Industriële vergezichten

cropped-header-20171209-21.jpg

Van Tjamsweer naar Termunterzijl, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 1 december 2017

Logistiek is het gekkenwerk natuurlijk, maar we hebben het in ons hoofd gezet dat we het Nederlands Kustpad nog dit jaar willen afronden. Een race tegen de klok. Niet zozeer omdat het jaar bijna is afgelopen, we schrijven december, maar vooral omdat het laatste stukje Groningen met een reistijd van ruim twee-en-een-half uur nou niet direct naast onze respectievelijke deuren ligt en het ’s middags vóór vijven al donker is. We schrijven niet voor niets december. Niettemin starten we de dag optimistisch onder de kerktoren van Tjamsweer. Het is koud, er ligt zelfs een vliesje ijs op de sloot rond het kerkhof, maar de zon schijnt ook, het is een kraakheldere, veelbelovende dag.

DSC02962

Tjamsweer lijkt niet heel veel meer dan haar kerk te zijn want zodra we de weg zijn overgestoken lopen we Appingedam binnen. Een plaatsnaam die, we durven het bijna niet te zeggen in deze tijden van tweedracht en kloofdenken, bij ons voormalig randstedelingen geen grootse beelden oproept. Dat blijkt ten onrechte. Appingedam heeft een schitterend historisch stadsgezicht, met krommende straatjes en stokoude huisjes, karakteristieke geveltjes, de grootste kerk uit de Groningse ommelanden naast een raadhuis uit 1638 op het plein, een eigen museum en hangende keukens boven de gracht. Een plaatje.
Bij de koffie krijgen we aanspraak van de bediening, die ons met toenemende verbetenheid uit de doeken doet hoe de andere kant van de medaille eruitziet, in mooi Groningen. Huizen die permanent in de stutten staan, telkens opnieuw scheuren en langzaamaan onverkoopbaar zijn geworden. De frustratie daarover, over hoe daarmee om wordt gegaan, is zeer voelbaar. Onze machteloosheid moet ook te merken zijn want na enige tijd wordt overgeschakeld op het weer, dat heerlijk is, en kunnen we veilig de aftocht blazen.

DSC03005

Voordat Delfzijl het overnam was Appingedam, in een economische bloeitijd, een stad van enige industriële betekenis, lezen wij later op internet. Met onder meer een steenfabriek, een strokartonindustrie en een kalkoven. Even buiten de oude stad, aan het Damsterdiep, komen we daarvan een overblijfsel tegen. Industrieel erfgoed, mogen we aannemen. Een witgepleisterd kantoorgebouw, dakpannen, een rood bakstenen fabriekshal met zo’n iconisch zaagtanddak, een bakstenen schoorsteenpijp, een trapgeveltje en eenvoudig, wat hoekig siermetselwerk. Honderd jaar geleden zal het een indrukwekkend groot complex geweest zijn. Vandaag, afgezet tegen wat we verderop rondom Delfzijl nog te zien krijgen, valt vooral de menselijk maat op. Hier werd, leert internet ons, tussen 1907 en 2004 de zogenaamde Bronsmotor geproduceerd, een vinding van de Groningse bouwvakker Jan Brons. Een zuinige maar krachtiger variatie op de dieselmotor, begrijpen we ervan. Zware motoren, toegepast onder meer in de scheepvaart en in gemalen.
In Delfzijl zien we dan voor het eerst weer de zee, dat wil zeggen, de Eems. Het is eb. Het kost enige moeite de zeedijk te bereiken, omdat Delfzijl zich opmaakt voor de toekomst, blijkens een metershoog banier, wat in het heden de gebruikelijke rommel geeft. Her en der rijdt zwaar materieel, overal liggen hopen zand en steen en staan bouwhekken en borden die de vrije doorgang ontmoedigen. Rechts wordt een jaren zeventig flat duurzaam afgebroken. Esthetisch gezien lijkt het ons geen groot verlies, maar in de Volkskrant lezen we later in de week een reportage over de laatste bewoners, die er veertig jaar met veel plezier hebben gewoond. Zijn we toch weer elitair bezig verdorie. Belangrijk argument voor sloop was trouwens, dixit de Volkskrant, dat het gebouw niet voldoende aardbevingsbestendig was. Waarmee de nieuwe Groningse werkelijkheid dus andermaal om de hoek komt kijken.

IMG_3800

Over de kruin van de zeekering, een smal betonnen pad met aan weerszijden een borstwering, lopen we in ganzenpas om Delfzijl heen, een fantasieloze omgevallen blokkendoos met veel geparkeerd blik. Voor de charme van Delfzijl moeten we toch echt aan de andere kant zijn. Daar zien we de Eems in het blauw oplossen, één wordend met de rookpluimen van Eemshaven in de verte, in monochrome aquarellen. En daarna windmolens, kranen en ander havengeweld dat scherp en kleurrijk afsteekt tegen de blauwe hemel. Aan de overkant ligt Duitsland. We passeren een aantal zijlen, kolkende verbindingen tussen de zee en het land, lopen langs de scheepswerven van Farmsum, via de groene zeedijk onder een rechtlijnig netwerk van glimmende pijpleidingen door, langs vreemde bouwsels op poten en een doods pekelbassin richting de industriële vergezichten die Groningen Seaport verder nog in petto heeft. De chemische industrie, de aluminiumfabriek, de vuilverbranding. Natuurschoon komt er weinig aan te pas, deze etappe, maar goed, dat hoeft van ons ook niet altijd. Wij zijn de beroerdsten niet en ook zeker in staat te genieten van het schouwspel dat ons wel geboden wordt. De laaghangende zon deelt zachtmakende, sepia-oranje-achtige kleuren uit aan al die grote en vreemde gebouwen, al dat ingewikkelde en dampende en stomende technisch vernuft, aan de inmiddels dreigende wolkenluchten erboven en zet deze hele onheilspellende wereld ondanks alles in een romantische gloed. Torenhoge windmolens en dikke rookpluimen worden mysterieus aangelicht. Als we omkijken zien we de vuilverbranding afsteken tegen een lucht die veranderd is in een vuurzee. Het is een spectaculaire aanblik. Wat we allemaal inademen, daar denken we dan maar liever even niet aan.

