Van de bitch van Stavoren, Hindeloopen tot Workum

Stavoren – Workum, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 14 februari 2015

We waren er al eens eerder, in Stavoren. Een aantal jaar geleden. Toen kwamen we uit Enkhuizen gelopen, en namen hier de boot weer terug, om de cirkel van het Zuiderzeepad te sluiten. Vandaag is Stavoren een startpunt. Een soort van nieuw begin. We openen er het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad, door Friesland en Groningen. Langs IJsselmeer en Waddenzee gaat het nu richting Duitsland. Het Hollands gedeelte, van Hoek van Holland naar Den Oever, zit erop.
In de haven maken we als eerste kennis met het Vrouwtje van Stavoren. De vorige keer was zij ons ontgaan, maar daar staat ze hoor: gegoten in brons, met de hand boven de ogen uitkijkend over de Zuiderzee. Toen nog. Wij menen dat ze dus wel iets heldhaftigs verricht zal hebben, gelijk Kenau Simonsdochter Hasselaer, die in haar dooie eentje Haarlem voor de Spanjaard behoedde, of zoiets, en vinden de aanduiding ‘vrouwtje’ ook dáárom niet zo passend.  Al is het zeker geen gróót beeld.
Het bijbehorend tekstbord helpt ons echter uit de droom. Niks heldhaftigs aan, aan dit vrouwtje. Een eigenwijs, inhalig en egoïstisch kreng was het. Waarvoor ‘vrouwtje’ nog veel te lief is, als aanduiding. Een hoogmoedige koopmansvrouw is hier vereeuwigd. Wat je nu een ondernemer zou noemen. Een bankier, een grote graaier. Stinkend rijk, de rijkste van de stad, maar nog altijd niet tevreden. De VVD bestond nog niet, maar anders was het Vrouwtje van Stavoren er wethouder voor geweest. Of senator, of iets anders lucratiefs.
Opvallend trouwens ook dat het hier, rond 1800, een vrouw betreft. Die blijkbaar tóen al door het glazen plafond was gebroken en eenmaal aan de top dus precies het gedrag bleek te vertonen dat nu pas, ruim tweehonderd jaar later, vooral mannen wordt kwalijk genomen. Misschien dat de wereld er met vrouwen aan de macht toch niet echt heel anders uit zou zien. Misschien is het wel helemaal niet zo simpel.

Maar goed, het Vrouwtje van Stavoren.
Zij stuurde één van haar schippers eropuit, om het beste en het kostbaarste dat de wereld te bieden had voor haar te halen. Met minder nam ze geen genoegen. Toen de schipper, na vele omzwervingen en ampele overwegingen, terugkeerde met een boot vol graan, was zij zó beledigd dat zij opdracht gaf het hele spul in zee te kiepen. Terwijl de bevolking honger leed, nota bene. De bitch van Stavoren. Om geen Hollandser termen te gebruiken.
Een oud en wijs man – sorry dames, maar zó gaat het verhaal – probeerde haar nog op andere gedachten te brengen door haar te voorspellen dat zij, eenmaal zelf aan de bedelstaf geraakt, zou inzien dat graan toch echt kostbaarder was dan goud. Maar dáár had het Vrouwtje helemáál geen boodschap aan. Als ultiem decadent antwoord gooide zij lachend haar gouden ring in zee, honend dat de kans dat zíj aan de bedelstaf zou geraken even groot was als de kans dat zij haar gouden ring óóit terug zou krijgen. Fuck you, wijze oude man, opzij!
Of statistiek al was uitgevonden weten wij niet, maar objectief gezien had ze een punt, aangezien ze volgens de verhalen eigenaar was van zo’n beetje alles wat kon varen, woonde in een huis met gouden vloeren en zilveren muren en het al met al dus zo’n beetje voor het zeggen had, in Stavoren en omstreken. Dat kin wat lijen, zou je zeggen.
Toch liep het verkeerd af, want Calvijn was natuurlijk al wel al lang en breed uitgevonden.
Slechts een paar dagen later kocht de keukenmeid van het Vrouwtje een schelvis op de markt, voor het diner – een krepserig armeluismaaltje ook nog – en ja hoor, verdomd als het niet waar is, in de maag van dat beest werd haar gouden ring teruggevonden. De kansen van het vrouwtje keerden onmiddellijk. Al haar schepen vergingen op zee, op de plek waar het graan overboord werd gekiept ontstond een zandbank en de haven van Stavoren slibde dicht. Het vrouwtje ging failliet en raakte aan de bedelstaf, precies zoals de wijze oude man had voorspeld.
We moeten, begrijpen wij nu, het beeld eerder zien als een waarschuwing. Een wijze les. Hoed u voor bankiers en ondernemers. Zij hebben slechts zelden het beste met u voor. Waarvan akte.

