Opperdoezer rondje

cropped-p1030364.jpg

Groene Wissel Opperdoes, gelopen op zondag 3 februari 2019

Startpunt voor de wandeling van vandaag is station Opperdoes. Toch ben ik niet met de trein gekomen, daarvoor ben ik te laat. Als ik dat had gewild, had ik mijn dagje tussen 1887 en 1936 moeten plannen. In die jaren werd er een regelmatige stoomtreindienst onderhouden tussen Hoorn en Medemblik, en Opperdoes was aan die spoorlijn een halte. Eind dertiger jaren was deze dienst voor passagiers, met de opkomst van de flexibeler busdiensten, niet rendabel meer. Het goederenvervoer ging wel nog door, tot zelfs 1980 aan toe.
station_opperdoes-2

p1030156.jpg

Het stationsgebouwtje staat er vandaag nog steeds, aan zijn enkel spoor, met kloek opschrift aan voor- en achterzijde, en wordt ook nog steeds gebruikt, al is het nu alleen voor de toeristische stoomtram. Daarvoor ben ik dan weer te vroeg, deze derde februari, hoe stralend blauw die ook mag zijn. Een briefje aan de deur van het station raadt de reiziger overigens voorzichtig af te Opperdoes op of af te stappen. Het mag wel, zo staat er te lezen, maar voor de optimale treinervaring is het beter de hele rit, van Hoorn naar Medemblik of vice versa, te maken.
Op internet lees ik dat Opperdoes een streng calvinistisch eiland is, in een overwegend atheïstisch of op zijn hoogst rooms West Friesland. Ik meen daar iets van mee te krijgen wanneer ik, het dorp doorkruisend, een kerk passeer waaruit een zwaar en vreugdeloos gezang opklinkt dat zich log achter het orgel aan voortsleept. Ik hoor het een tijdje aan, omdat ik er nu toch ben, en waan mij in vroeger tijden. Of in een Nederlandse boekverfilming, waar het er ook graag gereformeerd aan toe mag gaan.

P1030170

Verderop staat trouwens nog een kerkje, zie ik dan. Veel ouder dan het gebouw waar ik naar sta te luisteren. Het staat op een terp, wat niet zo vreemd is aangezien Opperdoes minder dan negentig jaar geleden nog zo’n beetje aan zee lag. De Zuiderzee, wel te verstaan. Beschermd tegen de woeste, onberekenbare baren achter de Westfriese Omringdijk. De dijk ligt er nog steeds, inmiddels verworden tot monument want de woeste baren werden in 1930 het zwijgen opgelegd, toen de Wieringermeer werd drooggemalen en ingepolderd. De naamloze hervormde dorpskerk op de terp werd gebouwd in 1530, ter vervanging van de kort daarvoor door Grote Pier, met zijn Friese en Gelderse troepen, platgebrande kerk.
Ik verlaat Opperdoes langs een lange kaarsrechte weg, aan één kant afgezet met al even lange en kaarsrechte bomen die als silhouetten scherp afsteken tegen de lage, verblindende winterzon, en betreed een leeg en uitgestrekt, functioneel landschap dat wordt gedomineerd door grote, groene loodsen van golfplaat. Landbouwmachines. Een kerktorentje aan de horizon hier en daar en plukjes hoge bomen die de wind wegvangen voor een enkele boerderij. Zwartgrijze moddervelden waar resten kool op liggen te stinken, maar ook keurig in lijnen geploegde akkers die al helemaal klaar lijken te zijn voor de volgende oogst, van misschien wel de vermaarde Opperdoezer Ronde.

