Wonderwater en brandewijn

cropped-header2017-5.jpg

Groene Wissel 402 Heiloo, gelopen zondag 30 april 2017

Vanaf Alkmaar Noord dringt de trein naar Heiloo zich plotseling vol met luidruchtig volk. Er worden flinke plastic tassen halve liters bier meegesjouwd maar zo te horen, zien en ruiken zijn die vandaag al wel voller geweest ook. Het is half tien in de ochtend. Heel even ben ik in de war, omdat het 30 april is, maar dan realiseer ik me dat het een voetbalwedstrijd zal zijn. Andere kleuren, grotendeels hetzelfde publiek, naar mijn bescheiden elitaire inschatting, en ik ben blij dat ik niet naar Rotterdam hoef. Héél blij. De slaperige rust die over Heiloo hangt bevalt mij een stuk beter. Als overgang staat er aan het einde van het perron een te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Ik verwacht op zijn minst een daklozenkrant aangeboden te krijgen, of een slecht verstaanbaar verzoek om geld, maar ik word een tikkeltje hooghartig zelfs genegeerd, dus misschien staat de man gewoon iemand van de trein te halen en heb ik te snel mijn vooroordeel klaar.

DSC08368

Het Heiloo waardoor ik vervolgens naar buiten loop, richting landgoed Nijenburg, is best een deftig stadje. Het doet een beetje aan Bergen denken, met meanderende smalle klinkerstraatjes, zonder noemenswaardige stoep, langs soms fraai afgewerkte vrijstaande huizen. De auto is te gast in deze straten, zo vermelden de borden streng, en dat is goed te zien: voor ieder huis staan er drie geparkeerd. Hoe dichter ik de bosrand nader hoe deftiger het wordt, meterslange en manshoge schuttingen met veel bordjes over levensgevaarlijke waakhonden maken duidelijk hoe de verhoudingen hier liggen. Wat verder meteen opvalt is dat ook Heiloo willoos is ingelijfd door de Onafhankelijke Republiek Schiphol. Elke zoveel minuten raast er een vliegtuig over en dat zal de hele wandeling doorgaan. Waar moet iedereen toch almaar naar toe? En hoezo, en waarom?
Ietsjes verheven boven het plein, gebouwd op het vermoeden van een heuvel, staat de Witte Kerk. Hij heet zo omdat hij wit is, en hij is wit geschilderd om de sporen van alle her- en verbouwingen sinds de 11e eeuw te verdoezelen. De geschiedenis van de kerk gaat terug tot rond het jaar 700, zo vertelt het informatiebord, wanneer een missionaris genaamd Willibrordus hier een put slaat waarvan het water geneeskrachtige werking heeft. Wonderwater. Bij die put wordt een houten kapel gebouwd die later vervangen wordt door een stenen kerk, die nog weer later wordt uitgebreid met een toren en in de loop der eeuwen verschillende malen van vorm en grootte verandert. De put is er nog steeds, al doet de opbouw uit 1950 weinig authentiek aan, om het zo maar te stellen, en wordt hij om veiligheidsredenen zelden meer opengesteld. Voorts staat op het informatiebord te lezen dat in vroeger tijden een groot verschil bestond tussen de kerk en de wereld daarbuiten. Dat binnen de onschendbaarheid van de kerk andere regels golden en dat misdadigers er veilig waren voor het wereldlijk gezag. Bedoeld wordt de 12e eeuw, maar het zouden evengoed de jaren vijftig kunnen zijn – waarnaar in deze bange dagen soms zo hevig wordt terugverlangd – en ik heb zelfs het idee dat er wat dat betreft misschien helemaal niet zo héél veel is veranderd.

