Van haring en duinkoeien

Hollands Kustpad, van Loosduinen naar Den Haag, gelopen op zondag 29 december 2013

Je zou toch het één en ander verwachten, wanneer je uitgerekend twee dagen voor de jaarwisseling door Den Haag gaat lopen wandelen. In mijn herinnering gaat de stad dan namelijk al lang en breed in dikke kruitdampen gehuld en ben je in elk geval  je auto maar ook je leven op veel plekken niet meer zeker. Nou is mijn herinnering natuurlijk gekleurd door de buurt waar ik jarenlang gewoond heb, waar het er destijds inderdaad nogal onstuimig aan toe ging, en dan spreken we ook al weer  van dertig jaar terug. Vandaag, 29 december 2013, verloopt de jaarwisseling vooralsnog inderdaad nogal rustig. Alleen op het strand van Scheveningen, waar we halverwege de wandeling langskomen, wordt de Haagse naam vol verve in ere gehouden met een torenhoge brandstapel van wat toch tienduizenden pallets moeten zijn. Met vorkheftrucks nota bene, worden ze aangevoerd en opgestoken. Overstemd door snoeiharde hardstyle doet de ordeloze bedrijvigheid rond het bouwwerk evengoed denken aan de Toren van Babel, van Bruegel.
De bedrijvigheid beperkt zich niet tot het aanstaand nieuwjaarsvuur trouwens. Het is een zonnige zondagmiddag vlak na een verregende kerst, in grote drommen flaneert de stadsmens al dan niet gearmd over de boulevards van Kijkduin en Scheveningen. Wat hij er zoekt of vindt, blijft moeilijk te doorgronden maar het trekt, zoveel is duidelijk: op alle toegangswegen staan lange, lange rijen auto’s lijdzaam dampend op een parkeerplekje te wachten. Het harinkje happen op Scheveningen, waar we ons de hele dag op hebben verheugd, zit er vandaag dan ook niet in. Nog één, heeft de mevrouw van de láátste viskraam er in de koelkast liggen. Nog één! De laatste haring op Scheveningen. Dat is er dus één te weinig, want een haring deel je niet.
Maar buiten de twee boulevards valt het dus reuze mee met de drukte en het lawaai. Dat komt ook omdat je Den Haag, met zijn riante duinen, langs de kust bijna ongemerkt voorbij kunt lopen. Dankzij die duinen wordt het bovendien een opvallend heuvelachtige wandeling. Dat begint meteen al op Ockenburg trouwens, met het beklimmen van het behoorlijk steile puinduin, opgeworpen in de jaren zestig, met het puin van de huizen die in de tweede wereldoorlog moesten wijken voor de Atlantikwall, afgetopt met een dikke laag vervuilde grond waar de overheid zo gauw geen andere raad mee wist. Om ons aan het puin, en dan vooral de minder fraaie herkomst ervan waarschijnlijk, te herinneren staat aan de voet van het duin een monument: een enorme bal van puin. De kunstenaar blijkt later op internet Donald Duk te heten, ik heb het twee keer gecheckt. Je mag hopen dat het een slecht gekozen artiestennaam is. Voor de vervuilde grond is geen standbeeld opgericht, daar worden we blijkbaar maar liever niet aan herinnerd.

Afbeelding

Bij Kijkduin lopen we het Westduinpark in om er via de Bosjes van Poot pas zo’n beetje bij de haven van Scheveningen weer uit te komen. Verdwalen lukt hier echt niet, al zouden we het proberen. Tientallen jaren is dit het gebied geweest waar ik heen ging als ik ruimte en lucht nodig had. Om het uit te schreeuwen van geluk of ellende. Of gewoon omdat het zulk schitterend weer was, met de kleine meid in het voorstoeltje, de jongens in de tweelingbuggy of, later, op hun eigen fietsje. In iedere duinpan is gepicknickt, gespeeld en  geavonturierd, op ieder pad gelopen of gefietst. Ieder uitzicht is gezien, elke boom gekend, nog steeds. Hoewel er aan het Westduinpark nogal wat veranderd is sinds de laatste keer. De meeste asfaltpaden zijn weggehaald, we lopen door het rulle zand, dwars door de nieuwe natuur. Er lopen zelfs Heckrunderen. Dùinkoejuh, als ik er, als expat inmiddels, een Haags woord voor mag voorstellen.
Aan het eind van de Scheveningse boulevard slaan we rechtsaf en komen we in andere typisch Haagse sferen terecht. Het Belgisch Park, de Archipelbuurt en het Willemspark. Langs weidse lanen met statige bomen en huizen als kastelen belanden we in het vertrouwde oude centrum van Den Haag. Het Binnenhof. Het Lange Voorhout. De Lange Poten en het Plein. En naast het nog niet helemaal  afgepimpte Centraal Station staat een wél geheel nieuw Babylon te bewijzen dat Harry Jekkers weldegelijk een tijdloos lied geschreven heeft.

