Kerkepad, hoogholtje, poffert, borg en hoeske

cropped-20171213-nk-baflo-e1513182175224.jpg

Van Baflo naar Uithuizen, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 21 juli 2017

Als we aan het eind van de middag in Uithuizen bij de Menkemaborg een afsluitend terrasje pikken, vraagt de waard ons bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Van het Nederlands Kustpad, dat nochtans zo goed als dóór zijn gelagkamer loopt, heeft hij nog nooit gehoord. We beloven hem de volgende etappe te openen op zijn terras, met een kop koffie, maar dat we nu op huis aan gaan. We hebben er een beste etappe op zitten, het is mooi geweest.

DSC09646

De dag begint in Baflo met kerkbezoek. Dat is toeval, want als we op het kerkje aflopen om er een snel maar eerbiedig fotorondje omheen te maken, gaat juist de deur open. De mevrouw die naar buiten komt wil de boel eigenlijk afsluiten maar vraagt ons of we misschien even binnen willen kijken. Zo voelt het als een buitenkansje, waar we graag gebruik van maken. De mevrouw is vrijwilligster bij de kerk, vertelt ze op ons navragen. Bij de deur hangt een bordje met een telefoonnummer dat je kunt bellen wanneer je de kerk zou willen bezichtigen. Als je dat nummer belt, krijg je de mevrouw aan de lijn. Ze wordt niet heel vaak gebeld, vertrouwt ze ons toe, maar áls ze gebeld wordt, dan komt ze. Bijna altijd meteen. Ze heeft nooit geen zin om te komen. Maar als we de toren willen bezichtigen, die als een apart gebouw los van de kerk staat, moeten we een ander telefoonnummer bellen. Dan komt er iemand anders. Want de toren valt onder een andere stichting.
We krijgen trouwens geen spijt van onze impulsieve reactie want de Laurentiuskerk is erg de moeite waard. Aan de buitenkant is goed te zien dat het een zeer oud kerkje is, waar in de loop van de geschiedenis het nodige aan bijgebouwd en weer afgebroken is. Opgelapt, aangepast en gerestaureerd. De spitsboogvensters zijn er duidelijk later ingezet, gevelstenen memoreren verbouwingen in de jaren des Heeren 1656 en 1808. De buitengevel is een grillig mozaïek van uiteenlopend metselwerk in verschillende steensoorten. Binnen zien we een uitstekend onderhouden en afgewerkt interieur. Witgepleisterde wanden met vensters alsof ze er altijd hebben gezeten, gekleurd glas zo hier en daar, een blauw geschilderd balkenplafond, of is het groen, en achterin een fraai, rijk versierd orgel. Roodhouten herenbanken rond een preekstoel in het midden van de lange wand. De mevrouw wijst ons op een aantal grote kiezels met ieder een naam erop geschreven. Een gebruik van speciaal deze kerk. Het zijn de namen van de dit jaar overledenen. De stenen liggen een jaar in de kerk, ter nagedachtenis aan de dode, waarna ze worden meegegeven aan de familie of nabestaanden.
Geheel in stijl verlaten we Baflo via het kerkepad, over het hoogholtje richting Rasquert. Een hoogholtje, ik zeg het er maar even bij, is een smal en steil houten bruggetje over het water. Een ander zou van een kippenbruggetje spreken, ik meende te weten dat dit soort bruggetjes in Groningen een til werd genoemd, maar het blijkt allemaal nog veel ingewikkelder te zijn. Om het extra verwarrend te maken is dit hoogholtje dan ook nog weer gemaakt van staal. Ik besluit geen pogingen meer te ondernemen het fijne ervan te doorgronden, als ik maar aan de overkant kom vind ik het allemaal best.

DSC09681

Via Rasquert en Breede geraken we in Warffum, een stadje waaraan de voorspoed uit vroeger tijden goed is af te zien met een handvol statige herenhuizen, met grote vensters en balkons, versierde daklijsten en decoratief metselwerk. Middenin het dorp ligt openluchtmuseum het Hoogeland, waar de geschiedenis van de streek in twintig gebouwen levend wordt gehouden. Als oppervlakkige cultuurbarbaren komen wij niet verder dan het terras van het museumcafé. Waar we de plaatselijke lekkernij bestellen, dat dan weer wel. De poffert met kaneelroom. Een soort cake die zonder oven wordt gebakken, als een wentelteefje, maar dan toch weer anders. Armeluiscake, wordt er gezegd. Ons smaakt ie prima en als het tafeltje naast ons wat aarzelend is over de poffert, en ons op aanwijzing van het bedienend personeel om advies vraagt, raden wij hem van harte aan.

