Van de bitch van Stavoren, Hindeloopen tot Workum

Stavoren – Workum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 14 februari 2015

We waren er al eens eerder, in Stavoren. Een aantal jaar geleden. Toen kwamen we uit Enkhuizen gelopen, en namen hier de boot weer terug, om de cirkel van het Zuiderzeepad te sluiten. Vandaag is Stavoren een startpunt. Een soort van nieuw begin. We openen er het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad, door Friesland en Groningen. Langs IJsselmeer en Waddenzee gaat het nu richting Duitsland. Het Hollands gedeelte, van Hoek van Holland naar Den Oever, zit erop.
In de haven maken we als eerste kennis met het Vrouwtje van Stavoren. De vorige keer was zij ons ontgaan, maar daar staat ze hoor: gegoten in brons, met de hand boven de ogen uitkijkend over de Zuiderzee. Toen nog. Wij menen dat ze dus wel iets heldhaftigs verricht zal hebben, gelijk Kenau Simonsdochter Hasselaer, die in haar dooie eentje Haarlem voor de Spanjaard behoedde, of zoiets, en vinden de aanduiding ‘vrouwtje’ ook dáárom niet zo passend.  Al is het zeker geen gróót beeld.
Het bijbehorend tekstbord helpt ons echter uit de droom. Niks heldhaftigs aan, aan dit vrouwtje. Een eigenwijs, inhalig en egoïstisch kreng was het. Waarvoor ‘vrouwtje’ nog veel te lief is, als aanduiding. Een hoogmoedige koopmansvrouw is hier vereeuwigd. Wat je nu een ondernemer zou noemen. Een bankier, een grote graaier. Stinkend rijk, de rijkste van de stad, maar nog altijd niet tevreden. De VVD bestond nog niet, maar anders was het Vrouwtje van Stavoren er wethouder voor geweest. Of senator, of iets anders lucratiefs.
Opvallend trouwens ook dat het hier, rond 1800, een vrouw betreft. Die blijkbaar tóen al door het glazen plafond was gebroken en eenmaal aan de top dus precies het gedrag bleek te vertonen dat nu pas, ruim tweehonderd jaar later, vooral mannen wordt kwalijk genomen. Misschien dat de wereld er met vrouwen aan de macht toch niet echt heel anders uit zou zien. Misschien is het wel helemaal niet zo simpel.



Maar goed, het Vrouwtje van Stavoren.
Zij stuurde één van haar schippers eropuit, om het beste en het kostbaarste dat de wereld te bieden had voor haar te halen. Met minder nam ze geen genoegen. Toen de schipper, na vele omzwervingen en ampele overwegingen, terugkeerde met een boot vol graan, was zij zó beledigd dat zij opdracht gaf het hele spul in zee te kiepen. Terwijl de bevolking honger leed, nota bene. De bitch van Stavoren. Om geen Hollandser termen te gebruiken.
Een oud en wijs man – sorry dames, maar zó gaat het verhaal – probeerde haar nog op andere gedachten te brengen door haar te voorspellen dat zij, eenmaal zelf aan de bedelstaf geraakt, zou inzien dat graan toch echt kostbaarder was dan goud. Maar dáár had het Vrouwtje helemáál geen boodschap aan. Als ultiem decadent antwoord gooide zij lachend haar gouden ring in zee, honend dat de kans dat zíj aan de bedelstaf zou geraken even groot was als de kans dat zij haar gouden ring óóit terug zou krijgen. Fuck you, wijze oude man, opzij!
Of statistiek al was uitgevonden weten wij niet, maar objectief gezien had ze een punt, aangezien ze volgens de verhalen eigenaar was van zo’n beetje alles wat kon varen, woonde in een huis met gouden vloeren en zilveren muren en het al met al dus zo’n beetje voor het zeggen had, in Stavoren en omstreken. Dat kin wat lijen, zou je zeggen.
Toch liep het verkeerd af, want Calvijn was natuurlijk al wel al lang en breed uitgevonden.
Slechts een paar dagen later kocht de keukenmeid van het Vrouwtje een schelvis op de markt, voor het diner – een krepserig armeluismaaltje ook nog – en ja hoor, verdomd als het niet waar is, in de maag van dat beest werd haar gouden ring teruggevonden. De kansen van het vrouwtje keerden onmiddellijk. Al haar schepen vergingen op zee, op de plek waar het graan overboord werd gekiept ontstond een zandbank en de haven van Stavoren slibde dicht. Het vrouwtje ging failliet en raakte aan de bedelstaf, precies zoals de wijze oude man had voorspeld.
We moeten, begrijpen wij nu, het beeld eerder zien als een waarschuwing. Een wijze les. Hoed u voor bankiers en ondernemers. Zij hebben slechts zelden het beste met u voor. Waarvan akte.

