De voortschrijdende tijd

Harlingen – Oosterbierum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 11 december 2015

Wat een mooi stadje is Harlingen. We waren er eerder natuurlijk, omdat de vorige etappe er eindigde, maar kwamen toen niet veel verder dan de rand. Nu dwalen we er van die rand af dwars doorheen. Linksaf en rechtsaf langs grachten en binnenhavens, met meest bescheiden maar prachtige oude en opgeknapte geveltjes aan de kant, in alle soorten van de regenboog. Klokgevels, trapgevels, driehoekige of rechte gevels en combinaties daarvan, met versierde daklijsten, witte hoek-ornamenten en kleurige, fantasierijke gevelstenen. Oude pakhuisjes, huizen met trappen ervoor, smalle steegjes en bruggetjes.. alles wat een historisch stadshartje begeert. In de Noorderhaven verraadt zich de vloed. Het water staat zo hoog dat de gietijzeren Raadhuisbrug het oppervlak bijna raakt, van het woud der dukdalven zijn alleen de vuilwitte badmutsen nog te zien zodat ze als in een zwanenmeer over het water uit lijken te waaieren.

Eerder stuiten we nog op het beeld van Anton Wachter, van wie we ons pas herinneren wie dat ook al weer was, als we kort daarna het geboortehuis van Simon Vestdijk passeren. Al blijft het zelfs dan bij een wat muffe herinnering aan de middelbare school. We kennen hem niet persoonlijk, Anton Wachter, alleen van horen zeggen. Misschien is dat, zoveel jaar later, eigenlijk onterecht.
We klimmen een dijk op en lopen dan plotseling langs en over de Tsjerk Hiddessluizen, een complex dat er met zijn afgerond strakke en witgepleisterde jaren vijftig vormgeving als een dubbel anachronisme bijligt: het past niet bij het historisch Harlingen waar we net uitkomen, maar zo modern als het ooit bedoeld is, oogt het ook al een tijdje niet meer. Een monument voor de voortschrijdende tijd.

Maar goed, het industriehavengebied waar we dan in terechtkomen is beslist nóg minder lieflijk nostalgisch. Zandoverslag, dicht op elkaar geschoven vissersboten in roestige kleuren, fantasieloze loodsen en complexen zonder opsmuk en petrochemische industrie met zulke ingewikkelde stelsels van buizen en pijpleidingen dat het moeilijk is voor te stellen dat er ook nog mensen zijn die daar wijs uit kunnen. En of we het als geruststellend moeten opvatten weten we niet, maar rondom staat iedere tien meter een blusinstallatie.
De kleuren die we hier tegenkomen zijn rood, blauw, geel en groen.. maar zeker tegen de donkergrijze en rumoerige wolkenlucht wil het geen vrolijk of kleurig schouwspel worden. Wel mooi, trouwens. Of, nou ja.. stoer, robuust. Ongepolijst. Het hoeft voor ons niet per se altijd paradijselijk ongerept natuurgebied te zijn, waar we doorheen wandelen. We vinden het juist wel boeiend om ook door dit soort zwaar gebruikte industriële landschappen te lopen. Het maakt immers evenzeer deel uit van de kust. En schoonheid tref je overal, zolang je er oog voor hebt.

Op de zeedijk zien we links de Waddenzee, met aan de horizon, hoe heiig ook, Vlieland en Terschelling. Voor de juiste volgorde komt voor de tweede keer vandaag onze schooltijd om de hoek kijken. De tv-tas, inderdaad. Wat, nu ik het zo neerschrijf, als een nogal vreemd ezelsbruggetje op mij overkomt, want wie doet in vredesnaam zijn tv in een tas? Zeker in de bloeitijd van het ezelsbruggetje had je niet veel aan een tas, om je tv te vervoeren. Twee potige kerels, daar had je meer aan. En wat er op tv gebied verder ook veranderd is, in de bijna vijftig jaar waar we het nu over hebben, dat in elk geval niet. Maar goed, het onderwijs is wel vaker ondoorgrondelijk.
Zigzaggend door het Friese landschap gaat het verder. We zien kale, zompige velden in aardkleuren vooral. Bruin, oker en omber. Zwarte plukjes kale bomen aan de einder, hier en daar. Statige boerderijen met afgekloven schuren. We passeren in de verte de Ropta State.
Dan verschijnt de kerktoren van Wijnaldum aan de donkergrijze horizon. Van een afstandje hebben we er geen hoge verwachtingen van. We zien het soort onbijzondere rijtjeshuizen waar er overal in Nederland dertien van in een half dozijn gaan. Maar als we dan een rondje om de kerk lopen, zien we het ware Wijnaldum. Een piepklein stokoud dorpje, in smalle, besloten, uit geel baksteen opgetrokken straatjes, dicht bijeen geschaard rondom de kerk die, zoals dat hoort, op een terp staat. De Andreaskerk, die er ondanks de gele kloostermoppen uit de 15e eeuw uitziet alsof hij er nog maar net staat. Grondig gerenoveerd of zelfs opnieuw opgebouwd, schatten wij in. Van de modern ogende, rood bakstenen toren, waarvan we later lezen dat het inderdaad niet de eerste en zelfs niet de tweede is, weten we dat ter plekke al zeker.
Even buiten Wijnaldum ligt de kaatsbaan er verlaten bij. Onder water gezet door de ijsvereniging ligt hij, naar oud Fries gebruik, op de vorst te wachten.

Langs de Sexbierumer vaart en langs de Riedpolder, langs weilanden van opengetrokken klei, in grote glimmende bonken, grijs, zwart en nat, trotseren we de regen. Aan de vaart treffen we, aan weerszijden van het water, twee onduidelijke, nogal massieve ruïnes aan. We zien nog een restje groene plavuizen en afgebrokkelde gemetselde bogen. De ruïnes horen duidelijk bij elkaar, ze neigen beiden naar de overkant, naar malcander. Het zijn de restanten van een spoorbrug. Ooit reed hier een trein. Van Sexbierum naar Wijnaldum. Stel je voor. Op internet vinden we later uit dat dat ergens tussen 1900 en 1930 geweest moet zijn. Een stoomtrein, rijdend op de lijn Harlingen – Tzummarum, voor de Noord-Friesche Locaal Spoorwegmaatschappij, die in die tijd een uitgebreid netwerk van lokale spoorlijnen onderhield. Er werden passagiers vervoerd, maar ook piepers.
Over de Slachtedijk tenslotte lopen we naar Oosterbierum, het eindpunt voor vandaag. Het is een duizend jaar oude dijk die is samengesteld uit in de loop der jaren langzaam met elkaar verbonden geraakte stukjes dijk die her en der, apart van elkaar werden opgeworpen, als plaatselijke bescherming tegen de destijds verderop gelegen Middelzee. Toen die in de loop der tijd werd afgesloten werd de Slachtedijk afgewaardeerd tot slaperdijk. Vandaag de dag is de Middelzee helemaal verdwenen. Alleen de Slachtedijk herinnert er nog aan. Ook die is een monument voor de voortschrijdende tijd.

