Alles wat groeit en bloeit

cropped-p1040545.jpg

Van Bergen aan zee naar Castricum, een etappe van De lange weg naar huis, gelopen zondag 21 april 2019, eerste paasdag

Voor de laatste keer laten we ons volledig verzorgd met de auto op ons startpunt afzetten, mijn jongste zoon en ik. Bergen aan zee. Vanaf hier zullen we met het openbaar vervoer moeten heen en weren. Zo ver zijn we al van huis, op onze tocht naar Den Haag en weer terug. Het is eerste Paasdag, het weer is ons welgezind. De temperaturen zijn zomers, we zullen licht verbrand terugkeren vanavond, al weten we dat nog niet. Wel heb ik als voorzorg mijn hoedje opgezet. Eerste keer dit jaar.

P1040408

Bij de Zeeweg duiken we meteen de duinen in, een schitterend gebied. Meanderende zandwegen door glooiend en open terrein, met plukjes bomen hier en daar die zich ondanks protest uiteindelijk toch telkens opnieuw, grillig en krullend, naar de wind hebben moeten voegen. Bij een poeltje staan wat paardjes loom en fotogeniek te wezen. Ze kijken ook naar ons. Er wordt bedachtzaam wat gedronken. We staan er een tijdje bij stil en zien dan plotseling een gele kwikstaart. En nog één, en nog één. Op het laatst zijn het er vijf. Het staat mij vagelijk bij dat dit een bijzondere waarneming is, maar dat kan net zo goed onzin zijn. Wel ben ik erg tevreden met mezelf dat ik deze vogeltjes zonder pardon en haperen weet te benoemen. Al is dat ook weer niet zó moeilijk want als ik er zelf een naam voor zou moeten verzinnen zou het waarschijnlijk ook gele kwikstaart worden. Het is een vogel die zijn naam eer aan doet. Ze lijken een beetje bij de paarden rond te blijven darren. Vermoedelijk omdat daar lekker veel insecten op af komen, vertel ik mijn zoon iets voor de hand liggends.
Verderop buigen we ons gezamenlijk over wat sporen in het zand. Vragen ons en elkaar af wat hier gelopen zou kunnen hebben. We menen kussenpootjes met nageltjes te zien, te klein voor een vos, volgens ons. Niet de lange achterpootafdrukken van een konijn. Een wezel of een hermelijn misschien. Als die hier voorkomen tenminste, daar hebben we hier en nu geen idee van maar later blijkt op internet dat dat inderdaad tot de mogelijkheden behoort. Het tweede spoor is meer een soort bandenspoor. Ik houd het op een hazelworm, of een slangetje. Een flinke rups, zou ook nog kunnen, bedenk ik me nu ik dit schrijf.

P1040428

Halverwege Egmond nemen we een stukje strand, het is niet voor niets strandweer tenslotte. Erg veel mensen zien we nog niet, het is nog vroeg en we zitten ver van beide badplaatsen. Wat wandelaars. Twee vissers zitten hun tijd te beiden. Een rijtje joggers. Naarmate we Egmond naderen wordt het wat drukker met badgasten. Er worden kuilen gegraven, dammen opgeworpen en balletjes overgegooid.
Langs de duinrand staat een lange rij stacaravans als strandhuisjes opgesteld. Mooi is anders, vind ik persoonlijk, en ik stoor me graag aan het idee dat mensen zich op deze manier een stuk strand toe-eigenen, als een soort privégebied, waar het strand natuurlijk van iedereen is. Hoewel dit dan wel weer beter is dan de onder architectuur gebouwde patserige eenheidsworst waar de gemiddelde projektontwikkelaar het liefst heel de kust mee wil verpesten, als hij de kans krijgt.

