De dunne grenzen van het fatsoen

cropped-p1070905.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Santpoort Noord naar Zandvoort, gelopen op vrijdag 22 november 2019

Omwille van het klimaat en andere praktische overwegingen bereizen wij de etappes van onze lange wandeling naar huis met het openbaar vervoer. Dat is niet altijd even comfortabel. Vooral op de terugweg, die zich na een dag wandelen uiteraard door de avondspits beweegt, moeten we vaak tot boven Alkmaar genoegen nemen met een krappe staanplaats in een afgeladen halletje, of, als we geluk hebben, met een plakkerige zitplaats op een smerig trappetje. Het is niet anders. Wie het klimaat wil dienen moet offers brengen. Vanuit dat perspectief bezien zou je het ook als bemoedigend kunnen ervaren dat de trein zo goedgevuld is, al is het dan met gratis reizende studenten. Ik wil daar niet meteen een oordeel over hebben.

P1070778

Waar ik wel meteen een oordeel over heb, is de jongeman die we in onze eerste trein op de heenweg aantreffen. Lang- en breeduit uitgestrekt neemt hij samen met zijn rugzak een hele vierzitter in beslag, in een verder behoorlijk gevulde coupé. Hij houdt zich slapend en reageert niet op onze afwachtende aanwezigheid naast zijn koninkrijk. Zijn kapsel zit onberispelijk in model gekamd en geboetseerd, maar voor de rest ziet hij er wat smoezelig uit. Er zitten vlekken in zijn shirt, er liggen croissantkruimels op zijn jas en er hangt een meer dan vage dranklucht om hem heen. Mijn zoon wurmt zich mild en toegeeflijk tussen verschillende ledematen door naar de moeilijk bereikbare restanten van een zitplaats, maar ik heb het opeens wel even gehad met dat hedonistische, verwende, onverschillige en egocentrische millennialgedrag. Okay, dan maar een boomer. Ik duw wat tegen zijn schouder en roep iets over zitten, en plaats maken, wat dan uiteindelijk met gepaste onwilligheid gebeurt. Zolang we tegenover elkaar zitten blijft hij gedrogeerd knikkebollen. Niettemin lijkt hij op weg te zijn naar school, gezien het tijdstip op de dag, de rugzak en het station waar hij uitstapt. Ik heb ernstig medelijden met degene die zuks in de klas heeft zitten.
In de sprinter naar Santpoort Noord zijn we zelf de aso’s, al is het per ongeluk. Zo dun is die scheidslijn nou eenmaal en daarom moeten we er ook zo voorzichtig mee omgaan. Om de reistijd aangenaam te vullen hebben mijn zoon en ik, in de veilige beslotenheid van onze tweezitter, een gesprek over de thema’s van de tijd en zo komt, het is eind november, ook Sinterklaas langs, met zijn omstreden knecht. Zelf hebben wij daar nogal randstedelijke ideeën over, die in onze nieuwe woonomgeving echter maar nauwelijks worden gedeeld, zodat het fijn is het daar nu toch eens over te kunnen hebben, zonder op eieren te lopen. Zonder het gevaar ruzie te krijgen met iemand waar je helemaal geen ruzie mee wilt hebben. Als we zo een tijdje gemoedelijk in onze eigen bubbel hebben zitten schimpen en smalen, blijken we toch niet alleen te zijn geweest. Tussen de banken door wordt ons een verstoorde blik toegeworpen door een vrouw die voor ons zit, zo blijkt. Met, zo blijkt meteen daarna, een zoontje in de gelovige leeftijd. Snel en beschaamd veranderen we van onderwerp, al zal het te laat geweest zijn. Maar goed, ter onzer verdediging zij opgemerkt: wie rekent er heden ten dage nou nog op dat er kinderen in de trein zitten zónder witte oordopjes en hypnotiserende beeldschermpjes.