De benen van de bruid

Een rondje Zaanse Schans, onderdeel van het Trekvogelpad, gelopen op dinsdag 29 september 2015

Ruim anderhalf miljoen bezoekers trekt de Zaanse Schans, gemiddeld, per jaar, de laatste jaren. Anderhalf miljoen toeristen die van over de hele wereld eens een kijkje komen nemen in het Nederland van weleer. Het romantisch reservaat voor het Hollandsch ideaalbeeld waar zo naar terug wordt verlangd, deze bange dagen. Nu zullen ze niet alle anderhalf miljoen met de trein komen, zoals ik vandaag, maar die het wel doen krijgen op NS station Koog Zaandijk toch een merkwaardige eerste indruk. Wat een haveloze treurnis! Wat een vervuilde, verwaarloosde en afgekloven bende. Toeristen schijnen over het algemeen geen bijzonder accuraat idee te hebben van waar Nederland nou precies ligt, eenmaal uitgestapt op Koog Zaandijk zullen de meesten er stellig van overtuigd zijn dat het ergens in de diepste krochten van Oost Europa moet zijn. Eind zeventiger jaren bovendien. Zelfs ikzelf ga even twijfelen. Ik maak me snel uit de voeten. Gelukkig is het mooi weer. Aan de overkant van de Zaan ligt Zaanse Schans opgepoetst te glimmen in de zon, daar ligt het niet aan.
Hoewel Zaanse Schans weldegelijk door echte mensen echt wordt bewoond, bestaat het eigenlijk niet. Tenminste.. het is niet het authentieke Zaanse dorp dat de tand des tijds dapper heeft weerstaan, al die eeuwen, waar je het ook voor zou kunnen houden, als je niet beter wist. In werkelijkheid is het een openluchtmuseum. In 1961 is men begonnen oude houten Zaanse huisjes en schuren en molens, waarvoor elders vanwege de oprukkende moderne tijd geen ruimte meer was, naar deze plek aan de overkant van de Zaan te verplaatsen. Om ze te behouden voor de toekomst.
Wat mensen beweegt er te willen wonen is mij onduidelijk, het moet vreselijk zijn. Ook vandaag, een onbijzondere doordeweekse dag buiten welk seizoen dan ook, wemelt het van de toeristen. Voornamelijk Japanners. Veel bleke, onpraktisch uitgedoste meisjes die het Holland van vroeger uitsluitend via de selfiestick bekijken, zichzelf prominent op de voorgrond, met modieuze gezichtsuitdrukkinkjes. Een authentiek ogende man staat zijn voordeur te schilderen, drie Japanse meisjes hangen schaamteloos over het hek in de hortensia’s, om zichzelf te fotograferen met dit rustieke tafereel in de linkerbovenhoek. De man doopt zijn kwast nog maar eens onverstoorbaar in de verf. Het lijkt of ieder die hier rondloopt de wereld vooral via het schermpje waarneemt. Zelf heb ik ook een camera op zak, maar al zou ik dus allesbehalve uit de toon vallen, ik voel vreemd genoeg teveel schroom om foto’s te maken.

Een paar honderd meter verder houdt het op. Daar staan geen molens meer, geen houten huisjes en toeristenwinkeltjes. Daar rest alleen het landschap. Woest en ledig. Met aan de overkant van de Zaan de industrie. Glimmende silo’s, leidingen en schoorstenen met hier en daar nog een stukje uit rood baksteen gemetseld verleden. Absoluut hoogtepunt wat dat betreft is zeepziederij De Adelaar. Voor de toerist is het te ver, ik vind het een adembenemend uitzicht, al zie ik het niet voor het eerst. Ik loop vandaag een rondje Trekvogelpad, van Zaanse Schans naar Zaanse Schans, omdat de bedenkers van dit pad hier twee mogelijkheden bieden, en ik niet kan kiezen. Ik wil ze allebei. Vandaar een rondje, waarvan een klein stukje dus voor de tweede keer. Niet het minste stukje.
In noordelijke richting loop ik door Bartelsluis onder Wormer door, langs de ringvaart om de Enge Wormer, een droogmakerij uit 1638, met aan de andere kant de Wijde Wormer, die rond 1626 uit zichzelf droogviel. Het verschil is goed te zien. Rechts is het maaiveld twee meter lager, liggen smalle, kaarsrechte sloten met wiskundige precisie naast elkaar. Links staat het water in brede grillige sloten nagenoeg even hoog als de dijk waarover ik loop. Weiland en water lopen er zo goed als naadloos in elkaar over.
Zo opgepoetst en aangeharkt als Zaanse Schans is, zo grof en ongepolijst is het omringend landschap. De industriële horizon uiteraard, met zijn rookpluimen, die de hele wandeling in het oog blijft springen, maar ook tal van half vervallen loodsen en schuren, rommelige erven en schijnbaar aan hun lot overgelaten stukken land. Mij doe je er een plezier mee. Hoogtepunt is een wat afgezonderd erf met een dichtgetimmerd huis, een sterk vervuilde silo en een verzameling verzakte, nog net niet ingestorte boetjes en bouwsels, sommigen eigenlijk nog niet eens afgebouwd, met als stralend middelpunt een pipowagen waarvan de rode luiken in stuitende typografie vrolijk beweren dat men open is. Het is jammer dat ik toch niet verder naar binnen durf.

Nog weer verder, langs de Kalverpolder, tref ik een huisje, ik zie het van verre al staan, met op het dak een enorme windmolen. Veel groter dan het huisje zelf. Het is het soort windmolen dat je soms in een weiland ziet staan, van een gelig soort kunststof, vier wiekjes plus een staartstuk dat de boel in de wind houdt. Maar dan veel en veel groter. Metershoog torent het boven het landschap uit, 32 wieken in een  reusachtige cirkel. Mijn fantasie slaat onmiddellijk op hol. Hier woont een excentrieke uitvinder, een professor die in de verlatenheid van de Zaanse polder een geheimzinnig experiment voorbereidt. Die een allesverwoestende wind wil opwekken en zo de wereldheerschappij in handen denkt te krijgen. Of juist een groot gevaar denkt af te kunnen wenden, en de wereld te redden. Door juist op tijd de koers van de aarde te veranderen, waardoor het gevaar uit de ruimte ons op een haar na mist. Of.. het is een moderne Noach, die zijn huis op wil laten stijgen, en weg, ver weg wil vliegen van dit land in verwarring.
Met een boog loop ik terug naar de Zaan. Tenminste, dat is de bedoeling. In ’t Kalf – een fantasieloze buitenwijk van lage apenrotsflats en piepkleine, haastig uit grindbetonblokken opgetrokken huisjes en woonerven met betegelde tuinen – verdwaal ik jammerlijk, terwijl ik mild bedenk dat het hier dan eigenlijk wel begrijpelijk is dat mensen het gefiguurzaagde woord HOME pontificaal in de vensterbank zetten. Je zou je anders inderdaad kunnen gaan afvragen wat je hier deed, in deze vreugdeloze gribus.
Het Jagersveld, waarvan ik, door de naam misschien, het idee had dat het een natuurgebiedje zou kunnen zijn, blijkt al snel een zeer aangelegd stadspark van grazige ligweiden langs tekentafelwatertjes met designerstrandjes en geometrisch meanderende betonpaden. Er is zelfs een trimbaan, met bij ieder toestel een bordje dat geïllustreerd en al precies uitlegt wat je er moet doen, en hoe vaak. Aardig misschien, zo’n park, als her en der leuke jonge moeders met hun kroost in het gras op aanspraak zitten te wachten, vandaag is het praktisch uitgestorven. Een opa zit er, met zijn drie kleinkinderen, lijdzaam te wachten tot het erop zit. Een moeder met een hoofddoek snauwt tegen haar kind, een magere man wandelt met twee hazewinden. Bejaarden op elektrische fietsen. Ik maak dat ik wegkom.