IMG_3760

Een keerzijde is er ook, aan al deze futuristische schoonheid. De industriële vergezichten die Delfzijl het Rotterdam van het Noorden zagen worden, hebben ook slachtoffers gemaakt. Drie complete dorpen die hier eeuwen hebben gelegen zijn aan de vooruitgang opgeofferd. Van Heveskes zien we alleen het kerkje nog staan, aan de overzijde van de Oosterhornhaven. Een eenzaam overblijfsel van een oud verleden. Een anachronisme, nietig en reddeloos verloren tussen de boven haar uit torenende kathedralen van de chemische industrie. Van Oterdum zijn alleen de grafstenen bewaard gebleven. Het dorp zelf is, met kerk en kerkhof en al, afgebroken om plaats te maken voor verzwaring van de zeewering en uitbreiding van het industriegebied. De grafstenen zijn op de dijk geplaatst, als een laatste groet aan het dorp dat hier ooit lag maar door het land werd verzwolgen, om te voorkomen dat het land door de zee werd verzwolgen. Van Weiwerd tenslotte is niet veel méér over dan de wierde waarop het ooit lag. Een wat verwaarloosd kerkhof en een dichtgetimmerde boerderij contrasteren onaangenaam met de intimiderende machinerieën en buizencomplexen die letterlijk tot aan de rand van het dorp zijn opgerukt. Over de wierde ligt een plattegrond van klinkerweggetjes en beukenhaagjes die er zó nieuw en onderhouden uitzien dat ze bijna wel vooruit moeten lopen op de herinrichting van Weiwerd, die op een groot bord aan de weg wordt aangekondigd. Een herinrichtingsplan dat het dorp opnieuw in authentieke stijl wil opbouwen, op de fundamenten die er nog liggen, om er vervolgens kleinschalige high-tech bedrijvigheid in te vestigen. Een brainwierde, moet het worden, waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de omringende chemische- en metaalindustrie, die het plan ook initieerden. Klinkt mooi, en idealistisch. Maar wij lezen ook dat er weinig met de grond gedaan kan worden vanwege de archeologische waarde, met bijbehorende regelgeving. We lezen ook dat de bevolking van Weiwerd jarenlang behoorlijk is gepiepeld, door overheid en ondernemingen. Misleid en aan het lijntje gehouden met valse beloften en niet nagekomen afspraken en uiteindelijk toch verjaagd van de grond waar ze generaties lang woonden. Waar ze ondanks alles niet weg wilden. Grond waar nu, tientallen jaren later, eigenlijk nog steeds niets mee gedaan is. Geschiedenis, is het. Maar het klinkt ons ook razend actueel in de oren.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Advertenties

Het rijke Groningse verleden

header uithuizen

Van Uithuizen naar Tjamsweer, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zondag 8 oktober 2017

Er zijn slechtere plekken om je wandeling te beginnen. Tjongejonge zeg.. Vanaf de Menkemaborg in Uithuizen wandel je wel even op stand. Langs een kaarsrechte oprijlaan, beschaduwd van dubbele rijen rechthoekig geschoren bomen, betreden we de statige luister van het rijke Groningse verleden. Omsloten door een ferme slotgracht ligt daar, gelijk een kasteel, met twee speelse torentjes ook nog, de Menkemaborg, naar de gelijknamige familie die hier sinds naar schatting 1500 heeft geresideerd. De toegang tot de brug naar het woonhuis wordt op klassieke wijze bewaakt door twee stenen leeuwen. Het zijn leeuwen zoals je ze tegenwoordig wel in trieste rotten van vijf in het tuincentrum ziet staan, zoals je ze tegenwoordig wel op muurtjes van de carport gemetseld ziet, in lelijke nieuwbouwwijken, ter verfraaiing van onderhoudsvrije voortuintjes. De leeuwen die hier, fris in de verf maar wel zwaar loensend op de gang van zaken toezien, zijn van betere komaf, voor zover wij hebben kunnen nagaan. Dat laat zich aan hun gouden nagels en aan hun gekleurde wapenschilden ook al vermoeden trouwens. Terzijde van de slotbrug alhier staan ze pas sinds 1921, het jaar waarin de Menkemaborg aan het Groninger Museum verviel na de dood van zijn laatste bewoner, de kinderloze vrijgezel Gerard Alberda van Menkema, in 1902. Daarvóór hebben ze dienst gedaan bij de borg Dijksterhuis in Pieterburen, die eigendom was van dezelfde Gerard Alberda van Menkema en in 1903, na dus diens dood, werd afgebroken, maar al in de familie Alberda was sinds 1706. Nóg eerder behoorden de leeuwen bij de Thedemaborg in Bedum, die waarschijnlijk begin 17e eeuw werd gebouwd. Aansluitend wordt 1600 inderdaad ook genoemd als geboortejaar van de leeuwen. Wanneer ze dan van Bedum naar Pieterburen zijn verhuisd, vermeldt de geschiedenis niet, maar wel dat in 1774 na een sterfgeval een groot deel van de boedel van de Thedemaborg werd verkocht, dus allicht ook de twee leeuwen, die ons nu vervaarlijk grijnzend nastaren wanneer we, na de koffie in het skathoes, aan de tocht richting Tjamsweer beginnen.

DSC00857

Na deze luisterrijke start lopen we verder over boerenwegen, met klei besmeurd zo hier en daar. Op de akkers rondom ligt de uienoogst in lange rijen op nadere instructies te wachten. Rechts zien we een stalgebouw in de stutten staan, we mogen aannemen vanwege de bodemverzakking, een aanblik die cynisch genoeg vertrouwd begint te worden. Links van ons steekt de kerktoren van Uithuizermeeden tussen de bomen uit, een opvallend exotische verschijning, met zijn hemelsblauwe koepeltjes en zijn opengewerkte witte verdiepingen, verlopend van vierkant, via achthoekig naar rond. Het heeft iets luchtigs, iets frivools, iets dat je hier niet zou verwachten, om één of andere reden. Net zo min als het gegeven dat hij er toch al van begin 18e eeuw staat, ter vervanging van de in 1734 ingestorte losstaande toren. Bijzonder. Het is het ontwerp van een in die tijd veelgevraagd Gronings schrijnwerker, van wie ook werk in het interieur is terug te vinden, aldus wikipedia. Het is eigenlijk jammer dat je op zo’n wandeldag ook vaak gebonden bent aan de route en de afstand die je wilde lopen, de plek waar de auto staat te wachten, en je niet altijd toe kunt geven aan de impuls om voor zo’n bijzonder kerkje als dit een omweg te maken en wat tijd uit te trekken. We genieten daarom maar van wat we wel uitgebreid kunnen bekijken, en houden de rest in ons achterhoofd. Er komt altijd een tweede kans.

DSC00900

Het kerkje van Oldenzijl voldoet wel geheel en al aan ons klassiek Gronings verwachtingspatroon. Een klein Romaans bakstenen gebouw met kleine vensters, een bescheiden dakruiter, gelegen op een wierde temidden van een oud kerkhof. Of.. nou.. oud.. later lezen we dat het kerkhof in de vijftiger jaren flink is afgegraven omdat het, door het gebruik zullen we maar zeggen, hoger was komen te liggen dan de kerkvloer, wat voor vochtproblemen zorgde. Hmm.. er zijn misschien ook dingen die je niet per se hoeft te weten. Goed.. De halfronde apsis aan de achterkant is verrijkt met siermetselwerk dat als typisch middeleeuws wordt aangemerkt. Let wel, wij citeren slechts de kenners op internet.. dat u niet denkt dat wij al deze kennis met ons meezeulen de hele dag. Een ander interessant detail is de hagioscoop, een klein, fraai vormgegeven venster dat op ooghoogte is aangebracht. Nu zit er glas in, maar in vroeger tijden was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te kunnen volgen. Mensen die de kerk niet in wilden, zoals kluizenaars, of niet in mochten, zoals misdadigers, overspeligen en lepralijders, konden zo toch gesticht worden en hopen op verlossing, blijkbaar.