P1070798

In Santpoort pakken we met horten en stoten de draad van het Nederlands Kustpad weer op. Dat zal ons ons naar Den Haag brengen, onze geboortestad. Er wordt hier bepaald niet scheutig omgesprongen met de vertrouwde roodwitte markeringen en we rommelen wat heen en weer, slaan op goed geluk wat links- of rechtsaf hier en daar, maar vlak voordat het mopperen wordt komt het goed. Zoals altijd, het komt altijd goed. We lopen door en over de Duin en Kruidberg richting de zee, richting het strand. Het eerste stuk, de Heerenduinen, is een bebost gebied. De bomen zijn overwegend kaal, het bos doet grijzig aan, hoewel de zon er doorheen schijnt en het zwerk blauw is.
Aan de rand heeft zich een kuddetje konikpaarden opgesteld. Schijnbaar onbewogen staan ze dwars over het wandelpad hun ziel in lijdzaamheid te bezitten. Ik kan het niet laten wat foto’s te maken en ik ben niet de enige, ik moet de nodige moeite doen de paarden er zonder felgekleurde medewandelaars op te krijgen. De paarden zal dat allemaal worst wezen, zolang het geen paardenworst is natuurlijk. Er gaan er wat op hun rug liggen rollen, wat een leuk, aandoenlijk gezicht is. Taalkundig wikiweetje dat ik tegenkwam toen ik voor de zekerheid even checkte of dit inderdaad konikpaarden waren: dat zijn het dus niet. Het zijn koniks. Konik is het Poolse woord voor paardje, kon is paard. Het is een Pools ras oorspronkelijk, vandaar. Als we het over konikpaarden hebben, mensen, hebben we het dus eigenlijk over paardjepaarden, wat natuurlijk geen gezicht is, als woord. Weer iets geleerd.

P1070826

Verderop stuiten we op een boom die onze aandacht trekt. Het is een flinke wilg, zwaar toegetakeld door het bestaan en de elementen. Geblakerd, ingestort, afgebroken, hol, zonder schors en uitgebeten, maar wonderbaarlijk genoeg gedeeltelijk ook nog levend. Nieuwe twijgen wachten geduldig op de lente, die zeker weer komen gaat. We bestuderen het wrak een tijdje en vragen ons af of de bliksem hier misschien is ingeslagen, of dat er fikkie in is gestookt. We gaan even uit van het eerste. We zien de restanten van zo’n knoest waar heel veel kleine takjes aan hebben gezeten. Wat we zien moet het bewateringssysteem geweest zijn, een verzameling afgebroken houten buisjes. Maar weer eens onder de indruk van de natuur en haar veerkracht lopen we door. Misschien, denken we, dat als wij mensen de boel definitief voor onszelf hebben verpest, de natuur, opgelucht allicht, er wel weer bovenop komt. Aan de horizon achter ons, als om deze gedachte te illustreren, steekt nog regelmatig de dampende en rokende skyline van IJmuiden boven de duintoppen uit.
Door een meer open gebied, lichtgevend groen bemost met grijze doornenstruiken en naar de wind gevormde, mismaakte boompjes, knoestig, weerbarstig, zwart afstekend tegen de blauwe lucht, naderen we de zee, we horen haar al ruisen. Steeds meer paden blijken onder water te staan en ook flinke stukken duin lijken te zijn ondergelopen. De aanhoudende regen van de afgelopen tijd, nemen wij aan. Het is moeilijk voor te stellen dat er nog een probleem met een te laag grondwaterpeil zou zijn, bij deze aanblik, maar we weten het niet.
Dan draaien we het strand op, lopen een stukje langs die goeie ouwe branding, met de lage zon in de ogen en Zandvoort opdoemend uit de heiigheid in de verte. Druk is het niet. Een enkele wandelaar, een misplaatst ogende kraai en een groepje kantoormannen waarvan we bij het verlaten van het strand concluderen dat ze met ov fietsen zijn gekomen. Een teamuitje dus, waarschijnlijk. Een heisessie op het strand. Al wandelend langs de branding nieuwe ideeën opdoen, een verfrissende kijk op de zaken. Een beetje sparren, of zoiets. Wij spelen even met de gedachte een aantal van die identieke ov fietsen om te ruilen en zo de hernieuwde teamgeest op de proef te stellen. We verkneukelen ons bij voorbaat in het gedoe dat zal ontstaan, maar we doen het niet natuurlijk. De pret van de gedachte volstaat.
Bij Parnassia aan zee trekken we weer landinwaarts richting Haarlem, door de Kennemerduinen, grijsgroene glooiingen rond een aantal grote waterplassen en gelardeerd met het eeuwig donkergroen van naaldbossen. We klimmen en dalen over mulle zandpaden maar moeten elders ook regelmatig op zoek naar een alternatieve strook grond waar we de voeten droog neer kunnen zetten.

