie, met een handjevol moeders koe en een hele bende kalfjes er dartelend omheen. Dat leek ons leuk voor de koeien.
Op het eind van de wandeling vloog ons dan nog een grote roofvogel in het vizier, waarvan wij meenden te weten dat dat een wouw was. Milan, in het Duits. Wisten we ook nog. Aan de staart kun je zien of het een Rotmilan of een Schwarzmilan is. De één is gevorkt, de ander niet. Welke wel en welke niet, dat waren we dan weer kwijt. Bovendien bleek het later niet helemaal waar te zijn. Beiden hebben een gevorkte staart. De rode iets meer dan de zwarte. Of andersom. En de onze had wel een érg gevorkte staart, zodat we later ook weer zijn gaan twijfelen aan onze waarneming.
Nee, daar kan Hans Dorrestijn nog een puntje aan zuigen.

Wandelen naar de twaalfde stad

cropped-header-201706-4.jpg

Een etappe van de Elfstedentocht als wandeling, van Franeker naar Berlikum, gelopen op donderdag 8 juni 2017

Het toeval bepaalde dat ik een dag in Franeker terecht zou komen, met ruim de tijd voor een wandeling. Op internet diende zich toen de tiende etappe van de Elfstedentocht aan, van Franeker naar Berlikum, als wandeltocht, met net de goede afstand. En zo is het gekomen.
Eerlijk gezegd heb ik niet zo heel veel met de Elfstedentocht. Sorry, zal ik er maar bij zeggen, voor de zekerheid, want dat is het meteen een beetje: er hangt voor mij ongeveer hetzelfde hysterisch nostalgisch oud Hollandsch VOC sfeertje omheen dat het Sinterklaasfeest inmiddels tot een onverteerbaar nationaal ijkpunt heeft gemaakt. Met nuance, een opgetrokken wenkbrauw of een relativerende kanttekening maak je in dat boze witte wespennest al snel vijanden voor het leven. Maar goed, ik overdrijf, uiteraard, dat weet ik heus wel, en in juni zal het nogal meevallen, heb ik dan maar gedacht. Al blijft het uitkijken natuurlijk.

DSC09217

Omdat ik mijn wandeling niet, als voorgeschreven, bij het station begin maar bij het planetarium, ik van daar af de kaart verkeerd lees en op zoek naar de omschreven route wat richtingloos door het oude centrum van Franeker loop te dwalen, ontdek ik dat het eigenlijk doodzonde is dat je vanaf het station min of meer met de kortste weg van de stad wordt weggeleid. Franeker is een prachtig stadje, waar de oud Friesche geschiedenis op elke straathoek trots vanaf straalt. Gemiste kans dus. Oude klinkerstraatjes en grachten, bruggetjes, musea, kerken en monumentale panden en gevels.. een groen bolwerk om de oude stad.. ik zie het nu per ongeluk, omdat ik geen kaart kan lezen en geen richtinggevoel heb, maar het zou zeker de moeite waard zijn deze wandeling ook officieel met een uurtje uit te breiden.
Als je dan de Elfstedentocht gaat lopen, verwacht je een beetje de hele dag het water links of rechts te hebben liggen. Een tocht langs wijde vaarten en brede sloten, klunend over jaagpaden en schelpenpaadjes door het uitgestrekte Friese land en langs pittoreske dorpsgezichten. Fantaserend eventueel van winterse heroïek. Van Franeker naar Berlikum is dat niet precies het geval, zal ik maar vast verklappen. Niet dat dat verder veel uitmaakt, het wordt geen vervelende wandeling – een wandeling is eigenlijk nooit echt vervelend, als je maar uit je doppen kijkt en zolang het niet regent – maar echt spectaculair wordt het ook niet. Nee. Daarvoor zit er teveel asfalt in de route. Vóór je de A31 eindelijk niet meer ziet of hoort, loop je al bijna weer op het betonnen fietspad langs de druk en hard bereden Dongjumerweg. Alleen het laatste stuk, van Ried naar Berlikum, langs het Berlikumer Wijd, is aangenaam autoloos.

