De vogelen en de dieren des velds

IMG_0591

 

 

De lange wandelingen en dagtochten die ik graag maak, langs ’s Heeren wegen, en waar ik dan graag wijdlopige verslagen van schrijf, alhier, hebben er de afgelopen maanden niet ingezeten. Om gezondheidsredenen, zal ik maar zeggen. Nu gaat het weer de goede kant op. Het leven herneemt zich steeds meer. En omdat het belangrijk is vooruit te blijven denken en kijken, zonder al teveel omzien in wrok, én om weer een beetje op krachten te komen voor het echte werk, maak ik idealiter twee keer per week een ochtendwandeling. Ter revalidatiën ende vermaeck, zogezeid. Steeds zo’n beetje hetzelfde rondje, zodat ik kan bijhouden hoe de zaken er voor staan. En dat lijkt dan saai, maar dat is het dus niet. Je maakt van alles mee onderweg, als je je ogen maar open houdt.
Een groep smienten bijvoorbeeld, die fluitend en knorrend in een brede sloot op het voorjaar ligt te wachten, wanneer ze weer weg mogen, en elkaar ter voorbereiding op wat elders komen gaat hier alvast wat achterna zit, met veel nat misbaar. Ik blijf er telkens even bij staan en begin al aan ze te denken als ‘mijn’ smienten.
Een witte reiger, die veilig op grote afstand blijft maar niet te missen helwit afsteekt, tegen de donkerbruine, leeggetrokken akkers. En verderop nog één. En nog verderop een derde. Hoewel het natuurlijk ook steeds dezelfde kan zijn, bedenk ik hardop bij mezelf, die achter mijn rug steeds snel een nieuw plekje opzoekt. Om míj in de gaten te blijven houden wellicht. Het zal wel niet, maar het is leuk om te denken.
Dat ze me in de gaten hebben, de vogelen en de dieren des velds, is duidelijk: zodra ik stil sta om ze te fotograferen, gaan de koppen en de kopjes waakzaam omhoog, en bij de minste beweging daarna zijn ze gevlogen. Behalve de schapen. Die blijven staan, en kijken me schaapachtig aan. Hoe anders?
De donkerbruine, leeggetrokken akkers ondertussen, bieden ook zo hun eigen uitzicht, met lange rijen blonde stoppels die na de oogst zijn achtergebleven, tussen de kluiten, en nu een vreemd en oneindig ritme aan lijken te geven.
Dan twee eenden die pas op het allerlaatste moment besluiten toch maar op te vliegen, met veel geraas, en daarmee de volle aandacht op zichzelf vestigen, waar ik ze eerder niet eens had gezien. Ik schrik er bijna van. Gelukkig ben ik geen jagerman.
Twee zwanen, het grijze lelijke-eendjes-dons nog niet helemaal verdwenen, die, al wel met de arrogantie hen eigen, gracieus maar argwanend voorbij komen drijven.
Een boom die zijn bladeren lijkt te hebben vervangen door een wolk spreeuwen, genoeglijk kwetterend in het bleke tegenlicht.
Een vlucht ganzen vliegt toeterend over, in traditionele formatie.
Boterbloemen zo hier en daar nog eigenwijs en onverdroten in bloei, al is het nog zo diep in november.
Fietsers en medewandelaars die mijn vriendelijk groeten welwillend beantwoorden en mij verzoenen met de mensheid.
Het is allemaal vlak bij huis en helemaal niks bijzonders. Toch word ik er elke keer heel gelukkig van.

Advertenties

Specht

IMG_7357

 