Advertenties

De onverkochte weg naar huis

Hollands Kustpad, van Hoek van Holland naar Loosduinen, gelopen op zaterdag 30 november 2013

We lopen natuurlijk op bekend terrein, met het Hollands Kustpad. Tot zeker Noordwijk aan toe zijn we hoogstwaarschijnlijk overal al wel eens geweest, ooit, op één of andere manier. En vandaag, zou je zelfs kunnen zeggen, lopen we naar huis. Van Hoek van Holland naar Loosduinen. Den Haag dus, of die Peenbuikers dat nou willen of niet. En zo komt het gesprek natuurlijk nogal makkelijk op vroeger. Sterker nog, dat was ook de bedoeling.
In café Harwich, in Hoek van Holland, beginnen we meteen bij de koffie, als we proberen uit te maken of het nou Haags is of Rotterdams dat we horen. Haags vooral, besluiten we en halen herinneringen op aan de middelbare school, waar de leraar economie dat ook al sprak of hij er vandaan kwam en zo het verschil probeerde uit te leggen tussen de verkochte en de onverkochte methode. Wat natuurlijk wel veel lógischer is, als je het over economie hebt, maar evengoed nog moeilijk te begrijpen. De onverkochte methode zal in de loop van de dag nog vaak terugkeren in de gesprekken onderweg.

Afbeelding

Tegen de wind in laten we Hoek van Holland en Europoort achter ons. Achterom kijkend lijkt het nu net of de zeeschepen zich soepel een weg landinwaarts ploegen, dwars door het zand. Langs het strand herinneren afgetakelde skeletten van strandtenten nog aan de voorbije zomer. Aan de zomers van vroeger ook, toen we dwars door de duinen een hele dag naar Hoek van Holland fietsten, waar het strand vreemd genoeg heel anders leek, om naar de boten te kijken en een patatje te eten.
Op weg naar ’s Gravenzande zien we de eerste kassen. De buitenwijken van de Glazen Stad, krijgen we vandaag alleen te zien, het echte werk ligt meer landinwaarts. We proberen te raden wat er verbouwd wordt. We houden het op rucola, maar zijn blijkbaar te stads om het zeker te weten.
Als we niet op het strand of door de duinen lopen, is er maar weinig natuurschoon. We  lopen, zo lijkt het, langs de achterkant van het Westland. Hoekige schuren, sobere huizen, versleten loodsen. Stelconplaten, metershoge roldeuren en containers. Afgeragd en afgeleefd. Alles lijkt ingericht op werk en functionaliteit, voor opsmuk is geen ruimte. Zelfs van de verlaten campings is het maar moeilijk voor te stellen dat het er ooit níet ongezellig en troosteloos is. En toch heeft dit verwaarloosde landschap een vreemde, weerbarstige schoonheid. Het is mooi van lelijkheid.
Na Ter Heijde, dat als een mistroostige strafkolonie rond zijn kerk tegen de duinen bijeen ligt geveegd, lopen we over de slaperdijk, door het duingebied tussen Monster en Den Haag richting Madestein, een in de jaren zeventig aangelegd natuurlijk bedoeld recreatiegebied dat de vergelijking met echte natuur nooit zal kunnen doorstaan. We maken een klein, zelfkwellend ommetje langs Vroondaal, een nieuwe wijk van ná onze tijd. Een wijk waarvoor een flink tuinbouwgebied het veld heeft moeten ruimen. En voor de toekomstige uitbreiding waarvan één van onze ouderlijke huizen ook maar vast is afgebroken. Als we zien wat er voor terug is gekomen, zouden we ons bijna boos maken over zóveel protserige wansmaak op een kluitje, maar dat doen we natuurlijk niet, want we zijn een dagje uit en wij hoeven er gelukkig niet meer te wonen. Den Haag is door de jaren zó veranderd.
Dan lopen we Loosduinen in, waar we eind jaren zeventig heel wat gezamenlijke avonturen hebben beleefd. Onze jongerenjaren. Maar dat bewaren we voor de volgende keer. Nu zijn we moe, en het wordt al een beetje donker. De etappe van vandaag sluiten we af met een kopje koffie bij moeder. Thuis. We hebben chocolaatjes mee.