P1070898

In de berm vinden we een libelle, een rode libelle. Op sterven na dood, dat behoeft geen verwondering deze tijd van het jaar. Door hem op te pakken verstoren wij zijn sterfbed hoogstwaarschijnlijk, wat misschien niet kies is van ons, maar goed, het was al gebeurd voor we er bij nadachten. Hij valt bijna uit elkaar en heeft geen puf meer om te vliegen, met de laatste kracht klemt hij zich dan maar aan deze vreemde vinger vast, berustend in ieder lot. Is dat zielig, bij een libelle, vragen wij ons af. Moeten we ingrijpen, hem uit zijn lijden verlossen? Is er sprake van lijden? We weten het niet. We bekijken het beestje een tijdje en zetten het dan terug in de berm, waar de natuur dan haar loop maar moet hebben. Weer thuis lees ik in het tijdschrift van Landschap Noord Holland iets over de zeldzame vuurlibelle die onlangs weer rond de Noordhollandse duinwateren zou zijn gesignaleerd. Meer waarschijnlijk hebben we hier te doen met de steenrode heidelibelle. Die is algemeen voorkomend, lees ik, en vliegt nog net in november. Dus dat zou kloppen. De bloedrode heidelibelle, die ook nog bestaat dus, vliegt slechts tot oktober. Dan zou dit wel heel erg een latertje zijn. Uiterlijk kunnen we op de bijgeleverde plaatjes trouwens maar nauwelijks verschillen tussen deze drie types ontwaren. Geen eigenlijk.
Verder richting Haarlem passeren we een roze granieten steen met moeilijk leesbaar opschrift. Het blijkt te gaan om een oorlogsmonument en het is één steen uit een serie van acht die hier in de duinen is neergezet ter nagedachtenis aan de vele gijzelaars en verzetsmensen die hier in de oorlog gefusilleerd zijn. In 45 anonieme en ongemarkeerde massagraven is een gedeelte van de lichamen na de oorlog teruggevonden, de meesten daarvan zijn inmiddels herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Op elk van de stenen staat vermeld hoeveel mensen er rond die plek lagen begraven. Nog veel meer mensen zijn nooit teruggevonden omdat zij na hun executie gecremeerd werden, de bezetter wilde met dit alles voorkomen dat haar slachtoffers een eervol graf zouden krijgen. Dat de oorlog nog altijd leeft blijkt uit de grote hoeveelheid steentjes, gekleurde scherfjes en dennenappels die op het monument zijn gelegd, klaarblijkelijk als eerbetoontjes, weten we sinds Daan Roosegaarde met dit idee aan de haal ging.

P1070919

Bij Overveen, vlak voor Haarlem, kiezen we voor de routeverkorting van het Kustpad. De rondwandeling door Haarlem hoeven we niet per se te maken, vinden we eensgezind, we zijn tenslotte op weg naar Den Haag en hoewel dat nou ook weer niet helemaal kaarsrechttoe rechtaan hoeft natuurlijk, kun je ook overdrijven. Door het Brouwerskolkpark, langs een afwateringskanaal, lopen we richting Kraantje Lek, waar volgens de berichten 17e eeuwse vissersvrouwen, zeulend met emmers verse vis van Zandvoort naar de markt in Haarlem, het water in hun emmers verversten. Zich verfristen met een slok.
Met het zicht op een klein, wat lager gelegen parkeerterrein horen we een knal, het onmiskenbare geluid van blikschade en sneuvelende no claim kortingen. We zien het onder onze neus gebeuren ook nog. Een kek tweepersoons sport bmwtje parkeert achteruit uit en boort zijn achterwerk voortvarend in de achterbumper van een robuust bedoelde bmw suv. We bevinden ons onder de openhaardrook van Haarlem, het is een deftig parkeerterrein. Hoewel je daar meteen je aantekeningen bij kunt zetten want hoewel het een tamelijk bruuske en luidruchtige botsing was, verlaat het kekke sportautootje de plaats des onheils zonder omkijken of pardon. De schade aan de getroffen bumper is niet onaanzienlijk zien wij bij nadere inspectie, wat ook te denken geeft voor een suv natuurlijk, maar laten we die weg niet inslaan. Wij besluiten dat we dit niet zomaar kunnen laten passeren. We noteren het kenteken van het kekke sportautootje en schrijven een briefje met ons telefoonnummer voor onder de ruitenwisser. Nog vóór Zandvoort worden we gebeld en brengen we verslag uit van wat we gezien en gehoord hebben. Op een bomvol perron 4 van Sloterdijk worden we dan nogmaals gebeld en krijgt het verhaal een wat onwaarschijnlijke wending. De eigenaar van de suv had bij toeval op een parkeerterrein van een restaurant de sport bmw met ons kenteken zien staan, had de bestuurder ervan binnen aan de koffie getroffen en haar aangesproken op het gebeurde. Waarop die dat, deftig en al, in alle toonaarden ontkende, getuigen of niet. Truth is stranger than fiction, Mark Twain schreef het al. Hoe het afgelopen is weten we niet, maar het geval, en de slechtheid van de mens, heeft ons nog geruime tijd bezig gehouden.

