Reigers en aalscholvers

cropped-p1030977.jpg

Van Schoorldam naar Bergen aan zee, een etappe van De Lange Weg Naar Huis, gelopen op zondag 17 maart 2019

We zijn onderweg naar Den Haag, mijn jongste zoon en ik. In etappes wandelen we van onze woon- naar onze geboorteplaats. En weer terug. Een maand geleden uit Schagen vertrokken staan we hier, op de Westfriese dijk, vlak voor Schoorldam, waar we vorige week gebleven waren en waar we ons vandaag weer af hebben laten zetten, dus nog maar aan het begin van onze lange weg naar huis. Vol goede moed uiteraard, want we doen het voor de lol. Bovendien is het weer eens prachtig weer, de zon komt telkens opnieuw achter de haastig voortjagende wolken tevoorschijn.. we hebben ja niks te klagen, dus dat doen we dan ook niet.
Via de helwitte Schoorldammerbrug steken we het in tegenlicht blikkerend Noordhollands kanaal over, duiken met het fiets- en voetgangerstunneltje onder de N9 door, langs het Betoverde Bos van kunstenaarsduo BlokLugthart, met de zeven gitzwarte merels die refereren aan het wapen van Schoorl, en door de lommerrijke buitenwijken van Schoorl lopen we richting de kust, die we pas in Bergen aan zee echt zullen bereiken.

P1030955

In die lommerrijke buitenwijken treffen we ook een klein maar fijn stukje bos waarin wat naaldbomen staan die hun kroon als een enorm parapluscherm hoog over het pad uitspreiden. Als zwarte gaten in het takkenpatroon ligt daarop een aantal flinke reigernesten verspreid. Dat het reigernesten zijn weten we zeker wanneer we een reiger net zo nieuwsgierig naar beneden zien kijken wie er daar onder zijn huis staat te dralen als wij naar boven of we een teken van leven ontwaren. Het is een koddig gezicht, die toch echt verbaasde vogelblik boven die eigenwijze puntsnavel. Wat de reiger van ons denkt wordt duidelijk wanneer een ferme straal dunne vogelpoep vlak naast ons in de berm fluimt. Dat had heel anders af kunnen lopen.

P1030966

Het centrum van Schoorl kondigt zich aan met een kerk en daarnaast het piepkleine oude raadhuisje. Omdat ik hier ter gelegenheid van een eerdere wandeling al eens wat over had opgezocht, kan ik nu ook aan mijn zoon vertellen dat dit schattige raadhuisje van 1601 is. Dadsplaining zou je dit kunnen noemen, omdat die wijsheid ook met grote, gouden letters op de gevel staat genoteerd. Het raadhuisje, lepel ik de rest van mijn internetkennis op, bestaat uit slechts één ruimte, de raadszaal. Met, okay, nog een portaaltje. Niettemin is het in gebruik geweest tot 1901 voordat het door inmiddels ook allang weer verlaten nieuwbouw werd vervangen. Over duurzaam bouwen gesproken. In 1931 kwam het gebouwtje in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich het behoud van architectonisch of historisch waardevolle gebouwen ten doel heeft gesteld. Aan het Schoorlse raadhuis hebben ze een hele kluif gehad omdat de gemeente destijds bij de overdracht de voorwaarde had gesteld dat het gebouwtje een paar meter naar achter zou worden verplaatst, zodat, toen al, de weg verbreed kon worden, ten behoeve van het oprukkend autoverkeer. Het raadhuisje is toen baksteen voor baksteen afgebroken en iets naar achteren weer opgebouwd.
In het perkje voor raadhuis en kerk wordt één van Schoorls grootheden, schilder en tekenaar Jan van Scorel (1495 – 1562), geëerd, met twee bronzen beelden. Voor het raadhuis staat de kunstenaar zelf, ten voeten uit; voor de kerk een ruimtelijke opvatting van één van zijn schilderijen, de Jeruzalemvaarders. Daarover schreef ik al in de rubriek Kunst Onderweg op het weblog van de wandeling langs het Groot Frieslandpad.

P1030977

Bij het bezoekerscentrum beklimmen we de trap naar wat het hoogste duin van Nederland genoemd wordt, we spreken graag in de overtreffendste trap in ons landje aan de Zuiderzee. Eenmaal boven is het uitzicht echter zeker weids te noemen. Aan onze voeten ligt de landkaart van de kop van Noordholland. We zien de karakteristieke twee kerktorens van Schagen, waar we vandaan komen, dichterbij de kerktorens van Warmenhuizen en Dirkshorn, de windmolens langs de N242 en aan de horizon de flatgebouwen van Hoorn. Achter ons laat de zee zich al zien, tussen de Schoorlse duinen.
Vanaf hier volgen we de roodwitte stickers en pijlen van het Nederlands Kustpad richting Bergen aan zee. Al snel passeren we onafzienbaar lange rijen hoog opgetaste boomstammen die langs de weg liggen te wachten op verder transport. Hier wordt aan de natuur gewerkt. Natuurbeheer. Er is de laatste tijd veel over te doen.