Nee, dan het Vrouwtje van Stavoren dat we verderop op de grasdijk tegenkomen. Een struis type is het, met grijze haren in de wind, stevige schoenen en een camelkleurige bodywarmer met heel veel zakken en vakken. Ook zij kijkt uit over wat eens de Zuiderzee was. Niet met haar hand boven haar ogen maar door een al even struise verrekijker. Wind en waterdicht in legergroen rubber verpakt, rotsvast verankerd op een statief.
Of er nog wat leuks te zien is, vragen wij, en gaandeweg wil de vrouw ons wel vertellen wat zij aan het doen is: ganzen tellen. Als vrijwilliger voor de Sovon, een officiële vogelinstantie.
Kijk, zo kan het dus ook, Vrouwtje van Stavoren, denken wij. Vrijwillig ganzen tellen, in plaats van met een ontevreden smoel op je florijnen zitten.
Maar het roept ook de nodige vragen op. Lopend over de dijk hebben wij vanochtend bijvoorbeeld al zóveel ganzen gezien dat het toch onbegonnen werk lijkt dat allemaal te tellen? En bovendien, vragen wij ons af, hoe weet je nou welke je al gehad hebt? Ze vliegen immers met wolken tegelijk van links naar rechts of weer terug over de dijk?
Als rechtgeaarde Friezin staat de vrouw daar met een geamuseerde glimlach nuchter tegenover. Ze telt een bepaald gebied op één dag. En dat daar doublures in zitten, ja.. nou.. dat wordt vast wel meegenomen in de rekenmethode. Dus..
En volgens haar gaat het de laatste tijd de goede kant op met de ganzenstand. Of dat meer of juist minder ganzen betekent, zijn wij benieuwd, omdat ze nou niet altijd even geliefd zijn, menen wij te weten. Maar dat ligt volgens de ganzentelster dan maar weer net aan met wie je praat. En over welke ganzen. Of je het over overwinteraars hebt,  of over overzomeraars. Boeren hebben alleen een hekel aan die laatsten. Want díe vreten de boel op. En ja, dan schijnt er inderdaad het plan te zijn om stelletjes waarvan vermoed wordt dat ze zich voort willen planten, af te schieten. En de tellingen van de Sovon zullen ongetwijfeld gebruikt worden in het meten van het resultaat van allerlei maatregelen. Maar ja.. daar weet zij verder niks van. Zij telt alleen.
Onderweg naar Hindeloopen komen we langs een wit gebouw dat enige historie verraadt. We vermoeden iets notabels. Later op internet lijkt het om het waterschapsgebouw Schuilenburg te gaan, nu in gebruik als conferentie-oord. Verderop nog zo’n ontmoeting, met een iets dichterbij verleden. Het strandpaviljoen Hindeloopen, dat onder de geknakte kerktoren van het stadje vrijwel bewusteloos tegen de dijk ligt te verloederen. Het Kurhaus van Friesland, schijnt dit te zijn geweest, in de hoogtijdagen. Als Hagenees ga ik daar verder niet op in, maar zonde is het wel natuurlijk. Er schijnen plannen te zijn het gebouw in ere te herstellen. Het zou het waard zijn, denken wij, maar ja.. wie zal dat betalen? Een ondernemer, hoogstwaarschijnlijk. En wij denken nog even aan  Scheveningen.
Hindeloopen zelf is een schattig historisch dorpje, met kleine huisjes en straatjes, steegjes en glopjes. Overtuintjes en zwartgeteerde schuren. Zwijgzaam vissende mannen met praktische schorten voor. Een houten kippenbruggetje over het water, waar in barre dus betere tijden de Elfstedentocht nog wel eens onderdoor kwam.

Verder gaat het, naar Workum, nog altijd over de kruin van de dijk. We passeren een derde wit, historisch gebouwtje. Een voormalige vuurtoren deze keer. Een enigszins afgebladderd geheel met een opengeknipte gashaard als lichtbaken op het dak. Het is, zie ik, precies de rode kachel die ik honderd jaar geleden in mijn Haagse jongenskamer had staan. Maar dan niet opengeknipt natuurlijk. Wanneer hij warm werd, kleurde hij vanuit het midden langzaam paars. Het waren de jaren zeventig. Op de vuurtoren is het geen origineel detail uiteraard, ondanks de poging origineel te zijn. Het baken is er in 2004 neergezet, als verrassing voor de deelnemers van de jaarlijkse strontrace. Nog zo’n staaltje onvervalste Fryske cultuur. Of W.A. van Buuren eraan meedeed, vermeldt de geschiedenis niet.
We mogen niet over het erf van de vuurtoren en moeten onderlangs de dijk verder, waardoor we goed zicht hebben op het metersbrede spandoek aan de omheining van het perceel, dat roept dat men hier geen windmolens in het IJsselmeer wil. Tja. Wij begrijpen dat. Wij willen ook geen windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in zijn achtertuin. Iedereen wil stroom, en hoe groener hoe beter, maar niemand wil windmolens in zijn blikveld. Of hoogspanningsmasten. Of trafostations. Gelukkig hoeven wij dat niet allemaal op te lossen.
Workum, besluiten we wanneer we het binnenlopen, bewaren we voor de volgende keer. Dat het de moeite waard is, zien we wel, maar we hebben trek in bier. Het Jopie Huisman Museum, leren we aan de leestafel alvast, is met vijftigduizend bezoekers het drukstbezochte museum van Workum.

Een rondje om de kerk

Hippolytushoef – Den Oever, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 16 januari 2015.

We maken ons op voor de laatste Noordhollandse etappe van het kustpad, vanochtend. Dertien, veertien maanden geleden startten we in Hoek van Holland, de rand van het land, en nu rest ons nog een staartje Wieringen. Tja. En omdat Wieringen ons goed beviel, de vorige keer, en ons bovendien nou ook weer niet zo’n heel gróót staartje rest, zullen we de dag volmaken, en vervolmaken, met nog een extra rondje over het vergeten waddeneiland. Zo staat het in het boekje, en zo is het plan. We hebben ons fantastisch wandelweer in het vooruitzicht laten stellen, op internet, dus dat komt misschien ook nog wel goed, in de loop van de wandeling.
We beginnen in Hippolytushoef. Vroeger ook wel Klein Parijs genoemd, vanwege de ooit enorme hoeveelheden café’s rond het dorpsplein. Lezen wij ook maar ergens op het web hoor. Maar wat een flauwekul is dat toch altijd, dat gekoketteer met buitenlandse namen. Nederland is een prachtig land, ontdekken wij al wandelend telkens opnieuw, en zonder in nationalistische toestanden te vervallen kunnen we dat heel best op haar eigen merites waarderen. Niemand heeft het ooit over het Giethoorn van het zuiden, en denk maar niet dat Parijs in Frankrijk, of waar dan ook, ooit Groot Hippolytushoef is genoemd.
Maar goed.