Wanneer ik de cirkel bijna rond heb, wandel ik Haaldershoek in, en dat is een aangename verrassing. Dit is ongeveer het authentiek Zaanse buurtschapje dat Zaanse Schans probeert te zijn. Een stuk eenvoudiger, dat is waar, veel minder pracht en praal, maar ook zonder toeristen. En daardoor toch bijzonderder misschien, voor mij in elk geval. Schoolkinderen fietsen er achteloos doorheen, met hun modieus op de knieën gescheurde broeken en hun veel te grote kratten met niks erin aan het stuur. Die zien het niet, hoe mooi dit is. Die zien alleen elkaar, wat ook weer mooi is natuurlijk.
Betoverd loop ik een extra rondje. Houten huisjes, strak en glimmend groen met wit in de lak, met luiken aan de ramen en versierde makelaars in de nok. Smalle klinkerstoepjes langs sloten en klassieke tuintjes, en bruggetjes die te smal zijn voor iets anders dan een wandelaar.
Terug in Zaanse Schans verbaas ik me nog één keer over de toeristenmenigte, die dus nooit zal weten hoe lieflijk en stil het er tien minuten verderop bijligt.
Een bruidspaar laat zich fotograferen met de Tinkoepel op de achtergrond. Genadig valt het tegenlicht door de bruidsjurk, en verklapt dat de benen van de bruid er mogen zijn.

De â van Ferwâlde

Workum – Makkum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 22 mei 2015

De terrassen lopen gestadig vol, op het marktplein in Workum, deze doodgewone vrijdagochtend. Met wandelaars als wij, aan het begin van de tocht; plaatselijke dames met kleurige brillen, moeilijk haar en gebloemde gewaden, lekker aan het gebak; een wat haveloze zwerver met een verfomfaaid pakje sigaretten, weggedoken in een opeens veel te warme jas; moeders met kinderwagens; een enkele toerist in het Duits al.. iedereen zoekt een plekje in de zon, die we dan ook bijna zomers kunnen noemen vandaag. Wát een heerlijkheid. Maar dat mocht ook wel een keer, vinden wij eensgezind. Het Jopie Huisman museum schiet er daardoor dan wel weer bij in; de zon staat het eenvoudig niet toe. Met een cultureel schuldgevoel gaan wij op pad. Op kerkepad, om precies te zijn, dus dat komt mooi uit.

Via de Tillefonne verlaten we Workum. Een smal en onaanzienlijk steegje waarlangs men dus in vroeger tijden, na de kerkdienst op zondag, gesticht en opgelucht weer huiswaarts keerde, naar de boerderij in het buitengebied. Honderd meter lang is het steegje, zeker niet meer, maar als we erdoor zijn is de beginnende drukte op het marktplein volkomen uit het gehoor verdwenen en kijken we uit over een stil en weids weidelandschap, waar het kerkepad van één voet breed zijn weg door zoekt, van het ene hoge witte bruggetje naar het volgende. Tillen, heten die bruggetjes. Vandaar de naam Tillefonne. Een fonne is dan namelijk weer een stuk land dat niet zo vaak gemaaid wordt. Aan die regel houdt men zich heden ten dage trouwens blijkbaar niet meer: na het tweede bruggetje moeten we eerst even ruim baan geven aan een vriendelijk groetende hooischudder.
Als we ons af en toe omdraaien zien we de kerk van Workum nog lang hoog, maar vooral ook breed boven het landschap uittorenen. Het zal niet eens zo heel veel afwijken van het beeld dat de kerkganger van weleer gezien heeft. Een toren als een deftige tante met een strenge, hooggesloten jurk aan en een mal hoedje op. Een bazige tante, die met haar klokken bepaalde wanneer je ter kerke moest, wanneer het sluitingstijd was voor het café en wanneer je alleen nog met een lamp naar buiten mocht. Maar ook een zorgzame tante, die je waarschuwde voor brand en dijkdoorbraak.
Op de zeedijk richting Ferwoude maakt het kerkepad plaats voor een niet veel breder schapenpaadje, waarop we met kalme belangstelling worden gadegeslagen door schapen wit en zwart, met hun lammeren. Lopend over de dijk hebben we ruim zicht over het uitgestrekte Friese land. Oneindige weilanden, matgroen en geurig van het gemaaide gras, velden rood van zuring, geel van boterbloem en koolzaad, paars en lila van weer andere bloemen, waarvan het niet uitmaakt dat wij de namen niet kennen. De knotwilgen langs de weg schieten ook alweer aardig in het leven.
Hier en daar een statige boerderij, dichtbij of in de licht heiige verte, met oranje dakpannen, zonnepanelen soms, het erf omringd door een jas van bomen.  Aan de andere kant gloort het IJsselmeer. We zien piepkleine zeilbootjes langs de horizon glijden.
Overal zijn vogels in de weer, grutto’s, scholeksters, kieviten.. tureluurs misschien wel.. weten wij veel. Onder iedere dakpan lijkt een spreeuwennest te zitten, goedgevuld met veeleisend grut. Vaders en moeders spreeuw vliegen puffend af en aan. We horen sloten vol kwakende kikkers, we zien de pinken in de wei, insecten en vlinders darren door de lucht.. en alles roept ons toe: het is begonnen! Het is eindelijk begonnen!

Ferwoude is een klein dorpje. Omgeven door een grazig veldje vol grafstenen staat een pittoresk, vers geelgeverfd kerkje uit 1767, gebouwd onder opsigt van de kerkvoogden Pier Binkes en Claas Luwes. Op internet lezen we later dat het kerkje dat hier eerder stond in 1762 werd afgebroken, om de tufsteen waar het mee gebouwd was aan de cementfabriek in Makkum te verkopen. Of Claas en Pier daar beter van zijn geworden, vermeldt de geschiedenis niet, maar het laat zich denken.
Op de basisschool zijn maar liefst twee kinderen geboren. Van de juffen, nemen wij aan. Waarmee de toekomst van de school lijkt veilig gesteld, al vragen wij ons af, wie er nog voor de klas zal staan. Er staan lieve huisjes met tuintjes, in Ferwâlde. Plus een wat nors ogend buurthuis en de timmerwerkplaats van Anne Rinkes Feenstra, die we juist op de fiets zien springen, met de duimstok in de buuze. De buurvrouw vertrekt even later, met een forse printer losjes achterop de bagagedrager. Of dat wel gaat, vragen wij bezorgd, maar we worden niet begrepen.
Veel meer heeft het dorpsleven niet te bieden vandaag. We zitten op een bankje onder een frisgroene es en zien het allemaal gebeuren. Aan een man die zijn kinderen in de auto laadt, vragen we hoe we Ferwâlde uit moeten spreken, als we het goed willen doen. Vooral de â stelt ons voor problemen, dat spreekt. Die wordt een beetje langer dan een a, legt de man ons uit, maar wordt toch net geen aa.
Richting Allingawier gaat het dan. Langs de weg staat als vanouds van alles en nog wat te koop. Eerder passeerden we al een jamfiets en diverse scharreleieren, hier staan een soort manden te koop waarvan we het nut niet één twee drie kunnen raden. De heer des huizes, die ons toevallig net achterop fietst, zo te zien net terug van de bakker, vertelt dat het eendenkorven zijn. Wie er één koopt krijgt een mooie verse groene, roept hij ons nog na vanaf het tuinpad, op weg naar de middagboterham. Inderdaad zagen we er al één in de sloot staan, bedenken wij. Maar hier hangen er ook twee in de boom. De hongerige heer des huizes kunnen we het niet meer vragen, die is al naar binnen. Blijkbaar nestelen eenden ook in de boom, nemen we dan maar aan. Al vragen we ons wel af hoe de pulletjes, die mijn wandelgenoot overigens pijltjes noemt, zo’n hooggelegen nest ooit veilig moeten verlaten.