Nee, dan het Vrouwtje van Stavoren dat we verderop op de grasdijk tegenkomen. Een struis type is het, met grijze haren in de wind, stevige schoenen en een camelkleurige bodywarmer met heel veel zakken en vakken. Ook zij kijkt uit over wat eens de Zuiderzee was. Niet met haar hand boven haar ogen maar door een al even struise verrekijker. Wind en waterdicht in legergroen rubber verpakt, rotsvast verankerd op een statief.
Of er nog wat leuks te zien is, vragen wij, en gaandeweg wil de vrouw ons wel vertellen wat zij aan het doen is: ganzen tellen. Als vrijwilliger voor de Sovon, een officiële vogelinstantie.
Kijk, zo kan het dus ook, Vrouwtje van Stavoren, denken wij. Vrijwillig ganzen tellen, in plaats van met een ontevreden smoel op je florijnen zitten.
Maar het roept ook de nodige vragen op. Lopend over de dijk hebben wij vanochtend bijvoorbeeld al zóveel ganzen gezien dat het toch onbegonnen werk lijkt dat allemaal te tellen? En bovendien, vragen wij ons af, hoe weet je nou welke je al gehad hebt? Ze vliegen immers met wolken tegelijk van links naar rechts of weer terug over de dijk?
Als rechtgeaarde Friezin staat de vrouw daar met een geamuseerde glimlach nuchter tegenover. Ze telt een bepaald gebied op één dag. En dat daar doublures in zitten, ja.. nou.. dat wordt vast wel meegenomen in de rekenmethode. Dus..
En volgens haar gaat het de laatste tijd de goede kant op met de ganzenstand. Of dat meer of juist minder ganzen betekent, zijn wij benieuwd, omdat ze nou niet altijd even geliefd zijn, menen wij te weten. Maar dat ligt volgens de ganzentelster dan maar weer net aan met wie je praat. En over welke ganzen. Of je het over overwinteraars hebt,  of over overzomeraars. Boeren hebben alleen een hekel aan die laatsten. Want díe vreten de boel op. En ja, dan schijnt er inderdaad het plan te zijn om stelletjes waarvan vermoed wordt dat ze zich voort willen planten, af te schieten. En de tellingen van de Sovon zullen ongetwijfeld gebruikt worden in het meten van het resultaat van allerlei maatregelen. Maar ja.. daar weet zij verder niks van. Zij telt alleen.
Onderweg naar Hindeloopen komen we langs een wit gebouw dat enige historie verraadt. We vermoeden iets notabels. Later op internet lijkt het om het waterschapsgebouw Schuilenburg te gaan, nu in gebruik als conferentie-oord. Verderop nog zo’n ontmoeting, met een iets dichterbij verleden. Het strandpaviljoen Hindeloopen, dat onder de geknakte kerktoren van het stadje vrijwel bewusteloos tegen de dijk ligt te verloederen. Het Kurhaus van Friesland, schijnt dit te zijn geweest, in de hoogtijdagen. Als Hagenees ga ik daar verder niet op in, maar zonde is het wel natuurlijk. Er schijnen plannen te zijn het gebouw in ere te herstellen. Het zou het waard zijn, denken wij, maar ja.. wie zal dat betalen? Een ondernemer, hoogstwaarschijnlijk. En wij denken nog even aan  Scheveningen.
Hindeloopen zelf is een schattig historisch stadje, met kleine huisjes en straatjes, steegjes en glopjes. Overtuintjes en zwartgeteerde schuren. Zwijgzaam vissende mannen met praktische schorten voor. Een houten kippenbruggetje over het water, waar in barre dus betere tijden de Elfstedentocht nog wel eens onderdoor kwam.