P1040452

Het gebouw dat als eerste oprijst op een duintop, als voorbode van Egmond, doet wat denken aan het Zeehuis in Bergen aan zee. Ondanks de lelijke glazen aanbouw heeft het een zekere grandeur. Helaas zegt de lelijke glazen aanbouw meer over Egmond dan de rest van het gebouw want grandeur komen we verder niet tegen. Egmond is gewoon lelijk, sorry dat we het zeggen. Wat er eventueel nog aan authentiek vissersdorperigs zou kunnen staan is aan het oog onttrokken door stompzinnig lelijke appartementenflats met uitzicht op zee en andere toeristenmeuk. Op de boulevard staat vergeefs een treurige kermis opgesteld. De vuurtoren JCJ van Speijk staat van top tot teen in de steigers maar is zelfs zo nog verreweg het mooiste meisje van Egmond. Toeristen hebben daar geen boodschap aan, blijkt. Over de boulevard sjokken Duitse families en gezinnen goedgemutst richting het strand, bepakt en bezakt met parasols, klapstoelen, boodschappentassen met diversen en kratten en koelboxen vol etenswaren. Fraai is het allemaal niet, maar goed. De zomer lijkt begonnen.
Na Egmond mogen we gelukkig de duinen weer in, al is het tegen betaling. We horen heel de dag al, en ook hier weer, enorm veel vogelgeluiden. Alleen van de koekoek in de verte weten we zeker wat het is. Het gemauw van een buizerd gaat ook nog. Het lukt me een paar kleine vogeltjes min of meer scherp op de foto te krijgen zodat ik thuis kan uitvissen wat we gezien hebben. Dat blijkt dan ook wel weer lastiger dan ik dacht omdat je als vogelaar eigenlijk ook het geluid erbij moet kunnen onthouden. Alleen zo zijn tjiftjaf en fitis van elkaar te onderscheiden. En dan kan het ook nog een fluiter zijn. Een tweede vogeltje lijkt mij een nachtegaal toe, maar dat durf ik hier nauwelijks op te schrijven. Een derde lijkt zoveel op de roodborsttapuit dat ik dat wel met zekerheid durf te stellen.

P1040466

Waarom het nou zo leuk is om dat allemaal dan weer precies te willen weten, weet ik eigenlijk niet en dat is natuurlijk ook helemaal niet interessant. Als je iets leuk vindt moet je je vooral niet af gaan zitten vragen waarom. Vandaar dat we ook nog even een vogelkijkhut in sluipen. We kijken uit over een meertje met daarin alleen een meerkoet. Tja, die hebben we thuis ook. Sterker nog, in het slootje aan onze achtertuin zit een stel pal onder onze neuzen stoïcijns te broeden. We willen alweer rechtsomkeert maken als er plotseling toch nog iets anders langs zwemt. Het is klein, het duikt onder water maar ik zie wel dat het geen kuifeendje of koet is. Ik poch met mijn niet bestaande kennis tegen mijn zoon dat het wel eens een dodaars zou kunnen zijn. Ik weet zelf niet waar ik het vandaan haal, maar thuis blijkt het wel zo te zijn. Kleinste fuut van Europa, of de wereld zelfs. En uitermate schuw. Pakken we toch maar weer even mee.
Tegen Castricum aan lopen we langs een stuk nieuwe natuur. Dat wil zeggen, dat moet het misschien nog worden. Nu is het een tamelijk troosteloze zandvlakte waar alles wat groeit en bloeit met wortel en tak is uitgeroeid. Er staan alleen nog wat skeletten van bomen, die er misschien voor de insecten of het verrottingsproces zijn blijven staan. Of voor de apocalyptische sfeer. Er is geen informatie over wat de plannen zijn, welk nobel doel gediend wordt, en dat is jammer want na een dag wandelen door een schitterend natuurgebied ziet dit er toch tamelijk vijandig en destructief uit.