DSC00883

Binnen treffen we een eenvoudig maar beeldschoon interieur. Witgepleisterde wanden, een gewelfje achterin, een blauwgeschilderd houten plafond, trapvormige vensterbanken, verweerde kapiteeltjes en gevelstenen, een houten kansel en een rijkversierde herenbank waarin de kapitaalkrachtige christen zich liet stichten en verlossen. Eén van de familiewapens laat weten dat deze bank mede bestemd was voor de familie Alberda, waarvan dus ook een telg in de Menkemaborg resideerde. Niet alleen de wereld, ook Groningen is klein.
We wandelen langs vette akkers van klei, in glimmende voren geploegd. We komen langs de Diek’n en door ’t Zandt, via een indrukwekkende tunnel van bomen passeren we de voorname Alberdaheerd, met een 19e eeuws theehuis op palen in de tuin en versgeschoren alpaca’s op het erf, we jagen een enorme wolk spreeuwen de lucht in, en belanden dan in een gebied waar de Groningse actualiteit een gezicht krijgt. Aangekondigd door een metershoge affakkeltoren ligt daar, achter hekken, een aardgaslocatie van de NAM. Het onderscheidt zich feitelijk niet van ieder ander industrieterrein waar we langs zijn gelopen: golfplaat, camerabewaking, verzamelpunt, kilometers pijpleiding, grindbeton, prikkeldraad, stelconplaten.. Maar waar we er elders nog wel eens de robuuste romantiek van in konden zien, de schoonheid van de lelijkheid, de esthetiek van de pure functionaliteit, krijgt het hier, door het verhaal erachter, door wat we ervan weten, door wat we ervan hebben gehoord en gezien onderweg, eerder iets grimmigs. Iets beladens.

DSC00976

Met een welhaast symbolische bocht lopen we om de locatie heen en laten de zaak weer achter ons. Wat kunnen we anders. Voor Groningen is het dagelijkse kost, dat beseffen we ook. Het is cynisch, bedenken we, terwijl we het laatste stuk naar Tjamsweer lopen, dat de vruchtbare bodem die Groningen zijn rijke verleden heeft gebracht, het rijke Groningse verleden dat wij om ons heen zien, de herenboerderijen, de kerken en de borgen, de landgoederen, dat diezelfde bodem de rijkdommen herbergt die de toekomst nu in zo’n korte tijd onzeker heeft gemaakt.

Kerkepad, hoogholtje, poffert, borg en hoeske

cropped-20171213-nk-baflo-e1513182175224.jpg

Van Baflo naar Uithuizen, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 21 juli 2017

Als we aan het eind van de middag in Uithuizen bij de Menkemaborg een afsluitend terrasje pikken, vraagt de waard ons bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Van het Nederlands Kustpad, dat nochtans zo goed als dóór zijn gelagkamer loopt, heeft hij nog nooit gehoord. We beloven hem de volgende etappe te openen op zijn terras, met een kop koffie, maar dat we nu op huis aan gaan. We hebben er een beste etappe op zitten, het is mooi geweest.

DSC09646

De dag begint in Baflo met kerkbezoek. Dat is toeval, want als we op het kerkje aflopen om er een snel maar eerbiedig fotorondje omheen te maken, gaat juist de deur open. De mevrouw die naar buiten komt wil de boel eigenlijk afsluiten maar vraagt ons of we misschien even binnen willen kijken. Zo voelt het als een buitenkansje, waar we graag gebruik van maken. De mevrouw is vrijwilligster bij de kerk, vertelt ze op ons navragen. Bij de deur hangt een bordje met een telefoonnummer dat je kunt bellen wanneer je de kerk zou willen bezichtigen. Als je dat nummer belt, krijg je de mevrouw aan de lijn. Ze wordt niet heel vaak gebeld, vertrouwt ze ons toe, maar áls ze gebeld wordt, dan komt ze. Bijna altijd meteen. Ze heeft nooit geen zin om te komen. Maar als we de toren willen bezichtigen, die als een apart gebouw los van de kerk staat, moeten we een ander telefoonnummer bellen. Dan komt er iemand anders. Want de toren valt onder een andere stichting.
We krijgen trouwens geen spijt van onze impulsieve reactie want de Laurentiuskerk is erg de moeite waard. Aan de buitenkant is goed te zien dat het een zeer oud kerkje is, waar in de loop van de geschiedenis het nodige aan bijgebouwd en weer afgebroken is. Opgelapt, aangepast en gerestaureerd. De spitsboogvensters zijn er duidelijk later ingezet, gevelstenen memoreren verbouwingen in de jaren des Heeren 1656 en 1808. De buitengevel is een grillig mozaïek van uiteenlopend metselwerk in verschillende steensoorten. Binnen zien we een uitstekend onderhouden en afgewerkt interieur. Witgepleisterde wanden met vensters alsof ze er altijd hebben gezeten, gekleurd glas zo hier en daar, een blauw geschilderd balkenplafond, of is het groen, en achterin een fraai, rijk versierd orgel. Roodhouten herenbanken rond een preekstoel in het midden van de lange wand. De mevrouw wijst ons op een aantal grote kiezels met ieder een naam erop geschreven. Een gebruik van speciaal deze kerk. Het zijn de namen van de dit jaar overledenen. De stenen liggen een jaar in de kerk, ter nagedachtenis aan de dode, waarna ze worden meegegeven aan de familie of nabestaanden.
Geheel in stijl verlaten we Baflo via het kerkepad, over het hoogholtje richting Rasquert. Een hoogholtje, ik zeg het er maar even bij, is een smal en steil houten bruggetje over het water. Een ander zou van een kippenbruggetje spreken, ik meende te weten dat dit soort bruggetjes in Groningen een til werd genoemd, maar het blijkt allemaal nog veel ingewikkelder te zijn. Om het extra verwarrend te maken is dit hoogholtje dan ook nog weer gemaakt van staal. Ik besluit geen pogingen meer te ondernemen het fijne ervan te doorgronden, als ik maar aan de overkant kom vind ik het allemaal best.

DSC09681

Via Rasquert en Breede geraken we in Warffum, een stadje waaraan de voorspoed uit vroeger tijden goed is af te zien met een handvol statige herenhuizen, met grote vensters en balkons, versierde daklijsten en decoratief metselwerk. Middenin het dorp ligt openluchtmuseum het Hoogeland, waar de geschiedenis van de streek in twintig gebouwen levend wordt gehouden. Als oppervlakkige cultuurbarbaren komen wij niet verder dan het terras van het museumcafé. Waar we de plaatselijke lekkernij bestellen, dat dan weer wel. De poffert met kaneelroom. Een soort cake die zonder oven wordt gebakken, als een wentelteefje, maar dan toch weer anders. Armeluiscake, wordt er gezegd. Ons smaakt ie prima en als het tafeltje naast ons wat aarzelend is over de poffert, en ons op aanwijzing van het bedienend personeel om advies vraagt, raden wij hem van harte aan.

DSC09697

Als we Warffum weer uitlopen, worden we langs de begraafplaats gestuurd. Omdat wij van kerkhoven en begraafplaatsen houden, met hun verstilde sfeer, bedenken we dat we er net zo goed overheen kunnen lopen, en er wat van zien. Het is een fraaie, uitgestrekte begraafplaats die vreemd het midden houdt tussen aangeharkt en in verval. Al ronddwalend zien we tamelijk veel familiegraven met een sfeerverhogend roestig hekje eromheen waarbinnen het gras hoog opschiet, scheefgezakte stenen, een wat luguber ogende grafkelder van wel zeer sober grindbeton, graven die soms hutje mutje bij elkaar lijken te schuilen en anderen eenzaam en alleen in een groene zee van ruimte. Rust zacht lieve doden, staat ergens te lezen op een grijze naald van eroderend beton waarvan de lelijkheid de boodschap een tikkeltje ondermijnt. We krijgen het allemaal twee keer te zien want als we de begraafplaats aan gene zijde weer willen verlaten, blijkt daar een sloot te liggen. Heel even overwegen we een sprong, maar kiezen uiteindelijk natuurlijk voor de veilige weg terug op onze schreden.