Verder gaat het, naar Workum, nog altijd over de kruin van de dijk. We passeren een derde wit, historisch gebouwtje. Een voormalige vuurtoren deze keer. Een enigszins afgebladderd geheel met een opengeknipte gashaard als lichtbaken op het dak. Het is, zie ik, precies de rode kachel die ik honderd jaar geleden in mijn Haagse jongenskamer had staan. Maar dan niet opengeknipt natuurlijk. Wanneer hij warm werd, kleurde hij vanuit het midden langzaam paars. Het waren de jaren zeventig. Op de vuurtoren is het geen origineel detail uiteraard, ondanks de poging origineel te zijn. Het baken is er in 2004 neergezet, als verrassing voor de deelnemers van de jaarlijkse strontrace. Nog zo’n staaltje onvervalste Fryske cultuur. Of W.A. van Buuren eraan meedeed, vermeldt de geschiedenis niet.
We mogen niet over het erf van de vuurtoren en moeten onderlangs de dijk verder, waardoor we goed zicht hebben op het metersbrede spandoek aan de omheining van het perceel, dat roept dat men hier geen windmolens in het IJsselmeer wil. Tja. Wij begrijpen dat. Wij willen ook geen windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in zijn achtertuin. Iedereen wil stroom, en hoe groener hoe beter, maar niemand wil windmolens in zijn blikveld. Of hoogspanningsmasten. Of trafostations. Gelukkig hoeven wij dat niet allemaal op te lossen.
Workum, besluiten we wanneer we het binnenlopen, bewaren we voor de volgende keer. Dat het de moeite waard is, zien we wel, maar we hebben trek in bier. Het Jopie Huisman Museum, leren we aan de leestafel alvast, is met vijftigduizend bezoekers het drukstbezochte museum van Workum.

Advertenties

Een rondje om de kerk

Hippolytushoef – Den Oever, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 16 januari 2015.

We maken ons op voor de laatste Noordhollandse etappe van het kustpad, vanochtend. Dertien, veertien maanden geleden startten we in Hoek van Holland, de rand van het land, en nu rest ons nog een staartje Wieringen. Tja. En omdat Wieringen ons goed beviel, de vorige keer, en ons bovendien nou ook weer niet zo’n heel gróót staartje rest, zullen we de dag volmaken, en vervolmaken, met nog een extra rondje over het vergeten waddeneiland. Zo staat het in het boekje, en zo is het plan. We hebben ons fantastisch wandelweer in het vooruitzicht laten stellen, op internet, dus dat komt misschien ook nog wel goed, in de loop van de wandeling.
We beginnen in Hippolytushoef. Vroeger ook wel Klein Parijs genoemd, vanwege de ooit enorme hoeveelheden café’s rond het dorpsplein. Lezen wij ook maar ergens op het web hoor. Maar wat een flauwekul is dat toch altijd, dat gekoketteer met buitenlandse namen. Nederland is een prachtig land, ontdekken wij al wandelend telkens opnieuw, en zonder in nationalistische toestanden te vervallen kunnen we dat heel best op haar eigen merites waarderen. Niemand heeft het ooit over het Giethoorn van het zuiden, en denk maar niet dat Parijs in Frankrijk, of waar dan ook, ooit Groot Hippolytushoef is genoemd.
Maar goed.