P1070936

We komen langs het landgoed Elswout, waarvan ik weet dat daar de geweldige kinderserie Loenatik werd opgenomen, waar ik altijd met veel plezier naar keek, met mijn kinderen, maar waar mijn zoon dan weer geen enkele herinnering aan blijkt te hebben zodat ik me moet gaan afvragen of ik dat dan met mijn dochter keek, en hoe oud die serie dan eigenlijk alweer is en, niet in de laatste plaats, hoe oud ik zelf dan in godsnaam ben. En of ik dat nog wel wil weten.
Door de duinen gaat het dan langs het spoor naar Zandvoort. Het begint al wat te schemeren en wanneer we langs hetzelfde spoor met de trein Zandvoort weer uit rijden is het buiten nacht. En half vijf ‘s middags. Het veelbesproken circuit, waar we om die reden een kijkje wilden nemen, laten we voor de volgende keer.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Met die boten en die kranen en dat water

cropped-p1070696.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Beverwijk naar Santpoort Noord, gelopen op vrijdag 25 oktober 2019

We doen een korte etappe vandaag, het is niet anders. De eerste mogelijkheid om met het openbaar vervoer weer thuis te komen, na ons startpunt in Beverwijk, zou Overveen zijn en dat is, gelijk Omsk, net iets te ver weg. Daarnaast moet mijn zoon op tijd thuis zijn voor het één of ander en wordt het ook nog eens steeds vroeger donker want we zijn al aardig in de herfst terechtgekomen, kortom.. we besluiten tot Santpoort Noord te gaan en er daar, omdat dat dan wel weer een beetje erg weinig is, een extra rondje over landgoed Duin en Kruidberg aan vast te breien. Dat is ook geen straf.

P1070661

Vanaf station Beverwijk volgen we een plaatselijke route die ons door een park en weg van de weg helemaal niet slecht bij het Nederlands Kustpad terugbrengt, tot Den Haag is dat namelijk de route die we volgen. Dat we dat nu precies de verkeerde kant op doen is ons eigen gebrek aan oriëntatievermogen en richtinggevoel, een erfelijk dingetje. De schade blijft beperkt tot hooguit een kwartiertje, door een waarschuwingsbord dat ik mij herinner van mijn eerdere wandeling langs het Kustpad, jaren geleden alweer. Een bord dat waarschuwt voor de mogelijke aanwezigheid van munitie, met het verzoek melding te maken van eventuele vondsten van dien aard. Dat wil je wel onthouden. Het Kustpad liep ik jaren geleden de andere kant op dan vandaag, toen had ik geen andere keuze dan dit levensgevaarlijk terrein doorkruisen, nu kunnen we met een gerust hart omdraaien.
Langs de immense fabriekscomplexen en schoorstenen van het op een paar huizen na onaantrekkelijke Velsen Noord lopen we dan in de goede richting van het Noordzeekanaal en de overtocht met de pont, een tweede associatie met de onvolprezen Drs P.