In Allingawier woont bijna niemand. Het is een museumdorp. Als erin wilt, moet je betalen, al geldt dat hopelijk niet voor de enkeling die er nog wel woont. De route van het Nederlands Kustpad loopt precies langs de kassa. Wandelaars hoeven weliswaar geen entree te betalen, maar mogen dan ook niet het bruggetje over dat toegang biedt aan het dorp. Aan de overkant van het slootje wordt echter koffie verkocht. En drabbelkoek. Maar al hadden wij onze zinnen daar al een tijdje met enig bravoure op gezet, nu puntje bij paaltje komt durven we niet zomaar burgerlijk ongehoorzaam tóch over de brug. Er is helemaal niemand in het museum en de kassa is vijf meter van het bruggetje. We voelen de ogen priemen. We besluiten het dus maar netjes te vragen. En dat loont. Als we belóven níet het museum in te gaan, mogen we een kopje koffie drinken. Opgelucht beloven we het. De drabbelkoek, zo blijkt, wordt ter plekke gemaakt, en is niets minder dan een belevenis.
Langs het Van Panhuyskanaal  tenslotte lopen we richting Makkum. Een rijtje schuiten met zwaarden kondigt de havenstad aan. Makkum ziet eruit als een vriendelijk stadje met veel water. Leuke kleine huisjes die een zekere rijkdom verraden, fijn geornamenteerd en goed onderhouden. Maar hoog overschaduwd door een enorme loods van golfplaat die het historisch straatbeeld kaarsrecht en zonder enig gevoel voor verhoudingen afvlakt, dichtplamuurt. De Vries Makkum, staat er met brutaal grote letters op te lezen. Een scheepswerf, zoals blijkt. Als we er op een terras vlak naast zitten, zien we er met enig gedoe een wanstaltig jacht in verdwijnen. Een wit glimmend oorlogsschip, met een flinke batterij radar-achtige bollen bovenin. Zelfs het jacht steekt boven de huizen uit. Het beroemde Makkummer aardewerk, waar we nota bene nog even naar op zoek zijn, krijgen we nergens te zien.

Van de bitch van Stavoren, Hindeloopen tot Workum

Stavoren – Workum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 14 februari 2015

We waren er al eens eerder, in Stavoren. Een aantal jaar geleden. Toen kwamen we uit Enkhuizen gelopen, en namen hier de boot weer terug, om de cirkel van het Zuiderzeepad te sluiten. Vandaag is Stavoren een startpunt. Een soort van nieuw begin. We openen er het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad, door Friesland en Groningen. Langs IJsselmeer en Waddenzee gaat het nu richting Duitsland. Het Hollands gedeelte, van Hoek van Holland naar Den Oever, zit erop.
In de haven maken we als eerste kennis met het Vrouwtje van Stavoren. De vorige keer was zij ons ontgaan, maar daar staat ze hoor: gegoten in brons, met de hand boven de ogen uitkijkend over de Zuiderzee. Toen nog. Wij menen dat ze dus wel iets heldhaftigs verricht zal hebben, gelijk Kenau Simonsdochter Hasselaer, die in haar dooie eentje Haarlem voor de Spanjaard behoedde, of zoiets, en vinden de aanduiding ‘vrouwtje’ ook dáárom niet zo passend.  Al is het zeker geen gróót beeld.
Het bijbehorend tekstbord helpt ons echter uit de droom. Niks heldhaftigs aan, aan dit vrouwtje. Een eigenwijs, inhalig en egoïstisch kreng was het. Waarvoor ‘vrouwtje’ nog veel te lief is, als aanduiding. Een hoogmoedige koopmansvrouw is hier vereeuwigd. Wat je nu een ondernemer zou noemen. Een bankier, een grote graaier. Stinkend rijk, de rijkste van de stad, maar nog altijd niet tevreden. De VVD bestond nog niet, maar anders was het Vrouwtje van Stavoren er wethouder voor geweest. Of senator, of iets anders lucratiefs.
Opvallend trouwens ook dat het hier, rond 1800, een vrouw betreft. Die blijkbaar tóen al door het glazen plafond was gebroken en eenmaal aan de top dus precies het gedrag bleek te vertonen dat nu pas, ruim tweehonderd jaar later, vooral mannen wordt kwalijk genomen. Misschien dat de wereld er met vrouwen aan de macht toch niet echt heel anders uit zou zien. Misschien is het wel helemaal niet zo simpel.



Maar goed, het Vrouwtje van Stavoren.
Zij stuurde één van haar schippers eropuit, om het beste en het kostbaarste dat de wereld te bieden had voor haar te halen. Met minder nam ze geen genoegen. Toen de schipper, na vele omzwervingen en ampele overwegingen, terugkeerde met een boot vol graan, was zij zó beledigd dat zij opdracht gaf het hele spul in zee te kiepen. Terwijl de bevolking honger leed, nota bene. De bitch van Stavoren. Om geen Hollandser termen te gebruiken.
Een oud en wijs man – sorry dames, maar zó gaat het verhaal – probeerde haar nog op andere gedachten te brengen door haar te voorspellen dat zij, eenmaal zelf aan de bedelstaf geraakt, zou inzien dat graan toch echt kostbaarder was dan goud. Maar dáár had het Vrouwtje helemáál geen boodschap aan. Als ultiem decadent antwoord gooide zij lachend haar gouden ring in zee, honend dat de kans dat zíj aan de bedelstaf zou geraken even groot was als de kans dat zij haar gouden ring óóit terug zou krijgen. Fuck you, wijze oude man, opzij!
Of statistiek al was uitgevonden weten wij niet, maar objectief gezien had ze een punt, aangezien ze volgens de verhalen eigenaar was van zo’n beetje alles wat kon varen, woonde in een huis met gouden vloeren en zilveren muren en het al met al dus zo’n beetje voor het zeggen had, in Stavoren en omstreken. Dat kin wat lijen, zou je zeggen.
Toch liep het verkeerd af, want Calvijn was natuurlijk al wel al lang en breed uitgevonden.
Slechts een paar dagen later kocht de keukenmeid van het Vrouwtje een schelvis op de markt, voor het diner – een krepserig armeluismaaltje ook nog – en ja hoor, verdomd als het niet waar is, in de maag van dat beest werd haar gouden ring teruggevonden. De kansen van het vrouwtje keerden onmiddellijk. Al haar schepen vergingen op zee, op de plek waar het graan overboord werd gekiept ontstond een zandbank en de haven van Stavoren slibde dicht. Het vrouwtje ging failliet en raakte aan de bedelstaf, precies zoals de wijze oude man had voorspeld.
We moeten, begrijpen wij nu, het beeld eerder zien als een waarschuwing. Een wijze les. Hoed u voor bankiers en ondernemers. Zij hebben slechts zelden het beste met u voor. Waarvan akte.