P1030243

Op weg naar Oostwoud word ik ingehaald door een medewandelaar in felgekleurde sportkleding. Ik had haar al opgemerkt terwijl ik stond te fotograferen, een activiteit die het tempo er nog wel eens uit wil halen bij mij. Nou heb ik helemaal geen hekel aan medewandelaars, maar als ze gedurig vlak achter me of vlak voor me blijven lopen kan ik dat nog wel eens vergeten. Mede op grond van de felgekleurde sportkleding had ik nu echter al ingeschat dat zij harder ging dan ik. En dat dit dus goed ging aflopen. Had ik gedacht. Maar het loopt anders. De felgekleurde medewandelaar houdt haar pas in en blijft naast me lopen om een praatje te maken. Dat ik zeker de hele dag op pad ben, aan de rugzak te zien. En dat ik wel wat warm gekleed ben, in die leren jas. Ik beaam het allemaal, vooral de leren jas is te warm voor het weer, en veronderstel op mijn beurt dat zij dan waarschijnlijk uit Opperdoes komt gelopen. En van het één komt het ander, we babbelen wat over het weer en wandelperikelen en zo word het zomaar een ontmoeting onderweg. Zie, daar ben ik dan ook weer niet te beroerd voor.
Oostwoud blijkt een charmante mengeling van glimmend onderhouden stolpboerderijen, rijk geornamenteerd en glanzend in de groene en witte lak, en panden die de tijd minder goed hebben doorstaan, met rommelige erfjes en geïmproviseerde boetjes en bouwsels, waar een soort vrijbuitersbestaan lijkt te worden geleid. Door mensen die het zelf wel uitzoeken. Op één of andere manier heb ik dat altijd als iets typisch Noordhollands gezien, wat natuurlijk nergens op slaat want dit soort gezellige rommelerven vind je waarschijnlijk overal wel. Maar goed, laat mij maar.

p1030289.jpg

Heel even denk ik dat ik ook nog iets van een voormalige haven tegenkom: een open gebleven veldje aan het water met een handvol uit de kluiten gewassen dukdalven en meerpalen. Ik meen ook iets van een beschoeiing uit de grond omhoog te zien steken. Het doet me een klein beetje denken aan de gedempte haven op Schokland, vandaar. Maar ook dit zal wel onzin zijn want Oostwoud ligt toch wel erg ver van de zee en ik vind er later ook niks over terug, dus.. Ik heb geen idee waar ik dan wel naar sta te kijken.
Broerdijk, waar ik dan doorheen loop, is een kleine verzameling huizen en huisjes in de bocht van de weg, aan het spoor. Het is wat het is, kun je denken, maar zo is het blijkbaar niet. Er staan maar liefst twéé toeristische informatieborden, die de boel er echter niet per se beter op maken. Het ene is voor een molen uit 1570, de molen van Gerbrandt Jacobsz Van Hoechkerspel namelijk, waarvan meteen maar wordt vermeld dat niemand eigenlijk weet waar die nou precies gestaan heeft, terwijl hij, volgens hetzelfde bord, pas in 1964 werd gesloopt. Het tweede bord brengt een inmiddels verdwenen ‘destructor’ in herinnering. Een slachthuis voor, ik citeer: oud en wrak vee. Het rook niet erg lekker, eufemeert het bord nostalgisch, als de wind verkeerd stond moesten ramen en deuren gesloten blijven. Ach, ach, ach, die goeie ouwe tijd toch. Bij tijd en wijle hangt er in deze regionen overigens wel precies die spruitjeslucht. Dat zijn dan de koolbladeren die na de oogst op het land achterblijven. En dan maakt het niet uit hoe de wind staat. En ook niet of je ramen en deuren gesloten houdt.

