Een staaltje Hollands Glorie

Een wandeling op, over en achter de Hondsbossche Zeewering, gelopen op dinsdag 12 augustus 2014

Camperduin is deze dagen wel een héél goede plek om, na een vakantie aan Bretonse kliffen en stranden, weer thuis te komen aan Hollandse kust. Hollandser dan het hier nu is, zal het namelijk niet snel worden. Hier, aan de voet van de Hondsbossche Zeewering, op zichzelf al een oerHollandsch fenomeen natuurlijk, met ook nog die fijne dicteefähige spelling, wordt nog maar eens eventjes onderstreept dat God dan misschien de wereld schiep, maar dat Holland toch echt gemaakt werd door de Hollanders, zoals het zelfverzonnen en in het Engels de wereld rondgebazuinde spreekwoord luidt, want bescheidenheid maakt nou eenmaal geen deel uit van de Hollandse Cultuur. Hier, achter de wegkijkende blik van de bronzen jutter op de miniboulevard, is inmiddels een begin gemaakt met de aanleg van een spiksplinternieuw stukje Nederland. Tussen Camperduin en Petten wordt, langs de hele zeedijk van vijf en een halve kilometer, een nieuwe strook duinen en strand opgespoten, die meer dan tweehonderd meter de zee insteekt. Die goeie ouwe Hondsbossche Zeewering is na honderdveertig jaar trouwe dienst opeens als zwakke schakel aangemerkt, door de boven ons gestelden, en op deze manier brengt men de kust hier naar verluidt weer op kracht.

wandeling petten kris 004

Direct als we ergens halverwege de dijk hebben beklommen, zien we de eerste verandering. Op een meter of vijftig, zestig uit de kust is van links naar rechts een nieuwe, tweede branding ontstaan, om de zee maar ook de vele bezoekers vast wat te laten wennen. Aan het eind van de dijk, aan de horizon in dit platte land, bij Camperduin dus, is de eerste uitstulping in zee al duidelijk te zien. Het is een bijzonder schouwspel, dat moet gezegd. Hier wordt iets groots verricht, die sfeer. Pronte schepen varen af en aan om ergens ver uit het zicht het benodigde zand van de zeebodem te halen en hier weer af te leveren. Op het nieuwe land rijden shovels, graafmachines en kiepauto’s bedrijvig heen en weer. Honderden meters roestige buis doorkruisen het groffe zandlandschap, in forse stapels ligt er nog veel meer te wachten op wat ongetwijfeld komen gaat. Mannen in oranje jassen met gele helmen op nemen het werk van enige afstand in kalme ogenschouw. Ze lijken de zaak volledig onder controle te hebben. De gewoonste zaak van de wereld, even een stukje zee dempen. Onder aan het nieuwe duin rijdt een tractor met een tankje op sleeptouw, waaruit een grijzige, natte smurrie op het zand wordt gespoten. Om het stuiven tegen te gaan, concluderen wij. Later lezen we dat dit papierpulp is, en geen rivierzand, wat we zelf hadden bedacht. De oude pokdalige dijk ligt er wat beduusd bij.

wandeling petten kris 029

Er staat een straffe wind. Man! Ver voorovergebogen worstelen we ons er tegenin, we kunnen elkaars kreten van verwondering maar nauwelijks verstaan. Ook de mannen in oranje jassen moeten in elkaars oren roepen hoe lekker het allemaal gaat. Het zand dat van het werk geblazen wordt, striemt ons in het gezicht en tegen de blote armen en benen. Pijnlijk. Maar het geeft het tafereel van de eeuwige Hollandse strijd tegen het water wel een extra heroïsch tintje, dat wel.
Overigens zou Holland Holland niet zijn wanneer er niet ook de nodige tegengeluiden te horen waren, ontdekken we later op internet. Lang niet iedereen is overtuigd van de noodzaak van dit peperdure projekt, blijkt op Twitter, en in fora. Het grondwater achter de dijk, vrezen sommigen, zal straks waarschijnlijk zo de kelders inlopen, met die miljoenen kilo’s extra zand voor de deur, zoals dat bij Katwijk ook gebeurde. De natuur krijgt het zwaar te verduren, denken anderen. De strekdammen, nu nog voedselbank voor talloze vogels, verdwijnen onder het zand. Het brakke gebied achter de dijk, uniek leefgebied voor allerlei vogels en planten, zal minder bereikbaar zijn voor kwelwater en dus minder brak worden, met alle gevolgen van dien. Die gele rook die de zandschepen dag en nacht uitbraken, foetert een derde, tarten iedere wetgeving op het gebied van uitstoot voor bijvoorbeeld personenauto’s.
Tja. Wij weten het natuurlijk ook niet. Maar nu we het allemaal zo lezen, vinden we het zelf bijvoorbeeld nogal zorgwekkend dat in het kielzog van dit zogenoemde kustopkrachtprojekt gerept wordt van ´kansen om de mogelijkheden voor recreatie, toerisme, natuur en economie in het gebied te vergroten´. Kijk, daar wordt het over het algemeen niet beter van, naar onze bescheiden mening. Uitzichtpunten en verbeterde strandopgangen. Jaja. Parkeerterreinen, patatkramen en pannenkoekenboerderettes. Brrr.
Ook in de Harger en Pettemerpolder, waar de wandeling na Camperduin verder gaat, zijn nieuwe voorzieningen voor recreanten gedacht. Extra wandel- en fietspaden. Voor ons hoeft het niet, eerlijk gezegd. Het is hier goed zoals het is. Kijk dan: weids, leeg, ongepolijst. Zonder opsmuk. Ongemoeid. En heel erg Hollands. Of het altijd zo geweest is.