DSC09730

In Rottum bezoeken we het beroemde kleinste huisje van Groningen. Het blijft opmerkelijk hoe belangrijk dat gevonden wordt, dat iets het grootste of het kleinste of het hoogste of het oudste of het langste of het dikste ergens van is. Alsof alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. Alsof iets alleen maar interessant kan zijn in de overtreffende trap. Als er in Groningen nou nog drie huisjes hadden gestaan die nét iets kleiner waren, dan was dit waarschijnlijk het kleinste huisje van midden noord oost Groningen geweest, om toch in de behoefte te voorzien. Maar.. wordt dit hoeske van Tais’ Joaptje daar nou meer of minder van? Welnee, het staat er en vertelt zijn verhaal. Op het eerste gezicht is dat misschien een romantische ‘vroeger was alles nog zo ouderwets gezellig en gezellig ouderwets oudHollandsch openluchtmuseum’ geschiedenisles, maar als je er even bij stil staat is het een heel ander verhaal. Want dit is inderdaad een piepklein huisje en het valt niet voor te stellen dat hier ook echt mensen in hebben gewoond. Hoe dan? Vragen wij ons onmiddellijk af. Want we staan er nu met één  medetoerist ons kont niet te kunnen keren en ergeren ons nú al aan elkaars aanwezigheid. Nog onvoorstelbaarder is het dat dit huisje van, wat zal het zijn.. twaalf vierkante meter, nog in 1953 werd bewoond. 1953! Drie kinderen op het stro op zolder, de ouders in de bedstee, het secreet achter het huis. Onderweg in Groningen hebben we borgen zien staan waarvan de kleinste kast waarschijnlijk nog groter was dan dit arbeidershuisje. Begin dit jaar heeft het huisje nog in de kranten gestaan toen het door actievoerders werd ingepakt in een zelfgebreide deken, om aandacht te vragen voor de problemen die Groningen ondervindt van onze gasconsumptie. Een situatie die je gerust een actuele variant op het verhaal zou kunnen noemen. De geschiedenis leert het blijkbaar nooit.
Met dit alles in ons achterhoofd betreden we aan het eind van de dag het landgoed bij de Menkemaborg in Uithuizen, om het op het terras, met uitzicht op de riante borg, wat te laten bezinken. De waard vraagt bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Maar dat hadden we al verteld.
DSC00856

Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde

cropped-header-20170908-3.jpg

Van Houwerzijl naar Baflo, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op woensdag 17 mei 2017

Houwerzijl lijkt best een aardig plaatsje, toch krijgt het van ons niet de aandacht die het dus waarschijnlijk verdient. Er zijn een hele winter en een half voorjaar overheen gegaan sinds we hier de wandeling onderbraken en nu we de draad weer op willen pakken, kunnen we hem zo gauw niet meer vinden. Houwerzijl ligt net naast de voorgeschreven route, dus het boekje biedt maar weinig soelaas, en markeringen, hoe goed we ook zoeken, ontbreken. Een man met een grote snor die zijn dito hond voor ons tot kalmte maant, zet ons op het spoor naar de Houwerzijlstervaart, en dan komt alles goed.

DSC08659

Wij hervatten onze tocht over een zeer uitbundig met fluitekruid omzoomd fietspad langs het water. De fietsers die we daarbij tegenkomen zijn niet geërgerd dat wij hun de weg versperren, zoals je ook wel meemaakt als wandelaar, maar roepen ons stuk voor stuk blijmoedig toe hoe móói het hier is, met al dat fluitekruid. En verderop, in Leens, zet die gemoedelijke trend zich voort. Daar ontmoeten we meerdere mensen die uitgebreid in de tuin zitten, de ramen zemen of de bloembakken water geven en ons bij het langslopen aanmoedigen met de vaststelling dat het schitterend wandelweer is. Iets dat wij telkens even opgewekt beamen. Het ís ook schitterend wandelweer. Langzaam breekt de zon door en wordt het steeds warmer. Met in de mensen duidelijk een welbehagen.

DSC08665

Iets vóór Leens betreden wij met gepaste eerbied nog Olle Weem. Een zeer oud kerkhof, gelegen op een wierde, idyllisch omzoomd door bomen en opnieuw bloeiend fluitekruid. Het is het enig overblijfsel van Vliedorp, dat hier in oude tijden lag. Zo lezen wij op het informatiebord. Tot het jaar des Heeren 1695 liepen de inwoners van Houwerzijl hier op zondag langs het kerkepad naartoe om de mis te bezoeken. Daarna raakte de kerk van Vliedorp in onbruik, werd hij afgebroken en werden zijn stenen hergebruikt voor de pastorie van Leens. Het dorp bleef bewoond tot het eind van de achttiende eeuw. Het kerkhof was tot 1868 in gebruik als dodenakker van Houwerzijl. Bij slecht weer werd de rouwstoet per boot over de Houwerzijlstervaart vervoerd, lezen wij nog. Begin twintigste eeuw is de wierde voor een groot deel afgegraven, om de vruchtbare zeeklei waarvan zij was opgeworpen aan belendende provincies te verkopen, een lot dat veel wierden in die tijd was beschoren. Een operatie waarbij in dit geval blijkbaar geen rekening werd gehouden met het gegeven dat de kostbare aarde hier eeuwige rust bood aan de doden, aangezien er veel zerken bij verloren zijn gegaan. Die zijn, aldus nog altijd het informatiebord, door boeren uit de omgeving ‘voor allerlei doeleinden’ aangewend. Een mededeling van een nieuwsgierig makende vaagheid. Wat overbleef zijn twaalf verspreid liggende, moeilijk leesbare zerken. En de ondanks alles verstilde sfeer.
Even voorbij Leens leggen we aan bij de borg Verhildersum, omringd door een slotgracht, gelegen temidden van barokke tuinen, een lommerrijk landgoed en aan het eind van een statige oprijlaan. In 1398 bescheiden begonnen als een verdedigbare woontoren, groeide het vanaf de zestiende eeuw uit tot de rijke herenwoonstee die er nu nog staat, met koetshuis, arbeidershuisje, duiventil en boerderij.