P1030984

Natuurbeheerders claimen meer variatie in het landschap te willen aanbrengen door stukken bos te kappen: stuifduinen, verschraalde gebieden, heide, een hoger grondwaterpeil, waardoor ook verdwenen plant- en diersoorten hun herintrede zouden kunnen doen. Boze tongen beweren dat al dat gekapte bos de organisaties goed geld oplevert als biomassa voor het opwekken van groene energie, die daarmee uiteraard opeens een stuk minder groen wordt. En hoe lang kun je daarmee doorgaan voordat de bomen op zijn? Wij weten niet zo goed wie we moeten geloven. Maar een rotgezicht is het wel, zo’n muur van gerooide bomen. Verderop komen we inderdaad wat drassige stukken tegen, maar weten dan weer niet of dit nu al het resultaat kan zijn van al dat natuurbeheer. Verder vinden we het gebied waar we doorheen wandelen eigenlijk al behoorlijk afwisselend. We lopen door stoïcijnse naaldbossen waar de stammen kaarsrecht in het gelid staan en maar weinig verdere begroeiing onder zich gedogen, door zilverwit oplichtende, ijle berkenbosjes, door krullerige heksenbosjes waarvan de stammen en takken zich kermend en in grote radeloosheid ten hemel lijken te kronkelen. We doorkruisen heidevelden en passeren vennetjes en poeltjes, we stijgen en dalen en glooien tevreden met de zandpaden en klinkerweggetjes mee. Van ons zou het ook wel zo mogen blijven, mocht iemand het willen weten.

P1040057

Bij een klein meertje, gedeeltelijk omzoomd door grillige, zwart afgekloven skeletten van bomen treffen we twee aalscholvers die op een boomstronk vlak boven het water zitten te zitten. Het geheel biedt een licht prehistorische aanblik. Dat heb je met aalscholvers, daar is niet veel meer aan het basisontwerp gerommeld, sinds de schepping. Deze twee zitten niet in de karakteristieke houding met de vleugels wijd te drogen. Blijkbaar zijn ze al droog, en wachten ze tot het tijd wordt voor een nieuwe duik. Ze lijken niet erg onder de indruk van onze aanwezigheid en zelfs wanneer we steeds iets dichterbij sluipen, blijven ze onverveerd op hun boomstammetje zitten, al houden ze ons duidelijk zichtbaar wel scherp in de gaten. Ze zullen niet veel zin hebben om net opgedroogd als ze zijn meteen weer te water te moeten en stellen dat paniekmoment zo lang mogelijk uit. Het stelt ons in de gelegenheid de vogels een tijdje rustig van dichtbij te bekijken, wat wij als bijzonder ervaren. We zien dat ze veel mooier zijn dan je van een afstandje zou zeggen. Niet egaal dominee-zwart maar met een schitterend, subtiel schubbenpatroon op de vleugels, wufte witte pluimpjes die daaronder uit piepen en een staart als een gesteven plooirokje tot net iets boven de knie. Een fikse punk-hanekam op het hoofd. Ons oordeel over de aalscholver is bij dezen bijgesteld.
Als eerste teken dat we Bergen naderen zien we het torentje van Huize Glory boven de bomen uitsteken. Lang geleden beklommen we dat enigszins in verval zijnde torentje, langs wenteltrappen en trappenhuizen, om boven op de glazen omgang met meegebrachte verrekijkers de omgeving af te speuren. We weten het allebei nog. Langs het Zeehuis tenslotte lopen we Bergen aan zee binnen. Het laatste stukje doen we over het strand, om de zee even gedag te zeggen. Het waait stevig, het zand stuift op, we worden verwelkomd en uitgezwaaid door een woeste branding.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Advertenties

De lange weg naar huis

cropped-p1030696.jpg

Van Schagen naar Schoorldam, de eerste etappe van De Lange Weg Naar Huis, gelopen op zondag 17 februari 2019

Het was een vaste gewoonte, tijdens onze gezinsvakanties, dat ik met ieder van onze twee zonen een dagtocht ondernam. Leuke avonturen waren dat altijd, waarbij we elke Jagdstuhl beklommen die we tegenkwamen, van het pad af gingen om beekjes te volgen tot aan de bron, mysterieuze vijvers vol vis ontdekten en alles opraapten wat te mooi was om te laten liggen. Nog altijd heb ik ergens dozen vol botjes, schedeltjes, stenen, schelpen, gedroogde kikkerlijkjes en wat al niet. Met mijn oudste zoon heb ik dat het langst vol kunnen houden, die wilde zelfs buiten de vakanties om nog wel eens mee op stap, de jongste liet op een goed moment weten dat wandelen ‘niet echt meer zijn ding was’. Ach ja, zo gaat dat dan. Maar sinds hij afgelopen zomer een zogenoemde hike heeft ondernomen in Frankrijk, met zijn maat, is hij opeens wel weer te porren voor een serieuze wandeltocht met zijn oude vader. En om daar enige continuïteit, een doel en een soort van betekenis aan te geven hebben we bedacht vanuit huis naar Den Haag te lopen, ons beider geboortestad, en vandaar weer terug naar Schagen, waar we nu alweer meer dan tien jaar wonen. Zo lopen we in beide richtingen naar huis en dat vinden we alletwee wel een mooi idee. Het plan heeft een tijdje op de plank liggen wachten tot de oude vader weer voldoende hersteld was van zijn operatie, dat duurde even, maar vandaag is het zover en zetten wij de eerste stappen op de lange weg naar huis.

P1030671

Het is half februari maar de lente is een paar dagen geleden al in volle glorie losgebarsten en we kunnen luchtig gekleed op pad. Onderweg zien we zeeën van bloeiende krokusjes, narcissen hier en daar, we spotten wat kieviten die blijkbaar alweer terug zijn, of misschien wel helemaal niet eens zijn vertrokken want een echte winter hebben we ook niet gehad, we zien bomen en struiken aarzelend wat eerste groene puntjes op verkenning sturen, we zien mensen uit hun huizen komen en in de tuin aan het werk gaan, koffie drinken in de zon of anderszins van het weer en het leven genieten. Eenden zitten elkaar luidruchtig achterna in sloten waar twee weken terug nog een laagje ijs overheen lag.
Langs vertrouwde wegen en paden verlaten we Schagen, het eerste stuk komt overeen met mijn vaste ochtendwandeling, daarna gebruiken we tot St Maarten de Groene Wissel Schagen. Via de Tolkedijk steken we onder de provinciale weg door richting Groenveld. We lopen over smalle en vrij rustige landweggetjes maar ook over grasdijkjes en dwars door weilanden. Aan de horizon zien we tal van kerktorentjes die we nu eens, nu we nog vlak bij huis zijn, allemaal herkennen. Valkkoog, Dirkshorn en de dubbele torens van Schagen.