DSC09244

Langs het bolwerk en via een charmant onaangeharkt boerenerf laat ik Franeker achter me. Aan de horizon kondigt zich al snel Schalsum aan, met een bescheiden kerktorentje dat maar nauwelijks boven de bomen uitsteekt. Ik vind het altijd aardig om zo’n kerkje wat te bekijken en verheug me er vast op. Vreemd genoeg weet de routebeschrijving mij er echter op slinkse wijze omheen te leiden. Pas als ik Schalsum aan de andere kant alweer uitloop zie ik verdorie wat er gebeurd is, maar om er nou voor terug te lopen vind ik ook weer zo wat. Des te vreemder is het wanneer je bedenkt dat dit stuk van de route het Jabikspad volgt, een pelgrimsroute nota bene. Het zal een kerkje van een ketters geloof geweest zijn.
Met de wind en daarmee het geraas van de A31 in de rug loop ik verder richting Boer. Verderop, bij een kippenbruggetje, of een tille, zoals het hier ten lande schijnt te heten, staat een busje geparkeerd. De deuren en de klep staan open, het is duidelijk het busje van een of ander onderhoudsbedrijf. Er hoort een in rode overall gestoken man bij, zie ik nu, en er klinken duidelijk verontrustende werkgeluiden vanaf het bruggetje. Even vrees ik het ergste, maar de man in rode overall vertelt mij vriendelijk en breeduit glimlachend dat hij alleen wat planken en balken hoeft te vervangen. Om nut en noodzaak van zijn klus te onderstrepen houdt hij een stuk brugleuning omhoog waarvan de uiteinden inderdaad hun beste tijd gehad hebben. Ieder jaar is er wel iets te vervangen, zegt de man, het staat nou eenmaal buiten, in weer en wind. Maar het zal zijn nut wel hebben, denkt hij, het bruggetje. En voor hem is het allemaal weer werk. Dus. Vandaag en morgen zal hij er nog wel mee bezig zijn, schat hij onverstoorbaar doorglimlachend in. En anders is er na morgen nóg een dag. Ook in Friesland kan het leven goed zijn.
Van de andere kant van het smalle pad langs de sloot zie ik dan een dame aankomen met twee enorme honden van een bedenkelijk merk. Wederom vrees ik het ergste. Ik ben niet dol op honden als verschijnsel. Daar kunnen de honden meestal niet zo veel aan doen, het zijn honden tenslotte, maar hondeneigenaren houden er vaak wat merkwaardige ideeën op na wat betreft beleefdheid en sociale omgang. Zodat je als wandelaar regelmatig in, laten we zeggen, uitdagende situaties terecht komt. Om mijzelf de bek niet open te breken ga ik daar nu niet verder op in en dat hoeft ook helemaal niet want deze dame toont zich een dame, die weet hoe het hoort. Zij lijnt haar honden kort aan en laat ze in de berm zitten tot ik ongehinderd gepasseerd ben. Het kan dus wel, wil ik maar zeggen. Het is niet onmogelijk. Ik heb het zelf gezien.

DSC09281

In het buurtschap Boer staat, zo meldt de routebeschrijving wervend, het oudste stenen woonhuis van Friesland. Een bezoekje waard, had ik gedacht, maar dat had ik gedacht inderdaad. De bewoners van het oudste stenen woonhuis van Friesland houden blijkbaar niet van cultuurhistorische pottenkijkers want dit stukje Fries erfgoed is rondom daadkrachtig aan het oog onttrokken door dikke en metershoge beukhagen, vol in het frisgroene blad. Zou je het willen bekijken, dan zou je daarvoor de privétuin moeten betreden en iets zegt mij dat dat niet op prijs gesteld zou worden. Gelukkig staat daar ook de 12e eeuwse Mariakerk, om troost te bieden. Ossenbloedrood gepleisterd weggedoken achter een bomenrij, op een bescheiden terpje met een overzichtelijk kerkhof rondom. De ingangspartij trekt nogal de aandacht. Door zijn nogal barokke vormgeving – pilasters  met kleurrijke krullen en versiersels en een door brullende leeuwen geflankeerd timpaan – lijkt die niet helemaal bij de kerk te horen. Dat blijkt ook te kloppen gelukkig. Het is de uit 1664 stammende toegangspoort van de voormalige Elgersmastate, die later, toen de state werd afgebroken, aan de kerk is vastgeplakt. Vroeger hadden ze geen welstandscommissies die daar moeilijk over deden waarschijnlijk en ach, als het lang genoeg is zoals het is gaat het vanzelf zo horen. Tijd heelt alle wonden. Hoewel dat voor het kerkje dat ik in Ried aantref misschien minder het geval is. Daar zijn aan de achterkant, waar je het niet ziet zal men gedacht hebben, twee zulke lelijke vierkante bakstenen puisten tegenaan gemetseld dat de tijd er zijn handen vol aan zal hebben.

DSC09350

Langs het Berlikumer Wijd loop ik dan richting Berlikum. Waarvan de kerk, omdat we het daar nu toch over hebben, zich al lang van te voren aan de horizon aandient. Een indrukwekkende koepel met een gezellig extra koepeltorentje erop waarvan ik later op internet leer dat dat een lantaarn heet. Gebouwd in 1777. Een staartje barok in Berlikum. De twaalfde stad, zoals ze zich zelf noemen, omdat er, getuige een toeristische folder, aanwijzingen zouden zijn dat men er vroeger stadsrechten heeft gehad die later om onbekende redenen zouden zijn verlopen. Het had, begrijp ik, maar heel weinig gescheeld of we hadden ons ieder jaar weer vreselijk druk gemaakt over een Twaalfstedentocht.