DSC08726

Langs het Scheeftilsterpad lopen we verder langs een toch echt lichtglooiend landschap. Veel landerijen worden gebruikt voor de aardappelteelt en zijn zandkleurig, grijsachtig bruin, bruinachtig grijs. Gestreept, met hoge ruggen, alsof het land zorgvuldig met een reuzenkam gekamd is, in superstrakke voren. Soms kaarsrecht, soms in concentrische bogen. Rimpels in het voorhoofd van Moeder Aarde.
Langs het Warfhuisterloopdiep komen we terecht in Warfhuizen, dat een soort havenstadje blijkt te zijn, middenin het Groningse land. Langs de vaart ligt een lange rij bootjes in soorten en maten afgemeerd. En in uiteenlopende staten van onderhoud, dat ook. Maar in bijna allemaal wordt druk getimmerd, geklopt en gezaagd. Er moet blijkbaar nog heel wat gebeuren voor er gevaren kan worden. Iets verderop treffen we zelfs een werfje, met op het droge een heel aantal boten, waarvan sommigen zolang even op een paar oliedrums zijn gestald. Aan de waterkant een eenvoudige takel om ze weer in de vaart te tillen. In de schaduw van één van die boten staan twee mannen een gemoedelijk praatje te maken. Ze blijken te wachten op de eigenaar van de werf, en de takel, die de boot van de mannen vandaag volgens afspraak te water zou laten. Al lijkt het erop dat hij niet op komt dagen, stellen ze laconiek vast. Eén van de mannen vertelt uit Rotterdam te komen. Waar zijn ouders in 1941 naar terugkeerden, toen het nog smeulde. Maar nu woont hij dus hier en dat bevalt hem prima. Al wacht hij dan waarschijnlijk vergeefs tot zijn boot te water wordt gelaten. De man draagt een rond hoornen brilletje, een boordloos overhemd, een krullende snor, lang haar en een platte pet waar hij regelmatig onder krabt. Het is te warm voor een wollen pet. Zijn veel te ruime ribfluwelen broek wordt door rode bretels omhoog gehouden en hij hanteert een bij dit alles passende artistieke onverschilligheid die wat bestudeerd aandoet. Wanneer wij opperen dat hij de man van de takel misschien kan bellen, werpt hij zijn beide armen in gespeelde hulpeloosheid in de lucht en roept schamper uit dat hij niet eens weet hoe zo’n 06-ding wérkt. De mannen accepteren aldus de tegenslag en besluiten de middag elders en op een andere manier door te brengen. Wij vervolgen onze weg.

DSC08731

Bij het gemaal Abelstok betreden we zo’n beetje de Groningse actualiteit van gaswinning en zakkende bodem. Het is één van de gemalen die werden gebouwd op de grens van het verzakkingsgebied met als taak het waterpeil in het gebied aan te passen aan de dalende bodem. Over de herkomst van de naam Abelstok doen verschillende verhalen de ronde. Het meest tot onze verbeelding spreekt de 19e eeuwse sage van ene Abel die, om een weddenschap te winnen, met een polsstok de Hoornse vaart bedwong maar daarbij zó ver sprong dat hij aan de overkant volledig uit zicht verdween, tot radeloosheid van de achtergebleven toeschouwers.
Bij het gemaal ontmoeten we een man waarvan we achteraf denken dat hij wel eens een ver familielid van Abel Stok zou kunnen zijn. Hij zit nogal verlegen om een praatje, en de oude en der dagen zatte teckel die hij bij zich heeft legt zich daar amechtig hijgend van de inmiddels zomerse hitte bij neer. De man vertelt ons met enig bravoure hoe hij een aantal keer per week het tegenoverliggend Abelstokbos intrekt om er met een boomstam van soms wel 80 kilo weer uit te komen, die hij dan vervolgens op zijn schouder naar huis vervoert. Bij wijze van sport en beweging. Die bomen blijven daar toch maar liggen, vindt de man, en dat is dan misschien in het kader van het moderne natuurbeheer, maar zo komt hij mooi aan zijn brandhout voor de winter. Toen de stammen eens te groot waren om te dragen, had hij een kettingzaagje meegenomen. Hij zou er natuurlijk ook met een aanhanger heen kunnen gaan, en zijn hele voorraad in één keer meenemen, dat snapte hij ook wel, maar dan was het dus geen sport meer. En op deze manier werd hij víer keer warm van zijn hout, rekent hij ons voor. Wisten wij trouwens dat er naast het gemaal ook een vistrap was gebouwd? Zodat de vis ongestoord langs het gemaal van a naar b kon zwemmen. Flauwekul en zonde van het geld, als je het hem vroeg, want hij had er nog nooit een vis in gezien.

DSC08763

Langs het Mensingeweersterloopdiep en Mensingeweer zelf tenslotte, geraken we in Maarhuizen, bestaande uit niet veel meer dan een grote boerderij van 1811 die er verlaten bijstaat. Op het erf staan wat roestige voorwerpen, de ruiten van de stal zijn gebroken, de luiken van het woonhuis hermetisch gesloten. De stalmuur is met dikke houten balken gestut. Nu staan we dus echt op verzakte bodem, bedenken wij, al weten we het zeker niet zeker. Geen teken van leven dat ons tegenspreekt. Maarhuizen is verlaten. Gevlucht voor de NAM, en het beven der aarde. Alleen de doden zijn achtergebleven, in serene rust, op het naastgelegen wierdekerkhof.

 

Scheve toren, gewonde terp

cropped-header-20170627.jpg

Een etappe van het Nederlands Kustpad, van Ferwert naar Ternaard, gelopen op woensdag 13 april 2016

We waren al eerder in Ferwert, dat klopt. Maar door bittere kou en aanhoudende regen uit ons normale doen gebracht, lieten wij het die keer, ten onrechte, ongeïnteresseerd en ongeïnspireerd links liggen, op weg naar een goed heenkomen. Vandaag, met de lente in de lucht en het zonnetje erop, komt het allemaal veel beter tot zijn recht. Het dorpsplein, met het rood wit gestreepte zeil van de kaaskraam, de kletsende dames met de fiets aan de hand, de kastanjes die in het blad dreigen te schieten, de vriendelijke huisjes onder de kerk, het bordje dat maant tot stapvoets rijden.. het is allemaal even plezierig. We lopen onder een poortje door, voor een rondje om de kerk, achter het plein gelegen op een terp en met zijn overzichtelijk kerkhof omzoomd door versgeknotte wilgen. Net als we tot de conclusie komen dat het een goed idee was Ferwert deze tweede kans te gunnen, worden we aangesproken door een meneer die, verlegen om een praatje, welwillend beaamt dat Ferwert best een aardig plaatsje is, maar ons vooral ook dringend adviseert naar de buren in Hegebeintum te gaan. Want dat is pas écht bijzonder.