wandeling petten kris 060

Randonneur mechant

Wandeling rond Chapelle du Mur (Fr), gedeeltelijk de GR380, gedeeltelijk de PR4. Gelopen woensdag 16 juli 2014.

Goed, het was een doodlopende weg, volgens het daarvoor gebruikelijke bord. En de gemarkeerde route wees ons ook de andere kant op, in het geel én in het roodwit. Maar wij wisten van onze splinternieuwe wandelkaart dat er rechtsaf een kapelletje stond. Altijd leuk, een kapelletje. En dat je daarlangs gewoon je weg kon vervolgen, terug naar de bedoelde route. Voor auto’s was het doodlopend, misschien, voor wandelaars zeker niet.
Bovendien, nergens een bordje propiété privé. Of acces interdit. Of passage interdit of interdit au public. Of iets anders van die strekking.
Bovendien, een kapelletje.. het vakantiehuisje van de barmhartige Heer.
Bovendien, nergens een bordje chien mechant. Of attention au chien.
En toch staat daar, meteen als we rechtsaf slaan, een heel vervelend hondje te blaffen. Als we dichterbij komen duikt hij zelfs grommend plat op de grond, in het gras. In een aanvalshouding, dat is duidelijk. Een beetje parmantig is het ook wel want het is een nogal klein en niet meer zo jong hondje, maar hij méént het wel: als we manhaftig doorlopen springt hij fanatiek naar mijn kuit en zet er grauwend zijn tanden in. Godallemachtig! Wat zullen we nou hebben? Dat beest bijt me gewoon in mijn been!
Van de eigenaar hebben we weinig te verwachten, dat is een oud mannetje dat met een lawaaiapparaat onkruid staat te wieden en weliswaar vagelijk iets onverstaanbaars in het rond roept, het frans equivalent van ’hij doet niks’ waarschijnlijk, maar zijn apparaat zet hij daar niet voor uit. We weten niet eens zeker of hij het tegen ons of tegen zijn hondje heeft. Het hondje trekt zich er in elk geval niks van aan en blijft ons driftig grommend en blaffend achtervolgen terwijl wij beteuterd en uit het veld geslagen de aftocht blazen. Dan maar geen kapelletje. Thank you Lord, thank you Jesus.
En het vervelende, behalve dat je schrikt en pijn aan je been hebt en je zorgen maakt of je, nu het ook nog gaat bloeden, niet beter één of andere prik kunt gaan halen, is dat de rest van je nog maar net begonnen wandeling vergald is, omdat je je nog kilometerslang tandenknarsend loopt af te vragen waarom je dit nou in vredesnaam maar weer gewoon laat gebeuren, als een blijkbaar onvermijdelijk ongemak. En je je te laat en te lang loopt te bedenken wat je die aso met zijn kuthondje allemaal had kunnen toevoegen, had moeten toevoegen, in het Nederlands desnoods, in plaats van maar weer lafhartig het beschaafde hazenpad te kiezen. Altijd sorry, pardon en een stapje opzij.
Ook loop je niet meer zo lekker omdat je verder bij iedere vorm van bebouwing op je hoede bent voor de volgende aanval. Niet geheel ten onrechte trouwens want even verderop is het merdedemerde wéér zover. Een loslopende boxer wacht ons blaffend en grommend op en begeleidt ons dreigend, intimiderend brommend, de nekharen overeind, de hele weg langs zijn erf. Terwijl we toch gewoon op de openbare weg lopen, net als de boxer inmiddels. Pas als we allang weer voorbij zijn, wordt er vanuit het huis iets gebiedends maar onverstaanbaars geroepen, hopelijk naar de hond.
Onbegrijpelijk, vinden wij, om het zachtjes uit te drukken. Je kunt natuurlijk best een hond nemen om te zorgen dat je geen last hebt van mensen met kwade bedoelingen, maar dan zul je toch ook moeten zorgen dat mensen zonder kwade bedoelingen geen last hebben van je hond. Voor de gemiddelde hondenbezitter is dit duidelijk geen vanzelfsprekendheid. Wij hebben het in elk geval weer eens helemaal gehad, met de hond en zijn baasje, en nemen ons voor zo snel mogelijk standaard een busje pepperspray in de rugzak te hebben.