DSC08395

Het landgoed Nijenhuis is een mooi en druk bewandeld bos, het is duidelijk zondagochtend, het is duidelijk mooi weer. Er wordt gelopen met de hond, er wordt gelopen met de kinderen, er wordt gelopen met verhitte koppen en moeilijke gezichten in lelijke zuurstokkleuren. Het bos wordt op zijn landgoeds doorkruist met walletjes, geulen en lanen met imposante en monumentale beuken, maar ook door de intercity Alkmaar – Amsterdam en de sprinter naar Haarlem en Uitgeest, op verschillende plekken nog ouderwets onbewaakt over te steken.
Tot aan Egmond volg ik dan de Egmonder binnenvaart die soms breed maar soms ook verbazend smal is. Toch was dit, sinds de inpoldering, eeuwenlang één van de belangrijkste vaarverbindingen in deze contreien. Liggend aan de nieuwbouwranden van Heiloo is het gebied dit eerste stuk nogal verparkt tot recreatieterrein met speeltuinen, picknickbanken en trimtoestellen. Ook worden er elke honderd meter nieuwe instructies gegeven over wat te doen met de hond. Aanlijnen of loslopen, met of zonder opruimplicht. Volkomen overbodige bordjes en paaltjes wat mij betreft omdat ik nogal nurks van mening ben dat men op openbaar terrein de hond altijd aangelijnd hoort te hebben, uit beleefdheid naar andere mensen die allicht niet van honden gediend zijn. Ergerniswekkende bordjes bovendien omdat ze altijd alleen lijken te gelden voor mensen zonder hond. Breekt u mij de bek niet open alstublieft, ik ben lekker aan het wandelen. En het is lente. Beuken staan nog maar teer in het groen, kastanjes al volop in kaars en blad en de esdoorns spuiten de grond uit. Ik zie het begin van lelietjes van dalen, ik ruik daslook. Overal vliegen vogels af en aan met takjes en nestmateriaal. Drie kauwtjes vechten een tissue aan stukken en nemen ieder hun deel. Een houtduif houdt zich stil in het kreupelhout en doet net of ik hem niet zie.

DSC08405

Op mijn weg vind ik een verdroogd kikkertje. Een piepkleine zwarte mummie, gestold in een laatste wanhoopskreet. Te slim af geweest door een reiger, of ander koudbloeddorstig gevogelte en onderweg naar het hongerig jong in de haast weer verloren. Zoiets stel ik me er bij voor in elk geval. En vroeger, toen mijn jongens nog klein waren en ik ze meenam op als ontdekkingsreis en avontuur vermomde wandelingen, vertelde ik het ze precies zo, als we zo’n kikkertje vonden. Het kikkertje ging dan mee naar huis om te worden toegevoegd aan de almaar uitdijende verzameling van dingen uit de natuur. Want we vonden altijd wel wat, op onze tochten. Schelpen, krabbeschaartjes, stenen, botjes, schedeltjes, galappeltjes.. noem het maar op. Het was allemaal even mooi en interessant en het ging allemaal mee naar huis. Nu krijg ik ze niet meer mee naar buiten en al voel ik nog altijd dezelfde opgetogenheid bij een nieuwe vondst, ik kan het met niemand meer delen. Misschien straks weer, met mijn kleindochter. Vandaag is de verzameling in elk geval weer aangevuld met één kikkertje, en een portie nostalgie.
Tussen Heiloo en Egmond Binnen begeeft de Egmonder Binnenvaart zich tussen de bollenvelden. Het is hier dan ook plotseling nog een stuk drukker. Het wordt hier opeens filelopen, het lijkt verdorie de avondvierdaagse wel. En het slaat feitelijk nergens meer op want voor de bollen zijn we te laat. De meeste tulpen zijn gekopt, velden vol uitgebloeide en bruin geworden narcissen en hyacinten, het staat er treurig bij. Nog treuriger zijn de velden die in hun geheel zijn afgedekt met enorme lappen plastic. Kilometers, moeten het zijn. Het levert vervreemdende beelden op, zo golvend in de wind en kaatsend in de zon, maar het zet je eigen goedbedoelde geschipper met plastic afval wel even in een ander perspectief. Alleen de blauwe druifjes, die zijn oogverblindend.
Van verre zag ik hem al in streng silhouet boven de horizon uitsteken en Egmond eenmaal gerond keek hij me ook nog lang in de rug, maar in Egmond zelf laat de St Adelbertabdij zich niet anders dan van gepaste afstand bezien. De deur is gesloten en de sleutel is gebroken. En het gebouw zelf is ook wat hermetisch. Enfin, de echte abdij, waarop het sneeuwde als je het glazen ei schudde, als bezongen door Boudewijn de Groot, is het toch niet. Die werd in 1573 door Willem van Oranje in brand gestoken. Met brandewijn, waarschijnlijk. Dat is koud vuur, dus dat geeft niet. En als het al in de krant komt, wordt er in elk geval niet heel kritisch over geschreven.