DSC04625

Niet om de meneer te dissen, maar dat Hegebeintum bijzonder is, dat wisten we al. Ook daar waren we namelijk eerder. We probeerden er toen onze schoenen en broeken te drogen, en onze koude botten te warmen aan de koffie, vers gezet door twee hoofdschuddende heren die niet konden begrijpen dat je met dit weer ging wandelen. De rondleiding, besloten we toen, zouden we voor de volgende keer bewaren. En de volgende keer, dat is nu. Daar gaan we.
Een vriendelijke mevrouw voert ons gemoedelijk over de terp, langs de bebouwing, door het kerkje en de geschiedenis. Tenminste, over de terp, de wierde.. over wat er nog van over is, kunnen we beter zeggen. Er zijn enorme happen uit genomen, dat is duidelijk te zien, het zwaargewonde historisch landschap draagt metershoge littekens van beton. Trapsgewijs gestorte wallen die de boel voor wegschuiven en instorten moeten behoeden. Het oogt hier en daar als een bunkercomplex, onderdeel van de Atlantikwall. Je zou dat lelijk kunnen vinden, en zonde. Zeker. Je zou ook kunnen zeggen dat de wierde er niet minder historisch op is geworden. Dat er hooguit wat modernere historie aan is toegevoegd. En dat het interessant is te zien hoe er in diverse tijdsgewrichten werd gedacht en beslist over dit soort monumentale landschappen. En dan zou je ook gelijk kunnen hebben.
De oudste bewoning ter plekke dateert van 600 voor Christus, het romaanse kerkje bovenop van omtrent 1200 erna. In de eeuwen daartussen zal dus langzaamaan de wierde zijn ontstaan, steeds hoger opgeworpen als vluchtoord voor het grillige water. Met bijna negen meter boven de zeespiegel is dit de hoogste terp van Nederland.
De plaggen waarmee werd opgehoogd werden van de nu niet meer bestaande Middelzee gehaald. En dat gegeven is de wierde, en ook het kerkje, bijna fataal geworden. Toen door bedijking de zee geen gevaar meer opleverde en de terp zijn beschermende functie aldus verloor, is men begonnen hem weer af te graven, om de vruchtbare zeeklei voor goed geld te verkopen aan Midden Friesland en Drenthe, waar de arme zand- en veengronden ermee werden verrijkt. Tot ver in de twintigste eeuw was dat de praktijk. Zó voortvarend ging de koopman daarbij te werk, dat er werd afgegraven tot op enkele meters van het kerkje, waardoor de toren, door gebrek aan aards tegenwicht, inmiddels zeven centimeter uit het lood is komen te staan en met omvallen wordt bedreigd. Of de dominee toen een spaak in het wiel heeft gestoken, dat er toch cultuurhistorisch besef in het spel was of dat de handel in zeeklei instortte door de brede opkomst van het veel makkelijkere kunstmest vermeldt de geschiedenis niet. In elk geval, de terp is gestut met beton, Hegebeintum is beschermd dorpsgezicht, het kerkje staat er nog en de toren wordt met een ingewikkelde en peperdure operatie van instorten gered. Al blijft hij wel uit het lood staan, omdat rechtzetten onvermijdelijk ook instorten zou betekenen. Nou goed, een scheve toren.. daar kan het VVV wel weer wat mee.

DSC04649

De buitenkant van het kerkje mag er niet zo mee te koop lopen, en de Reformatie mag eroverheen gegaan zijn, binnenin is er wel degelijk sprake van enige pracht en praal onder het grijsblauw houten tongewelf. Achterin staat bijvoorbeeld de herenstoel. Een riant bouwwerk van eikenhout over de breedte van de kerk, rijk geornamenteerd met gebeeldhouwde familiewapens, een luifel gedragen door pilaren en nogal barok afgetopt met een wirwar van krullen, leeuwen, kronen en schilden. Een kerkbank deluxe. Hierin konden de gefortuneerde kerkgangers, de landheer, zijn familie en personeel plaatsnemen en – ongehinderd door maar wel goed zichtbaar voor het gemene kerkvolk – rijk, devoot en belangrijk zitten wezen. De heer en zijn familie bovenin, onder de luifel, met ieder een eigen vuistdikke bijbel, het personeel een halve meter lager op de begane grond, met maar één bijbel. Al was dat laatste, zo vertelt de gids, omdat alleen het hoofd van het personeel kon lezen.  
Verder springt ook de indrukwekkende verzameling rouwborden aan de wanden meteen in het oog, grote houten borden die de gefortuneerdere doden in herinnering moeten houden. Aanvankelijk nog redelijk sober en ingetogen uitgevoerd, gaandeweg steeds rijker en uitbundiger versierd en gebeeldhouwd, met familiewapens in bladgoud, uit glanzend hout gesneden krullen en strikken en opzichtige memento mori: schedels met holle ogen boven gekruiste beenderen. Dat ze hier nog hangen, vertelt de gids, is te danken aan de omwonenden van lang geleden, die ze tijdens de Bataafse Revolutie in huis verborgen om ze aldus te redden van de brandstichtende meute, die het toentertijd in het kader van de égalité niet zo op de gefortuneerden had begrepen. Ook niet op de dode.
De weelderig gebeeldhouwde preekstoel is uitgerust met een forse zandloper. Normaalgesproken ook een memento mori, een herinnering dat onze tijd hier op aarde eindig is en een waarschuwing vooral er wijs mee om te gaan in verband met wat er daarna komt. Deze zandloper is eerder het tegenovergestelde misschien. Met precies vijf kwartier op voorraad gaf hij de voorgeschreven lengte van de preek aan. De dominee kon zien of hij een beetje moest voortmaken, of dat hij er eerder nog een eindje aan vast moest breien, en de gemeente kon zien hoe lang het nog duurde voor het eind in zicht kwam.

DSC04710

Via Blije bereiken we, langs boerenwegen en onderhoudspaden met aan elke horizon een kerktoren, de Waddenzee. De kwelder ligt lui in de zon tegen de dijk uitgestrekt. We zien de veerboot de route naar Ameland zoeken. Ameland zelf zien we trouwens ook duidelijk liggen, het is een heldere dag en zó ver is het niet, hemelsbreed. De grasdijk waarover we lopen, wordt bevolkt door schapen met hun al flinke lammeren, modern met de spuitbus toegetakeld. Erg florissant zien ze er niet uit, we zien meerdere hinkepoten en kneuzen waarvan we maar zorgelijk hopen dat daar naar om wordt gekeken. De dijk laat zich er niet over uit. Die reikt slechts ongenaakbaar naar zover het oog kan zien. En waarschijnlijk nog wel verder ook. Wij haken na een tijdje af, en nemen de afslag naar Ternaard.
Op het terras van de Waard van Ternaard krijgen we dan gezelschap bij de koffie, van een meneer met een petje op het zweterige haar, een vettige bril en een halve liter bier die zeker niet ter plaatse is gekocht. Het laat zich vermoeden dat het ook niet zijn eerste is vandaag. Dat de man niettemin op het toch redelijk deftige terras getolereerd wordt, met zijn in geen enkele Nederlandse uitspanning toegestane meegebrachte consumptie, verklaren wij uit zijn levensverhaal, waar hij ons met hinkstapsprongen door rond leidt. Hij schuift er zijn stoel voor bij aan ons tafeltje, dat praat wat makkelijker, aldus onze gastheer. Zo leren wij dat hij onbezoldigd klusjesman is bij de Waard van Ternaard. Vandaar. We leren ook dat de waard van de Waard van Ternaard graag kookt met lokale produkten. Dat hij er ook niet tegenop ziet aangereden gevogelte of anderszins verongelukt wild of boerderijdier een tweede leven op de menukaart te geven. Dat hij bij voorkeur ook álles van het dier gebruikt om de borden te vullen, en waarom niet. Hij vertelt ons over zijn Braziliaanse ex-vrouw, die nog altijd in Ternaard woont en waar hij warme contacten mee onderhoudt. Ook blijkt hij warme contacten te onderhouden met de plaatselijke jeugd, die ook hier maar wat bij elkaar klit, op het plein, met minirok en bietelhaar, en die hij dus regelmatig een avondje thuis ontvangt. Met gratis bier en cola, en zijn begrijpend, meevoelend gezelschap. En dat daar over gepraat wordt, in het dorp. En dat hij dat heus wel weet, maar dat hij zich daar dus niks van aantrekt. Wij zeggen dat we het snappen, en daar is geen woord aan gelogen. Altijd leuk, zulke close encounters, ze kleuren de dag. Maar het tweede kopje koffie, dat houdt de Waard van Ternaard van ons tegoed. We moeten nog een heel eind rijden, voor we thuis zijn. Zullen we maar zeggen.