Rondje om het huis

Rondje Haringhuizen en Tolkerdijk, gelopen op zaterdag 31 mei 2014

Wat je van ver haalt, is lekker. Zeggen ze. En wie verre reizen doet, kan veel verhalen. Nou, dat zal ook best zo zijn hoor, daar niet van en houd me ten goede, maar dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat wat je dicht bij huis vindt dan ook meteen een stuk minder is. Welnee. Dicht bij huis is het net zo mooi. Al zie je het voor de honderdste keer, het mooie kijk je er echt niet vanaf.
Mijn oudste zoon en ik maken deze zonnige zaterdagmiddag dus een wandeling in de eigen omgeving. We proberen ons opnieuw te laten verrassen door de bekende vergezichten onderweg, alsof we ze voor het eerst zien. Als toeristen. Als wandelaars in den vreemde. Waarom niet? Het kan om te beginnen al geen kwaad ons nog maar eens gelukkig te prijzen dat we de straat maar uit hoeven lopen om buiten te zijn. Op het platteland. Middenin de polder, de weilanden.. buiten. Ruimte, lucht en horizon. Op slechts drie minuten lopen. Dat was wel anders toen we nog grotestadsbewoners waren. Toen moesten we er speciaal voor op uit trekken, met tassen proviand, en extra kleren mee. Drukke autowegen trotseren. Nu we er alweer een jaar of acht gewoon middenin wonen, lijkt het alweer zo vanzelfsprekend. Maar dat is dus onterecht. We zijn gewoon geluksvogels.

Image

We combineren het rondje Haringhuizen met het rondje Tolkerdijk tot een middagvullende wandeling van en naar de eigen achtertuin. Ook al zoiets, een eigen achtertuin. En daarover gesproken, even voor Haringhuizen stuiten we op een bermkraampje waarin biologische pruimenjam te koop wordt aangeboden. In grote en kleine potten, het deksel geheel volgens de regels van het oude ambacht verstopt onder een gezellig lapje stof en een praktisch elastiekje. Een kinderhandschrift verzoekt ons niks te jatten aub. Het wemelt overal van dit soort kraampjes, met jam of fruit of groenten en bloemen uit eigen tuin, en als je overal wat zou kopen moest je een ruime rugzak meenemen, maar nu doen we eens een potje. We zijn op vakantie tenslotte. Eenmaal aan de ontbijttafel bedenk ik me dat het nog wel een tikkeltje vroeg is voor pruimen uit eigen tuin, maar ach.. dan zijn ze maar van vorig jaar. Het is niet voor niets ingemaakt, en het is hartstikke lekker.

Image

In Haringhuizen zelf blijven we even zitten op het bankje naast het stokoude kerkje, onder een piepjong boompje. Niet omdat we al moe zijn, we zijn nog maar net onderweg per slot, maar gewoon omdat we het leuk vinden om hier nou ook eens te gaan zitten, en de oude sfeer op ons in te laten werken. Normaal rijden we er alleen maar langs, op weg naar iets anders en verder wegs. 
De Willibrorduskerk is van 1330, lezen we ter plekke, en staat op een terp die toen speciaal voor de kerk is opgeworpen, tegen de nattigheid. De immer onbetrouwbare zee was in die tijd, achter de Westfriese Omringdijk, toch nog altijd aardig in de buurt. Zoals de meeste oude kerkjes heeft ook de Willibrorduskerk het één en ander meegemaakt, aan verbouwingen, verzakkingen, uitbreidingen en verkleiningen. Als laatste werd in de 19e eeuw de toren ingekort. En om instorten te voorkomen werden ook het koor en een zijbeuk afgebroken.
Toen het kerkje er in 1338 dan eenmaal helemaal stond, heeft Haringhuizen een tijdje Niewkerck geheten, om voor de hand liggende redenen. Maar toen het nieuwe er na een tijdje blijkbaar een beetje vanaf was, werd het gewoon weer het aloude Heeringhuusen, in de loop der jaren verbasterd tot  Haringhuizen. Met de visserij heeft dat niks te maken, daarvoor was de zee dan wel weer te ver weg. Een heering, het is alles van internet geplukte wijsheid uiteraard, was een stuk land dat geen landheer kende en waar men zich vrij kon vestigen. Huizen in de vrije sector dus, Heeringhuusen.