DSC08510

Na Egmond loop ik over de Limmerweg en de Zanddijk door de Vennewaterspolder weer terug naar Heiloo. Het kan iets drukker zijn op deze wegen, waarschuwt de routebeschrijving. Het advies is om links te lopen. Echt druk wordt het pas bij de pluktuin, waar verantwoorde ouders met hun kinderen onbespoten radijsjes komen oogsten en bloemen komen plukken. De linkerkant van de weg staat volgeparkeerd en het is een chaotisch komen en gaan van gezinsauto’s die elkaar geen duimbreed gunnen. Het lukt me hier maar net het vege lijf te redden.
De Vennewaterspolder zelf is, hoe zal ik het omschrijven, een vrij ongepolijst gebied. Er hebben waarschijnlijk bollen gestaan, nu is het voornamelijk zand en leeg en kaal en, ja.. interessant om ook een keer te zien, dat zeker, maar.. lelijk. Sorry. En dan niet de charmante lelijkheid, waar je nog de schoonheid van in kunt zien, maar gewoon rechttoe rechtaan en vreugdeloos lelijk.
Onder het spoor door weer bijna terug in Heiloo stuit ik eerst nog op het bedevaartsoord Onze Lieve Vrouw ter Nood, in het buurtschap met de toepasselijke naam Kapel. Het maakt de wandeling mooi rond want ook hier draait het om een put met verondersteld geneeskrachtig water. In 1409 werd voor de pelgrims die daar hopend op een wonder op af kwamen, een kapel gebouwd. Op de belendende heuvel die vrijwel meteen de kruipberg genoemd werd omdat processies om de kapel kruipend werden gehouden. In 1573 kwam ook hier Willem van Oranje langs, met brandewijn, en het heeft daarna eeuwenlang religieus gesteggel, gebekvecht en getrouwtrek gekost voor de put in 1905 weer definitief in gebruik werd genomen en er in 1930 dan ook weer een kapel bij werd gezet. De wat kitscherige, nep-romaanse kapel van zogenaamde rotsblokken waar ik vandaag omheen loop. Maar blijkbaar voorziet het in een behoefte want ik zie een vrouw in zuurstokgekleurde sportkleding wat water uit de put halen en er haar kennelijk geblesseerde been mee insmeren, met gewijde aandacht. Later staat ze biddend op de trappen van de kapel. Het is dus niet voor niets geweest.
Als ik bij station Heiloo het perron op loop, staat daar nog altijd de te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Misschien wacht ook hij op een wonder.

Noblesse oblige

header2017 1

Trage Tocht Beetsterzwaag, gelopen op woensdag 5 april 2017

De Hoofdstraat van Beetsterzwaag doet zijn naam wel eer aan vandaag, tjongejonge. Het lijkt of al het verkeer uit de wijde omtrek er van twee kanten tegelijk doorheen wordt geperst. Maar omdat Beetsterzwaag niet gebouwd is op al dat moderne extra large verkeer, moet dat soms stapvoets, en met geven en nemen, en net als in de grote boze stad is geven ook hier minder vanzelfsprekend dan nemen dus dat levert soms weinig stijlvolle taferelen op. En ook daarop is Beetsterzwaag eigenlijk niet gebouwd want aan bijna alles is te zien dat hier vroeger de adel resideerde. De adel, zo niet beschaafd, dan toch in elk geval stijlvol. Her en der staan statige landhuizen op riante percelen met hun rijkdom te pronken, maar ook de bescheidener huisjes langs het trottoir tonen een niet onbemiddeld verleden. En nog steeds staat het meeste er goed onderhouden en glimmend in de lak in oude stijl bij. Jammer dus van al dat verkeer, je zou je zomaar in het rijke verleden wanen.
DSC08151