Hippolytushoef dus. Of Hippo, zoals het hier heet. We doen een rondje om de kerk, de Hippolytuskerk. Niet bepaald de Nôtre Dame. Integendeel eerder. De gemetselde spits geeft de kerk een bepaalde eenvoud. Een typisch Hollands doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Een soort zelfverzekerde bescheidenheid ook. Ze heeft het nodige meegemaakt, de kerk, zoals dat gaat, en het is haar aan te zien. Maar het is allemaal lang genoeg geleden om het nu charmant te kunnen vinden.
De basis van de toren stamt uit de twaalfde eeuw, leve Wikipedia. Negenhonderd jaar oud, dames en heren. In de vijftiende eeuw is de toren verhoogd en in de zeventiende eeuw is het verwoeste schip herbouwd. Van de daarbij behorende ramen zijn er vandaag nog maar een paar over.
Ondanks de bescheidenheid torent ze toch ook wel behoorlijk boven haar pleintje uit. Mede dankzij de terp natuurlijk, waarop ze destijds ook wel niet voor niets zal zijn gebouwd. De zee is nog steeds niet ver weg, maar was in die dagen helemaal alomtegenwoordig. En almachtig. Sterker nog, nader onderzoek leert ons dat juist in diezelfde twaalfde eeuw een aantal woeste stormen korte metten maakte met de kust zoals die er toen uitzag, een gat sloeg bij het Marsdiep, waardoor de zee vrij spel kreeg en Wieringen een eiland werd. Wat het eerder dus niet was. Zo leer je nog eens wat. En kijk je toch ook weer een beetje anders tegen zo´n kerktoren aan. Die heeft dat niet alleen meegemaakt, die heeft dat aan zien komen.
Rondom de kerk ligt, in het hart van het stadje, het kerkhof. Een uitgebreide verzameling scheefgezakte, met vele kleuren mos begroeide en veelal moeilijk leesbare zerken, waartussen de boomwortels al jarenlang hun gang zijn gegaan. Hier en daar staat nog een grafhek ook, maar het ziet er niet naar uit dat de doden die hier liggen nog regelmatig bezocht of beweend worden.
Verderop in de ochtend, even buiten Stroe, komen we langs nog een kerkhof. Een wit hek wrijft ons hier lelijk in dat we stof zijn, en tot stof zullen wederkeren. Als we het kerkhof betreden, vliegt er achter ons met veel kabaal een grote groep ganzen op. De begraafplaats zelf ligt er vriendelijk bij, in een voorzichtig zonnetje, in alle rust tussen de weilanden. Ook nu weer op een terp. Om de doden voor de zee te behoeden, nemen we aan. Bij veel van de graven zou het de tweede keer zijn dat de zee toesloeg. Vissersmannen liggen er. Jonge kerels vaak nog. En het zijn niet alleen oude en vergeten graven hier, ook glanzend nieuwe stenen. In het Westfries laat iemand in vers uitgehakte letters weten het maar niks te vinden, om hier zo te liggen. Zelfs in zijn kist nog de leukste thuis, denken wij. Verderop liggen twee broers naast elkaar. Ze zijn beiden al jaren dood. Jong, maar niet tegelijk gestorven. Het zouden vandaag onze leeftijdgenoten geweest zijn. Het lelijke hek heeft wel een beetje gelijk, misschien.
Oosterland, met ook een gemetselde spits op de toren, passeren we op enige afstand, langs de Waddenzee. De asfaltdijk waarover we lopen, doet enigszins denken aan de Hondsbossche Zeewering, die inmiddels bijna geheel onder het zand is verdwenen, als gevolg van de nieuwste inzichten over de strijd tegen de zee.  Bij Vatrop staat nog een restant van de betonnen zeewering waar men het hier in het verleden van moest hebben. Een muurtje van nauwelijks een meter hoog, overeind gehouden door weinig indrukwekkende staanders. Lucifershoutjes van beton. Als de zee eraan terugdenkt, lacht zij zich rot. Als wij het ons proberen voor te stellen, huiveren we met terugwerkende kracht.
In de heiige verte zien we Den Helder liggen, en Texel, verderop. Daar tussenin zien we zelfs de veerboot varen. We zien ook een onheilspellende lucht aan komen drijven. Als we de haven van Den Oever binnenlopen, om een visje te eten, is de lucht al behoorlijk betrokken. Vol vertrouwen echter beginnen wij aan ons extra rondje. Zodra we de dijk oplopen, en buiten bereik van schuilplekken zijn, begint het gestaag te regenen. Het zal niet meer ophouden en ons extra rondje laten we er dan toch maar bij inschieten. Het is flauw om al teveel over het weer te praten, bij dit soort verhalen, ieder weer is wandelweer tenslotte, maar als we eenmaal weer thuis, op een half uurtje rijden, te horen krijgen dat het de hele dag zulk heerlijk, zonnig weer is geweest, vragen wij ons toch wel een klein beetje af waar dát nou voor nodig was.

Een eiland aan de vaste wal

Oudesluis – Hippolytushoef, een etappe van het Nederlands Kustpad,  gelopen op vrijdag 31 oktober 2014

Parkeren is niet mijn sterkste kant, met mijn nog prille rijbewijs. Daarom heb ik het dus ook eigenlijk nog niet echt gedaan, bij aankomst in Hippolytushoef, het eindpunt van vandaag. Alleen maar even van hoppetee een vak in, voor zolang, of eigenlijk bijna twee, om te bellen naar mijn wandelgenoot, waar ze is. En dan snel weer weg want ze zijn hier een markt aan het opbouwen en dat wordt me straks veel te ingewikkeld. Maar voor ik het allemaal goed en wel voor elkaar heb, staat er een vrachtwagentje met marktkramen stijf achter me, om me op te sluiten in mijn vak. Scheef geparkeerd en al. Vandaar dat we met de auto van mijn wandelgenoot naar het beginpunt in Oudesluis rijden. Dan zien we vanavond wel verder. Die markt zal na tweeën wel weer opgeruimd worden, stel ik mijzelf gerust.
In Oudesluis zijn alle deuren en ramen gesloten, het is hier blijkbaar nog te vroeg, in elk geval voor koffie. We zullen zonder op pad moeten, dus daar gaan we. Over de Kneeskade langs de Boezem van de Zijpe richting Anna Paulowna. Aan de topografische namen ligt het weer niet in elk geval. En aan het weer al helemaal niet: het is de laatste dag van oktober vandaag, morgen is het november, stel je voor.. theoretisch zou het grijs en guur moeten zijn, maar wij lopen zonder jas in korte mouwen met onze bol in de zon. Precies wat we nodig hebben, dat wel.

Dat het natuurlijk toch gewoon herfst is, wordt verraden door de gele en zelfs al kale bomen, strak in het gelid langs de polderweg, het geel en bruin geworden ruisend riet in de vaart en de afgejakkerde akkers van zwart glimmende klei. Een Beet-eater – een torenhoge, rode geweldenaar met handenvol manshoge banden en een agressief ogende constructie van tandwielen, schoepen, messen en bladen voorop – draait vlak voor ons de weg op, razend en blazend, de kooi bovenop voor de helft gevuld met nog de laatste bieten. Het is een scherpe bocht en een smalle weg en het past ook eigenlijk niet, maar het lukt natuurlijk toch. Met zo’n gevaarte lukt alles. Wij staan erbij en kijken ernaar. En lopen daarna voorlopig nog in de modder, die uit de kniediepe profielen van al die banden stort.
De Boezem van de Zijpe, aan onze linkerhand, is het enige water in deze omgeving dat niet langs een liniaal in de verte verdwijnt, maar dat meanderend zijn eigen gang lijkt te gaan om, van ons en Oudesluis uit gezien, langzaam te verbreden en uiteindelijk terecht te komen in het Amstelmeer. Ik durf hier niet te beweren dat het zo is, maar misschien is het een in het verleden door stroming en woelige baren gevormde geul, bij de inpoldering gedoogd, gespaard gebleven, ingelijfd, om in te zetten bij het ontwateren van het gebied. Het enig overblijfsel nog van de hier ooit allesbepalende zee.