Image

Eén van de leuke dingen van het wandelen met de oudste zoon is dat er altijd volop aandacht is voor de dieren groot en klein. We komen er heel wat tegen.  Zeer luidruchtige kikkers, bijvoorbeeld, in een met kroos begroeide sloot. Het kost enige moeite maar uiteindelijk zíen we ze ook, met hun bolle ogen net boven het oppervlak. Maar het lijkt wel of ze zien dat we ze zien want zo gauw we ze zien, zijn ze weg. Eenzaam aan een touw in een weitje staat een jong stiertje lijdzaam op verdere instructies te wachten. Een reiger op scherp laat ons voor deze ene keer onverstoorbaar passeren. Koeien, geiten en schapen, vanzelfsprekend, kippen, een koppeltje paarden dat, zeer tot genoegen van mijn zoon, een eindje met ons oploopt. Scholeksters met hun jongen, aandoenlijke, grijze pluizebollen die maar net boven het gras uitkomen. Een kievit buitelt er ook nog omheen. In de sloten langs onze weg zien we de pullen van een waterhoen, jonge eenden en een blei. Als we even op een bankje in de zon gaan zitten, worden we vermaakt door een kornoeljestruik boordevol weldoorvoede en brutaal kwetterende mussen. Eén ervan is zó groot dat we even twijfelen of we ons niet vergissen. We dopen hem Mussus Colossus. Verderop hangt nog, speciaal voor ons, een valkje in de lucht.

De IJssel en de Dommerbeek

Langs de IJssel van Zutphen terug naar Deventer, gelopen op donderdag 8 mei 2014

Ieder weer is wandelweer. Ik voer het al jaren als welgemoed motto, welgemeend en al. Toch is mijn humeur vandaag aan het eind van de wandeling opeens behoorlijk aan het verpieteren, in de regen. En het regent verdorie niet eens echt hard. Evengoed ben ik nat tot op mijn vel en we sjouwen net, daar was blijkbaar even niks aan te doen, een stuk langs een druk bereden asfaltweg. Op de fietsstrook. Scheldend op auto’s die ons maar net, en schijnbaar onwillig ontwijken. En in de regen dus. Het zal de ongelukkige combinatie van één en ander zijn, die mijn stemming de das om dreigt te doen. Nat tot op mijn vel was ik namelijk al vóór dat het ging regenen. Zonder er verder bij na te denken hadden wij ons eerder, langs de Dommerbeek, manhaftig een weg gebaand waar geen pad meer was. Dwars door manshoog fluitekruid, kletsnat van eerdere buien. En voor ik het door had, was ik dat óók. Kletsnat van eerdere buien. Te laat om je dáár nog op te kleden. Nou ja, héél even drukt het de pret, een beetje, maar eigenlijk mag dat dus niet.
We beginnen de tocht in Zutphen, maar doen haar nauwelijks recht met een zelfverzonnen en wel zéér beknopte stadswandeling. Ik herinner me niet ooit eerder in Zutphen geweest te zijn, en ik val onmiddellijk voor de charmante oude binnenstad, met haar brede pleinen en smalle achterommetjes. Gebogen straatjes, verscholen poortjes, torens en torentjes overal bovenuit. Overhellende gevels met hoge ramen, luiken en ornamenten. De rijke Hanze-historie straalt er overvloedig vanaf.