P1030684

In Groenveld lopen we langs de Groenvelder, een poldermolen die op het woongedeelte na is afgewerkt met riet en die volgens het jaartal op de kap van 1560 is. Wij hebben geen reden daaraan te twijfelen en dat doen we ook niet, maar later lezen we op internet dat over dat bouwjaar wel het nodige te doen is geweest. Omdat het molenwiel boven in de molen volgens een inscriptie van 1716 is, werd lang aangenomen dat dat ook het bouwjaar van de molen zelf was. In 1981 komt men, op basis van een oude landkaart waarop de molen staat vermeld, tot het nieuwe inzicht dat die er in 1572 al heeft gestaan. In 2007 blijkt hij dan ook op een landmeterskaart van Laurens Pietersz uit 1560 al voor te komen. Dit jaartal staat nu weliswaar op de kap maar bleek in 2016 toch ook weer niet helemaal te kloppen want op initiatief van de molenaar en het Hoogheemraadschap werden dat jaar verschillende houtmonsters genomen die er op wezen dat de molen zeer waarschijnlijk in 1529 al werd gebouwd. Daarmee is het dan meteen één van de oudste poldermolens in Nederland geworden. De kap werd gedateerd op 1751. Blijkbaar heeft de molen het een en ander meegemaakt aan storm of brand of tegenspoed, waardoor eerst het molenwiel en korte tijd later de kap moest worden vervangen. De Groenvelder stond er om de Valkkoger polder te bemalen en heeft dienst gedaan tot 1990, vanaf 1955 met hulp van een elektrisch gemaal. Ook nu draait de molen nog af en toe. Soms, op afroep,  nog steeds om de polder te bemalen en soms voor het soepel houden van het gestel. Draaien voor de prins, schijnt daarvoor een oude molenaarsuitdrukking te zijn. Die is vandaag de dag extra toepasselijk omdat de molenaar van de Groenvelder Prins heet, lezen wij.

P1030719

Zigzaggend door de weilanden, langs boerensloten en langs het automatisch gemaal Valkkoog dat de taak van de Groenvelder heeft overgenomen, bereiken we St Maarten. Op een picknicktafel bij het ijsbaantje stillen we de eerste trek. Er zal niet meer op vorst gerekend worden maar de kluunmatten liggen er nog en op een briefje achter een raampje staat te lezen dat het verboden is het ijs te betreden. Mocht de boel toch nog een keer dichtvriezen, is het wel een heel leuk ijsbaantje, denken wij. Met klifachtige graswallen rondom waarop je kun zitten om je veters aan te halen, je snapchat te checken of een glas glühwein te drinken.
Dan klimmen we de Westfriese omringdijk op om de tocht te vervolgen. Een dijk van 126 km lang die heel Westfriesland omarmt, zoals de naam al doet vermoeden, maar hier tussen St Maarten en Eenigenburg moet wel één van de mooiste stukken zijn. Het weidse uitzicht over de akkers en de velden met recht vooruit in de heiigheid de duinen van Schoorl al in zicht, rechts een glimp van de kerncentrale bij Petten, links het kerkje van Eenigenburg dat op zijn terp bescheiden boven de einder staat uit te steken. Maar vooral ook de dijk zelf, die op dit stuk buitengewoon pittoresk in bijna driekwart cirkels als een enorme slang om een aantal zogenoemde wielen heen kronkelt. In barre tijden is de dijk op deze plaatsen doorgebroken en kolkte de zee ongehinderd en opgezweept door stormwind naar binnen, een groot rond uitgeslepen meer achterlatend dat zó diep was dat het bij het herstel makkelijker was de dijk er maar gewoon links of rechtsom omheen te leggen. Wielen, worden deze meertjes genoemd. Ze liggen er vandaag de dag van riet omzoomd vredig en zeer fotogeniek bij te liggen, pleisterplaats voor allerlei vogels. Het kronkelen biedt de wandelaar bovendien een fraai uitzicht op de dijk zelf, die je in de verte al gauw weer een nieuwe bocht ziet maken waardoor je hem onder weer een andere hoek ziet en waardoor je je ook begint te realiseren wat een enorm bouwwerk dit is, zeker wanneer je bedenkt dat hier in de 13e eeuw al aan gewerkt werd. Ik kom er graag. En ik niet alleen. Het is zondag vandaag en één van de eerste lentedagen, voor het eerst in lange tijd is het heerlijk weer.. het is stervensdruk op de dijk. Iedereen is er op uit getrokken om dit unieke en rustieke stukje Noordholland vandaag te bezoeken. Felgekleurde fietsers die ons met een luid achterop komen suizen, er van uitgaand dat wij wel opzij zullen springen voor het te laat is; lange colonnes glimmende en ronkende motoren die in kuddeverband hun individuele vrijheid aan het botvieren zijn en die je een kwartier later, wanneer ze Alkmaar binnen rijden, nog altijd kunt horen, als er tenminste niet net een tweede of derde cohort langs komt razen; en tip top gerestaureerde oldtimers, met open daken en al even goed geconserveerde oldtimers achter het stuur, waarvan je goed kunt ruiken dat ze nog heel authentiek 1:2 rijden. Maar goed.. we ergeren ons niet, de zon schijnt en het is en blijft een prachtig stukje dijk.