Met de blik op oneindig, of we willen of niet, steken we langs een lange, lange, lange en kaaaarsrechte weg de lege Anna Paulowna Polder door en staan dan met toch iets van zeewind in de haren op de grasdijk rond het Amstelmeer. Aan de overkant van het water ligt Wieringen, het vergeten Waddeneiland, zoals het zichzelf noemt. Al is het natuurlijk al geen eiland meer sinds de inpoldering van de Wieringermeer, in de dertiger jaren van de vorige eeuw. En dat is ook alweer bijna honderd jaar terug. Het schijnt ook niet altijd een eiland geweest te zijn trouwens. Ooit lag het gewoon vast aan de hoogveengebieden, tot een flinke storm daar in 1200 een einde aan maakte. Maar, vanaf hier, met aan alle kanten water in het blikveld, als we de Amsteldiepdijk verderop even negeren, ziet het er inderdaad uit als een eiland, aan de einder. En ook als we een flinke wandeling later De Haukes binnenlopen, de vergeten haven, is het goed te zien. Het landschap onderscheidt zich duidelijk van wat we verder gezien hebben, deze dag. Licht glooiend, organisch en kleinschalig verkaveld, met bochtige weggetjes, rommelige erfjes, tuunwallen en op een kluitje bij elkaar gekropen en geveegde boetjes, bouwsels en buurtschappen. Het waddeneilandgevoel is onmiskenbaar.
Café de Postboot, gezien de naam ook vroeger al de eerste kennismaking met Wieringen, sluit daar aardig bij aan. De zaak ligt er wat in zichzelf gekeerd en donkertjes gesloten bij, maar de deur gaat na enig aandringen toch gewoon open en we stappen een andere wereld en tijd binnen. Het is moeilijk te zeggen welke precies, maar het ís al een tijdje geleden en sindsdien is hier niet veel veranderd. Voor ons hoeft dat ook niet, laat dat duidelijk zijn. Liever niet zelfs. Volledig doorgestylede maar kleurloze grand café’s met zonder bediening zijn er al genoeg. Gelegenheden als De Postboot kleuren je dag.
Onze komst wordt gemeld door een klein, vaalwit hondje dat het op een gemeen keffen zet. Boven ons hoofd horen we het houten plafond stommelen en klinken voetstappen, die we op veilige afstand van het hondje volgen tot aan de trap in de andere hoek, waar even later de gastvrouw haar intrede doet. Ze maant het beest kort tot stilte en ontvangt ons dan met laconieke vanzelfsprekendheid. Terwijl wij ons aan de leestafel met plaatselijk nieuws voorzichtig afvragen of we wel genoeg contant geld bij ons hebben, omdat het wel duidelijk is dat er in deze tijdzone niet kan worden gepind, leest de vrouw aan de bar haar krant en maakt een praatje met een groezelige man die een pakje zware shag komt kopen. Het vaalwitte hondje neukt ondertussen gedurig, met vreugdeloze volharding een al even vaalwitte knuffelolifant, die zich het leven als knuffel ook anders moet hebben voorgesteld.
Als we weer op pad gaan, raadt de vrouw ons aan straks in Hippo vooral naar de Halloweenmarkt te gaan. Omdat dat zo leuk is. Ik trek daaruit de conclusie dat ik mijn auto straks zonder kleerscheuren tussen de volgepakte marktkramen en het drentelend publiek uit zal moeten manoeuvreren. Over griezelen gesproken. Ik probeer er de rest van de wandeling maar niet al te erg tegenop te zien. Dat zou zonde van Wieringen zijn.

Schipper, mag ik overvaren?

Graft – Zaanse Schans, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op zondag 26 oktober 2014

Ja, waar sláát dat nou op? Het is de schipper aan het woord, van het pontveer Jan Hop te Spijkerboor. Hij heeft net ongelovig mijn wat gênante bekentenis aangehoord, namelijk dat ik niet meer contant geld in mijn portemonnee heb dan de twintig cent waarmee ik vanochtend van huis ben gegaan. De motor van de pont had hij al gestart toen ik aan kwam lopen, maar ik durf niet zonder meer aan boord te stappen.
Wie gaat er nou zonder geld van huis? Vraagt hij zich vervolgens oprecht verontwaardigd af, zijn ogen ten hemel opslaand. Zelf vind ik het ook opeens wel wat onbenullig. Twintig cent, verdorie, wat ben ik ook een knurft. Als het nou nog een euro geweest was. Maar ja, gut.. we leven in de moderne tijd, contant geld wordt nauwelijks nog ergens op prijs gesteld. Klein bedrag, pinnen mag, is het motto van de winkelier zelfs al geworden, en in het openbaar vervoer is het gewoon verplicht inchecken geblazen. Er gaan weken voorbij dat ik het prima red, zonder contant geld. Ik zou er bij wijze van spreken wel een weddenschap op af durven sluiten dat je zonder contant geld de wereld rond kunt reizen, al of niet in tachtig dagen. Zolang je Spijkerboor een beetje mijdt, uiteraard.
Een flink eind voorbij De Rijp was het me pas te binnen geschoten, dat de moderne tijd op een pontje natuurlijk niet zo’n vat heeft. Dat dat uiteindelijk ook de charme is, van pontjes, nietwaar? En dat ik dus, even kijken.. zestig cent te kort ging komen, voor de overtocht. Tegen beter weten in had ik daarna bij Fort Spijkerboor nog geprobeerd aan contanten te komen, maar uiteraard zou een pinapparaat dáár helemaal een anachronisme geweest zijn. De kans om nog met guldens te kunnen betalen was er waarschijnlijk groter geweest. Het voorgenomen bezoek aan het fort komt daarmee trouwens wel te vervallen, wegens gebrek aan contanten.
En nu sta ik dus, aan de oever van een machtige rivier, en heb geen cent om te schipper te betalen. Mag ik overvaren ja of nee? Ik durf er niet op te rekenen. Maar met een barse hoofdbeweging laat de veerman me weten dat hij me heus niet zal laten staan. Zwijgend en er het zijne van denkend zet hij me over. Ik sta schuldbewust aan de reling op de reddende overkant te wachten. Toch is zijn wrevel onderweg, zo kort als de overtocht is, blijkbaar verwaterd, want als ik aan de overkant hardop bedenk dat ik bij het daar gelegen café misschien een euro extra kan pinnen bij een kopje koffie, wuift hij het idee met een breed gebaar uit de lucht. Het komt de volgende keer wel, besluit hij, en wil er niks meer over horen. Opnieuw vervuld van vertrouwen in de uiteindelijke goedheid van de mens vervolg ik mijn weg, langs de Knollendammervaart, richting Oostknollendam en Wormer.