P1030372

Langs een fietspad slinger ik door de weilanden terug naar het noorden en beland zo in Twisk. Een lintdorp dat schijnbaar volledig bestaat uit zeer goed onderhouden en glimmend opgepoetste stolpboerderijen vol pracht en praal, en pittoreske Noordhollandse huisjes en geveltjes. Geparkeerde auto’s zijn zo goed als buiten beeld gehouden, en ik krijg al snel het idee door een openluchtmuseum te lopen, al blijft het opletten voor de rijdende exemplaren want die zijn meestal groot, breed en geruisloos, aan een goudkust als deze, en de weg is smal en zonder stoep.
Hierna gaat het terug naar Opperdoes. Ik passeer een ruime waterplas, met veel riet en een broedwand voor oeverzwaluwen. De plas fungeert als opvangbekken voor een teveel aan water in barre tijden. Eens in het jaar gebeurt het dat het gebied onder water komt te staan, lees ik op de site van het Westfries Weekblad. Verder is het een broedgebied en rust- en verblijfplaats voor vele soorten vogels, die het blijkbaar geen punt vinden dat ze pal naast de N239 en de gemeentewerf zijn gepland.
Op het laatste stuk terug naar het begin heb ik de Westfriese Omringdijk aan de linkerhand als horizon. Zou ik die willen beklimmen, om een afsluitende blik op de Wieringermeer te werpen, en me er de Zuiderzee voor te stellen, dan moest ik een breed water en de provinciale weg oversteken, dus dat komt er niet van. En als ik later zelf over de provinciale weg langs de dijk naar huis rijd, bedenk ik pas te laat dat ik de auto even aan de kant had kunnen zetten, om de dag alsnog in zelfbedachte stijl af te ronden, hoewel dat makkelijk had gekund.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Advertenties

Groeten uit Grolloo

cropped-header-grolloo.jpg

Groene Wissel 344, Op avontuur in boswachterij Grolloo, gelopen op woensdag 25 oktober 2017

Is het mogelijk een wandeling van, naar en rond Grolloo te maken zonder over Cuby + the Blizzards te beginnen? Nee, zo blijkt dus, hier en nu. En is het niet te flauw boven het verslag van zo’n wandeling dan ‘Groeten uit Grolloo’ te zetten? Ja, eigenlijk wel natuurlijk. Behoorlijk flauw. Al staat daar als excuus tegenover dat Blues Village Grolloo er alles aan doet te zorgen dat zijn beroemde zoon niet onopgemerkt zal blijven. De Godfadder van de Nederblues is alomtegenwoordig. Alle borden en pijlen wijzen naar zijn museum, langs de weg staan spandoeken van opgeblazen foto’s met allen Harry Muskee als bepalend middelpunt en op het asfalt staat zijn songtekst afgedrukt. Appleknockers Flophouse. That’s where we live in. En vanaf de brink ziet het ongenaakbaar bronzen borstbeeld dat het goed is. Enfin, het is een halve eeuw geleden allemaal, maar het blijft een fenomeen, zullen we maar zeggen, Cuby. Al moet ik bekennen dat ik het pas later ben gaan waarderen. In retrospectief. De elpee heb ik nog niet eens zo gek lang in huis. Een krijgertje, ook nog. Ik was meer van Herman Brood.

DSC01277

Goed, terug naar onze eigen tijd. Wat de moderne techniek al niet vermag. Mij baserend op buienradar én weeronline ben ik vandaag van huis gegaan voor een flinke wandeling, in de veilige wetenschap dat, hoe grijs het er ook uit ziet, het de hele dag droog zal blijven. En nu zit ik dus in de auto, op een verlaten parkeerterrein in een ook verder uitgestorven Blues Village Grolloo op mijn telefoontje te turen, terwijl het roffelt op het dak en het water langs de beslagen ruiten stroomt, om te kijken of het al droog is. Hoe deden we dat vroeger toch ook weer? Als het schermpje zegt dat het droog is ga ik nog op pad ook, de capuchon op tegen de regen. Appleknockers Flophouse, it’s a place in the sun.
Het zal het twijfelachtige weer zijn, maar ik ben alleen op de wereld vandaag, zo lijkt het. Geen kip, kom ik tegen. Geen hond. Geen mens. Erg vind ik dat niet, zo loopt er niemand in mijn uitzicht en op honden onderweg ben ik toch al niet dol. En ik hoef niet na te denken over hoe er gegroet moet worden. Dat blijkt namelijk, wandelend in Nederland, overal anders te zijn. Het is moi of hoi of hé of nog iets anders. Veiligheidshalve houd ik het meestal op goeiedag, dat kan niet verkeerd gaan. Tenminste dat dacht ik. Nu er toch plotseling iemand opduikt, in strakke zuurstokkleuren, die mij groet met ‘goeiedag’, raak ik zo van mijn apropos dat mijn tekst hier wordt ingepikt, dat ik er bij mezelf een verbouwereerd, alles dooreen verhaspelend gmweûh uit hoor komen. De man zal zich de rest van de dag hebben afgevraagd waar ik in vredesnaam vandaan kwam.