P1030757

Bij Eenigenburg dalen we weer even de polder in om door dit kalme en door de tijd vergeten lijkend dorpje te wandelen, en een bezoekje te brengen aan het schattige kleine kerkje dat van 1792 is. De terp waar het op staat moet al van de 14e eeuw zijn en herbergt nog de resten van de wegens ouderdom gesloopte, grotere voorganger van het huidige kerkje. Eenigenburg telt 170 inwoners maar beschikt niettemin over een eigen museum, waar een piepklein daglonershuisje deel van uitmaakt. Om het te bezoeken zullen we later nog eens terug moeten komen, buiten het hoogseizoen is het gesloten.
Het Huys te Nuwendoorn, dat een eindje verderop tegen de dijk aanligt, is een moderne reconstructie van de restanten van een dwangburcht die Floris de vijfde hier in de 13e eeuw zou hebben laten neerzetten als uitvalsbasis in zijn strijd tegen de weerspannige West-Friezen. Over het succes valt te twijfelen want in dezelfde 13e eeuw werd de burcht verwoest en weer opnieuw opgebouwd, om in de 14e eeuw alweer van de aardbodem te verdwijnen. Niet helemaal overigens want in de tweede helft van de 20e eeuw werden resten van fundamenten gevonden, in de aardbodem, en om een en ander te behouden en te accentueren is er op de teruggevonden fundamenten een soort van nepruïne gebouwd, met een stalen skelet dat de toren van weleer suggereert. De toren valt te beklimmen, maar ook daarvoor is het nog niet het seizoen.

P1030765

Wanneer we vervolgens weer terug willen naar de dijk moeten we een hekje over waaraan een bordje hangt met de universeel verontrustende waarschuwing: pas op voor de stier. De kans dat je in deze barre tijden nog een stier in een weiland rond ziet lopen lijkt mij eerlijk gezegd zo goed als nihil, dus waarschijnlijk hangt het er voornamelijk voor de authentieke sfeer, al lopen er wel een aantal schapen achter het hek met vervaarlijk uitziende horens. Zodra we over het hekje zijn, drommen de beesten om ons heen. Mijn zoon vindt dit een tikkeltje verontrustend, in combinatie met de vervaarlijke horens en misschien ook wel het bordje. Ik ben hier toevallig deze week al eerder geweest, tijdens een andere wandeling, en ik meen vrij zeker te weten dat dit welvaartsschapen zijn, die bij mensen met rugzakjes al meteen de conclusie trekken dat er wat te vreten valt. Ik doe dus een beetje laconiek. Ik wil zelfs niet uitsluiten dat ik een beetje stoer doe, voor mijn huiverige jongste zoon. Dat krijg je, als je zonen boven je uit beginnen te steken. En baarden gaan dragen. Maar ik moet toch ook bekennen dat ik inderdaad bijna op de vervaarlijke horens wordt genomen door een schaap met een kort lontje. En dat ik daarna ook snel maak dat ik over het hekje kom.
Het laatste stuk, van Krabbendam tot Schoorldam, lopen we weer over de omringdijk, die hier beduidend lager is, vanwege de hoge duinen van Schoorl. Er rijden ook beduidend meer auto’s, die niet altijd evenveel zin hebben om af te remmen of uit te wijken voor een stelletje wandelaars, wat op het laatst ronduit irritant wordt. Gelukkig kunnen we dan al gauw naar beneden om langs het Noordhollands kanaal in alle rust de brug bij Schoorldam te bereiken. De kop is er af. Op naar Den Haag.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Terug naar De Horsten

cropped-header-20170706-5.jpg

NS wandeling van Den Haag naar Voorschoten, gelopen op zondag 11 juni 2017

Den Haag lijdt aan de ziekte van Mondriaan. Een duidelijk geval, zie ik als ik er doorheen loop. Op de raarste plekken vertoont het straatbeeld een felgekleurde uitslag. Op tramhaltes en pleinen, gevels en schuttingen, bankfilialen, kantoorkolossen, musea en ijspaleizen, in etalages en vijvers.. waar je kijkt zie je rode, blauwe en gele vlekken, vierkant en rechthoekig, in willekeurige formaties bij elkaar geharkt met meestal nog een handvol achteloos neergegooide zwarte lijnen. Hoppeta.. wéér een eerbetoon aan de 100 jarige Stijlbeweging, en dan met name diens bekendste zoon. Die zich natuurlijk driewerf omdraait in zijn graf bij al dat goedkoop en liefdeloos hoeren en sloeren met zijn werk. Een levenslange zoektocht teruggebracht tot een placemat van de Action. Kunst behapbaar gemaakt voor de ignorante SBS6-consument. Mondriaan als Bekende Nederlander. Ik krijg er jeuk van op een nare plaats waar ik net niet bij kan.
Bij het immer in staat van verbouwing verkerend Centraal Station loop ik gelukkig het Haagse Bos in, dat tot nog toe blijkbaar aan de aandacht van de gemeentelijke cultuurprojectgroep is ontsnapt. Hier is alles nog gewoon, en gelijkmatig groen. Op de vroege jogger na, de homo fluorescensis, in zijn neonpakje, die blazend en puffend langs komt zwoegen en geen adem meer over heeft om mij, dorpsbewoner inmiddels, terug te groeten.