Van armoe zingend door de blubber

Zwarte Haan – Hegebeintum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op dinsdag 1 maart 2016

Zwarte Haan moet wel het eind van de wereld zijn, denken wij zo. Als we er met de auto op aan rijden worden we ruim van tevoren gewaarschuwd: we rijden een doodlopende weg in zónder keermogelijkheden. De lange en zeer smalle dijk, waarop men zich gelukkig prijst dat er geen tegenliggers zijn, eindigt na een bochtige rit ten slotte abrupt tegen de zeedijk. Links en rechts liggen nog twee of misschien drie huizen en een herberg, die De Zwarte Haan heet, en gesloten is, maar voor de rest is er de zee, het land en de lucht. Verder kun je niet. Alleen terug. Het eind van de wereld.

Zelf ziet Zwarte Haan het anders. Hier ziet men zich juist als het begin van de wereld. Start hier immers niet het Jacobspad? Het pelgrimspad naar Santiago de Compostella, dat eindigt bij Kaap Finisterra? En Finisterra, daar hoef je geen latijn voor gestudeerd te hebben, dat betekent uiteraard: Het eind van de wereld. De logica is van een charmante eenvoud.
Tot 1948 trouwens, was Zwarte Haan eind- noch beginpunt. Van de 16e eeuw tot aan dat jaar werd vanuit hier een veerdienst op Ameland onderhouden. We lezen het op een informatiebord. Samen met het weetje dat de naam Zwarte Haan niets te maken heeft met de mannetjeskip, hoewel die door de gelijknamige herberg dan wel weer pontificaal als logo wordt gevoerd, maar dat Haan hier waarschijnlijk een verbastering is van het woord Harne, dat hoek betekent. We staan in Zwarte Hoek, dus. Dat klinkt dan toch wel weer een klein beetje als het eind van de wereld.
Als we de dijk beklimmen vragen we ons eerlijk gezegd meteen af of het geen vergissing was vandaag te gaan lopen. Er staat een snijdende wind die dwars door onze jassen gaat, en het is stervenskoud. De lente was dit jaar niet verder weg dan vandaag. Dat wordt flink doorstappen. We mijden de kruin van de dijk en lopen ons vastberaden warm over het schuin weglopend asfalt aan de wadzijde. Met links de blik over de kwelder. De grootste kwelder van Nederland, lezen we in het boekje. Al in de 16e eeuw begon men hier, ter verdediging tegen de zee, zogenoemde duikertsdammen aan te leggen, een soort golfbrekers die het vormen van kwelders bevorderden. In de zomermaanden kleurig begroeid, deze kwelder, met allerlei zoutminnende planten, aldus opnieuw het boekje, nu zwart en bruin uitgestrekt tot aan de Waddenzee in de verte. Het zou deprimerend zijn als het niet ook een zekere schoonheid had.


Net als we ons voorzichtig zorgen beginnen te maken hoe en waar we in vredesnaam even wat moeten eten, zonder te bevriezen, of – nog huiveringwekkender vooruitzicht – het hoognodige plasje kunnen doen, doemt in de verte een gebouw op waarvan de wapperende vlaggen doen vermoeden dat het een recreatieve functie heeft. Misschien een camping die er vroeg bij is, hopen wij. Allicht zal er een hoekje zijn waar we wat uit de wind kunnen staan. We zijn met weinig tevreden. Even later blijkt dit het nagelnieuw ogende kweldercentrum Noarderleech te zijn. Neergezet om de grootste kwelder van Nederland te ontsluiten voor de toerist. Dagelijks geopend tussen 9:00 en 17:00 uur. Je leest wel dat er ook mensen zijn die zich daar bozig zorgen over maken, dat de natuur altijd maar ‘leuk’ gemaakt moet worden, met bezoekerscentra, wandelroutes, laarzenpaden, educatieve bordjes en activiteiten voor de kids. Dat de natuur aldus genadeloos wordt verpretparkt. En onder andere omstandigheden zouden wij het daar best nog wel mee eens kunnen zijn ook, maar vandaag vinden we het wel best. Voor een prikkie halen we koffie en thee uit de automaat, we plassen op een kraakhelder toilet, eten ons broodje op überhip steigerhouten loungemeubilair en warmen gratis een beetje op. Als dank laten we een speciaal voor de gelegenheid geschreven wandellimerick achter in het gastenboek.

Of het als straf van hogerhand voor onze decadente pauze gezien moet worden weten we niet, maar als we weer naar buiten stappen, is het inmiddels gaan sneeuwen. Zeker als we landinwaarts trekken en de wind pal tegen waait, snijdt de sneeuw ons buitengewoon onvriendelijk in het gezicht. Onderlangs een rij van acht driftig boven ons uit wiekende windmolens worden we dwars door de weilanden, door de zompige blubber van tractorsporen langs halfbevroren slootjes naar Ferwert gestuurd. Het is een spannende route: de enkeldiepe modderplassen zijn niet altijd even makkelijk te ontwijken, het is glibberig en ongelijk terrein en onze dichtgeslibde en aangekoekte schoenen hebben nauwelijks nog grip. Het regent inmiddels gestaag. Linksaf, rechtsaf baggeren we door het Friese kleiland en vergeten ons voor te stellen hoe fraai dit stuk zou zijn wanneer de zon er op zou schijnen en het zou geuren naar vers gemaaid gras, of akkerbloemen.


Aangekomen in Ferwert zijn onze vingers verstijfd en onze kleren doorweekt. Het leuke is er dan wel vanaf. Met nauwverholen tegenzin slepen we ons naar Hegebeintum, waar de auto nou eenmaal staat. Het zelfverzonnen lied waarmee we de stemming er zojuist nog aardig inhielden, wordt niet meer gezongen en een wandellimerick voor Ferwert zit er niet meer in. We besluiten er de volgende etappe dan maar opnieuw te beginnen, om het plaatsje alsnog recht te doen.

Ook Hegebeintum, waaraan ondanks alles duidelijk valt te zien dat het de moeite waard is, gunnen we vandaag geen verder onderzoek. Druipend en verkleumd vallen we er het bezoekerscentrum binnen, waar we hartelijk en met mededogen worden ontvangen met speciaal voor ons gezette koffie. Als de dienstdoende heren horen dat we zijn komen lopen van Zwarte Haan schudden ze getweeën meewarig het hoofd. Gelopen vanaf de Zwarte Haan, herhalen ze. Jullie lijken wel gek. Nou goed, helemaal ongelijk kunnen we ze vandaag ook weer niet geven.

Ufo’s boven de kwelderwal

Oosterbierum – Zwarte Haan, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 13 februari 2016

Oosterbierum ligt er niet op z’n voordeligst bij vandaag. Vóór we uit de auto stappen, ruiken we het al: een gênante putlucht die zwaar over het dorp hangt. Voor de St Joriskerk ligt een flink stuk straat opengebroken te wachten tot het vrije weekend voorbij is. Tegen een hek staat een groepje verweerde putten zich modderig en verroest in het onvermijdelijke te schikken, met een schuin oog op het torentje blinkend nieuwe soortgenoten dat met uitsloverig machtsvertoon klaar staat om het over te nemen, maandag. Tot dan is het verstandig met een bochtje om Oosterbierum heen te lopen, en dat is wat we doen. Over de Fiskerlaene rechtstreeks naar de zeedijk langs de Waddenzee.