Nee, dan het Vrouwtje van Stavoren dat we verderop op de grasdijk tegenkomen. Een struis type is het, met grijze haren in de wind, stevige schoenen en een camelkleurige bodywarmer met heel veel zakken en vakken. Ook zij kijkt uit over wat eens de Zuiderzee was. Niet met haar hand boven haar ogen maar door een al even struise verrekijker. Wind en waterdicht in legergroen rubber verpakt, rotsvast verankerd op een statief.
Of er nog wat leuks te zien is, vragen wij, en gaandeweg wil de vrouw ons wel vertellen wat zij aan het doen is: ganzen tellen. Als vrijwilliger voor de Sovon, een officiële vogelinstantie.
Kijk, zo kan het dus ook, Vrouwtje van Stavoren, denken wij. Vrijwillig ganzen tellen, in plaats van met een ontevreden smoel op je florijnen zitten.
Maar het roept ook de nodige vragen op. Lopend over de dijk hebben wij vanochtend bijvoorbeeld al zóveel ganzen gezien dat het toch onbegonnen werk lijkt dat allemaal te tellen? En bovendien, vragen wij ons af, hoe weet je nou welke je al gehad hebt? Ze vliegen immers met wolken tegelijk van links naar rechts of weer terug over de dijk?
Als rechtgeaarde Friezin staat de vrouw daar met een geamuseerde glimlach nuchter tegenover. Ze telt een bepaald gebied op één dag. En dat daar doublures in zitten, ja.. nou.. dat wordt vast wel meegenomen in de rekenmethode. Dus..
En volgens haar gaat het de laatste tijd de goede kant op met de ganzenstand. Of dat meer of juist minder ganzen betekent, zijn wij benieuwd, omdat ze nou niet altijd even geliefd zijn, menen wij te weten. Maar dat ligt volgens de ganzentelster dan maar weer net aan met wie je praat. En over welke ganzen. Of je het over overwinteraars hebt,  of over overzomeraars. Boeren hebben alleen een hekel aan die laatsten. Want díe vreten de boel op. En ja, dan schijnt er inderdaad het plan te zijn om stelletjes waarvan vermoed wordt dat ze zich voort willen planten, af te schieten. En de tellingen van de Sovon zullen ongetwijfeld gebruikt worden in het meten van het resultaat van allerlei maatregelen. Maar ja.. daar weet zij verder niks van. Zij telt alleen.
Onderweg naar Hindeloopen komen we langs een wit gebouw dat enige historie verraadt. We vermoeden iets notabels. Later op internet lijkt het om het waterschapsgebouw Schuilenburg te gaan, nu in gebruik als conferentie-oord. Verderop nog zo’n ontmoeting, met een iets dichterbij verleden. Het strandpaviljoen Hindeloopen, dat onder de geknakte kerktoren van het stadje vrijwel bewusteloos tegen de dijk ligt te verloederen. Het Kurhaus van Friesland, schijnt dit te zijn geweest, in de hoogtijdagen. Als Hagenees ga ik daar verder niet op in, maar zonde is het wel natuurlijk. Er schijnen plannen te zijn het gebouw in ere te herstellen. Het zou het waard zijn, denken wij, maar ja.. wie zal dat betalen? Een ondernemer, hoogstwaarschijnlijk. En wij denken nog even aan  Scheveningen.
Hindeloopen zelf is een schattig historisch dorpje, met kleine huisjes en straatjes, steegjes en glopjes. Overtuintjes en zwartgeteerde schuren. Zwijgzaam vissende mannen met praktische schorten voor. Een houten kippenbruggetje over het water, waar in barre dus betere tijden de Elfstedentocht nog wel eens onderdoor kwam.

Verder gaat het, naar Workum, nog altijd over de kruin van de dijk. We passeren een derde wit, historisch gebouwtje. Een voormalige vuurtoren deze keer. Een enigszins afgebladderd geheel met een opengeknipte gashaard als lichtbaken op het dak. Het is, zie ik, precies de rode kachel die ik honderd jaar geleden in mijn Haagse jongenskamer had staan. Maar dan niet opengeknipt natuurlijk. Wanneer hij warm werd, kleurde hij vanuit het midden langzaam paars. Het waren de jaren zeventig. Op de vuurtoren is het geen origineel detail uiteraard, ondanks de poging origineel te zijn. Het baken is er in 2004 neergezet, als verrassing voor de deelnemers van de jaarlijkse strontrace. Nog zo’n staaltje onvervalste Fryske cultuur. Of W.A. van Buuren eraan meedeed, vermeldt de geschiedenis niet.
We mogen niet over het erf van de vuurtoren en moeten onderlangs de dijk verder, waardoor we goed zicht hebben op het metersbrede spandoek aan de omheining van het perceel, dat roept dat men hier geen windmolens in het IJsselmeer wil. Tja. Wij begrijpen dat. Wij willen ook geen windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in zijn achtertuin. Iedereen wil stroom, en hoe groener hoe beter, maar niemand wil windmolens in zijn blikveld. Of hoogspanningsmasten. Of trafostations. Gelukkig hoeven wij dat niet allemaal op te lossen.
Workum, besluiten we wanneer we het binnenlopen, bewaren we voor de volgende keer. Dat het de moeite waard is, zien we wel, maar we hebben trek in bier. Het Jopie Huisman Museum, leren we aan de leestafel alvast, is met vijftigduizend bezoekers het drukstbezochte museum van Workum.

Een rondje om de kerk

Hippolytushoef – Den Oever, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 16 januari 2015.

We maken ons op voor de laatste Noordhollandse etappe van het kustpad, vanochtend. Dertien, veertien maanden geleden startten we in Hoek van Holland, de rand van het land, en nu rest ons nog een staartje Wieringen. Tja. En omdat Wieringen ons goed beviel, de vorige keer, en ons bovendien nou ook weer niet zo’n heel gróót staartje rest, zullen we de dag volmaken, en vervolmaken, met nog een extra rondje over het vergeten waddeneiland. Zo staat het in het boekje, en zo is het plan. We hebben ons fantastisch wandelweer in het vooruitzicht laten stellen, op internet, dus dat komt misschien ook nog wel goed, in de loop van de wandeling.
We beginnen in Hippolytushoef. Vroeger ook wel Klein Parijs genoemd, vanwege de ooit enorme hoeveelheden café’s rond het dorpsplein. Lezen wij ook maar ergens op het web hoor. Maar wat een flauwekul is dat toch altijd, dat gekoketteer met buitenlandse namen. Nederland is een prachtig land, ontdekken wij al wandelend telkens opnieuw, en zonder in nationalistische toestanden te vervallen kunnen we dat heel best op haar eigen merites waarderen. Niemand heeft het ooit over het Giethoorn van het zuiden, en denk maar niet dat Parijs in Frankrijk, of waar dan ook, ooit Groot Hippolytushoef is genoemd.
Maar goed.