Verbouwereerd ook trouwens omdat het niet klopt met het door mij in de loop der jaren proefondervindelijk vastgestelde systeem van groeten. Mensen in zuurstokkleuren groeten geen wandelaars, in dat systeem, die hebben het daar te druk voor. Voor mensen in zuurstokkleuren op fietsen geldt dat nog sterker, die wanen zich van een hogere orde en nemen zelfs geen wandelaars waar. Wandelaars groeten iedereen, maar worden alleen teruggegroet door andere wandelaars, in de meeste gevallen. In uitzonderlijke gevallen ook door fietsers zonder zuurstokkleuren en ruiters. Dit systeem geldt alleen voor in de provincie. In randstedelijk gebied wordt in principe niet gegroet. Al passeer je elkaar op een pad van een halve meter breed en moet je voor elkaar de berm in, oogcontact wordt vermeden en ieder vervolgt het eigen gesprek of de eigen gedachtegang. Groeten wordt hier ervaren als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarom afgeraden.

DSC01297

Even buiten het beroemde dorp loop ik boswachterij Grolloo in. Uitgesproken koddig is het verzoek bij het betreden van de boswachterij de mobiele telefoon uit te zetten, in verband met de radiotelescopen van de sterrenwacht. Ik vraag me in alle vrolijkheid af hoeveel mensen hieraan gehoor zullen geven. Aan de andere kant zou het een alternatieve verklaring kunnen zijn voor het feit dat ik hier dus moederziel alleen loop. Met mijn uitgezette mobiel. Op het Wilhelmus zul je me nooit betrappen, een brave burger ben ik evengoed wel.
De blues ga ik hier niet vinden, in boswachterij Grolloo, dat heb ik al snel gezien. Wat een schitterend gebied. Stukken heide en open ruigtes rond vennen worden afgewisseld met naaldbospercelen, donkerzwart van de regen, natte gebiedjes met berkenhout en loofbossen waar de inmiddels doorbrekende herfstzon gouden strepen doorheen tovert. Zó groen is het loof ook hier en daar nog dat het met het zonnetje erop bijna weer lente lijkt. Een plaatje! De weelderige overdaad aan paddestoelen roept me tot de orde. Net als het verend roestbruin bladertapijt dat veel van de paden bedekt. In de percelen met naaldhout strekt een fluorescerend groen moskleed zich uit. Andere paden en paadjes zijn door de overvloedige regen van de afgelopen weken in zompige modderpoelen veranderd. Zelfs de olifantenpaadjes die zich daarnaast hebben gevormd zijn soms al moeilijk begaanbaar geworden.

DSC01417

De routebeschrijving belooft een avontuur maar is zó gedetailleerd dat verdwalen in elk geval vrijwel is uitgesloten. Zelfs waar het fout zou kúnnen gaan is de beschrijving de wandelaar steeds een stapje voor. Als hij er nog ligt, wordt er bijvoorbeeld gewaarschuwd, dient men óm de omgezaagde boom heen te lopen, teneinde daarachter het bedoelde pad te vinden. Een andere moeilijk vindbare afslag het bos in is men voorbijgelopen wanneer men een paaltje met een 9 ziet. Even een stukje terug, luidt het advies. Toch zijn tijd en werkelijkheid soms nóg sneller. Een stuk hoog naaldbos waar men 500 meter doorheen wordt geleid is inmiddels van de aardbodem verdwenen. Er resten slechts treurige stompen. De gezellige horeca die in Schoonloo wordt aangekondigd, lijkt zich heden ten dage zo op het eerste oog te beperken tot een twijfelachtige pizzeria-snackbar tegenover een zéér voormalig café dat alleen nog hoeft in te storten. Achteraf blijkt dat een te snelle conclusie te zijn geweest. Schoonloo is groter dan het leek.
Vanaf Schoonloo gaat het linksom weer terug naar boven, terug naar het beginpunt. Stukjes door bos en hei, iets vaker over boerenweggetjes, langs zwart akkerland waar de voederbieten juist vanaf zijn gehaald, en langs ruime weiden met paarden. Zeker niet minder aangenaam. Zeker niet minder de moeite waard. Het is juist de afwisseling van het één met het ander die een wandeling zijn charme geeft.
Als de avond begint te vallen nader ik Grolloo weer. Voor mijn lange schaduw uit loop ik over een modderige weg de ondergaande zon tegemoet. Als een poor lonesome cowboy. Maar dat is meer country, geloof ik.