Vanochtend vroeg wandelde ik dan weer eens mijn vaste rondje om de dag mee te beginnen. Ik zeg vanochtend vroeg, maar dat klinkt eigenlijk wel erg opgewekt zonnegroeterig en zo was het nou ook weer niet. Het was niet bij het krieken van de dag in elk geval want daarvoor zit er alweer bijna teveel voorjaar in de lucht. Daarvoor moet je alweer bijna té vroeg je bed uit, voor het krieken van de dag. Het was vóór achten, okay? Dat is vroeg genoeg. En mijn vaste rondje was het ook niet helemaal want ik had er een stukje aan vastgeplakt. Maar verder wandelde ik vanochtend vroeg dus weer eens mijn vaste rondje. Om de dag mee te beginnen.
En ergens in dat stukje dat ik eraan had vastgeplakt hoorde ik dat typisch spechtengeluid, een roffelend trrr waar ik altijd erg blij van word, om één of andere reden. Al moet ik er bij toegeven dat ik te weinig een kenner ben om niet af en toe te twijfelen of ik nou een specht hoor, of hout dat door de wind langs elkaar beweegt. Ook omdat de bijbehorende specht zich maar zo zelden laat zien. Ook nu twijfelde ik in eerste instantie, het geluid klonk raar hard en had iets van een kunstmatige galm. Ik speurde vergeefs de bomen af, hoorde het geluid nog een paar keer en zag toen vlakbij de specht zitten. Gemakshalve schatte ik hem in als de grote bonte, de Dendrocopos Major, omdat dat geloof ik de meest algemene is, in deze contreien. Maar als gezegd, een kenner ben ik niet en ik weet niet precies hoe groot de grote en hoe klein de kleine is, laat staan dat ik op dat moment al wist dat er ook nog een middelste bestaat. En een witrugspecht bovendien. Enfin. Deze specht zat niet tegen een boom maar op het dakje van een lantaarnpaal. Speciaal voor mij gaf hij nog een roffel weg. Dat klonk lekker door, zo’n hardplastic dakje met een klankkast eronder.
Dus dan denk je: zo’n specht is niet achterlijk. Die weet heus wel dat er niets te halen valt in zo’n door mensenhanden geschapen plastic geval. Dat het ook geen handige nestplaats is, zo midden op straat. Dus als hij er dan toch zo enthousiast op zit te tikken, dan moet dat haast wel zijn omdat hij het zelf ook wel lekker vindt klinken, zo’n versterkte beat. Wel zo effectief. Hij zit daar natuurlijk zijn territorium af te bakenen, de lente hangt behoorlijk in de lucht tenslotte, en zo kunnen ze van verre al horen dat híj hier zit. Dat ze uit de buurt moeten blijven. En wie weet wat er nog aan vrouwtjes op af komt.
Ik kon het hem niet vragen, jammer genoeg, of ik gelijk had, want zodra hij mij in de gaten kreeg, ging hij er snel vandoor. Dus misschien is het onzin. Maar ik vind het wel leuk om te denken van niet.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Meeuw

IMG_6006

 

Bij mijn dagelijks bedoelde ochtendwandeling werd ik vandaag ingehaald door een meeuw. Wat voor meeuw het precies was, daar waag ik me niet aan want het was waarschijnlijk een andere, maar ik vermoed de Larus Canus. Het beest vloog laag over me heen, maakte een capriool en landde een tiental meters verderop op het asfalt. Daar bleef hij zitten. Toen ik te dicht bij kwam naar zijn smaak trippelde hij een stukje voor me uit, vloog dan toch maar op om nauwelijks twintig meter verder opnieuw te landen. Dit herhaalde zich een aantal keer. Opvliegen, landen, wegtrippelen, opvliegen en weer landen.
Je bent dan geneigd zo’n beest een beetje onbenullig te vinden. Waarom steeds zo’n klein stukje vooruit vliegen? Waarom niet links of rechtsaf de oneindige weilanden in? Veilig achter een sloot. Waar je geen wandelaar tegenkomt, waar je steeds zo lastig voor op moet vliegen. Of als je misschien per se op het asfalt wilt zitten, waarom dan niet de andere kant op gevlogen? Waar de wandelaar al geweest is. Je zou verwachten dat een meeuw dat vanuit de hoogte wel een beetje kan overzien. Dat het gevaar op de grond wel een beetje wordt ingeschat.
Tot je je na een tijdje plotseling afvraagt of het misschien niet zo zou kunnen zijn dat die meeuw nieuwsgierig is naar jou. Dat ie wel op zekere afstand wil blijven, maar je toch eens wat beter wil bekijken. Wat jij er voor eentje bent.
En ik geloof verdomd dat dat het was.
Na vier of vijf keer besloot ik zelf ook eens stil te houden, op precies de kritieke afstand, net vóór het moment van opvliegen. Ik bleef staan. De meeuw bleef zitten. Een tijdje stonden we elkaar zo stilletjes te bekijken. Een tijdje stonden we elkaar áán te kijken, de meeuw en ik. Zo had ik een meeuw nog nooit gezien. Zo had ik een meeuw nog nooit bekeken.
Na deze korte ontmoeting vervolgden we ieder ons eigen weg. Van de meeuw weet ik het niet, maar ik had iets bijzonders meegemaakt.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.