Hippolytushoef dus. Of Hippo, zoals het hier heet. We doen een rondje om de kerk, de Hippolytuskerk. Niet bepaald de Nôtre Dame. Integendeel eerder. De gemetselde spits geeft de kerk een bepaalde eenvoud. Een typisch Hollands doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Een soort zelfverzekerde bescheidenheid ook. Ze heeft het nodige meegemaakt, de kerk, zoals dat gaat, en het is haar aan te zien. Maar het is allemaal lang genoeg geleden om het nu charmant te kunnen vinden.
De basis van de toren stamt uit de twaalfde eeuw, leve Wikipedia. Negenhonderd jaar oud, dames en heren. In de vijftiende eeuw is de toren verhoogd en in de zeventiende eeuw is het verwoeste schip herbouwd. Van de daarbij behorende ramen zijn er vandaag nog maar een paar over.
Ondanks de bescheidenheid torent ze toch ook wel behoorlijk boven haar pleintje uit. Mede dankzij de terp natuurlijk, waarop ze destijds ook wel niet voor niets zal zijn gebouwd. De zee is nog steeds niet ver weg, maar was in die dagen helemaal alomtegenwoordig. En almachtig. Sterker nog, nader onderzoek leert ons dat juist in diezelfde twaalfde eeuw een aantal woeste stormen korte metten maakte met de kust zoals die er toen uitzag, een gat sloeg bij het Marsdiep, waardoor de zee vrij spel kreeg en Wieringen een eiland werd. Wat het eerder dus niet was. Zo leer je nog eens wat. En kijk je toch ook weer een beetje anders tegen zo´n kerktoren aan. Die heeft dat niet alleen meegemaakt, die heeft dat aan zien komen.
Rondom de kerk ligt, in het hart van het stadje, het kerkhof. Een uitgebreide verzameling scheefgezakte, met vele kleuren mos begroeide en veelal moeilijk leesbare zerken, waartussen de boomwortels al jarenlang hun gang zijn gegaan. Hier en daar staat nog een grafhek ook, maar het ziet er niet naar uit dat de doden die hier liggen nog regelmatig bezocht of beweend worden.
Verderop in de ochtend, even buiten Stroe, komen we langs nog een kerkhof. Een wit hek wrijft ons hier lelijk in dat we stof zijn, en tot stof zullen wederkeren. Als we het kerkhof betreden, vliegt er achter ons met veel kabaal een grote groep ganzen op. De begraafplaats zelf ligt er vriendelijk bij, in een voorzichtig zonnetje, in alle rust tussen de weilanden. Ook nu weer op een terp. Om de doden voor de zee te behoeden, nemen we aan. Bij veel van de graven zou het de tweede keer zijn dat de zee toesloeg. Vissersmannen liggen er. Jonge kerels vaak nog. En het zijn niet alleen oude en vergeten graven hier, ook glanzend nieuwe stenen. In het Westfries laat iemand in vers uitgehakte letters weten het maar niks te vinden, om hier zo te liggen. Zelfs in zijn kist nog de leukste thuis, denken wij. Verderop liggen twee broers naast elkaar. Ze zijn beiden al jaren dood. Jong, maar niet tegelijk gestorven. Het zouden vandaag onze leeftijdgenoten geweest zijn. Het lelijke hek heeft wel een beetje gelijk, misschien.
Oosterland, met ook een gemetselde spits op de toren, passeren we op enige afstand, langs de Waddenzee. De asfaltdijk waarover we lopen, doet enigszins denken aan de Hondsbossche Zeewering, die inmiddels bijna geheel onder het zand is verdwenen, als gevolg van de nieuwste inzichten over de strijd tegen de zee.  Bij Vatrop staat nog een restant van de betonnen zeewering waar men het hier in het verleden van moest hebben. Een muurtje van nauwelijks een meter hoog, overeind gehouden door weinig indrukwekkende staanders. Lucifershoutjes van beton. Als de zee eraan terugdenkt, lacht zij zich rot. Als wij het ons proberen voor te stellen, huiveren we met terugwerkende kracht.
In de heiige verte zien we Den Helder liggen, en Texel, verderop. Daar tussenin zien we zelfs de veerboot varen. We zien ook een onheilspellende lucht aan komen drijven. Als we de haven van Den Oever binnenlopen, om een visje te eten, is de lucht al behoorlijk betrokken. Vol vertrouwen echter beginnen wij aan ons extra rondje. Zodra we de dijk oplopen, en buiten bereik van schuilplekken zijn, begint het gestaag te regenen. Het zal niet meer ophouden en ons extra rondje laten we er dan toch maar bij inschieten. Het is flauw om al teveel over het weer te praten, bij dit soort verhalen, ieder weer is wandelweer tenslotte, maar als we eenmaal weer thuis, op een half uurtje rijden, te horen krijgen dat het de hele dag zulk heerlijk, zonnig weer is geweest, vragen wij ons toch wel een klein beetje af waar dát nou voor nodig was.