DSC01426

Bekijk eventueel ook het fotoalbum

Wonderwater en brandewijn

cropped-header2017-5.jpg

Groene Wissel 402 Heiloo, gelopen zondag 30 april 2017

Vanaf Alkmaar Noord dringt de trein naar Heiloo zich plotseling vol met luidruchtig volk. Er worden flinke plastic tassen halve liters bier meegesjouwd maar zo te horen, zien en ruiken zijn die vandaag al wel voller geweest ook. Het is half tien in de ochtend. Heel even ben ik in de war, omdat het 30 april is, maar dan realiseer ik me dat het een voetbalwedstrijd zal zijn. Andere kleuren, grotendeels hetzelfde publiek, naar mijn bescheiden elitaire inschatting, en ik ben blij dat ik niet naar Rotterdam hoef. Héél blij. De slaperige rust die over Heiloo hangt bevalt mij een stuk beter. Als overgang staat er aan het einde van het perron een te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Ik verwacht op zijn minst een daklozenkrant aangeboden te krijgen, of een slecht verstaanbaar verzoek om geld, maar ik word een tikkeltje hooghartig zelfs genegeerd, dus misschien staat de man gewoon iemand van de trein te halen en heb ik te snel mijn vooroordeel klaar.

DSC08368

Het Heiloo waardoor ik vervolgens naar buiten loop, richting landgoed Nijenburg, is best een deftig stadje. Het doet een beetje aan Bergen denken, met meanderende smalle klinkerstraatjes, zonder noemenswaardige stoep, langs soms fraai afgewerkte vrijstaande huizen. De auto is te gast in deze straten, zo vermelden de borden streng, en dat is goed te zien: voor ieder huis staan er drie geparkeerd. Hoe dichter ik de bosrand nader hoe deftiger het wordt, meterslange en manshoge schuttingen met veel bordjes over levensgevaarlijke waakhonden maken duidelijk hoe de verhoudingen hier liggen. Wat verder meteen opvalt is dat ook Heiloo willoos is ingelijfd door de Onafhankelijke Republiek Schiphol. Elke zoveel minuten raast er een vliegtuig over en dat zal de hele wandeling doorgaan. Waar moet iedereen toch almaar naar toe? En hoezo, en waarom?
Ietsjes verheven boven het plein, gebouwd op het vermoeden van een heuvel, staat de Witte Kerk. Hij heet zo omdat hij wit is, en hij is wit geschilderd om de sporen van alle her- en verbouwingen sinds de 11e eeuw te verdoezelen. De geschiedenis van de kerk gaat terug tot rond het jaar 700, zo vertelt het informatiebord, wanneer een missionaris genaamd Willibrordus hier een put slaat waarvan het water geneeskrachtige werking heeft. Wonderwater. Bij die put wordt een houten kapel gebouwd die later vervangen wordt door een stenen kerk, die nog weer later wordt uitgebreid met een toren en in de loop der eeuwen verschillende malen van vorm en grootte verandert. De put is er nog steeds, al doet de opbouw uit 1950 weinig authentiek aan, om het zo maar te stellen, en wordt hij om veiligheidsredenen zelden meer opengesteld. Voorts staat op het informatiebord te lezen dat in vroeger tijden een groot verschil bestond tussen de kerk en de wereld daarbuiten. Dat binnen de onschendbaarheid van de kerk andere regels golden en dat misdadigers er veilig waren voor het wereldlijk gezag. Bedoeld wordt de 12e eeuw, maar het zouden evengoed de jaren vijftig kunnen zijn – waarnaar in deze bange dagen soms zo hevig wordt terugverlangd – en ik heb zelfs het idee dat er wat dat betreft misschien helemaal niet zo héél veel is veranderd.