DSC09697

Als we Warffum weer uitlopen, worden we langs de begraafplaats gestuurd. Omdat wij van kerkhoven en begraafplaatsen houden, met hun verstilde sfeer, bedenken we dat we er net zo goed overheen kunnen lopen, en er wat van zien. Het is een fraaie, uitgestrekte begraafplaats die vreemd het midden houdt tussen aangeharkt en in verval. Al ronddwalend zien we tamelijk veel familiegraven met een sfeerverhogend roestig hekje eromheen waarbinnen het gras hoog opschiet, scheefgezakte stenen, een wat luguber ogende grafkelder van wel zeer sober grindbeton, graven die soms hutje mutje bij elkaar lijken te schuilen en anderen eenzaam en alleen in een groene zee van ruimte. Rust zacht lieve doden, staat ergens te lezen op een grijze naald van eroderend beton waarvan de lelijkheid de boodschap een tikkeltje ondermijnt. We krijgen het allemaal twee keer te zien want als we de begraafplaats aan gene zijde weer willen verlaten, blijkt daar een sloot te liggen. Heel even overwegen we een sprong, maar kiezen uiteindelijk natuurlijk voor de veilige weg terug op onze schreden.

DSC09730

In Rottum bezoeken we het beroemde kleinste huisje van Groningen. Het blijft opmerkelijk hoe belangrijk dat gevonden wordt, dat iets het grootste of het kleinste of het hoogste of het oudste of het langste of het dikste ergens van is. Alsof alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. Alsof iets alleen maar interessant kan zijn in de overtreffende trap. Als er in Groningen nou nog drie huisjes hadden gestaan die nét iets kleiner waren, dan was dit waarschijnlijk het kleinste huisje van midden noord oost Groningen geweest, om toch in de behoefte te voorzien. Maar.. wordt dit hoeske van Tais’ Joaptje daar nou meer of minder van? Welnee, het staat er en vertelt zijn verhaal. Op het eerste gezicht is dat misschien een romantische ‘vroeger was alles nog zo ouderwets gezellig en gezellig ouderwets oudHollandsch openluchtmuseum’ geschiedenisles, maar als je er even bij stil staat is het een heel ander verhaal. Want dit is inderdaad een piepklein huisje en het valt niet voor te stellen dat hier ook echt mensen in hebben gewoond. Hoe dan? Vragen wij ons onmiddellijk af. Want we staan er nu met één  medetoerist ons kont niet te kunnen keren en ergeren ons nú al aan elkaars aanwezigheid. Nog onvoorstelbaarder is het dat dit huisje van, wat zal het zijn.. twaalf vierkante meter, nog in 1953 werd bewoond. 1953! Drie kinderen op het stro op zolder, de ouders in de bedstee, het secreet achter het huis. Onderweg in Groningen hebben we borgen zien staan waarvan de kleinste kast waarschijnlijk nog groter was dan dit arbeidershuisje. Begin dit jaar heeft het huisje nog in de kranten gestaan toen het door actievoerders werd ingepakt in een zelfgebreide deken, om aandacht te vragen voor de problemen die Groningen ondervindt van onze gasconsumptie. Een situatie die je gerust een actuele variant op het verhaal zou kunnen noemen. De geschiedenis leert het blijkbaar nooit.
Met dit alles in ons achterhoofd betreden we aan het eind van de dag het landgoed bij de Menkemaborg in Uithuizen, om het op het terras, met uitzicht op de riante borg, wat te laten bezinken. De waard vraagt bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Maar dat hadden we al verteld.
DSC00856

Advertenties

Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde

cropped-header-20170908-3.jpg

Van Houwerzijl naar Baflo, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op woensdag 17 mei 2017

Houwerzijl lijkt best een aardig plaatsje, toch krijgt het van ons niet de aandacht die het dus waarschijnlijk verdient. Er zijn een hele winter en een half voorjaar overheen gegaan sinds we hier de wandeling onderbraken en nu we de draad weer op willen pakken, kunnen we hem zo gauw niet meer vinden. Houwerzijl ligt net naast de voorgeschreven route, dus het boekje biedt maar weinig soelaas, en markeringen, hoe goed we ook zoeken, ontbreken. Een man met een grote snor die zijn dito hond voor ons tot kalmte maant, zet ons op het spoor naar de Houwerzijlstervaart, en dan komt alles goed.