DSC09363

Uit mijn ooghoek meen ik dan iets bijzonders te zien en verdomd, daar zít ook iets bijzonders. Een eekhoorn! In het Haagse Bos, op steenworp afstand van de zojuist overgestoken A12 en het hectisch centrum van de grote stad, direct naast een druk bereden fietspad, sterker nog.. midden in een speeltuin, zit daar een eekhoorn. Eekhoorns, dat zijn bij mijn weten ontzettend schuwe beestjes die je alleen bij hoge uitzondering en met veel geluk af en toe te zien krijgt als je met je ouders op vakantie bent in een bos ver weg op de Veluwe. Zó lang is het geleden dat ik een eekhoorn heb gezien. En automatisch doe ik wat mij toen geleerd is: héééél stil zijn, niet bewegen en kijken. Héél voorzichtig ook maak ik een paar foto’s, met de camera op maximaal inzoomen dus tot mislukken gedoemd, maar goed, je moet wat, als je wild ziet.
Na een tijdje zo in de gloria geweest te zijn, besluit ik een poging te wagen iets dichterbij te komen, omdat ik per slot toch ook weer een keer door wil lopen. En dan pas wordt het me duidelijk, hoe het zit. Want in tegenstelling tot wat ik verwacht had, vlucht de eekhoorn niet schichtig zigzaggend en spiralend de dichtstbijzijnde boom in, maar blijft hij zitten waar hij zit en keurt me geen blik waardig. Terwijl ik me nou niet bepaald als een Winnetou door het struweel beweeg. En om het me nog iets beter in te wrijven krijgt hij uit de dichtstbijzijnde boom zelfs nog gezelschap van een tweede eekhoorn. Verderop zie ik er nog drie scharrelen trouwens. Goed, de tijd heeft ook voor de eekhoorn niet stil gestaan begrijp ik, en het zal misschien niet lang meer duren voor je ze bij je terrastafeltje weg moet jagen, toch koester ik tot diep in Wassenaar mijn geluksgevoel. Een eekhoorn! Vlakbij!
Meer dan veertig jaar heb ik in Den Haag gewoond, ik ben er geboren en getogen, en het is dus zeker niet voor het eerst dat ik door het Haagse Bos loop, of over de Wassenaarse landgoederen. Toch gaat het nooit vervelen. Omdat overal de herinneringen voor het ophalen liggen natuurlijk. Maar ook omdat ik diep in mijn hart toch steeds een Hagenaar ben gebleven. Een Hagenees. Hier kom ik vandaan. Hier ben ik thuis. Al zijn er tot mijn verbazing ook delen van de route die ik voor het eerst zie. In Park Marlot bijvoorbeeld, tref ik voor mij geheel nieuwe uit- en aanzichten.

DSC09385

Zoals het vaalwitte beeld dat uitkijkt over een zeer lange vijver, in de lommer van dubbele beukenrijen langs het wandelpad. Het is een beeld van twee in lange gewaden gehulde dames die samen wat ongeïnteresseerd een schild ophouden met de Haagse ooievaar, waaronder vrij geprononceerd de tekst S Severijn. Wat niet de naam is van de landheer, de baron of de hertog, zoals ik eerst dacht, maar de naam van de beeldhouwer. Op de krullerige bovenkant van het schild staat dan nog een pronte kroon. Op één of andere manier, en wat oneerbiedig waarschijnlijk, gaat dat samen nogal lijken op Prince John, de ijdele en wat dommige leeuw uit de Disney versie van Robin Hood, met zijn te grote kroon steevast half over de ogen gezakt.

prince john severijn

Nou goed, ik zal de enige zijn die het erin ziet. Maakt niet uit.
Het beeld maakt doodgemoedereerd de indruk hier altijd al gestaan te hebben. Een restant van een ingangspartij of een monument voor het één of ander. Maar dat is, vind ik later uit, dus niet waar. Op het inmiddels alweer lang en breed ter ziele zijnde Haagse blog Hofstijl lees ik dat het, onder de naam ‘gevelbekroning’, afkomstig zou zijn van de Zwaardvegersgaarde, in Den Haag Zuid. Waar het dan volgens mij, gezien de Zwaardvegersgaarde heden ten dage, toch op zijn laatst halverwege de jaren vijftig in grote sloopdrift verdwenen zou moeten zijn. Al zou ik zo één twee drie ook niet weten welke gevel het daar dan in vredesnaam bekroond zou moeten hebben. Als gevelbekroning zou het nog wel eens deel uitgemaakt kunnen hebben van het oude Haagse stadhuis aan de Groenmarkt, van een aan modernisering ten onder gegane vleugel, zo gaat ook een verhaal. Dat lijkt meer te kloppen, want nader onderzoek wijst uit dat op het overgebleven stuk oude stadhuis nog een zeer vergelijkbare gevelbekroning staat. Het beeld waar ik nu naar kijk zou dan, na de sloop, bij halfslachtige wijze van monumentenzorg, in de Zwaardvegersgaarde terecht kunnen zijn gekomen. Tot het daar om onbekende redenen, stijlbreuk waarschijnlijk, ook weer weg moest en het in Park Marlot werd geparkeerd. Waar het vervolgens ook niet ongestoord tot de dag van vandaag op mijn komst heeft staan wachten aangezien het vrij recent ook nog zwaar gevandaliseerd op de gemeentestort is gesignaleerd. En blijkbaar dus weer teruggeplaatst, in ere hersteld, want daar staat het. Recht tegenover mij. Op de foto’s die ik tijdens mijn digitale speurtocht vind, staat de te grote kroon er trouwens niet altijd op. Dus daar is ook iets mee.