Dat het nogal mistig is, is eigenlijk niet zo erg. Dat geeft de uitzichten onderweg iets extra’s, een zachte gelaagdheid en iets mysterieus, ook dankzij de silhouetten van de kale bomen die met een precies pennetje in het grijzige landschap getekend lijken.
Schijnbaar eindeloos slingert de grasdijk zich de verte in. Links het langzaam maar zichtbaar droogvallend wad, een schitterend uitzicht dat in vele kleuren geel en bruin als een aquarel in de grijsblauwe lucht wegloopt. Het natte zand blijft achter in de grillige vormen van hersenkwabben, vingertoppen na een lang warm bad. Verderop ligt aan de voet van de dijk een mini-archipel van bijna perfect cirkelvormige eilandjes, borstelig begroeid met gelig gras. En er zijn natuurlijk de diepzwarte golfbrekers die naar de einder reiken, kaarsrecht of met een lichte buiging, hunkerend naar de zee.
Het landschap rechts is weids, afwisselend groen van gras en glanzend bruin omgeploegd. Met op gepaste afstand van elkaar grote boerderijen, waardoor het ook weer niet leeg wordt. Er zijn er altijd een paar in beeld, omgeven door ieder een eigen kring hoge bomen, die veel wind vangen immers. Langs de sloten staat goudbruin het riet van de zomer ervoor. Aan de horizon het wazig beeld van de toren van Tzummarum.

Lopend op de kop van de dijk, pal in de wind, is het goed te voelen dat vandaag een winterse dag is. Het is bij vlagen bar koud. Snijdend koud. Op het onaangename af eerlijk gezegd. Na verloop van tijd vervolgen we onze weg dan ook aan de voet van de dijk, in de luwte. Maar dat is pas na Koehool, want eigenlijk willen we het wad niet kwijt uit ons blikveld. Koehoal, ja, we lachen erom, flauw en oneerbiedig. Maar we mijmeren ook over hoe het zou zijn hier te wonen, met de Waddenzee voor de deur, steeds weer vol en leeglopend in een eeuwig ritme. Wat zou dat met je doen? Zou ons leven anders zijn? En zouden we dat willen? Het zijn vragen die zomaar boven kunnen komen drijven, tijdens de betere wandeling. Naast de meer concrete vragen onderweg. Zoals die drie grote koepels, die we iets van de dijk zien staan. Enorme koepels, beter gezegd. We denken dat het mestsilo’s zijn. Fraai is het niet. Het detoneert wat, in het plaatje. Het geeft te denken, bovendien. En niet alleen over ons natuurlijk te romantisch beeld van het platteland.
Verderop nog zo’n raadselachtig gebouw trouwens, maar dan zijn we al wel een heel eind richting St Jacobiparochie. Een nogal plompe vierkante toren staat daar, met een ongeveer even grote grijze bol erop. Op internet zien we onze vermoedens al snel bevestigd, dit is iets militairs. Het is Radarpost Noord, van de koninklijke luchtmacht. Hier wordt over onze veiligheid gewaakt, mag je aannemen. En dat is misschien maar goed ook, gezien de ook op internet gevonden berichten dat in het luchtruim boven St Jacobiparochie meer dan eens Ufo’s zijn gesignaleerd. In 1974 bijvoorbeeld zag een in zijn woonplaats als zeer betrouwbaar bekend staand heer ‘een verschijnsel in de vorm van een schotel, dat aan de zijkanten een fel licht uitstraalde, van dezelfde kleur, maar met een grotere intensiteit dan de verlichting van het verschijnsel zelf, dat geelwit van kleur was’. Ook is er sprake van ‘een ovaal verschijnsel met een kop en zeer veel kleuren dat zeer lang werd waargenomen’. En nog in 2012 maakte een mevrouw op weg naar de kapper melding van ‘een Object dat met een langzame snelheid laag over de radarpost vloog maar in het donker helaas heel moeilijk te zien was’.
Net voorbij Koehool treffen we nog een wit, half in de dijk ingegraven kaboutergebouwtje. Het ziet er best vriendelijk uit, met zijn deurtje en zijn raampjes. Spelende kinderen op zijn dak. Maar het is een laatste overblijfsel van een bunkercomplex dat de Duitse bezetter hier halverwege de oorlog bouwde, en dat onderdeel uitmaakte van de luchtverdediging langs de kust. Het staat er nog omdat de plaatselijke bevolking zich, ruim na de oorlog, met besturen en klankbordgroepen verzette tegen de sloop. Opdat wij niet vergeten.


Vanaf hier trekken we landinwaarts. Over een uitgebreid netwerk van vriendelijk met het landschap mee bewegende dijkjes, langs meanderende slootjes met gedrongen boompjes bereiken we met de Griene Dyk uiteindelijk St Jacobiparochie. Het Bildt, heet het gebied waar we doorheen lopen. Voormalig graanschuur van Fryslan en geboortegrond van de Bildtstar aardappel. Een zeer oud poldergebied, waar de polders luisteren naar functionele namen als Zuidwester- en Noorderpolder. Na een tijdje valt het ons op dat het terrein eigenlijk best wel glooit, iets dat je nou niet direct rijmt met polders, en Friesland. Een verklaring vinden we in de ontstaansgeschiedenis van het gebied. Ooit lag hier de Middelzee, die in de loop van het verleden echter langzaam verlandde, kwelders en kwelderwallen vormde en vanaf de late Middeleeuwen verder definitief werd ingepolderd door kolonisten uit Zuid Nederland. Dat laatste is dan nog weer merkbaar aan de katholieke inslag van het gebied, met al zijn parochies, aan de fruitteelt die destijds werd geïmporteerd en hier en daar nog stand houdt, en aan het feit dat in dit gebied blijkbaar een eigen Hollands-Fries dialect wordt gesproken, al hebben wij dat zelf niet gehoord.

In de ijdel blijkende hoop op een kop koffie lopen we St Jacobiparochie even in. Ook om de kerk even te bekijken trouwens, waarvan we de malle toren al geruime tijd boven de einder uit zien steken. Een uitzinnig okergeel geverfd geval is het, dat met zijn dorische zuilengalerij en zijn ronde torenspits op pootjes erg zijn best doet om on-Nederlands te lijken. Aan ons is het niet zo besteed, maar goed. De Groate Kerk is inmiddels een kultureel sintrum geworden en huisvest onder meer het pelgrimsinformatiecentrum St Jacob. De kerk presenteert zich als het officiële Friese startpunt voor de beroemde pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Als we later op de dag Zwarte Haan bereiken, lezen we daar in een soortgelijk bericht echter dat híer, in Zwarte Haan, gestart moet worden. Kijk, ons maakt het verder niet uit, wij bestellen warme chocolademelk in de herberg en aanvaarden daarna de thuisreis, maar de pelgrim, aan het begin van zijn zoektocht naar zingeving en betekenis, heeft misschien toch behoefte aan duidelijkheid.