Hippolytushoef dus. Of Hippo, zoals het hier heet. We doen een rondje om de kerk, de Hippolytuskerk. Niet bepaald de Nôtre Dame. Integendeel eerder. De gemetselde spits geeft de kerk een bepaalde eenvoud. Een typisch Hollands doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Een soort zelfverzekerde bescheidenheid ook. Ze heeft het nodige meegemaakt, de kerk, zoals dat gaat, en het is haar aan te zien. Maar het is allemaal lang genoeg geleden om het nu charmant te kunnen vinden.
De basis van de toren stamt uit de twaalfde eeuw, leve Wikipedia. Negenhonderd jaar oud, dames en heren. In de vijftiende eeuw is de toren verhoogd en in de zeventiende eeuw is het verwoeste schip herbouwd. Van de daarbij behorende ramen zijn er vandaag nog maar een paar over.
Ondanks de bescheidenheid torent ze toch ook wel behoorlijk boven haar pleintje uit. Mede dankzij de terp natuurlijk, waarop ze destijds ook wel niet voor niets zal zijn gebouwd. De zee is nog steeds niet ver weg, maar was in die dagen helemaal alomtegenwoordig. En almachtig. Sterker nog, nader onderzoek leert ons dat juist in diezelfde twaalfde eeuw een aantal woeste stormen korte metten maakte met de kust zoals die er toen uitzag, een gat sloeg bij het Marsdiep, waardoor de zee vrij spel kreeg en Wieringen een eiland werd. Wat het eerder dus niet was. Zo leer je nog eens wat. En kijk je toch ook weer een beetje anders tegen zo´n kerktoren aan. Die heeft dat niet alleen meegemaakt, die heeft dat aan zien komen.
Rondom de kerk ligt, in het hart van het stadje, het kerkhof. Een uitgebreide verzameling scheefgezakte, met vele kleuren mos begroeide en veelal moeilijk leesbare zerken, waartussen de boomwortels al jarenlang hun gang zijn gegaan. Hier en daar staat nog een grafhek ook, maar het ziet er niet naar uit dat de doden die hier liggen nog regelmatig bezocht of beweend worden.
Verderop in de ochtend, even buiten Stroe, komen we langs nog een kerkhof. Een wit hek wrijft ons hier lelijk in dat we stof zijn, en tot stof zullen wederkeren. Als we het kerkhof betreden, vliegt er achter ons met veel kabaal een grote groep ganzen op. De begraafplaats zelf ligt er vriendelijk bij, in een voorzichtig zonnetje, in alle rust tussen de weilanden. Ook nu weer op een terp. Om de doden voor de zee te behoeden, nemen we aan. Bij veel van de graven zou het de tweede keer zijn dat de zee toesloeg. Vissersmannen liggen er. Jonge kerels vaak nog. En het zijn niet alleen oude en vergeten graven hier, ook glanzend nieuwe stenen. In het Westfries laat iemand in vers uitgehakte letters weten het maar niks te vinden, om hier zo te liggen. Zelfs in zijn kist nog de leukste thuis, denken wij. Verderop liggen twee broers naast elkaar. Ze zijn beiden al jaren dood. Jong, maar niet tegelijk gestorven. Het zouden vandaag onze leeftijdgenoten geweest zijn. Het lelijke hek heeft wel een beetje gelijk, misschien.
Oosterland, met ook een gemetselde spits op de toren, passeren we op enige afstand, langs de Waddenzee. De asfaltdijk waarover we lopen, doet enigszins denken aan de Hondsbossche Zeewering, die inmiddels bijna geheel onder het zand is verdwenen, als gevolg van de nieuwste inzichten over de strijd tegen de zee.  Bij Vatrop staat nog een restant van de betonnen zeewering waar men het hier in het verleden van moest hebben. Een muurtje van nauwelijks een meter hoog, overeind gehouden door weinig indrukwekkende staanders. Lucifershoutjes van beton. Als de zee eraan terugdenkt, lacht zij zich rot. Als wij het ons proberen voor te stellen, huiveren we met terugwerkende kracht.
In de heiige verte zien we Den Helder liggen, en Texel, verderop. Daar tussenin zien we zelfs de veerboot varen. We zien ook een onheilspellende lucht aan komen drijven. Als we de haven van Den Oever binnenlopen, om een visje te eten, is de lucht al behoorlijk betrokken. Vol vertrouwen echter beginnen wij aan ons extra rondje. Zodra we de dijk oplopen, en buiten bereik van schuilplekken zijn, begint het gestaag te regenen. Het zal niet meer ophouden en ons extra rondje laten we er dan toch maar bij inschieten. Het is flauw om al teveel over het weer te praten, bij dit soort verhalen, ieder weer is wandelweer tenslotte, maar als we eenmaal weer thuis, op een half uurtje rijden, te horen krijgen dat het de hele dag zulk heerlijk, zonnig weer is geweest, vragen wij ons toch wel een klein beetje af waar dát nou voor nodig was.

Een eiland aan de vaste wal

Oudesluis – Hippolytushoef, een etappe van het Nederlands Kustpad,  gelopen op vrijdag 31 oktober 2014

Parkeren is niet mijn sterkste kant, met mijn nog prille rijbewijs. Daarom heb ik het dus ook eigenlijk nog niet echt gedaan, bij aankomst in Hippolytushoef, het eindpunt van vandaag. Alleen maar even van hoppetee een vak in, voor zolang, of eigenlijk bijna twee, om te bellen naar mijn wandelgenoot, waar ze is. En dan snel weer weg want ze zijn hier een markt aan het opbouwen en dat wordt me straks veel te ingewikkeld. Maar voor ik het allemaal goed en wel voor elkaar heb, staat er een vrachtwagentje met marktkramen stijf achter me, om me op te sluiten in mijn vak. Scheef geparkeerd en al. Vandaar dat we met de auto van mijn wandelgenoot naar het beginpunt in Oudesluis rijden. Dan zien we vanavond wel verder. Die markt zal na tweeën wel weer opgeruimd worden, stel ik mijzelf gerust.
In Oudesluis zijn alle deuren en ramen gesloten, het is hier blijkbaar nog te vroeg, in elk geval voor koffie. We zullen zonder op pad moeten, dus daar gaan we. Over de Kneeskade langs de Boezem van de Zijpe richting Anna Paulowna. Aan de topografische namen ligt het weer niet in elk geval. En aan het weer al helemaal niet: het is de laatste dag van oktober vandaag, morgen is het november, stel je voor.. theoretisch zou het grijs en guur moeten zijn, maar wij lopen zonder jas in korte mouwen met onze bol in de zon. Precies wat we nodig hebben, dat wel.

Dat het natuurlijk toch gewoon herfst is, wordt verraden door de gele en zelfs al kale bomen, strak in het gelid langs de polderweg, het geel en bruin geworden ruisend riet in de vaart en de afgejakkerde akkers van zwart glimmende klei. Een Beet-eater – een torenhoge, rode geweldenaar met handenvol manshoge banden en een agressief ogende constructie van tandwielen, schoepen, messen en bladen voorop – draait vlak voor ons de weg op, razend en blazend, de kooi bovenop voor de helft gevuld met nog de laatste bieten. Het is een scherpe bocht en een smalle weg en het past ook eigenlijk niet, maar het lukt natuurlijk toch. Met zo’n gevaarte lukt alles. Wij staan erbij en kijken ernaar. En lopen daarna voorlopig nog in de modder, die uit de kniediepe profielen van al die banden stort.
De Boezem van de Zijpe, aan onze linkerhand, is het enige water in deze omgeving dat niet langs een liniaal in de verte verdwijnt, maar dat meanderend zijn eigen gang lijkt te gaan om, van ons en Oudesluis uit gezien, langzaam te verbreden en uiteindelijk terecht te komen in het Amstelmeer. Ik durf hier niet te beweren dat het zo is, maar misschien is het een in het verleden door stroming en woelige baren gevormde geul, bij de inpoldering gedoogd, gespaard gebleven, ingelijfd, om in te zetten bij het ontwateren van het gebied. Het enig overblijfsel nog van de hier ooit allesbepalende zee.