3x severijn

Het is een beeld met een verhaal. Een Haags verhaal, dat nog wat vragen openlaat, maar ook daarom een tot de verbeelding sprekend verhaal. Het is maar goed dat ik er niet achteloos ben langsgelopen.
Vóór ik de N44 oversteek naar de landgoederen van Wassenaar, loop ik eerst nog een stukje door de woonwijk Marlot. Hoewel dit gedeelte van Den Haag wel echt ’s Gravenhage mag heten. Godskolere wat een kasten van huizen, om het zo maar eens te zeggen. In één van de meer dan riante tuinen staat een meneer als uit een stripverhaal, in witte badjas te telefoneren. En al is het vandaag volgens de berichten de warmste junidag in jaren, aan zijn voeten stoomt voor straks vast de ingegraven hot tub.

DSC09417

Eenmaal in Wassenaar veranderen woonwijken in landgoederen. De villa’s, paleizen en kastelen die hier verstrooid tussen eeuwenoude beukenlanen en huizenhoge rodondendrons, op uitgestrekte gazons tussen waterpartijen staan te dromen, zijn zó groot en uitgebreid dat je bijna niet kunt geloven dat hier mensen wónen. Als ministerie of bankkantoor zouden ze ook het ook heel aardig doen. Hekken en camera’s houden de wandelaar op gepaste afstand en sommige landgoederen zijn zó deftig dat rood-witte routemarkering er niet getolereerd kan worden, zo meldt de uitgeprinte routebeschrijving, die hier dus kort bij de hand gehouden moet worden om verdwalen te voorkomen. Opvallend is dan wel weer dat hoe dieper ik het rijke gebied binnendring, hoe vriendelijker er gegroet wordt. Op het uitbundige af soms. Na een aantal van dit soort goedgemutste ontmoetingen begin ik mij dan af te vragen hoe het komt dat je aan mensen kunt zien dat ze rijk zijn. Waar ‘m dat in zit, buiten het gegeven natuurlijk dat je ze tegenkomt in oud Wassenaar. De pruikentijd is voorbij, hoge hoeden worden niet meer gedragen, men verplaatst zich niet meer in koetsen en als je zijn auto’s buiten beschouwing laat, is de rijke mens qua uiterlijk schijnbaar geheel geïntegreerd, met vale vrijetijdskleding en sportschoenen. En toch pik je ze er zó uit. Het is het haar. Tot die conclusie kom ik. Het haar zit te perfect. En de verwaten blik uiteraard. Die is het ook.
Wat rijk en deftig en toch heel gewoon gebleven betreft, kent deze wandeling trouwens een goede opbouw want in de loop van de dag waarschuwt een niet te missen stenen pilaar dat men hier het privé jachtgebied van zkh prins Frederik betreedt. Ik nader De Horsten, achtertuin van het Koninklijk Gezin, maar gedeeltelijk nog altijd voor elke onderdaan toegankelijk, tegen betaling van één euro. Contant te voldoen, serieus, aan een bemand loket. Een tolhuis, zou je kunnen zeggen. Wie zegt dat de monarchie een achterhaald instituut is?

DSC09466

Ik ben vandaag wel bewust op weg naar De Horsten trouwens, om jeugdsentimentele redenen. Als kind kwam ik er vaak, onder de vleugels van mijn ouders. Die hadden een jaarkaart, weet ik nog. Die moest je eens per jaar met de pet in de hand komen vernieuwen, bij een boswachtershuis aan het eind van een lange oprijlaan. Verder, moet ik eerlijk bekennen, weet ik er verbazend weinig meer van. Er zweven wat vage, herfstkleurige beelden door mijn geheugen, maar iets concreets wil er niet naar boven komen. Misschien omdat ik er later nooit meer ben terug geweest, zoals wel in de andere bossen en parken uit mijn jeugd. Dus misschien, bedenk ik mij nu, zijn de vroege herinneringen die ik dáár aan heb ook wel niet zo betrouwbaar als ik zou willen en heb ik die pas veel later gemaakt. Het geheugen doet vaak maar wat tenslotte. In elk geval, het leek mij aardig, nu ik in de gelegenheid was, eens te kijken of er, door er doorheen te wandelen, toch niet wat authentieke oude beelden uit mijn jeugd wilden verschijnen. Je weet maar nooit tenslotte. Maar dat gebeurde niet. Zelfs de koninklijke seringenberg, die destijds toch indruk gemaakt moet hebben op het jongensgemoed, met zijn smalle naar boven spiralende weggetje, woelt niets ouds in mij los. Zo veel en vaak  ik er als jongen ook gerend en gedraafd mag hebben, vijftig jaar later loop ik er toch echt gewoon alsof ik er voor het eerst ben. Nou ja, dat is ook een bijzondere gebeurtenis, een hernieuwde kennismaking. De tweede keer voor het eerst.