Afbeelding

Met het voornemen er ooit nog eens wat uitgebreider terug te komen, verlaten we Zutphen via de brug over de IJssel. Zo’n fijne, ouderwetse boogbrug, zoals een brug bedoeld is. Niks geen moderne, ijle fratsen met pylonen en tuien en vormentaal, maar gewoon een zware, degelijke recht zo die gaat constructie van stalen profielen in verouderde kleuren en een lekker dicht grid van duimdikke klinknagels. Daar komen we mee aan de overkant, en meer vragen we niet van een brug.
Over de dijk slingeren we door het uiterwaard, langs de IJssel, richting Deventer. Een weids en weldoorvoed landschap. Alles is groener dan groen, staat vol in blad en bloem en blaakt van geile levenslust. Uitgestrekte velden boterbloemen compenseren de lage lucht en de grijze, veelkleurige dampen met een waas van zonnig geel, zover het oog reikt. Al snel is ook de IJssel alleen in de verte nog te zien, en dan vooral omdat er een boot passeert. De grote maar toch bescheiden herenboerderijen die we her en der verspreid zien staan, zijn keurig onderhouden, net als het landschap zelf, dat hier en daar zelfs als een wel zéér uitgestrekte tuin aandoet, en doen vermoeden dat dit al een tijdje een best wel welvarende streek is.
Alleen net boven Zutphen is er een overhoop gegooid en afgekloven stuk land dat nogal detoneert met al die grazige lieflijkheid. Grote gele monsters graven voren door het groen en werpen rulle, bruine bergen op. Zandvlaktes met wrede bandensporen overwoekeren het groen, groen, groen, groen knollen, knollenland. Hier wordt ruimte gemaakt voor de rivier. Van de strijd tegen het water wordt misschien gedacht dat die uitsluitend tegen de zee gericht is, hier is het de rivier waar rekening mee moet worden gehouden. Er is, zo lezen wij, gekozen voor een strategie van meestribbelen. De dijk zal plaatselijk een flink stuk landinwaarts worden opgeschoven, waardoor de IJssel, in geval van nood, meer bewegingsvrijheid heeft.

Afbeelding

Meer sporen van strijd en oorlog treffen we verderop, bij Voorst. Daar staat de ruïne van Fort De Nijenbeek, we zien haar al van verre robuust boven de horizon uitsteken. Dichterbij gekomen stappen we zó een schilderij van Constable in. Een ruïne uit de boekjes, dames en heren. Een vierkante kolos van afbrokkelend baksteen, een half ingestort achterhuis, de golvende restanten van een muur, een verzakte toegangspoort met zwaar verroest en uit de scharnieren hangend hek wordt met houten stutten voor omvallen behoed. Eens een toonbeeld van macht, kracht en rijkdom, nu weerloos in bezit genomen door de natuur. Zelfs op het hoogste punt groeit een boompje. Een uitloper van de IJssel heeft zich in sierlijke bochten gebogen op de achtergrond in groene oevers gedrapeerd.
Op internet lees ik later dat deze donjon in de dertiende eeuw als verdedigingswerk werd gebouwd, een roerige geschiedenis van vernieling, troonswisselingen, restauratie, uitbreiding en aanpassingen heeft doorlopen om in 1945 voor het laatst en definitief in puin geschoten te worden door de geallieerden, bij het bevrijden van ons land. De eeuwenoude rode beuk op het grasveld voor de ruïne heeft het waarschijnlijk allemaal onaangedaan zien gebeuren.
Verder lees ik dat men nu van plan is de ruïne in de huidige staat te fixeren. Haar voor volledig instorten te behoeden, te verstevigen en te restaureren, zonder haar aan te vullen of in de oude staat te willen herstellen. Een uitstekend plan, dunkt mij, waarvan je alleen maar kunt hopen dat het lukt zonder dat er parkeerplaatsen of pannenkoekenhuizen en patatkramen aan te pas komen.

Afbeelding

Wij besluiten bij Gorssel met het pontje de IJssel weer over te steken, om daar over het pad langs de Dommerbeek naar Deventer te lopen. Hoe dat afloopt weten we inmiddels. Al vragen we ons nu nog af of het veer wel zal varen op deze onbeduidende doordeweekse regendag. Veel belangstelling lijkt er niet te bestaan, we zien geen mens, geen kip, geen hond. Eenmaal aan de steiger zien we het pontje liggen, aan de overkant. Het ligt zich stierlijk te vervelen, maar wel met de vlag in top. Blij dat wij er eindelijk zijn maakt het zich los van de oever en haast zich naar onze kant van het verhaal. Een uur heeft hij op ons gewacht, vertelt de veerman. Een uur. Als er dan ook nog een dame op de fiets aankomt voor de overkant, vinden wij het bijna sneu dat die niet net iets later kwam. Dan had het pontje nog een keer extra heen en weer kunnen varen. Van de dame op de fiets, als zij aan de overkant afscheid neemt, vragen wij ons tenslotte te laat af waarom zij helemaal alleen door de regen fietst, met volle bepakking nog wel. Waar komt ze vandaan? Waar gaat ze naar toe? Voor wie is ze op de vlucht? We hadden het haar moeten vragen. Op de pont. Toen het nog kon.