DSC08395

Het landgoed Nijenhuis is een mooi en druk bewandeld bos, het is duidelijk zondagochtend, het is duidelijk mooi weer. Er wordt gelopen met de hond, er wordt gelopen met de kinderen, er wordt gelopen met verhitte koppen en moeilijke gezichten in lelijke zuurstokkleuren. Het bos wordt op zijn landgoeds doorkruist met walletjes, geulen en lanen met imposante en monumentale beuken, maar ook door de intercity Alkmaar – Amsterdam en de sprinter naar Haarlem en Uitgeest, op verschillende plekken nog ouderwets onbewaakt over te steken.
Tot aan Egmond volg ik dan de Egmonder binnenvaart die soms breed maar soms ook verbazend smal is. Toch was dit, sinds de inpoldering, eeuwenlang één van de belangrijkste vaarverbindingen in deze contreien. Liggend aan de nieuwbouwranden van Heiloo is het gebied dit eerste stuk nogal verparkt tot recreatieterrein met speeltuinen, picknickbanken en trimtoestellen. Ook worden er elke honderd meter nieuwe instructies gegeven over wat te doen met de hond. Aanlijnen of loslopen, met of zonder opruimplicht. Volkomen overbodige bordjes en paaltjes wat mij betreft omdat ik nogal nurks van mening ben dat men op openbaar terrein de hond altijd aangelijnd hoort te hebben, uit beleefdheid naar andere mensen die allicht niet van honden gediend zijn. Ergerniswekkende bordjes bovendien omdat ze altijd alleen lijken te gelden voor mensen zonder hond. Breekt u mij de bek niet open alstublieft, ik ben lekker aan het wandelen. En het is lente. Beuken staan nog maar teer in het groen, kastanjes al volop in kaars en blad en de esdoorns spuiten de grond uit. Ik zie het begin van lelietjes van dalen, ik ruik daslook. Overal vliegen vogels af en aan met takjes en nestmateriaal. Drie kauwtjes vechten een tissue aan stukken en nemen ieder hun deel. Een houtduif houdt zich stil in het kreupelhout en doet net of ik hem niet zie.

DSC08405

Op mijn weg vind ik een verdroogd kikkertje. Een piepkleine zwarte mummie, gestold in een laatste wanhoopskreet. Te slim af geweest door een reiger, of ander koudbloeddorstig gevogelte en onderweg naar het hongerig jong in de haast weer verloren. Zoiets stel ik me er bij voor in elk geval. En vroeger, toen mijn jongens nog klein waren en ik ze meenam op als ontdekkingsreis en avontuur vermomde wandelingen, vertelde ik het ze precies zo, als we zo’n kikkertje vonden. Het kikkertje ging dan mee naar huis om te worden toegevoegd aan de almaar uitdijende verzameling van dingen uit de natuur. Want we vonden altijd wel wat, op onze tochten. Schelpen, krabbeschaartjes, stenen, botjes, schedeltjes, galappeltjes.. noem het maar op. Het was allemaal even mooi en interessant en het ging allemaal mee naar huis. Nu krijg ik ze niet meer mee naar buiten en al voel ik nog altijd dezelfde opgetogenheid bij een nieuwe vondst, ik kan het met niemand meer delen. Misschien straks weer, met mijn kleindochter. Vandaag is de verzameling in elk geval weer aangevuld met één kikkertje, en een portie nostalgie.
Tussen Heiloo en Egmond Binnen begeeft de Egmonder Binnenvaart zich tussen de bollenvelden. Het is hier dan ook plotseling nog een stuk drukker. Het wordt hier opeens filelopen, het lijkt verdorie de avondvierdaagse wel. En het slaat feitelijk nergens meer op want voor de bollen zijn we te laat. De meeste tulpen zijn gekopt, velden vol uitgebloeide en bruin geworden narcissen en hyacinten, het staat er treurig bij. Nog treuriger zijn de velden die in hun geheel zijn afgedekt met enorme lappen plastic. Kilometers, moeten het zijn. Het levert vervreemdende beelden op, zo golvend in de wind en kaatsend in de zon, maar het zet je eigen goedbedoelde geschipper met plastic afval wel even in een ander perspectief. Alleen de blauwe druifjes, die zijn oogverblindend.
Van verre zag ik hem al in streng silhouet boven de horizon uitsteken en Egmond eenmaal gerond keek hij me ook nog lang in de rug, maar in Egmond zelf laat de St Adelbertabdij zich niet anders dan van gepaste afstand bezien. De deur is gesloten en de sleutel is gebroken. En het gebouw zelf is ook wat hermetisch. Enfin, de echte abdij, waarop het sneeuwde als je het glazen ei schudde, als bezongen door Boudewijn de Groot, is het toch niet. Die werd in 1573 door Willem van Oranje in brand gestoken. Met brandewijn, waarschijnlijk. Dat is koud vuur, dus dat geeft niet. En als het al in de krant komt, wordt er in elk geval niet heel kritisch over geschreven.