P1040537

Terwijl ik er wat kunstzinnige foto’s van maak, want zo ben ik dan ook wel weer, blijven twee dames in zeer onflatteuze korte broeken angstvallig buiten beeld staan wachten. Ze willen niet op social media, roepen ze ter verklaring. Ach ja, het gevaar loert overal. Daarna blijven ze wel nog vrij lang in ons uitzicht voor ons uit wandelen.
Op het zandpad verdiepen we ons in een vrij groot insect dat steeds een stukje voor ons uit lijkt te vliegen en gravende bewegingen maakt in het rulle zand. Het lijkt mij een soort wesp, en dat is het ook, lees ik later. Een langsteelgraafwesp. Jaja. En daarvan de duinaardrupsendoder, om precies te zijn. Waarop ik wel eens wilde weten hoe de duinaardrups er uit zou zien, maar zo zit het niet. Er bestaat geen duinaardrups. De duinaardrupsendoder doodt elke rups die hem voor de voeten komt, om hem in te graven als voedsel voor één van zijn larven. En naast de duinaardrupsendoder bestaan dan ook nog andere soorten rupsendoders. De kleine rupsendoder, bijvoorbeeld. Terwijl er dus ook een paddenstoel blijkt te zijn die rupsendoder heet. Ja, je leert best veel op een wandeling. Als je je ogen maar open houdt, en niet te veel haast hebt.
Dan lopen we het verkoelende bos in richting het station van Castricum. Het klinkt ondankbaar op zo’n vroege mooie dag, maar de zon is best warm. We zijn bovendien aangekomen bij het moment waarop we merken dat we licht verbrand zijn.
Het bos heeft die typische lichtgroene kleur van de lente. Berkjes die net zijn uitgelopen, abelen die licht lijken te geven met hun witbehaarde blaadjes, kastanjes al vol in het blad, eiken die nog moeten beginnen. Een en al belofte van leven en geluk.
De trein missen we op drie seconden, hooguit vier, maar dat laten we ons de dag niet bederven.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Advertenties

Boleten, plaatjeszwammen en de Duinen van Six

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Castricum naar Bergen aan Zee, gelopen op zondag 24 augustus 2014

De Schotse kust, die is mooi. Heel mooi. Adembenemend. De kust van Bretagne ook trouwens, heel mooi. Ruig, ongerept, en lieflijk tegelijk. Schoorvoetend bijna komen we allebei terug van vakantie, terug aan de Hollandse kust. Zullen we het nog wel weten te waarderen, het Hollands Kustpad, na al dat toch min of meer exotische en romantisch ongepolijste natuurspektakel? Al die imposante rotspartijen, kliffen en baaien. Die brede, droogvallende stranden. De geheimzinnige eilanden verderop in zee. Vinden we het niet saai straks, van Castricum naar Bergen aan Zee? Nee natuurlijk. Wat een flauwekul. De kust is de kust is de kust uiteraard, en die is nou eenmaal overal anders. Maar waar het ook is, overal heeft zij haar eigen charme, zeker ook tussen Castricum en Bergen. Het is goed weer thuis te zijn.
Vanaf het station nemen we de kortste weg naar Johanna’s Hof, bij Bakkum, voor een bakkie. Meer mensen zijn op dat idee gekomen trouwens, het bos wemelt van de drentelende dagjesmensen met kinderwagens, heen en weer hobbelende en rennende peuters en kleuters met stokken en loopfietsjes en allerlei wilde plannen. En geef ze eens ongelijk, want voor het eerst in lange tijd is het vandaag weer eens een zonnige zondag. Hop, op naar het bos. Zo deden wij dat vroeger ook, toen we zelf nog in de kleine kinderen zaten. Heerlijk.
Ook Johanna’s terras is afgeladen. De appeltaart zal wel beroemd zijn want daar wordt aan bijna alle tafeltjes flink van gegeten, met of zonder slagroom. Het gonst daardoor bovendien van de wespen, die er ook wel pap van lusten, maar daar was op gerekend: ieder tafeltje is voorzien van zo’n kleurige elektrische vliegenmepper, en menig huisvader zit daar met een verwilderde blik in de ogen ongecoördineerd en kansloos mee om zich heen te slaan, om vrouw en kinderen tegen de opdringerige natuur te beschermen. Het is een grappig gezicht, eerlijk gezegd. Wij lachen in ons vuistje, net als de wespen waarschijnlijk. Maar appeltaart nemen we niet. We waren toch al aan de lijn.