 

Olifantenpaadjes in de Ganzenhoek

Hollands Kustpad, van Den Haag naar Katwijk, gelopen op zaterdag 18 januari 2014

Vijfenveertig jaar heb ik in Den Haag gewoond, acht jaar ben ik er nu weg, en ik kan me eigenlijk niet anders herinneren dan dat het centrum een bouwput is. Altijd wordt er wel iets afgebroken, gegraven of geboord en gedurig leeggepompt, of anders wordt er wel iets nieuws en groots neergezet. Dat dan twintig jaar later, wanneer iets anders nieuws en groots net af is, weer wordt afgebroken. Omdat het niet meer aan de moderne tijd voldoet. Niet meer in de visie op de stad past. En ondertussen is dát dan blijkbaar de moderne tijd, en de visie op de stad: zolang er gebouwd en gebroken wordt, is er hoop. Hoop op allure, op het ware metropolisme.
Wanneer we op het Centraal Station uit de trein stappen, zien we het meteen: alles is nog precies zoals het was, want er is weer van alles veranderd. Of het ten goede is, valt nog moeilijk uit te maken, het is nog niet helemaal af. Tenminste, dat denken we. En staande op het stationsplein hópen we het eigenlijk ook een beetje. Het is dat wij het weten, maar je zou hier niet zeggen dat Den Haag dus best een mooie stad is. En wat een wonderlijke beslissing om bij al dat slopen en breken uitgerekend Babylon te sparen, al is het slechts gedeeltelijk.
Voor onze wandeling duiken we op hooguit vijf minuten lopen van het perron het Haagse Bos in. En herontdekken zo wat Den Haag óók tot een bijzondere stad maakt: de enorme hoeveelheden groen. Nooit gedacht dat ik juist dát zou gaan missen na de verhuizing, naar het platteland nota bene. Bossen, parken, duinen en landgoederen.. we lopen Den Haag uit zonder het nog te zien. Behalve  uiteraard de skyline, die zich bij het omkijken nog lang en regelmatig aan het uitzicht blijft opdringen.
Door het Haagse Bos, langs Landgoed Duindigt, Park Oosterbeek en Clingendael bereiken we de duinen. De Waalsdorpervlakte en Meijendel.
Al is het januari, er hangt onmiskenbaar een snufje lente in de lucht en het is druk, in groen Den Haag. Overal wordt gesport en bewogen, gerekt en gestrekt en gejogd en met de hond en de kinderen gelopen. De pannenkoekenboerderij in Meijendel is afgeladen. De pannenkoeken worden er in speciale, ik mag aannemen typisch Hollandsche rekjes van zes tegelijk van de balie afgehaald. In Clingendael, stijlvol toevluchtsoord voor de betere Haegsche buurt, passeren we twee in dure outfit gehesen heren, waarvan er één – glimmend kaal met duur montuur – duidelijk de inmiddels onvermijdelijke personal trainer is van de ander, die daar, nu wij zo langswandelen, wat sullig een klein beetje spijt van staat te hebben. Wij voelen met hem mee, uiteraard, al was het natuurlijk zijn eigen idee. Vitaal legt de personal trainer twee felgele schijven op het pad, een meter of tien uit elkaar. Daar zal tussen heen en weer gesprint moeten worden, vermoeden wij. Veel professioneler dan tussen twee bomen, nemen wij ook onmiddellijk aan. Luid en omstandig legt hij zijn cliënt uit hoe die zijn ene voet voor de andere moet zetten. Op de grond ligt een serieus ogend, geplastificeerd schema met plannen voor de rest van de middag. Of de personal trainer een fluitje om zijn nek had, zou ik nu, achteraf, eigenlijk ook nog wel willen weten.

Afbeelding

Het leuke van de Waalsdorpervlakte, weet ik nog uit mijn eigen jeugd en ook uit die van mijn jongens, is dat er eigenlijk geen paden zijn. Het is één van die zeldzame stukken Nederlandse natuur waar je niet op het pad en achter het hek hoeft te blijven, niet struikelt over de bordjes van: Pas Op! Natuur! En: Niet Betreden! Kwetsbaar Gebied! Maar waar je je goddelijke gang kan gaan, als cowboy en indiaan. Man, ik heb wat spannende jongensavonturen beleefd op deze zanderige vlakte. Tussen het helmgras en de kromgegroeide, scheefgewaaide grove dennen, in verlaten duinpannetjes en de half ondergestoven, geheimzinnige en beetje griezelige, duistere bunkers, die er toen nog stonden. En in de winter, als er sneeuw lag, kon je er met een slee je geluk helemaal onmogelijk op, zo leek het. We besluiten hier dan ook van de officiële route uit het boekje af te wijken, aangezien die ons nou net over de enige verharde weg in deze wijde omtrek voert, waar we ook nog eens  iedere dertig seconden opzij moeten springen voor alweer een potsierlijk bontgekleurd langszoevend peloton. Liever zoeken we nog één keer ons eigen pad, al wordt het natuurlijk nooit meer zo spannend als toen.
Tweemaal komen we de Tweede Wereldoorlog tegen, op weg naar Katwijk. Behoorlijk indringend zijn de vier bronzen kruizen op de Waalsdorpervlakte, bekend natuurlijk van de nationale dodenherdenking op tv. Door hun stille eenvoud, hun gewoonweg daar staan, zonder al teveel opsmuk of tekst en uitleg, dwingen ze tot een moment van rust en overdenking. Dit in tegenstelling tot het restant van de Atlantikwall dat we vlak voor Katwijk tegenkomen. Het is ongetwijfeld ongepast, maar het idee dat deze muur serieus bedoeld was van Spanje tot aan Scandinavië door te lopen, wekt eerder hilariteit dan eerbiedig stilzwijgen. Dit betonnen muurtje van amper anderhalve meter hoog valt op geen enkele manier te rijmen met het geweld en de platgebombardeerde steden zoals we die van de oorlog kennen. Het lijkt eerder een overblijfsel uit een veel en veel ouder verleden.
Vanaf Hoek van Holland, waar we twee etappes geleden startten, hebben we al veel van de duinen gezien, onvermijdelijk bij een Kustpad. En het is interessant om te zien dat die overal anders zijn. Soms weids en open, soms rijk bebost, dan weer weerbarstig begroeid met duindoorn en helmgras. Tussen Wassenaar en Katwijk ligt een stuk dat ook voor ons nieuw is. We herinneren het ons als een met grijze doornstruiken dichtgegroeid en niet toegankelijk stuk duingebied waar je alleen langs kon fietsen, op een slecht onderhouden fietspad. Nu is het een vriendelijk en open gebied, zandheuvels afgewisseld met mosgroene, drassig soms, met veel ruimte voor vennen en plassen. Hier en daar zijn we aangewezen op olifantenpaadjes omdat het bedoelde pad onder water is komen te liggen. In de langzaam opkomende schemer lijkt het oranjegeel van de duindoornbessen bijna op te lichten. Verderop drijven twee zwanen kalm in een meertje. Aan de horizon verschijnt Katwijk. Wanneer we er de boulevard oplopen is het donker, en tijd voor een biertje.