TVP graft schans 074

Op de Oudelandsdijk heb ik al snel twee dames in mijn kielzog. Dames met wapperende sjaaltjes, flodderige, ooit felgekleurde jasjes en blommige rokjes over verschoten broeken. Hippiemeisjes van vijftig. Medewandelaars, die ook wel van de pont zullen komen en hoogstwaarschijnlijk dezelfde route lopen. Ik heb niks tegen medewandelaars, herhaal ik nog maar eens. Wandelaars, dat is goed volk. Maar ze moeten niet een hele wandeling in mijn nek lopen hijgen, en ze moeten ook niet een hele dag hinderlijk in mijn blikveld blijven hangen. Nee zeg, het is de avondvierdaagse niet, dáár heb ik geen zin in. Normaalgesproken kost het trouwens weinig moeite weer van elkaar af te komen. Een korte stop volstaat, over het algemeen. Medewandelaars hebben zelf namelijk ook geen zin in medewandelaars en zetten er even flink de pas in, om een voorsprong op te bouwen, zodat daarna iedereen weer de prettige illusie kan hebben dat hij alleen op pad is. Maar deze dames vallen buiten het systeem. Wat ik ook stop, versnel of vertraag onderweg, ik blijf ze de rest van de dag tegenkomen. Het lijkt wel of ze het erom doen, hoewel ze mijn consequent groeten maar nauwelijks, of liever nog helemaal niet beantwoorden. Alsof ík de stalker ben. Als ik bij Wormer rechtsaf sla om de alternatieve route via Zaanse Schans te lopen, heb ik de hoop al opgegeven, en inderdaad slaan de dames daar vijf minuten later óók rechtsaf.

TVP graft schans 093

Lopend door dit gebied heb ik gedurig het idee dat ik zo’n beetje ín het water loop. Dat idee klopt ook wel natuurlijk want het is hier alles droogmakerij en polder wat je ziet. Een uitgestrekte lappendeken van drooggemalen en ingepolderde meren, waarin het water toch nog altijd alomtegenwoordig is. Rechts van mij de Knollendammervaart, waarin het zelfs letterlijk boven mij uittorent: als ik de dijk beklim zie ik dat het water zo goed als tot de kruin staat, de weg waarop ik loop ligt toch zeker twee meter lager. Maar ook links, in het Wormer- en Jisperveld glinstert het zó hoog in de brede sloten dat de weilanden en de weg het hoofd maar net boven water lijken te kunnen houden. Het water mag overwonnen zijn, en ingedamd, het is ons niet vergeten. Het wacht op een kans. Op een moment van onoplettendheid.
Na Oostknollendam loop ik verder langs de Zaan, met aan de overkant het industrieel uitzicht dat zich al vanaf Spijkerboor aan de horizon aandiende. Een wirwar van oudhollandse molens, moderne Europese subsidie windmolens, hoogspanningsmasten, rokende fabrieksschoorstenen, silo’s en grote, lelijke gebouwen en loodsen. Je zou het mistroostig kunnen noemen, zeker op een grijze dag als deze, maar ik vind het wel wat hebben. Het is mooi van lelijkheid, inderdaad, net wat u zegt. En dat aan mijn kant van de Zaan de weg is opgebroken, en gedeeltelijk vervangen door roestige stalen rijplaten, is alleen maar sfeerverhogend, wat mij betreft. Zelfs de onafgebroken stoet vliegtuigen waarmee het groothertogdom Schiphol zijn immer groeiende nabijheid verraadt, past hier in het plaatje.

TVP graft schans 176

Wat het vooral charmant maakt, denk ik, is de 19e eeuw die hier en daar de kop nog opsteekt, tussen het modernere geweld van golfplaat, beton en blinkende kilometers pijpleiding. Een bakstenen torentje met kantelen, dat tevoorschijn piept op kniehoogte van een enorm en grijs complex. Een vriendelijk bruinrood geveltje met wat sober decoratief metselwerk onder het puntdak, te midden van puur functioneel rechttoe rechtaan de hoogte in. Met als onbetwist hoogtepunt: Zeepziederij De Adelaar. Een klassiek fabrieksgebouw, een vierkant fort van rood baksteen met drie verdiepingen, een raster van ramen in iedere muur, laaddeuren rechts van het midden en op de linkerhoek een soort watertoren met een metershoge, gietijzeren adelaar op het zinken puntdak, de vleugels heerszuchtig uitgespreid. Ooit zal dit een enorm gebouw geweest zijn, een imposant toonbeeld van welvaart en rijkdom dat almachtig boven zijn platte omgeving uittorende. Nu staat het er bijna bedremmeld bij, als een oude man, minzaam gedoogd tussen veel jongere silo’s en loodsen en hallen, die allemaal stukken groter zijn, maar plompverloren neergezet met nog niet een honderdste van de liefde en de aandacht waarmee De Adelaar zelf werd gebouwd.
Als de geur van linoleum langzaam plaatsmaakt voor die van cacao, nader ik Zaanse Schans. Een openluchtmuseum. Een stukje Holland dat eigenlijk niet meer bestaat, zoals aan de overkant van het water ook duidelijk te zien is. Een handvol molens op een rij, een dorp van houten huizen, glimmend onderhouden en opgetuigd alsof de tijd heeft stilgestaan sinds de 18e eeuw. Een nepdorp, feitelijk. Ik begrijp dat hier ook gewoon mensen wonen, maar het lijkt me een vreselijk lot want zelfs nu, eind oktober, krioelt het nog van de toeristen. Er rijdt verdorie zelfs een riksha heen en weer. Ik hoor Spaans, Italiaans, Japans, Engels, Hindi, Zweeds, Duits, Frans, Oosteuropees.. alle talen van de regenboog. Mensen sjokken verveeld achter elkaar aan, huisje in huisje uit, van molen naar molen, alsof ze zelf ook niet precies weten waarom ze hier zijn. Alsof ze het zich toch anders hadden voorgesteld misschien, Holland. Een verliefd stelletje laat zich in een vreemde taal fotograferen, door een andere toerist, met een windmill op de achtergrond. Drie meisjes zijn een half uur in de weer om foto’s van elkaar te maken terwijl ze een koket sprongetje maken op één van de smalle bruggetjes. Een kennelijke bewoner met een hond wringt zich er moeizaam langs. Een Nederlander leidt zijn Engelse gasten in Dunglish langs de molens en de houten schuren met de rieten daken op een toon alsof hij ze eigenhandig gebouwd heeft.