Een eiland aan de vaste wal

Oudesluis – Hippolytushoef, een etappe van het Nederlands Kustpad,  gelopen op vrijdag 31 oktober 2014

Parkeren is niet mijn sterkste kant, met mijn nog prille rijbewijs. Daarom heb ik het dus ook eigenlijk nog niet echt gedaan, bij aankomst in Hippolytushoef, het eindpunt van vandaag. Alleen maar even van hoppetee een vak in, voor zolang, of eigenlijk bijna twee, om te bellen naar mijn wandelgenoot, waar ze is. En dan snel weer weg want ze zijn hier een markt aan het opbouwen en dat wordt me straks veel te ingewikkeld. Maar voor ik het allemaal goed en wel voor elkaar heb, staat er een vrachtwagentje met marktkramen stijf achter me, om me op te sluiten in mijn vak. Scheef geparkeerd en al. Vandaar dat we met de auto van mijn wandelgenoot naar het beginpunt in Oudesluis rijden. Dan zien we vanavond wel verder. Die markt zal na tweeën wel weer opgeruimd worden, stel ik mijzelf gerust.
In Oudesluis zijn alle deuren en ramen gesloten, het is hier blijkbaar nog te vroeg, in elk geval voor koffie. We zullen zonder op pad moeten, dus daar gaan we. Over de Kneeskade langs de Boezem van de Zijpe richting Anna Paulowna. Aan de topografische namen ligt het weer niet in elk geval. En aan het weer al helemaal niet: het is de laatste dag van oktober vandaag, morgen is het november, stel je voor.. theoretisch zou het grijs en guur moeten zijn, maar wij lopen zonder jas in korte mouwen met onze bol in de zon. Precies wat we nodig hebben, dat wel.

Dat het natuurlijk toch gewoon herfst is, wordt verraden door de gele en zelfs al kale bomen, strak in het gelid langs de polderweg, het geel en bruin geworden ruisend riet in de vaart en de afgejakkerde akkers van zwart glimmende klei. Een Beet-eater – een torenhoge, rode geweldenaar met handenvol manshoge banden en een agressief ogende constructie van tandwielen, schoepen, messen en bladen voorop – draait vlak voor ons de weg op, razend en blazend, de kooi bovenop voor de helft gevuld met nog de laatste bieten. Het is een scherpe bocht en een smalle weg en het past ook eigenlijk niet, maar het lukt natuurlijk toch. Met zo’n gevaarte lukt alles. Wij staan erbij en kijken ernaar. En lopen daarna voorlopig nog in de modder, die uit de kniediepe profielen van al die banden stort.
De Boezem van de Zijpe, aan onze linkerhand, is het enige water in deze omgeving dat niet langs een liniaal in de verte verdwijnt, maar dat meanderend zijn eigen gang lijkt te gaan om, van ons en Oudesluis uit gezien, langzaam te verbreden en uiteindelijk terecht te komen in het Amstelmeer. Ik durf hier niet te beweren dat het zo is, maar misschien is het een in het verleden door stroming en woelige baren gevormde geul, bij de inpoldering gedoogd, gespaard gebleven, ingelijfd, om in te zetten bij het ontwateren van het gebied. Het enig overblijfsel nog van de hier ooit allesbepalende zee.