DSC08659

Wij hervatten onze tocht over een zeer uitbundig met fluitekruid omzoomd fietspad langs het water. De fietsers die we daarbij tegenkomen zijn niet geërgerd dat wij hun de weg versperren, zoals je ook wel meemaakt als wandelaar, maar roepen ons stuk voor stuk blijmoedig toe hoe móói het hier is, met al dat fluitekruid. En verderop, in Leens, zet die gemoedelijke trend zich voort. Daar ontmoeten we meerdere mensen die uitgebreid in de tuin zitten, de ramen zemen of de bloembakken water geven en ons bij het langslopen aanmoedigen met de vaststelling dat het schitterend wandelweer is. Iets dat wij telkens even opgewekt beamen. Het ís ook schitterend wandelweer. Langzaam breekt de zon door en wordt het steeds warmer. Met in de mensen duidelijk een welbehagen.

DSC08665

Iets vóór Leens betreden wij met gepaste eerbied nog Olle Weem. Een zeer oud kerkhof, gelegen op een wierde, idyllisch omzoomd door bomen en opnieuw bloeiend fluitekruid. Het is het enig overblijfsel van Vliedorp, dat hier in oude tijden lag. Zo lezen wij op het informatiebord. Tot het jaar des Heeren 1695 liepen de inwoners van Houwerzijl hier op zondag langs het kerkepad naartoe om de mis te bezoeken. Daarna raakte de kerk van Vliedorp in onbruik, werd hij afgebroken en werden zijn stenen hergebruikt voor de pastorie van Leens. Het dorp bleef bewoond tot het eind van de achttiende eeuw. Het kerkhof was tot 1868 in gebruik als dodenakker van Houwerzijl. Bij slecht weer werd de rouwstoet per boot over de Houwerzijlstervaart vervoerd, lezen wij nog. Begin twintigste eeuw is de wierde voor een groot deel afgegraven, om de vruchtbare zeeklei waarvan zij was opgeworpen aan belendende provincies te verkopen, een lot dat veel wierden in die tijd was beschoren. Een operatie waarbij in dit geval blijkbaar geen rekening werd gehouden met het gegeven dat de kostbare aarde hier eeuwige rust bood aan de doden, aangezien er veel zerken bij verloren zijn gegaan. Die zijn, aldus nog altijd het informatiebord, door boeren uit de omgeving ‘voor allerlei doeleinden’ aangewend. Een mededeling van een nieuwsgierig makende vaagheid. Wat overbleef zijn twaalf verspreid liggende, moeilijk leesbare zerken. En de ondanks alles verstilde sfeer.
Even voorbij Leens leggen we aan bij de borg Verhildersum, omringd door een slotgracht, gelegen temidden van barokke tuinen, een lommerrijk landgoed en aan het eind van een statige oprijlaan. In 1398 bescheiden begonnen als een verdedigbare woontoren, groeide het vanaf de zestiende eeuw uit tot de rijke herenwoonstee die er nu nog staat, met koetshuis, arbeidershuisje, duiventil en boerderij.