TVP graft schans 207

Ik zit het op een bankje allemaal eens te bekijken wanneer iemand mij vraagt of ik alstublieft tien minuten op zijn reclamebord zou willen letten. Het is de jongen van de riksha, zie ik. Hij heeft zijn bord al van het slot maar heeft nu toch nog weer twee klanten, voor een ritje naar het station. En geen zin het bord weer vast te maken. Blijkbaar is hij niet benauwd dat ík er nu met zijn bord vandoor ga. Ach, ik vind het wel best. Ik doe graag iemand een plezier, zeker wanneer het zo weinig moeite kost. Bovendien, zo weet ik tenminste zeker dat ik mijn dames niet ook nog in de trein terug naar huis tegenkom. Terwijl zijn klanten nog op zijn Japans het toeristenwinkeltje induiken, en de tien minuten al snel verdubbelen, maakt de jongen een praatje. Zo kom ik te weten dat de riksha elektrisch wordt aangedreven maar dat je na een dagje heen en weer fietsen evengoed behoorlijk afgemat bent, dat een ritje naar het station zeven euro vijftig kost en een complete rondrit vijftien, dat de jongen dit als vakantie- en weekendbaantje doet, dat hij het leuk werk vindt en dat hij cabaretier wil worden. Ik raad hem aan te beginnen met een programma over toeristen aan de Zaan.
Als de jongen na gedane zaken terugkeert en ik na nóg een praatje aankondig maar eens naar het station te gaan, oppert hij mij met de riksha te brengen. Ik vertel van mijn pijnlijke overtocht bij Spijkerboor, en bedank. Maar de jongen bedoelt een gratis ritje. En ik verlaat Zaanse Schans geheel in stijl. In toeristenstijl, maar ook in stijl van de dag. Want die weddenschap, dat zit wel goed. Met mensen als deze op mijn pad, moet ik die makkelijk kunnen winnen.

 

Haags bier in Oudesluis

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Petten naar Oudesluis, gelopen op zondag 5 oktober 2014

Aan het begin van de wandeling gunnen we ons eigenlijk de tijd niet om heel even te kijken hoe het inmiddels opschiet, met het nieuwe land. Voor de Hondsbossche Zeewering immers, wordt deze dagen ruim tweehonderd meter blanke top der duinen en strand aan het vaderland toegevoegd. Bij de vorige etappe stonden we daar al met ontzag naar te kijken, naar de vanzelfsprekendheid van het gebeuren, en de voortvarendheid waarmee te werk wordt gegaan. Met hoeveel schijnbaar gemak er ook inderdaad een heel nieuw stuk land uit de zee opwelt, dat er dan meteen ook maar bij ligt of het altijd zo geweest is. En evengoed trekt het ook vandaag, het spektakel. Er wordt tenslotte geschiedenis geschreven, hier en nu, vaderlandse geschiedenis nog wel. We besluiten daarom aan het eind van de dag, wanneer we de auto op komen halen, nog even poolshoogte te nemen. Met een beetje geluk zien we dan ook meteen de zeehonden, die onlangs hun onverwachte intrek schijnen te hebben genomen, aan de nieuwe kustlijn. Nu slaan we, als we de dijk bij Petten beklimmen, om te beginnen rechtsaf, en voor ons ligt dan nog het stuk Hondsbossche Zeewering zoals die eens bedoeld was. In zijn eentje tegen de zee. Misschien is het wel voor het laatst dat we hem zo zien. Een piepklein historisch moment.

zeehonden

Richting St Maartenszee lopen we de Pettemer duinen in. Zanderige heuvels, grillig voorzien hier en daar van donkere samenscholingen van dennen, eensgezind kromgetrokken, weggedoken haast, in gesloten formaties, zo onopvallend mogelijk meeglooiend met het landschap en huiverend bescherming zoekend bij elkaar. Tegen weer en wind allicht, maar misschien ook wel tegen iets anders. Ze geven de duinen bij Petten iets geheimzinnigs in elk geval, met net boven de horizon ook nog de glanzende koepel en de schoorsteen van de kerncentrale. En wat doet dat vreemde blauw-witte en geblindeerde torentje daar eigenlijk? Met dat trappetje naar boven, die antenne en dat rode zwaailicht op het dak? En wat loopt daar voor griezelig gitzwart monster over het pad? Wat staat daar met zijn staart dreigend omhoog, in de aanvalshouding? Het lijkt wel een schorpioen, als je het ons vraagt. Nou goed, wel een heel kleintje dan, met zijn hooguit tweeëneenhalve centimeter. Toch houden we onze vingers voor de zekerheid zoveel mogelijk thuis als we het beest leuk boos proberen te krijgen, voor de foto. Niet helemaal ten onrechte blijkt later op internet, al is het niet de intimiderende staart waar we voor op hadden hoeven passen. Hij bijt gewoon van voren en nog onaardig bovendien, naar verluidt. Een schorpioen is het ook niet trouwens. We maken kennis met de stinkende kortschildkever. Die zijn naam dankt aan zijn blijkbaar korte dekschilden, en de niet lekker ruikende vloeistof die hij afscheidt wanneer hij zich bedreigd voelt. Nog bedreigder dan door ons.