DSC08510

Na Egmond loop ik over de Limmerweg en de Zanddijk door de Vennewaterspolder weer terug naar Heiloo. Het kan iets drukker zijn op deze wegen, waarschuwt de routebeschrijving. Het advies is om links te lopen. Echt druk wordt het pas bij de pluktuin, waar verantwoorde ouders met hun kinderen onbespoten radijsjes komen oogsten en bloemen komen plukken. De linkerkant van de weg staat volgeparkeerd en het is een chaotisch komen en gaan van gezinsauto’s die elkaar geen duimbreed gunnen. Het lukt me hier maar net het vege lijf te redden.
De Vennewaterspolder zelf is, hoe zal ik het omschrijven, een vrij ongepolijst gebied. Er hebben waarschijnlijk bollen gestaan, nu is het voornamelijk zand en leeg en kaal en, ja.. interessant om ook een keer te zien, dat zeker, maar.. lelijk. Sorry. En dan niet de charmante lelijkheid, waar je nog de schoonheid van in kunt zien, maar gewoon rechttoe rechtaan en vreugdeloos lelijk.
Onder het spoor door weer bijna terug in Heiloo stuit ik eerst nog op het bedevaartsoord Onze Lieve Vrouw ter Nood, in het buurtschap met de toepasselijke naam Kapel. Het maakt de wandeling mooi rond want ook hier draait het om een put met verondersteld geneeskrachtig water. In 1409 werd voor de pelgrims die daar hopend op een wonder op af kwamen, een kapel gebouwd. Op de belendende heuvel die vrijwel meteen de kruipberg genoemd werd omdat processies om de kapel kruipend werden gehouden. In 1573 kwam ook hier Willem van Oranje langs, met brandewijn, en het heeft daarna eeuwenlang religieus gesteggel, gebekvecht en getrouwtrek gekost voor de put in 1905 weer definitief in gebruik werd genomen en er in 1930 dan ook weer een kapel bij werd gezet. De wat kitscherige, nep-romaanse kapel van zogenaamde rotsblokken waar ik vandaag omheen loop. Maar blijkbaar voorziet het in een behoefte want ik zie een vrouw in zuurstokgekleurde sportkleding wat water uit de put halen en er haar kennelijk geblesseerde been mee insmeren, met gewijde aandacht. Later staat ze biddend op de trappen van de kapel. Het is dus niet voor niets geweest.
Als ik bij station Heiloo het perron op loop, staat daar nog altijd de te warm geklede sjofele figuur met verfomfaaid haar lusteloos tegen de kaartjesautomaat geleund. Misschien wacht ook hij op een wonder.