DSC08726

Langs het Scheeftilsterpad lopen we verder langs een toch echt lichtglooiend landschap. Veel landerijen worden gebruikt voor de aardappelteelt en zijn zandkleurig, grijsachtig bruin, bruinachtig grijs. Gestreept, met hoge ruggen, alsof het land zorgvuldig met een reuzenkam gekamd is, in superstrakke voren. Soms kaarsrecht, soms in concentrische bogen. Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde.
Langs het Warfhuisterloopdiep komen we terecht in Warfhuizen, dat een soort havenstadje blijkt te zijn, middenin het Groningse land. Langs de vaart ligt een lange rij bootjes in soorten en maten afgemeerd. En in uiteenlopende staten van onderhoud, dat ook. Maar in bijna allemaal wordt druk getimmerd, geklopt en gezaagd. Er moet blijkbaar nog heel wat gebeuren voor er gevaren kan worden. Iets verderop treffen we zelfs een werfje, met op het droge een heel aantal boten, waarvan sommigen zolang even op een paar oliedrums zijn gestald. Aan de waterkant een eenvoudige takel om ze weer in de vaart te tillen. In de schaduw van één van die boten staan twee mannen een gemoedelijk praatje te maken. Ze blijken te wachten op de eigenaar van de werf, en de takel, die de boot van de mannen vandaag volgens afspraak te water zou laten. Al lijkt het erop dat hij niet op komt dagen, stellen ze laconiek vast. Eén van de mannen vertelt uit Rotterdam te komen. Waar zijn ouders in 1941 naar terugkeerden, toen het nog smeulde. Maar nu woont hij dus hier en dat bevalt hem prima. Al wacht hij dan waarschijnlijk vergeefs tot zijn boot te water wordt gelaten. De man draagt een rond hoornen brilletje, een boordloos overhemd, een krullende snor, lang haar en een platte pet waar hij regelmatig onder krabt. Het is te warm voor een wollen pet. Zijn veel te ruime ribfluwelen broek wordt door rode bretels omhoog gehouden en hij hanteert een bij dit alles passende artistieke onverschilligheid die wat bestudeerd aandoet. Wanneer wij opperen dat hij de man van de takel misschien kan bellen, werpt hij zijn beide armen in gespeelde hulpeloosheid in de lucht en roept schamper uit dat hij niet eens weet hoe zo’n 06-ding wérkt. De mannen accepteren aldus de tegenslag en besluiten de middag elders en op een andere manier door te brengen. Wij vervolgen onze weg.

DSC08731

Bij het gemaal Abelstok betreden we zo’n beetje de Groningse actualiteit van gaswinning en zakkende bodem. Het is één van de gemalen die werden gebouwd op de grens van het verzakkingsgebied met als taak het waterpeil in het gebied aan te passen aan de dalende bodem. Over de herkomst van de naam Abelstok doen verschillende verhalen de ronde. Het meest tot onze verbeelding spreekt de 19e eeuwse sage van ene Abel die, om een weddenschap te winnen, met een polsstok de Hoornse vaart bedwong maar daarbij zó ver sprong dat hij aan de overkant volledig uit zicht verdween, tot radeloosheid van de achtergebleven toeschouwers.
Bij het gemaal ontmoeten we een man waarvan we achteraf denken dat hij wel eens een ver familielid van Abel Stok zou kunnen zijn. Hij zit nogal verlegen om een praatje, en de oude en der dagen zatte teckel die hij bij zich heeft legt zich daar amechtig hijgend van de inmiddels zomerse hitte bij neer. De man vertelt ons met enig bravoure hoe hij een aantal keer per week het tegenoverliggend Abelstokbos intrekt om er met een boomstam van soms wel 80 kilo weer uit te komen, die hij dan vervolgens op zijn schouder naar huis vervoert. Bij wijze van sport en beweging. Die bomen blijven daar toch maar liggen, vindt de man, en dat is dan misschien in het kader van het moderne natuurbeheer, maar zo komt hij mooi aan zijn brandhout voor de winter. Toen de stammen eens te groot waren om te dragen, had hij een kettingzaagje meegenomen. Hij zou er natuurlijk ook met een aanhanger heen kunnen gaan, en zijn hele voorraad in één keer meenemen, dat snapte hij ook wel, maar dan was het dus geen sport meer. En op deze manier werd hij víer keer warm van zijn hout, rekent hij ons voor. Wisten wij trouwens dat er naast het gemaal ook een vistrap was gebouwd? Zodat de vis ongestoord langs het gemaal van a naar b kon zwemmen. Flauwekul en zonde van het geld, als je het hem vroeg, want hij had er nog nooit een vis in gezien.

DSC08763

Langs het Mensingeweersterloopdiep en Mensingeweer zelf tenslotte, geraken we in Maarhuizen, bestaande uit niet veel meer dan een grote boerderij van 1811 die er verlaten bijstaat. Op het erf staan wat roestige voorwerpen, de ruiten van de stal zijn gebroken, de luiken van het woonhuis hermetisch gesloten. De stalmuur is met dikke houten balken gestut. Nu staan we dus echt op verzakte bodem, bedenken wij, al weten we het zeker niet zeker. Geen teken van leven dat ons tegenspreekt. Maarhuizen is verlaten. Gevlucht voor de NAM, en het beven der aarde. Alleen de doden zijn achtergebleven, in serene rust, op het naastgelegen wierdekerkhof.