Ook de wandeling start, en eindigt eveneens, in adellijke ambiance, bij het Lycklamahuis, één van de statige landhuizen voornoemd. Gebouwd in 1825 in opdracht van Catharina Johanna Aebinga van Humalda, douairière van Lynden, maar vernoemd naar de burgemeester van Opsterland, jonkheer Jan Anne Lycklama á Nijeholt, die in 1836 trouwde met de toenmalige eigenaresse, jonkvrouwe Ypkjen Hillegonda van Eysinga. Hoe adellijk wil je het hebben.. Tegenwoordig is de woonstee dan weer vrij gewoontjes in gebruik als gemeentekantoor. Sic transit gloria mundi.
Via de uitgestrekte overtuin van de Lycklamaatjes kom ik aan de rand van het stadje uit bij de Van Teyens Fundatie, een voorbeeld van het vandaag de dag min of meer in onbruik geraakte begrip noblesse oblige. De familie Van Teyens was dan wel niet direct van adel, groot geworden in de destijds lucratieve turfwinning en via tactische huwelijken waren ze wel zeer vermogend en invloedrijk. Toen de derde generatie echter kinderloos bleef, werd het kapitaal in goede werken omgezet: de Van Teyens Fundatie. Het pand waar ik vandaag naar sta te kijken werd in 1866 gebouwd en moest destijds onderdak bieden aan zes armlastige vrouwen die er, onder het bewind van regenten en regentessen uiteraard, zonder zorgen hun laatste jaren konden slijten. Door het invoeren van de aow ontstond een gebrek aan armlastige dames en het pand is nu verhuurd aan een huisartsenpraktijk, maar nog altijd worden de inkomsten van de stichting aangewend voor het algemeen belang.
Beetsterzwaag verlatend loop ik door een bosachtig landschap waarvan je je makkelijk kunt voorstellen dat het vroeger een landgoed geweest zal zijn, met lange zichtlanen en oude beuken, aangelegde watertjes met groen bemoste ronde randen en een open bleekveldje zo hier en daar. Het doet mij, voor degene die dan weet waar ik het over heb, een beetje aan het Haagse Clingendael denken. Niet alleen in het aldus deftig aandoend landschap toont zich trouwens de mensenhand, er is nauwelijks een boom langs het pad waarin geen jaartallen, namen of door de tijd soms intrigerend onleesbaar geworden mededelingen staan gekerfd. Noem mij een romanticus, maar ik vind dat een mooi idee, sporen van liefdes van jaren her, en de vraag wat ervan is geworden.

DSC08189

Het kerkje van Olterterp, waar ik dan op aan loop, ligt er op het oog wat verloren bij, zo alleen in het bos op haar terp, met slechts het gezelschap van een aanpalende boerderij en het eigen kerkhofje. De grafstenen staan niet allemaal meer even keurig in het gelid en het kerkje zelf – schattig, piepklein, bouwjaar 1500 – heeft ook al het nodige meegemaakt. Het is zichtbaar oud en zichtbaar gerenoveerd. De toren is er in 1744 bijgebouwd, voor vijfhonderd guldens. En blijkens een ferme gevelsteen, opdat de noblesse obligé niet onopgemerkt zou blijven, gebeurde dat op kosten van raadsheer Ayzo van Boelens en zijn vrouw Rinske Lycklama á Nijeholt. De vader van deze Rinske, Augustinus Lycklama á Nijeholt, was dan weer de broer van de betovergrootvader van de Jan Anne waar ik het eerder over had, de burgemeester van Opsterland.
Dan het landgoed Lauswolt. Ook hier is de hand der mensen alom aanwezig, maar minder subtiel. Sterker nog, hij dringt zich vrij stevig op. Direct bij binnenkomst al stuit ik op een boom waarin met grote gebaren het beeld van een man is uitgehakt. De man draagt een hoed met veren, of hij heeft lang haar, hij leunt op een ouderwetse radiator, of een accordeon, of iets dat daar op lijkt en in zijn hand heeft hij een langwerpig voorwerp dat zowel een zwaard als een stokbrood kan zijn, of een wandelstok, of nog iets anders. Het waren grote gebaren, zei ik al. Dit is niet het werk van een verliefde tiener met een zakmesje. Hier is groot materieel aan te pas gekomen, en grof geweld. Kettingzaag en bijl – er gaapt een gat van minstens een meter hoog, dertig centimeter breed en tien centimeter diep in de boomstam. Een gezonde, levende boom! Even verderop wijst een al even grof uitgehakte hand vooruit naar een compleet beeldenpark van cultureel gevandaliseerde bomen. Een tweeling in toga met twee paard-achtigen, een man met een lange baard, een vrouw met een puntmuts die over de vers uitgebaggerde waterpartij uitkijkt, een heks met een lantaarn en een knuppel, een ridderfiguur op wacht.. de één nog groter en dieper uitgehakt dan de ander. Op internet vind ik later uit wat ik zelf al vermoedde: hier is sprake van een project. Een upgrade. Hier is over nagedacht door een gemeentelijke werkgroep. Een commissie. Hier wordt een gebied aantrekkelijk gemaakt voor een bredere doelgroep. Allerlei sporen van werkzaamheden die nog maar net achter de rug zijn wezen daar ook al op. Nieuwe, verbrede paden met een verse laag grijs steenslag, kale en omgewoelde bosbodem, keurig van struikgewas en kreupelhout ontdaan, kakelverse haarscherpe bermen. Een nagelnieuw bruggetje, de uitgebaggerde waterpartij. De boombeelden zijn onderdeel van dit plan. ‘Monumentale bomen vertellen voortaan Friese sagen en legenden’, kopt De Woudklank trots. De vrouw met de puntmuts bijvoorbeeld, blijkt het vrouwtje van Stavoren te zijn.