Langs de rand van het land

Hollands Kustpad, van Hoek van Holland naar Loosduinen, gelopen op zaterdag 30 november 2013

“Jullie lopen de verkeerde kant op. ” Een mevrouw met een hondje meldt het ons maar even, van een afstandje, en een tikkeltje misprijzend omdat haar man een breedsprakig praatje met ons aanknoopt, over het hoe en waarom van de zandmotor bij Ter Heijde onder meer, waar wij dan ook nog weer net iets te graag op ingaan, terwijl zíj nu dus gewoon naar huis wil, met dat snertweer.
Jullie lopen de verkeerde kant op.
We zijn dan al halverwege de dag en staan in het laatste beetje luwte van het duin even snel onze honger weg te eten, vóór we bij ’s Gravenzande het strand weer op gaan, waar we zeker geen beschut plekje meer zullen vinden, laat staan horeca. Maar dat is dan ook precies wat de mevrouw blijkt te bedoelen. Dat je met deze wind beter de andere kant op kunt lopen, met de wind mee. Van Den Helder naar Hoek van Holland, in plaats van andersom. En als om haar waarheid te onderstrepen begint het ook weer even te motregenen.

Afbeelding

Maar goed, wij waren vanochtend dus weldegelijk in Hoek van Holland begonnen. Met een kopje koffie, in café Harwich, een naam die natuurlijk de vraag oproept of er in Harwich ook een zusterpub zal zijn die Hook of Holland heet, maar dat zal wel niet. Harwich lijkt ons erg Hoeks en erg Hollands te zijn in elk geval.  Een café uit een op nostalgie drijvende Nederlandse televisieserie, met twee enorme en druk gebruikte biljarttafels, een flegmatieke John Leddy achter de bar, messcherpe vouw in de broek, en bijbehorend ruwe bolster blanke pit en hart op de tong publiek aan de andere kant van de toog, waaraan, hoewel de elf nog niet eens in de klok is, al stevig wordt ingenomen. Zodra we binnenstappen valt er een diepe en afwachtende stilte, maar wanneer die geleidelijk optrekt, klinkt er onmiskenbaar Haags door het Rotterdams, of andersom, en als we uiteindelijk de jas aantrekken om onze tocht te aanvaarden, worden we meer dan hartelijk uitgeluid. Alsof we met een half uur stamgast zijn geworden.  De donkere wolken die zich inmiddels boven onze route hebben samengepakt, kunnen ons dan eigenlijk niet meer deren. Al was het maar omdat ze volgens onze nieuwe vrienden, net als alle andere ellende, uit Den Haag zelve komen, onze geliefde thuisstad van weleer. Bovendien is ieder weer wandelweer, beweren wij altijd, dus lopend langs de haven, en de Nieuwe Waterweg, blijken de donkere wolken en zelfs de motregen een uitstekend en sfeerverhogend decor te vormen voor het schonkig oerwoud van kranen aan de overkant van het water. De rokende schoorstenen en de uitgestrekte industrie, voor de vuurtorens en de enorme schepen die langskomen, de verbeten in regenpak gehesen vissers op de betonnen boulevard. Veel Hollandser kun je je de Hoek niet voorstellen. En ook aan het strand, waar alleen verlaten en kale, stalen skeletten nog vagelijk herinneren aan de zomerse strandtent die er ook op heeft gestaan, weet je onmiddellijk waar je bent: Hoek van Holland, de rand van het land.