stinkende kortschildkever

Bij St Maartenszee draaien we het strand op en dat komt mooi uit, want daar hebben we vandaag allebei net zin in en het weer is er prima geschikt voor, hoewel dat bij het strand voor iedere weersoort geldt natuurlijk. Op het terras van de laatste strandtent van het seizoen is de voertaal Duits, de buren vieren de Dag van de Eenheid en dat doen ze blijkbaar het liefst in het buitenland, we zullen ze meer tegenkomen vandaag. Alleen aan het tafeltje achter ons wordt algemeen beschaafd Hollands gebezigd. Je moet niet zo zeuren, snauwt een keurige grijzende man zijn keurige grijzende vrouw af. Op bekakte toon, dat wel. Jij zit altijd zo te zéuren, komt er nog bestraffend achteraan. Waarna de echtelijke conversatie zonder overgang weer gemoedelijk langs ditjes en datjes door meandert. Zo kan het dus ook.
Op het strand wordt ondertussen een ingewikkeld ogend spel gespeeld. Er komen allerlei verschillende houtjes en blokjes aan te pas waarmee gegooid moet worden naar weer andere stokken, die juist in het zand gestoken staan, maar die waarschijnlijk om moeten vallen. We doen ons best, vanachter onze koffie, maar voor we erachter zijn hoe het werkt, is het spel afgelopen.
Langs onze goede vriend de zee lopen we naar Callantsoog. De hemel staat er strakblauw boven en heeft pittoreske witte wolkjes aangetrokken om er nog mooier uit te zien. Van ons beider geboortestad Den Haag is dat wat we alletwee nog wel eens missen: de zee op tien minuten afstand. Wel is het een geruststellende gedachte dat ze altijd op ons blijft wachten, omdat wij altijd terug zullen blijven komen.
Even buiten Callantsoog, we lopen weer landinwaarts inmiddels en zijn het spoor even bijster, treffen we een scharrig, uitgemergeld katje dat zonder al te veel hoop wat om ons heen draait. Het beest lijkt bij een halfslachtig in het bos weggestopte caravan te horen, die er al net zo scharrig en uitgemergeld uitziet. Misschien nog wel erger. De burgerplicht gebiedt ons nu misschien daar eens poolshoogte te nemen, maar daar voelen we toch weinig voor. Het is bepaald geen verlaten bospaadje en we zijn in Callantsoog, dus we doen als de Callantsogers, besluiten wij. Ons latente schuldgevoel kopen we af met een boterham met worst, waar het dier zich uitgehongerd op stort, terwijl wij ons, fraai is het niet, uit de voeten maken.
Richting ’t Zand lopen we over de Zijperdijk, met uitzicht over de Zijpepolder, één van de oudste polders van ons land. In elk geval was het in 1597 de grootste polder die in één keer bedijkt werd, een succesverhaal dat indertijd de weg vrijmaakte voor misschien bekendere polders als de Schermer en de Beemster. Nu we er zo doorheen lopen is het maar moeilijk meer voor te stellen hoe de zee hier ooit de baas was. Links en rechts is het grasland wat we zien. En bollenland, bedekt met grijzig zand, stro of ondergelopen met water. Het is typisch Noordhollands landschap, denken wij. Rechttoe rechtaan, functioneel, sober.  Mooi, ook.

HK Petten Oudesluis 201

In ’t Zand steken we via de vlotbrug het Noordhollands kanaal over om even verderop weer met de Zijperdijk  Oudesluis binnen te lopen. Oudesluis, de eerste sluis in het destijds nieuwe gebied, vandaar de naam. Eens lagen hier schepen van de roemruchte VOC, om via het Marsdiep naar de rest van de wereld te varen. Tot nieuwere polders de weg naar de zee versperden. Nu ligt er nog een pittoresk maar piepklein sluisje, en een groene dijk middenin het groene land.
In café De Oude Herberg is volgens het bordje op de deur alleen toegang voor 50+, een criterium waar wij ruim aan kunnen voldoen, dus vol vertrouwen stappen wij binnen. Onze bestelling, twee maltbier (wij zijn 50+ en moeten nog rijden), stelt de barvrouw echter voor een probleem, want met al die verschillende soorten bier tegenwoordig heeft ze maar zeer beperkt ruimte in de koelkast, en nu Arie zo vreselijk ziek is geweest drinkt die ook alleen nog maar malt, dus ja, dan gaat het hard, en nu heeft ze nog maar één maltbiertje in huis. En hoewel wij het serieus als grap hadden bedoeld, kregen wij zonder morren één maltbier met twee glaasjes. Veel Haagser hadden we het niet kunnen wensen.

Van een weerbarstige, onaangeharkte schoonheid

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Bergen aan Zee naar Petten, via Camperduin, gelopen op dinsdag 9 september 2014

Een saaie wandeling, wordt ons in het vooruitzicht gesteld, aan de koffietafel in Bergen. Heel saai. En het is een inwoner van het deftige dorp zelf, die de route van vandaag eens hoofdschuddend bekijkt, in ons boekje, dus hij kan het weten. Het gaat alleen maar door het bos, stelt hij vast, en wijst ons hoe het óók zou kunnen. Hoe het beter zou zijn, volgens hem. Hoewel we geen redenen hebben zijn gelijk te betwijfelen natuurlijk, besluiten we toch, in eensgezinde eigenwijsheid, de route te lopen zoals die nou eenmaal staat aangeduid. Tja. En spijt hoeven we daar niet van te krijgen want saai wil het vandaag zeker niet worden. Dat kan trouwens ook helemaal niet, een saaie wandeling. Dan moet het wel heel vreemd lopen, wil een wandeling saai worden.
Alleen al de bonte verzameling paddestoelen die we onderweg tegenkomen, maakt het een bijzondere tocht. We zien ze in grote hoeveelheden, de zwammen en de boleten,  in alle soorten en maten en kleuren van de regenboog. Van lichtgrijs, een zweempje groen, zachtgeel en een zeer subtiel lila, tot knalrood, voetbal-oranje en pimpelpaars. Plus natuurlijk nog alle beschikbare schakeringen beige, omber en oker en bruin, tot en met zwart aan toe. Lyrisch over zoveel mysterieuze schoonheid knielen we telkens weer eerbiedig neer, in de berm, om er zoveel mogelijk van op de foto te krijgen, om elkaar heen manoeuvrerend proberend elkaars camera buiten beeld te houden. Tot we moeten inzien dat het een onmogelijke opgave is. Dat, als we in dit tempo doorgaan, we niet heel ver zullen komen vandaag, en zeker niet in Petten, waar de auto staat.