DSC08215

Er is, zo sust De Woudklank de verontruste romanticus, door de carvers zoveel mogelijk rekening gehouden met reeds aanwezige inscripties in de bomen. En, als troost voor de natuurliefhebber, er is gekozen voor bomen die op de nominatie stonden om ooit gekapt te worden. Dat laatste lijkt mij wel een goed voorbeeld van een self-fulfilling prophecy.
Eén boom staat er nog, in het voor een brede doelgroep aantrekkelijk gemaakte gebied, die de kans heeft gekregen een natuurlijke dood te sterven. In grillig silhouet overwoekerd door donkergrijze tonderzwammen is hij duizend keer mooier dan welke gemeentelijke werkgroep ooit kan bedenken. Waarvan akte.
Langs een boslaan met statige beuken, de bemoste voeten groen oplichtend in de zon die in gulle bundels door het voorzichtig beginnend loof binnenvalt, bekom ik een beetje van de schrik. Ik passeer bosbeekjes en vennen en met heide begroeide open plekken in het bos. Op één of andere manier niet direct een landschap dat ik met Friesland associeer maar het ligt er toch echt, dus dat moet dan wel mijn incomplete beeld van Friesland zijn.
In het Alpherbos stappen er een eindje voor mij twee mannen een tikkeltje schichtig uit de berm. Het zijn twee nogal glimmende mannen met kaalgeschoren hoofden en rooie oortjes. Ze dralen wat maar besluiten dan toch voor mij uit te gaan lopen. Eén van hen draagt een rugzak maar ik houd ze niet voor wandelaars, daarvoor lopen ze ook te langzaam. Een knalroze condoomverpakking, na het aangenaam verpozen in de berm achtergelaten, bevestigt mijn vermoeden. ‘We hebben gezelschap gekregen’, hoor ik de mannen tegen elkaar kirren als ik ze blijkbaar te dicht naar hun zin ben genaderd en ik erger me eraan dat ík me nu gegeneerd moet voelen bij de situatie. Ik erger me er ook aan dat ik me daarna volautomatisch afvraag of die ergernis wel past bij de tolerante instelling die ik mijzelf toedicht, maar ik besluit dat het wel kan. Dat het weinig stijlvol gedrag is, en ergernis dus zeker op zijn plaats. Ik heb geen zin om achter het tweetal te blijven hangen, ik heb ook geen zin om voor ze uit te lopen, ik neem een kwartier pauze om ze kwijt te raken.

DSC08287

Door het open terrein van de Hemrikkerscharren loop ik langs lange, rechte, min of meer verharde landbouwwegen met een omtrekkende beweging weer langzaamaan op Beetsterzwaag aan. Rechtsaf over de Ald Hearrewei dwars door de Lippenhuisterheide, een aantrekkelijk gebied met watertjes, jonge berkenboompjes en grote graspollen in het tegenlicht.
Een onooglijk betonnen bruggetje over een onbeduidend watertje brengt me terug in het Wallebosch rond Beetsterzwaag. Bijna zou ik het gedachteloos als een onooglijk bruggetje over een onbeduidend watertje zijn overgelopen als een bordje mij er niet op had gewezen dat het hier om het bekende bruggetje over het Ald Djip ging, het Koningsdiep nog maar liefst. Lange tijd was dit onooglijke bruggetje de enige verbinding tussen Beetsterzwaag en Lippenhuizen, en het onbeduidende watertje een blijkbaar onneembare hindernis. Dingen zijn niet altijd wat ze lijken, dat zien we maar weer.
Langs de randen van het Wallebosch is goed te zien waaraan dat zijn naam dankt:  de paden waarover ik loop liggen beduidend hoger dan de aangrenzende gronden. Als wallen inderdaad. Ik stel mij voor dat ik langs de turfstekerijen loop waarmee de familie Van Teyens zijn rijkdom vergaarde.