P1070694

Vanaf het water zien we de lucht behoorlijk betrekken. Vieze, donkergrijze wolken pakken samen, verduisteren de lucht en dreigen ons er straks eens even flink van te laten lusten. Geen prettig vooruitzicht. Maar het kleurt wel aardig bij wat we aan de einder zien staan aan rook uitbrakende ingewikkelde installaties van pijpleidingen, hijskranen, vaalwitte blokkendozen, windmolens en silo’s. De geïndustrialiseerde samenleving luid en duidelijk in beeld. Een charmant klein, rond wachtershuisje met een windvaantje op zijn oranje koepeltje staat daar tegen af te steken als lief klein monument voor hoe het ooit begon. Een binnenvaartschip neemt met veel waterverplaatsing de bocht en vaart uit beeld naar het noorden, twee personenauto’s op het achterdek.
Je zou kunnen denken dat wij dit dan lelijk vinden allemaal, maar dat is niet zo. Zo zitten wij niet in elkaar. We lopen door Noord-Holland en dit hoort daar dus ook bij. Het kan niet allemaal ongerepte natuur zijn tenslotte, voor zover dat in ons land bestaat dan want de natuur krijgt hier de tijd niet om ongerept te zijn, denken wij wel eens. Er ligt altijd wel weer een nieuwe visie klaar. Maar goed. Hier aanschouwen wij dan het industrieel landschap en dat heeft in al haar onsmakelijke lelijkheid toch ook weer iets moois. Alles is puur functioneel, nergens is moeite gedaan het mooier te maken dan dat. Het is wat het is. Het heeft iets stoers ook, met die boten en die kranen en dat water. Het roestige, het bonkige.. het heeft iets romantisch ruwe bolster blanke pitterigs. Al stemt het ook droevig uiteraard dat het onderhouden van onze beschaving, onze eeuwige honger naar groter en meer, blijkbaar zoveel vuiligheid moet veroorzaken.

P1070717

Aan de overzijde lopen we een klein stukje landinwaarts met het Noordzeekanaal op en komen dan in Velsen Zuid. Een zeer charmant en nostalgisch authentiek ogend plaatsje van oude, meest bakstenen huizen en huisjes die stuk voor stuk een bordje dragen waarmee ze tot rijksmonument zijn verheven, plus zo’n gezellig bruin anwb bordje met toeristische informatie over het hoe en wat. Zo komen we langs het bepaald niet onriante witgepleisterde huis van de dorpstimmerman, het cachot, de woning van de vroedvrouw, het diaconessenhuis, het huis van de metselaar en nog zo het een en ander. Mede door het witte hek dat toegang biedt aan het plaatsje lijkt het of we door een openluchtmuseum wandelen. Maar ook Velsen Zuid blijkt niet zo ongerept als het er in eerste instantie uitziet. Op een groot informatiebord bij de kerk lezen we dat de helft van het dorp in de loop der afgelopen jaren is verzwolgen door het kanaal, dat sinds de opening in 1876 steeds breder moest worden. Iedere uitbreiding, de laatste en grootste in 1969, ging ten koste van een stukje Velsen Zuid. Onder meer de kweekschool, twee dokterswoningen, de smederij, de bakkerij, de slagerij en het postkantoor werden het slachtoffer van de groei-economie. Het stukje dat vandaag nog gespaard is gebleven is tot beschermd stadsgezicht uitgeroepen. Dus nu is het veilig. Zou je kunnen denken.
Aan de overkant zien we nog een monument staan, een moderner monument, maar een monument. Vier hoge en vier lage grijze achthoekige torens in formatie bijeen steken rank omhoog, naar boven iets taps uitlopend, met ieder bovenin rondom vijf rijen witte vierkante venstertjes. Het geheel biedt een licht geheimzinnige, ietwat oosterse aanblik. Maar het zijn gewoon de noordelijke schoorstenen van de ondergrondse ventilatieschachten van de Velsertunnel, aan de zuidkant staat nog zo’n complex. Gebouwd in de vijftiger jaren, tegelijk met een van reeds genoemde verbredingen van het kanaal.