hk castricum bergen az 039

Nu we er zo veel van zien staan, langs berm en beemd, dringt de vraag zich op: zijn het nou paddestoelen of toch paddenstoelen? Een eenduidig antwoord blijkt er niet te zijn, het is zo’n woord waar de regelen der Nederlandsche Taal geen vat op hebben, en dat past eigenlijk wel bij deze mysterieuze groeisels. Waarvan het bijvoorbeeld ook vreemd is dat we geneigd zijn er vandaag een voorbode van de onvermijdelijke herfst in te zien, nu ze met zovelen de berm uit puilen. Terwijl dat dus een hardnekkig misverstand schijnt te zijn, ook in het voorjaar en de zomer kun je ze volop vinden. En verdorie, het ís ook pas augustus, nog een volle maand te gaan.
Niet alleen de juiste spelling stelt ons voor problemen, ook van soortnamen, eetbaarheid of andere wetenswaardigheden hebben we weer eens geen idee. Van een paar opvallend grote exemplaren leren we later op facebook, van een deskundige, dat het de reuzenparasolzwam is, maar als we hem uitgebreid fotograferen, weten we dat nog niet. Dus wanneer een passerende dame, in de optimistische veronderstelling waarschijnlijk dat wij er als wandelaars wel verstand van zullen hebben, bij ons informeert wat voor paddestoel dit nou is, weten wij niets beters naar voren te brengen dan het wat lollige: een grote. De oudere heer, die de dame vergezelt, wordt knorrig van zo’n dom, onwetend antwoord en moppert van boleet en plaatjeszwam en dat je dat aan de onderkant kunt zien. Aan de plaatjes. Maar, foetert hij nog even door, als de duitse leraar van Wim de Bie, zelfs dán zijn er nog hónderden soorten boleten en plaatjeszwammen. Al mopperend en gesticulerend verwijdert hij zich buiten gehoorsafstand, de dame wat aarzelend in zijn kielzog. Wij concluderen dat de knorrige meneer dus ook geen idee heeft, net als wij, maar dat hij wel tot de diepste kennis is gekomen die je kunt bereiken, namelijk dat je vooral heel veel níet weet.

hk castricum bergen az 170

Wat ze in Schotland en Bretagne trouwens dan weer niet hebben, zijn Hollandse luchten. Zodra we even voorbij Castricum het bos uitlopen en het open duingebied betreden, worden we er de rest van de dag volop op getrakteerd. Soms strakblauw met hier en daar een plukje elkaar verdringende witte wolkjes, een handvol witte strepen van het vliegverkeer, soms opeens ook donkergrijs met alleen nog ruimte voor een klein streepje zon, dat verderop een detail van het landschap raadselachtig aanlicht. Het landschap dat in een schijnbaar eenkleurig grijsgroen richting Egmond en Bergen heuvelt en glooit, maar bij nadere beschouwing uit een rijke schakering aan tinten blijkt te bestaan. Alle kleuren groen en grijs, roestbruin en zwart, gele en paarse accenten van bloemen en bloeiende heide, het knalrood van de bessen in de afgeladen meidoorns en het feloranje van de al even volle duindoorn. Van de laatste proeven we een paar bessen, gewoon omdat dat kan, weten wij ook eens wat. Ze zijn misschien lastig te plukken, van tussen de venijnige stekels, en je knijpt ze eigenlijk te makkelijk kapot, maar lekker zijn ze ook. Bitterzuur, vreselijk zuur, maar lekker. En hartstikke gezond. Hollands superfood. Daar hoef je echt geen peperdure gedroogde Inca Berries of goji-bessen voor uit de moderne-fratsen-winkel te halen.