Met de blik op oneindig, of we willen of niet, steken we langs een lange, lange, lange en kaaaarsrechte weg de lege Anna Paulowna Polder door en staan dan met toch iets van zeewind in de haren op de grasdijk rond het Amstelmeer. Aan de overkant van het water ligt Wieringen, het vergeten Waddeneiland, zoals het zichzelf noemt. Al is het natuurlijk al geen eiland meer sinds de inpoldering van de Wieringermeer, in de dertiger jaren van de vorige eeuw. En dat is ook alweer bijna honderd jaar terug. Het schijnt ook niet altijd een eiland geweest te zijn trouwens. Ooit lag het gewoon vast aan de hoogveengebieden, tot een flinke storm daar in 1200 een einde aan maakte. Maar, vanaf hier, met aan alle kanten water in het blikveld, als we de Amsteldiepdijk verderop even negeren, ziet het er inderdaad uit als een eiland, aan de einder. En ook als we een flinke wandeling later De Haukes binnenlopen, de vergeten haven, is het goed te zien. Het landschap onderscheidt zich duidelijk van wat we verder gezien hebben, deze dag. Licht glooiend, organisch en kleinschalig verkaveld, met bochtige weggetjes, rommelige erfjes, tuunwallen en op een kluitje bij elkaar gekropen en geveegde boetjes, bouwsels en buurtschappen. Het waddeneilandgevoel is onmiskenbaar.
Café de Postboot, gezien de naam ook vroeger al de eerste kennismaking met Wieringen, sluit daar aardig bij aan. De zaak ligt er wat in zichzelf gekeerd en donkertjes gesloten bij, maar de deur gaat na enig aandringen toch gewoon open en we stappen een andere wereld en tijd binnen. Het is moeilijk te zeggen welke precies, maar het ís al een tijdje geleden en sindsdien is hier niet veel veranderd. Voor ons hoeft dat ook niet, laat dat duidelijk zijn. Liever niet zelfs. Volledig doorgestylede maar kleurloze grand café’s met zonder bediening zijn er al genoeg. Gelegenheden als De Postboot kleuren je dag.
Onze komst wordt gemeld door een klein, vaalwit hondje dat het op een gemeen keffen zet. Boven ons hoofd horen we het houten plafond stommelen en klinken voetstappen, die we op veilige afstand van het hondje volgen tot aan de trap in de andere hoek, waar even later de gastvrouw haar intrede doet. Ze maant het beest kort tot stilte en ontvangt ons dan met laconieke vanzelfsprekendheid. Terwijl wij ons aan de leestafel met plaatselijk nieuws voorzichtig afvragen of we wel genoeg contant geld bij ons hebben, omdat het wel duidelijk is dat er in deze tijdzone niet kan worden gepind, leest de vrouw aan de bar haar krant en maakt een praatje met een groezelige man die een pakje zware shag komt kopen. Het vaalwitte hondje neukt ondertussen gedurig, met vreugdeloze volharding een al even vaalwitte knuffelolifant, die zich het leven als knuffel ook anders moet hebben voorgesteld.
Als we weer op pad gaan, raadt de vrouw ons aan straks in Hippo vooral naar de Halloweenmarkt te gaan. Omdat dat zo leuk is. Ik trek daaruit de conclusie dat ik mijn auto straks zonder kleerscheuren tussen de volgepakte marktkramen en het drentelend publiek uit zal moeten manoeuvreren. Over griezelen gesproken. Ik probeer er de rest van de wandeling maar niet al te erg tegenop te zien. Dat zou zonde van Wieringen zijn.

Schipper, mag ik overvaren?

Graft – Zaanse Schans, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op zondag 26 oktober 2014

Ja, waar sláát dat nou op? Het is de schipper aan het woord, van het pontveer Jan Hop te Spijkerboor. Hij heeft net ongelovig mijn wat gênante bekentenis aangehoord, namelijk dat ik niet meer contant geld in mijn portemonnee heb dan de twintig cent waarmee ik vanochtend van huis ben gegaan. De motor van de pont had hij al gestart toen ik aan kwam lopen, maar ik durf niet zonder meer aan boord te stappen.
Wie gaat er nou zonder geld van huis? Vraagt hij zich vervolgens oprecht verontwaardigd af, zijn ogen ten hemel opslaand. Zelf vind ik het ook opeens wel wat onbenullig. Twintig cent, verdorie, wat ben ik ook een knurft. Als het nou nog een euro geweest was. Maar ja, gut.. we leven in de moderne tijd, contant geld wordt nauwelijks nog ergens op prijs gesteld. Klein bedrag, pinnen mag, is het motto van de winkelier zelfs al geworden, en in het openbaar vervoer is het gewoon verplicht inchecken geblazen. Er gaan weken voorbij dat ik het prima red, zonder contant geld. Ik zou er bij wijze van spreken wel een weddenschap op af durven sluiten dat je zonder contant geld de wereld rond kunt reizen, al of niet in tachtig dagen. Zolang je Spijkerboor een beetje mijdt, uiteraard.
Een flink eind voorbij De Rijp was het me pas te binnen geschoten, dat de moderne tijd op een pontje natuurlijk niet zo’n vat heeft. Dat dat uiteindelijk ook de charme is, van pontjes, nietwaar? En dat ik dus, even kijken.. zestig cent te kort ging komen, voor de overtocht. Tegen beter weten in had ik daarna bij Fort Spijkerboor nog geprobeerd aan contanten te komen, maar uiteraard zou een pinapparaat dáár helemaal een anachronisme geweest zijn. De kans om nog met guldens te kunnen betalen was er waarschijnlijk groter geweest. Het voorgenomen bezoek aan het fort komt daarmee trouwens wel te vervallen, wegens gebrek aan contanten.
En nu sta ik dus, aan de oever van een machtige rivier, en heb geen cent om te schipper te betalen. Mag ik overvaren ja of nee? Ik durf er niet op te rekenen. Maar met een barse hoofdbeweging laat de veerman me weten dat hij me heus niet zal laten staan. Zwijgend en er het zijne van denkend zet hij me over. Ik sta schuldbewust aan de reling op de reddende overkant te wachten. Toch is zijn wrevel onderweg, zo kort als de overtocht is, blijkbaar verwaterd, want als ik aan de overkant hardop bedenk dat ik bij het daar gelegen café misschien een euro extra kan pinnen bij een kopje koffie, wuift hij het idee met een breed gebaar uit de lucht. Het komt de volgende keer wel, besluit hij, en wil er niks meer over horen. Opnieuw vervuld van vertrouwen in de uiteindelijke goedheid van de mens vervolg ik mijn weg, langs de Knollendammervaart, richting Oostknollendam en Wormer.

TVP graft schans 074

Op de Oudelandsdijk heb ik al snel twee dames in mijn kielzog. Dames met wapperende sjaaltjes, flodderige, ooit felgekleurde jasjes en blommige rokjes over verschoten broeken. Hippiemeisjes van vijftig. Medewandelaars, die ook wel van de pont zullen komen en hoogstwaarschijnlijk dezelfde route lopen. Ik heb niks tegen medewandelaars, herhaal ik nog maar eens. Wandelaars, dat is goed volk. Maar ze moeten niet een hele wandeling in mijn nek lopen hijgen, en ze moeten ook niet een hele dag hinderlijk in mijn blikveld blijven hangen. Nee zeg, het is de avondvierdaagse niet, dáár heb ik geen zin in. Normaalgesproken kost het trouwens weinig moeite weer van elkaar af te komen. Een korte stop volstaat, over het algemeen. Medewandelaars hebben zelf namelijk ook geen zin in medewandelaars en zetten er even flink de pas in, om een voorsprong op te bouwen, zodat daarna iedereen weer de prettige illusie kan hebben dat hij alleen op pad is. Maar deze dames vallen buiten het systeem. Wat ik ook stop, versnel of vertraag onderweg, ik blijf ze de rest van de dag tegenkomen. Het lijkt wel of ze het erom doen, hoewel ze mijn consequent groeten maar nauwelijks, of liever nog helemaal niet beantwoorden. Alsof ík de stalker ben. Als ik bij Wormer rechtsaf sla om de alternatieve route via Zaanse Schans te lopen, heb ik de hoop al opgegeven, en inderdaad slaan de dames daar vijf minuten later óók rechtsaf.