beeckestijn

Met een tunneltje steken we de weg over en lopen dan landgoed Beeckestijn binnen. Een deftige bedoening met lange herfstige bomenlanen, een geschulpte vijver, een zichtlaan naar een wit landhuis, koetshuizen, een fraaie slangenmuur om de groentetuin en wat kitscherige witte beelden die de zaken een extra klassiek tintje moeten geven. Het landhuis ziet er puik uit en is smetteloos wit maar heeft er een lange geschiedenis opzitten. Begonnen in de 15e eeuw als versterkt landhuis in het bezit van de naamgevende familie Beeckestijn, in de 18e eeuw overgenomen door de familie Trip die er het landgoed omheen aanlegde en enige tientallen jaren later in bezit gekomen van de diplomaat Boreel die er de zijvleugels aan bouwde, de koetshuizen erbij zette en de eerste Engelse tuin in Nederland aanlegde, verderop komen we nog een folly tegen uit deze periode, een tuinmanswoning die er uitziet als een neogotisch kapelletje, maar het geen van beiden is. Tot in de 19e eeuw lag het landgoed direct aan het water en kon er over het Wijkermeer naar Amsterdam worden gezeild. Van dat meer is nu alleen de streep van het Noordzeekanaal nog overgebleven. Wij pikken even een deftig terrasje bij één van de koetshuizen, het zonnetje prikt inmiddels door de verkleurende bomen, de donkere luchten zijn overgedreven.
Door het onbijzondere Driehuis tenslotte buigen wij van het Kustpad af en klimmen over een hekje dat niet open wil landgoed Duin en Kruidberg binnen, voor ons toetje. We treffen er veel medewandelaars die met camera’s op paddenstoelenjacht zijn, wat geen heksentoer is want het is een prima paddenstoelenjaar, al lijkt ons de mooiste tijd daarvoor eigenlijk alweer zo’n beetje achter de rug. Met ons kleine extra rondje doen we het landgoed natuurlijk geen recht, maar dat is een mooie reden er binnenkort nog eens speciaal voor terug te komen.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Specht

IMG_7357

 

Vanochtend vroeg wandelde ik dan weer eens mijn vaste rondje om de dag mee te beginnen. Ik zeg vanochtend vroeg, maar dat klinkt eigenlijk wel erg opgewekt zonnegroeterig en zo was het nou ook weer niet. Het was niet bij het krieken van de dag in elk geval want daarvoor zit er alweer bijna teveel voorjaar in de lucht. Daarvoor moet je alweer bijna té vroeg je bed uit, voor het krieken van de dag. Het was vóór achten, okay? Dat is vroeg genoeg. En mijn vaste rondje was het ook niet helemaal want ik had er een stukje aan vastgeplakt. Maar verder wandelde ik vanochtend vroeg dus weer eens mijn vaste rondje. Om de dag mee te beginnen.
En ergens in dat stukje dat ik eraan had vastgeplakt hoorde ik dat typisch spechtengeluid, een roffelend trrr waar ik altijd erg blij van word, om één of andere reden. Al moet ik er bij toegeven dat ik te weinig een kenner ben om niet af en toe te twijfelen of ik nou een specht hoor, of hout dat door de wind langs elkaar beweegt. Ook omdat de bijbehorende specht zich maar zo zelden laat zien. Ook nu twijfelde ik in eerste instantie, het geluid klonk raar hard en had iets van een kunstmatige galm. Ik speurde vergeefs de bomen af, hoorde het geluid nog een paar keer en zag toen vlakbij de specht zitten. Gemakshalve schatte ik hem in als de grote bonte, de Dendrocopos Major, omdat dat geloof ik de meest algemene is, in deze contreien. Maar als gezegd, een kenner ben ik niet en ik weet niet precies hoe groot de grote en hoe klein de kleine is, laat staan dat ik op dat moment al wist dat er ook nog een middelste bestaat. En een witrugspecht bovendien. Enfin. Deze specht zat niet tegen een boom maar op het dakje van een lantaarnpaal. Speciaal voor mij gaf hij nog een roffel weg. Dat klonk lekker door, zo’n hardplastic dakje met een klankkast eronder.
Dus dan denk je: zo’n specht is niet achterlijk. Die weet heus wel dat er niets te halen valt in zo’n door mensenhanden geschapen plastic geval. Dat het ook geen handige nestplaats is, zo midden op straat. Dus als hij er dan toch zo enthousiast op zit te tikken, dan moet dat haast wel zijn omdat hij het zelf ook wel lekker vindt klinken, zo’n versterkte beat. Wel zo effectief. Hij zit daar natuurlijk zijn territorium af te bakenen, de lente hangt behoorlijk in de lucht tenslotte, en zo kunnen ze van verre al horen dat híj hier zit. Dat ze uit de buurt moeten blijven. En wie weet wat er nog aan vrouwtjes op af komt.
Ik kon het hem niet vragen, jammer genoeg, of ik gelijk had, want zodra hij mij in de gaten kreeg, ging hij er snel vandoor. Dus misschien is het onzin. Maar ik vind het wel leuk om te denken van niet.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Naar de bollen en Polder Q