hk castricum bergen az 158

Van Egmond aan Zee vragen we ons in gemoede af waarom er in vredesnaam überhaupt toeristen op af komen. Wij zien niets dan geparkeerde auto’s en uitgebluste, anonieme betonnen stoeptegel treurnis waar alle vreugdeloze pogingen er iets van te maken duidelijk zichtbaar mislukt zijn en waarmee het waarschijnlijk wel nooit meer goed zal komen ook. Alleen de vuurtoren kan ons bekoren. Maar goed, een vuurtoren, daar kan niet veel mee fout gaan. Pas als we Egmond weer uitlopen, terug de duinen in, zien we wat weleens veel meer het echte Egmond zou kunnen zijn. Hier treffen we een charmant anarchistisch biotoop  van mini-vrijstaatjes die zich her en der in bestaande valleitjes en duinpannetjes hebben ingegraven, kriskras bescherming zoekend tegen weer en wind. Een slordige lappendeken van scharrige volkstuintjes, met ludieke namen als Luilekkerlandje, Papagaaientuin en Vitamine Zee. Wrakke, zelfverzonnen huisjes, wankel opgetrokken uit overgeschoten stukken golfplaat, plaathout en restanten schuttingdelen of anderszins, en kozijnen die zijn blijven liggen na de verbouwing thuis. Er wil ook niet erg veel groeien op de zilte zandgrond blijkbaar, veel tuintjes zien eruit of de bezitters het hebben opgegeven voor dit jaar. Het ligt braak of er staat hooguit nog wat zieltogend groen op te verpieteren. Boerenkool, prei, aardappels. Hier en daar een eenzame zonnebloem. Tegen de achtergrond van de kasteelachtige villa die vanaf de boulevard van Egmond hooghartig toezicht houdt, heeft het tafereel iets middeleeuws. Heel, héél in de verte blijkt dat ook te kloppen. Tot voor kort was dit duingebied privé-eigendom van een adellijke familie die het als jachtgebied gebruikte, de familie Six van Wimmenum. In 1948 besloot de toenmalige jonkheer de leegrakende familie-schatkist aan te vullen door in zijn duingebied landjes te verhuren aan het gemene volk, om er aardappels op te verbouwen. Sindsdien spreekt men hier van de Duinen van Six, hoewel het gebied, sinds de provincie het overnam van jonkheer Six, officieel de Wimmenummerduinen heet. Maar probeer dat maar eens in één keer goed uit te spreken.
Richting Bergen aan Zee worden we geacht een toegangskaart aan te schaffen, maar met de Egmondse anarchie nog in het achterhoofd besluiten we vandaag dat de natuur van iedereen is.

Aristocratische gekkigheid

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Driehuis tot Castricum, gelopen op vrijdag 27 juni 2014

We smokkelen er een paar kilometer af vandaag, en nemen de trein naar Driehuis. In plaats van naar Santpoort Noord. Ach, veel scheelt het niet eens, maar heel eerlijk gezegd zijn onze verwachtingen voor het eerste gedeelte van deze etappe niet al te hooggespannen. Het pontje bij Velsen, okay, dat is leuk, een pontje is altijd leuk, maar voor de rest hebben we er tot Wijk aan Zee een beetje een hard hoofd in. Dus hoe eerder we daar zijn hoe beter.
Wel hebben we eerst zin in koffie, het liefst met appeltaart. Op Driehuis hoeven we wat dat betreft niet te rekenen, merken we al gauw. Dat de trein uit Amsterdam er stopt is wel weer genoeg wereldse zwier, vinden ze daar waarschijnlijk. Misschien hebben we niet goed opgelet hoor, maar zelfs onder de kerktoren treffen we geen café. We zullen ons geluk verderop moeten beproeven.

HK driehuis - castricum 042

Op landgoed Beeckestijn bijvoorbeeld, waar we al snel terechtkomen. Daar lijkt het te gaan lukken, want daar zit al iemand met koffie op het terras. Het is iemand van de bediening dus dat is makkelijk, dan kunnen we meteen bestellen. Tenminste, dat hadden wij gedacht. Ha! Met een klantvriendelijke glimlach worden we gewoon van het terras geweerd. Het is nog niet open. Ze is er zelf nog maar net, zegt de bediening, en blaast in haar koffie. Dus. Vanaf elf uur zijn we welkom. Tien minuutjes. En geen seconde eerder. Gastvrijheid op zijn Hollands.
Ontredderd vervolgen wij onze wandeling. Zó ontredderd zelfs dat we op het toch zeer overzichtelijk volgens Engelse tuinwetten aangelegd landgoed de draad kwijtraken, aarzelend op onze schreden terugkeren en toch nog een extra rondje draaien. Mét een half oog voor de buitenexpositie trouwens, die op het landgoed is ingericht en waar juist een groepje welwillend toeluisterende bejaarden langs wordt geleid, door een gids die alles wat zij weet voorleest uit een map.