TVP graft schans 093

Lopend door dit gebied heb ik gedurig het idee dat ik zo’n beetje ín het water loop. Dat idee klopt ook wel natuurlijk want het is hier alles droogmakerij en polder wat je ziet. Een uitgestrekte lappendeken van drooggemalen en ingepolderde meren, waarin het water toch nog altijd alomtegenwoordig is. Rechts van mij de Knollendammervaart, waarin het zelfs letterlijk boven mij uittorent: als ik de dijk beklim zie ik dat het water zo goed als tot de kruin staat, de weg waarop ik loop ligt toch zeker twee meter lager. Maar ook links, in het Wormer- en Jisperveld glinstert het zó hoog in de brede sloten dat de weilanden en de weg het hoofd maar net boven water lijken te kunnen houden. Het water mag overwonnen zijn, en ingedamd, het is ons niet vergeten. Het wacht op een kans. Op een moment van onoplettendheid.
Na Oostknollendam loop ik verder langs de Zaan, met aan de overkant het industrieel uitzicht dat zich al vanaf Spijkerboor aan de horizon aandiende. Een wirwar van oudhollandse molens, moderne Europese subsidie windmolens, hoogspanningsmasten, rokende fabrieksschoorstenen, silo’s en grote, lelijke gebouwen en loodsen. Je zou het mistroostig kunnen noemen, zeker op een grijze dag als deze, maar ik vind het wel wat hebben. Het is mooi van lelijkheid, inderdaad, net wat u zegt. En dat aan mijn kant van de Zaan de weg is opgebroken, en gedeeltelijk vervangen door roestige stalen rijplaten, is alleen maar sfeerverhogend, wat mij betreft. Zelfs de onafgebroken stoet vliegtuigen waarmee het groothertogdom Schiphol zijn immer groeiende nabijheid verraadt, past hier in het plaatje.

TVP graft schans 176

Wat het vooral charmant maakt, denk ik, is de 19e eeuw die hier en daar de kop nog opsteekt, tussen het modernere geweld van golfplaat, beton en blinkende kilometers pijpleiding. Een bakstenen torentje met kantelen, dat tevoorschijn piept op kniehoogte van een enorm en grijs complex. Een vriendelijk bruinrood geveltje met wat sober decoratief metselwerk onder het puntdak, te midden van puur functioneel rechttoe rechtaan de hoogte in. Met als onbetwist hoogtepunt: Zeepziederij De Adelaar. Een klassiek fabrieksgebouw, een vierkant fort van rood baksteen met drie verdiepingen, een raster van ramen in iedere muur, laaddeuren rechts van het midden en op de linkerhoek een soort watertoren met een metershoge, gietijzeren adelaar op het zinken puntdak, de vleugels heerszuchtig uitgespreid. Ooit zal dit een enorm gebouw geweest zijn, een imposant toonbeeld van welvaart en rijkdom dat almachtig boven zijn platte omgeving uittorende. Nu staat het er bijna bedremmeld bij, als een oude man, minzaam gedoogd tussen veel jongere silo’s en loodsen en hallen, die allemaal stukken groter zijn, maar plompverloren neergezet met nog niet een honderdste van de liefde en de aandacht waarmee De Adelaar zelf werd gebouwd.
Als de geur van linoleum langzaam plaatsmaakt voor die van cacao, nader ik Zaanse Schans. Een openluchtmuseum. Een stukje Holland dat eigenlijk niet meer bestaat, zoals aan de overkant van het water ook duidelijk te zien is. Een handvol molens op een rij, een dorp van houten huizen, glimmend onderhouden en opgetuigd alsof de tijd heeft stilgestaan sinds de 18e eeuw. Een nepdorp, feitelijk. Ik begrijp dat hier ook gewoon mensen wonen, maar het lijkt me een vreselijk lot want zelfs nu, eind oktober, krioelt het nog van de toeristen. Er rijdt verdorie zelfs een riksha heen en weer. Ik hoor Spaans, Italiaans, Japans, Engels, Hindi, Zweeds, Duits, Frans, Oosteuropees.. alle talen van de regenboog. Mensen sjokken verveeld achter elkaar aan, huisje in huisje uit, van molen naar molen, alsof ze zelf ook niet precies weten waarom ze hier zijn. Alsof ze het zich toch anders hadden voorgesteld misschien, Holland. Een verliefd stelletje laat zich in een vreemde taal fotograferen, door een andere toerist, met een windmill op de achtergrond. Drie meisjes zijn een half uur in de weer om foto’s van elkaar te maken terwijl ze een koket sprongetje maken op één van de smalle bruggetjes. Een kennelijke bewoner met een hond wringt zich er moeizaam langs. Een Nederlander leidt zijn Engelse gasten in Dunglish langs de molens en de houten schuren met de rieten daken op een toon alsof hij ze eigenhandig gebouwd heeft.

TVP graft schans 207

Ik zit het op een bankje allemaal eens te bekijken wanneer iemand mij vraagt of ik alstublieft tien minuten op zijn reclamebord zou willen letten. Het is de jongen van de riksha, zie ik. Hij heeft zijn bord al van het slot maar heeft nu toch nog weer twee klanten, voor een ritje naar het station. En geen zin het bord weer vast te maken. Blijkbaar is hij niet benauwd dat ík er nu met zijn bord vandoor ga. Ach, ik vind het wel best. Ik doe graag iemand een plezier, zeker wanneer het zo weinig moeite kost. Bovendien, zo weet ik tenminste zeker dat ik mijn dames niet ook nog in de trein terug naar huis tegenkom. Terwijl zijn klanten nog op zijn Japans het toeristenwinkeltje induiken, en de tien minuten al snel verdubbelen, maakt de jongen een praatje. Zo kom ik te weten dat de riksha elektrisch wordt aangedreven maar dat je na een dagje heen en weer fietsen evengoed behoorlijk afgemat bent, dat een ritje naar het station zeven euro vijftig kost en een complete rondrit vijftien, dat de jongen dit als vakantie- en weekendbaantje doet, dat hij het leuk werk vindt en dat hij cabaretier wil worden. Ik raad hem aan te beginnen met een programma over toeristen aan de Zaan.
Als de jongen na gedane zaken terugkeert en ik na nóg een praatje aankondig maar eens naar het station te gaan, oppert hij mij met de riksha te brengen. Ik vertel van mijn pijnlijke overtocht bij Spijkerboor, en bedank. Maar de jongen bedoelt een gratis ritje. En ik verlaat Zaanse Schans geheel in stijl. In toeristenstijl, maar ook in stijl van de dag. Want die weddenschap, dat zit wel goed. Met mensen als deze op mijn pad, moet ik die makkelijk kunnen winnen.