Met de blik op oneindig, of we willen of niet, steken we langs een lange, lange, lange en kaaaarsrechte weg de lege Anna Paulowna Polder door en staan dan met toch iets van zeewind in de haren op de grasdijk rond het Amstelmeer. Aan de overkant van het water ligt Wieringen, het vergeten Waddeneiland, zoals het zichzelf noemt. Al is het natuurlijk al geen eiland meer sinds de inpoldering van de Wieringermeer, in de dertiger jaren van de vorige eeuw. En dat is ook alweer bijna honderd jaar terug. Het schijnt ook niet altijd een eiland geweest te zijn trouwens. Ooit lag het gewoon vast aan de hoogveengebieden, tot een flinke storm daar in 1200 een einde aan maakte. Maar, vanaf hier, met aan alle kanten water in het blikveld, als we de Amsteldiepdijk verderop even negeren, ziet het er inderdaad uit als een eiland, aan de einder. En ook als we een flinke wandeling later De Haukes binnenlopen, de vergeten haven, is het goed te zien. Het landschap onderscheidt zich duidelijk van wat we verder gezien hebben, deze dag. Licht glooiend, organisch en kleinschalig verkaveld, met bochtige weggetjes, rommelige erfjes, tuunwallen en op een kluitje bij elkaar gekropen en geveegde boetjes, bouwsels en buurtschappen. Het waddeneilandgevoel is onmiskenbaar.
Café de Postboot, gezien de naam ook vroeger al de eerste kennismaking met Wieringen, sluit daar aardig bij aan. De zaak ligt er wat in zichzelf gekeerd en donkertjes gesloten bij, maar de deur gaat na enig aandringen toch gewoon open en we stappen een andere wereld en tijd binnen. Het is moeilijk te zeggen welke precies, maar het ís al een tijdje geleden en sindsdien is hier niet veel veranderd. Voor ons hoeft dat ook niet, laat dat duidelijk zijn. Liever niet zelfs. Volledig doorgestylede maar kleurloze grand café’s met zonder bediening zijn er al genoeg. Gelegenheden als De Postboot kleuren je dag.
Onze komst wordt gemeld door een klein, vaalwit hondje dat het op een gemeen keffen zet. Boven ons hoofd horen we het houten plafond stommelen en klinken voetstappen, die we op veilige afstand van het hondje volgen tot aan de trap in de andere hoek, waar even later de gastvrouw haar intrede doet. Ze maant het beest kort tot stilte en ontvangt ons dan met laconieke vanzelfsprekendheid. Terwijl wij ons aan de leestafel met plaatselijk nieuws voorzichtig afvragen of we wel genoeg contant geld bij ons hebben, omdat het wel duidelijk is dat er in deze tijdzone niet kan worden gepind, leest de vrouw aan de bar haar krant en maakt een praatje met een groezelige man die een pakje zware shag komt kopen. Het vaalwitte hondje neukt ondertussen gedurig, met vreugdeloze volharding een al even vaalwitte knuffelolifant, die zich het leven als knuffel ook anders moet hebben voorgesteld.
Als we weer op pad gaan, raadt de vrouw ons aan straks in Hippo vooral naar de Halloweenmarkt te gaan. Omdat dat zo leuk is. Ik trek daaruit de conclusie dat ik mijn auto straks zonder kleerscheuren tussen de volgepakte marktkramen en het drentelend publiek uit zal moeten manoeuvreren. Over griezelen gesproken. Ik probeer er de rest van de wandeling maar niet al te erg tegenop te zien. Dat zou zonde van Wieringen zijn.