HK driehuis - castricum 041

Zo zien we bijvoorbeeld een groot, niet te missen, fluorescerend groen vierkant op de grond liggen, met op iedere hoek een wat aanstellerig, wit beeld, dat, door de reflectie van het vierkant natuurlijk, groen wordt aangelicht. Het is ons niet meteen duidelijk of de beelden er al stonden, of dat ze er voor de gelegenheid zijn neergezet, al lijkt het eerste het waarschijnlijkst. Verschillende honden hebben hun modderig spoor al over het vierkant getrokken, waardoor het kunstwerk ook een beetje wordt teruggebracht tot het zeildoek dat het is. Of dat goed is, weten we niet.
Verder staat er een kruisvormig bouwsel van transparante, zéér rode plastic bakstenen. Als je er doorheen loopt, of er middenin gaat staan, zie je alles rood. Tja, dat wel. Het ziet er wat haastig afgewerkt uit en doordat het op een onderstel van verchroomde buizen met zeer lullige zwenkwieltjes staat, lijkt het eerder een afgedankt stuk winkeldecoratie dan een folly. Want dat is het, wat we hier zien, lezen we de week erna in een ook nog enthousiaste Volkskrantrecensie. Folly’s, dames en heren. Gebouwtjes zonder functie. Dwaasheden. Aristocratische gekkigheid uit de achttiende eeuw, waar op het landgoed Beeckestijn ook ooit voorbeelden van te vinden zijn geweest. Nu wel zéér dunnetjes overgedaan en naar de moderne tijd gehaald, wat ons betreft. Wij zijn in dit geval toch echt meer gecharmeerd van de om de hof gemetselde slangenmuur, uit de achttiende eeuw. Sorry. De bejaarde kunstliefhebbers ondertussen, hebben plaatsgenomen op het inmiddels geopende terras. Maar wij zijn gekke Henkie niet natuurlijk, en lopen ijskoud door.

HK driehuis - castricum 056

Dat onze verwachtingen óók maar wat doen, blijkt als we Velsen Zuid inlopen. Een onvermoed stukje oud Hollandsche glorie. Vriendelijke straatjes en pleintjes met bakstenen trapgeveltjes, gezellige pannendakjes, kruislatten in de vensters en luiken langszij. Stokrozen in alle kleuren bloeien metershoog in de zon. Leiboompjes fris in het groen. Pas in tweede instantie valt op dat nergens auto’s staan geparkeerd. Waar men ze hier laat.. geen idee, maar niet voor de deur. Het levert een romantisch ongeschonden straatbeeld op dat niet zou misstaan in een film van Bert Haanstra. Jammer dat Velsen Zuid maar zo klein is. Voor we het weten zijn we er alweer doorheen en staan we aan de barre oever van het Noordzeekanaal. Met uitzicht op allerhande rokende en dampende bedrijvigheid. Schoorstenen, kranen, windmolens en moeilijk te doorgronden gebouwen. Aan de overkant wordt vanaf een roestig en afgebladderd zeeschip een klein boodschappenbootje te water gelaten.

HK driehuis - castricum 082

Met de pont steken we het Noordzeekanaal over. Autoverkeer is er niet, wel fietsers en voetgangers. Naast ons op het houten bankje ploft zuchtend een Chinese man neer. Hij is onderweg naar Alkmaar, vertelt hij, en wijst op een mountainbike die zo op het oog veel te klein voor hem is. Vanavond rijdt hij weer terug. Hij gaat er op visite. De man spreekt vloeiend maar moeilijk verstaanbaar Nederlands en zijn bruingeblakerd en zeer geschonden gebit maakt het zeker niet makkelijker ons op zijn woorden te concentreren. Niettemin begint hij een begeesterd gesprek over de meeuw, die ons vanaf een meerpaal, vlakbij, nauwlettend in de gaten zit te houden, met z’n roodomlijnde oogjes. Een mantelmeeuw, meen ik te weten. Een agressieve vogel, volgens de man. Hij is er drie keer door aangevallen. Niet per se door dit exemplaar, zoals ik eerst nog ongelovig informeer, maar door soortgenoten. Want agressief zijn ze allemaal, weet de man met grote stelligheid. Hij illustreert zijn verhaal met een aantal lastig te volgen voorbeelden van vrienden en bekenden die ook werden aangevallen door meeuwen, inclusief een voorval waarbij dat fataal was afgelopen voor de betrokken meeuw. Iets waar de politie nog aan te pas was gekomen, omdat je niet zomaar een meeuw mag doden. Vlak voor aankomst aan de overkant van het kanaal begint de man een nieuw verhaal. Over tafeltennis ditmaal, een sport die hij volgens eigen zeggen fanatiek beoefent. Net als we beginnen te vrezen dat we hem niet meer kwijt zullen raken vandaag, we zijn alweer aan wal, springt hij op zijn fiets en wenst ons een goede wandeling. We zien dat zijn mountainbike inderdaad aan de kleine kant is. En Alkmaar is best nog ver weg.