Bergen aan Zee laten we volgens het boekje een beetje links liggen en we duiken bij het Zeehuis rechtsaf de duinen in. Door het bos inderdaad. Maar al snel ook langs stukken heide, in bloei nog hier en daar, en schitterend paars afstekend tegen de sombere lucht. Hetzelfde doet het pijpestrootje, maar dan in het geel uiteraard. We lopen over golvend terrein, in karresporen van zand, slingerend langs watertjes en duinvalleitjes, heksenbosjes van kronkelend eikenhout. En al is het loof nog groen, het heeft onmiskenbaar ook al een vleugje herfst te verbergen. Grijsgroene cirkels IJslands mos doen ons zelfs al aan de kerst vooruitdenken, zij het tegen wil en dank. Het mos zelf heeft daar nog geen last van, in volle glorie puilt het onaangedaan de bosrand uit. Naaldbossen. Kaarsrechte stammen, zilvergrijs, strak in het gelid op een glooiend tapijt van gouden naalden met een speels dessin van zwarte dennenappels in een onregelmatig patroon.

HK bergen petten 125

Richting Schoorl stuiten we op spiritueel centrum Heel en Al. Een geestig bedoelde naam, zo lijkt het, waarschijnlijk ten onrechte. Het is een wat ongezellig aandoende verzameling lage, witgeverfde bakstenen gebouwtjes, met de rug naar de wereld, als een schildpad weggedoken in een duinpan, in zichzelf gekeerd, de hekken op slot. Op ons maakt het eerder een benauwde dan een spirituele indruk. Maar goed, wij hebben er geen verstand van.
Verderop beklimmen we wat volgens een trots bordje het hoogste duin van Nederland is. Vijfenvijftig-en-een-halve meter. Nou ja, hooggebergte is het niet natuurlijk, een vlag hoeven we niet te planten, maar eerlijk is eerlijk, het uitzicht mag er wezen. Links zien we de zee naar ons knipogen, heel in de verte, rechts glooit een zwart naaldbos om haar eigen open plekken heen in een vergezicht dat in de Eiffel zeker ook niet zou misstaan. Maar, hier ligt Schoorl aan de voet verscholen.

HK bergen petten 153

Richting Groet ontmoeten we de Roetroute. Hier woedde in 2009 een grote brand, waarvan wordt aangenomen dat die werd aangestoken, al weet nog altijd niemand door wie. Laat staan waarom. Pas na dagen blussen was het vuur gedoofd, in de tussentijd werden honderden mensen geëvacueerd en uiteindelijk ging zo’n 150 hectare bos, duin en heide verloren. De Roetroute loopt om en door dit aangetaste gebied, om te laten zien uiteraard wat een brand kan aanrichten. En ons tot voorzichtigheid te manen. Kent u ze nog, de drie O’s? Vijf jaar later is het nu, en nog altijd biedt het terrein een mistroostige aanblik. Kale, geblakerde stammen, staketsels van bomen steken doods en naargeestig af tegen de lucht. Je lijkt de natte as nog te ruiken. Toch hééft het ook iets, vinden wij. Het zal wel oneerbiedig zijn, dus we vinden het stilletjes, maar het is ook móói, op één of andere manier. De romantiek van de verwoesting. De schoonheid van de dood. Zoiets. Een illustratie bovendien van de kracht van de natuur, want tussen al die romantische verwoesting steekt, onstuitbaar, nieuw leven de kop op. Allerlei grassen en struikjes en berkjes, bijvoorbeeld, en ander loof. Al zal het meeste daarvan misschien wel aangeplant zijn. Staatsbosbeheer, zo blijkt, is nou ook weer niet zó verdrietig over het verlies van al die naaldbomen. Gek genoeg blijkt de brand precies te passen in het streven naar meer diversiteit in het gebied, meer loofboom, en meer stuifduin. Als het geen cliché was, zou je kunnen zeggen: een geluk bij een ongeluk.

kustopkracht 007

Groet heeft een sympathiek, wit kerkje dat hoog op een terp temidden van een dorpspleintje schattig staat te wezen. Het torentje zagen we al ver van tevoren boven de bosrand uitsteken, met veel verder op de achtergrond de molen in de Harger en Pettemerpolder. Want na Groet is alles plat. Bij Groet houden de hoogste duinen van Nederland op, om pas na Petten een stuk lager weer te beginnen. Daartussenin ligt de Hondsbossche Zeewering, een monument van de eeuwige Hollandse strijd tegen het water, wie heeft hem niet gehad, met aardrijkskunde, op school? Of anders wel in een dictee. Mooi van lelijkheid. Een kilometerslange streep van fantasieloos asfalt en pokdalig beton. Als je er in het midden overheen klimt, verdwijnt hij links en rechts in zijn eigen verdwijnpunten. Van horizon tot horizon ben je dan afgesloten van al het andere, je bent er alleen met de zee. Tenminste, zo was het voorheen. De strijd tegen het water is hier inmiddels een nieuwe fase ingegaan. De 140 jaar oude dijk is als zwakke schakel in de kustverdediging aangemerkt en krijgt versterking van miljoenen kubieke meter zand. Over de hele lengte wordt een heel nieuw stuk Nederland gemaakt, door de Nederlanders, zoals de mythe voorschrijft. 250 meter de zee in. Het is een indrukwekkend schouwspel, dat wel. Pronte boten varen af en aan met zand, dat ergens ver uit zicht van de zeebodem wordt opgezogen. Roestige pijpleidingen doorsnijden het nieuwe land en braken onafgebroken gore stromen zand uit in de zee, tot het ook land is. Ronkend en brullend werpen shovels en graafmachines er links en rechts enorme bergen van op. De dijk ligt er beteuterd bij. Onderaan het nieuwe duin sijpelt het laatste restje zee eruit, in een hulpeloos stroompje terug naar huis.

HK bergen petten 207

Langs de Hargervaart steken we de Harger en Pettemerpolder over, richting Petten. Een soort vrijstaatje, lijkt het te zijn, waar eigen regels en wetten gelden. Langs de kant liggen boten in zeer verschillende staten van onderhoud, aangevuld soms met zelfverzonnen bouwsels en buitenissige constructies met wastafels, badkamerspiegels en douchekoppen waarvan het toch nauwelijks te geloven is dat die inderdaad als sanitaire voorziening bedoeld zijn, zo in de open lucht. Het past echter naadloos in het beeld dat we verder van deze polder krijgen: een tikkeltje onaangepast. Ongeschaafd en eigenwijs. Van een weerbarstige, hoekige en onaangeharkte schoonheid. Die er straks, naarmate het kustprojekt vordert en het gebied, zo lezen wij op internet, “economische en toeristische impulsen” moet krijgen, waarschijnlijk toch aan zal moeten geloven. De eerste keurig nette beschoeiingen worden tenminste de grond al ingeramd.