Van haring en duinkoeien

Hollands Kustpad, van Loosduinen naar Den Haag, gelopen op zondag 29 december 2013

Je zou toch het één en ander verwachten, wanneer je uitgerekend twee dagen voor de jaarwisseling door Den Haag gaat lopen wandelen. In mijn herinnering gaat de stad dan namelijk al lang en breed in dikke kruitdampen gehuld en ben je in elk geval  je auto maar ook je leven op veel plekken niet meer zeker. Nou is mijn herinnering natuurlijk gekleurd door de buurt waar ik jarenlang gewoond heb, waar het er destijds inderdaad nogal onstuimig aan toe ging, en dan spreken we ook al weer  van dertig jaar terug. Vandaag, 29 december 2013, verloopt de jaarwisseling vooralsnog inderdaad nogal rustig. Alleen op het strand van Scheveningen, waar we halverwege de wandeling langskomen, wordt de Haagse naam vol verve in ere gehouden met een torenhoge brandstapel van wat toch tienduizenden pallets moeten zijn. Met vorkheftrucks nota bene, worden ze aangevoerd en opgestoken. Overstemd door snoeiharde hardstyle doet de ordeloze bedrijvigheid rond het bouwwerk evengoed denken aan de Toren van Babel, van Bruegel.
De bedrijvigheid beperkt zich niet tot het aanstaand nieuwjaarsvuur trouwens. Het is een zonnige zondagmiddag vlak na een verregende kerst, in grote drommen flaneert de stadsmens al dan niet gearmd over de boulevards van Kijkduin en Scheveningen. Wat hij er zoekt of vindt, blijft moeilijk te doorgronden maar het trekt, zoveel is duidelijk: op alle toegangswegen staan lange, lange rijen auto’s lijdzaam dampend op een parkeerplekje te wachten. Het harinkje happen op Scheveningen, waar we ons de hele dag op hebben verheugd, zit er vandaag dan ook niet in. Nog één, heeft de mevrouw van de láátste viskraam er in de koelkast liggen. Nog één! De laatste haring op Scheveningen. Dat is er dus één te weinig, want een haring deel je niet.
Maar buiten de twee boulevards valt het dus reuze mee met de drukte en het lawaai. Dat komt ook omdat je Den Haag, met zijn riante duinen, langs de kust bijna ongemerkt voorbij kunt lopen. Dankzij die duinen wordt het bovendien een opvallend heuvelachtige wandeling. Dat begint meteen al op Ockenburg trouwens, met het beklimmen van het behoorlijk steile puinduin, opgeworpen in de jaren zestig, met het puin van de huizen die in de tweede wereldoorlog moesten wijken voor de Atlantikwall, afgetopt met een dikke laag vervuilde grond waar de overheid zo gauw geen andere raad mee wist. Om ons aan het puin, en dan vooral de minder fraaie herkomst ervan waarschijnlijk, te herinneren staat aan de voet van het duin een monument: een enorme bal van puin. De kunstenaar blijkt later op internet Donald Duk te heten, ik heb het twee keer gecheckt. Je mag hopen dat het een slecht gekozen artiestennaam is. Voor de vervuilde grond is geen standbeeld opgericht, daar worden we blijkbaar maar liever niet aan herinnerd.

Afbeelding

Bij Kijkduin lopen we het Westduinpark in om er via de Bosjes van Poot pas zo’n beetje bij de haven van Scheveningen weer uit te komen. Verdwalen lukt hier echt niet, al zouden we het proberen. Tientallen jaren is dit het gebied geweest waar ik heen ging als ik ruimte en lucht nodig had. Om het uit te schreeuwen van geluk of ellende. Of gewoon omdat het zulk schitterend weer was, met de kleine meid in het voorstoeltje, de jongens in de tweelingbuggy of, later, op hun eigen fietsje. In iedere duinpan is gepicknickt, gespeeld en  geavonturierd, op ieder pad gelopen of gefietst. Ieder uitzicht is gezien, elke boom gekend, nog steeds. Hoewel er aan het Westduinpark nogal wat veranderd is sinds de laatste keer. De meeste asfaltpaden zijn weggehaald, we lopen door het rulle zand, dwars door de nieuwe natuur. Er lopen zelfs Heckrunderen. Dùinkoejuh, als ik er, als expat inmiddels, een Haags woord voor mag voorstellen.
Aan het eind van de Scheveningse boulevard slaan we rechtsaf en komen we in andere typisch Haagse sferen terecht. Het Belgisch Park, de Archipelbuurt en het Willemspark. Langs weidse lanen met statige bomen en huizen als kastelen belanden we in het vertrouwde oude centrum van Den Haag. Het Binnenhof. Het Lange Voorhout. De Lange Poten en het Plein. En naast het nog niet helemaal  afgepimpte Centraal Station staat een wél geheel nieuw Babylon te bewijzen dat Harry Jekkers weldegelijk een tijdloos lied geschreven heeft.