HK driehuis - castricum 094

Het gebied waar we vanaf de pont doorheen lopen is waarschijnlijk één van de lelijkste stukjes van ons land. Dat moet wel. Er zijn industriële gebieden die in hun lelijkheid, of in hun verval, of in hun hightech functionaliteit nog iets van schoonheid herbergen. Mooi van lelijkheid zogezegd. Maar Velsen Noord is echt alléén maar lelijk. Zonder enige charme. Troosteloos, vreugdeloos, hopeloos. We maken er verder geen woorden aan vuil, dit strookt dan toch weer geheel met onze verwachting. Net als de weg die we volgen naar Wijk aan Zee. Het is dat het moet, maar leuk is anders, zo vlak langs het razend autoverkeer. Als we dan in de duinen voor Wijk aan Zee de roodwitte markering voor de zoveelste keer kwijtraken vandaag dreigt het humeur zelfs een beetje te bezwijken, zo hier en daar. Wijk aan Zee kan dan allang geen goed meer doen. Het is ons een raadsel wat toeristen hier vinden. Als je de zee zoekt zijn er verdorie wel betere plekken te vinden dan dit rafelige gat. Dit tegen de duinrand aan gewaaid achterstandswijkje. En dat het voor de helft is ingepakt in ratelend oranje landbouwplastic helpt ook niet echt. Wat wel helpt is de appeltaart, eindelijk!, op het terras van Gewoon Wijk aan Zee. Die verzoent ons weer met de loop der dingen, precies zoals ons door de goedgeluimde bediening was beloofd. Zelfs de geluidstechnici, die zich met veel wanthoe en oyoyoyo door de microfoon een kwartiertje goedbetaalde dj’s wanen maar in werkelijkheid voorbereidingen treffen voor wat bij navraag de jaarlijkse zeepkistenrace blijkt te zijn, ondergaan wij met een milde glimlach. Waarom niet? Eenmaal in de duinen achter Wijk aan Zee aanbeland komen we zelfs een zeepkist tegen. We wensen hem een goede race.

HK driehuis - castricum 166

Tot we uiteindelijk afbuigen naar Castricum lopen we door een uitgestrekt en afwisselend duingebied. Bossen en zanderige vlakten, tanige boompjes aan de horizon, watertjes en heuvelachtig terrein met erachter de onzichtbare maar immer aanwezige zee. We zien Schotse Hooglanders, lui verscholen in het kreupelhout. We zien Scottish Blackface schapen rondstruinen en plotseling een vos, die zich snel uit de voeten maakt. We stuiten op een wat aan het oog onttrokken hekwerkje rond twee stenen platen in de grond. Het blijkt het graf te zijn van twee honden, Fifine en Arthur. De favoriete jachthonden van ene Jan Hendrik van Boelens van der Haer. Een rijke Hagenaar die het duingebied waar we doorheen lopen aan het begin van de vorige eeuw als privéjachtgebied in zijn bezit had. Over aristocratische gekkigheid gesproken. Het graf is juist gerestaureerd, meldt een bordje. Maar vast niet op kosten van de familie van Boelen van der Haer, denken wij. Een bosmuisje springt nog weg voor mijn voeten en een zebrarups kruipt over het bankje waarop we even rusten. Dat wordt straks een sint-Jacobsvlinder, leren wij ’s avonds op internet. Enorme aalscholverkolonies hebben hier en daar hele boompartijen in bezit genomen en schijten die systematisch van voor naar achteren hartstikke dood. Trieste, grijswitte staketsels zonder hoop op leven blijven over. Het biedt een vreemd contrast met het uitbundig bloeiend slangenkruid dat het laatste stuk tot aan Castricum zover het oog reikt in een levendige, paarse gloed zet.