Een dagtocht van het Zijper Landschap, gelopen op woensdag 16 april 2014

Al zolang ik hier woon neem ik mij voor nou eens op tijd te zijn voor de bollenvelden. Om nou ook eens te genieten van dien Hollandschen kleurenpragt, waar andere mensen met bussen tegelijk hun verre landen voor verlaten, om dat met eigen ogen te aanschouwen. Ik woon er middenin, bij wijze van spreken, en nog nooit is het er van gekomen. Ik denk er even aan als ik toevallig zie dat de bollen de grond weer ingaan, ergens in het najaar, nog eens als de eerste groene punten zich laten zien, en dan pas weer als het hele zooitje al weer lang en breed gekopt is. Te vroeg en te laat dus. En dat al jarenlang. Schande, eigenlijk.
Vandaar dat ik dit jaar extra alert ben. Al een tijdje ligt er een kaartje van Het Zijper Landschap op mijn bureau op een goed moment te wachten, dus toen de weerman van dienst deze week een zonnige woensdag afkondigde, moest en zou het er maar eens van komen, besloot ik.
Vanaf het Wildrijk, waar we trouwens wel ieder jaar strijk en zet naar het sprookje van de wilde hyacinten gaan kijken, loop ik de Belkmerweg af. Een lange, lange, rechte, rechte weg, zoals ze nu eenmaal zijn in de polder. Parallel aan de kust, maar nog paralleller aan het Noordhollandsch Kanaal, dat al net zo lang en recht is. Aan landschappelijk schoon of architectuur is nauwelijks moeite verspild. Het is hier wat het is: een stuk land achter de duinen waar we bollen verbouwen. De namen op de kaart zeggen ook al genoeg: Polder R, Polder Q, Polder L en Polder M. Schuren zijn groot, recht en van golfplaat. Functionele opschriften zijn in drie talen gesteld: Nederlands, Engels en Russisch. Huizen zijn sober, recht toe recht aan met een puntdak. De enkele statige boerderij die er wel staat, en het handjevol  oudhollandsche molens natuurlijk, wordt zo goed als overschaduwd door de lange rijen veel en veel hogere nieuwetijds windmolens.

Afbeelding

Het is dus maar goed dat er links en rechts bollenvelden liggen, met zonbeschenen kleur tot zover het oog reikt, anders was het wel echt alleen een lange, rechte weg geweest. De lucht is zoet en zwaar van de hyacinten. Narcissen tonen bijna transparant van de felle zon die ze aanlicht. De tulpen zorgen voor de felste kleuren: paars, geel, wit en oranje. De rode velden zijn mijn favoriet. Hier vloeien individuele tulpen samen tot één gloeiende, trillende kleur. Tot één levend, ademend rood waar je blik in wordt gezogen en verdwijnt. Een beetje zoals Barnett Newman het rood in zijn Who’s afraid of red, yellow and blue bedoeld zal hebben, stel ik mij voor.
Toch vind ik het ook niet erg dat het uitzicht bij Burgervlotbrug verandert en ik de bollenvelden weer een beetje achter mij laat. Het is blijkbaar net als met ijs, of chocolade: het is lekker, erg lekker zelfs, maar op een gegeven moment heb je genoeg. En Burgervlotbrug biedt meteen het juiste tegenwicht. Een troosteloos straatje schrale huisjes, bijeengeveegd op een overgeschoten strook tussen twee drukbereden provinciale wegen en langs het Noordhollandsch kanaal, waar juist op dit moment een soort cruiseschip passeert. Ook op bedevaart langs de bollen waarschijnlijk. Het schip steekt overal bovenuit en detoneert hevig bij zijn sobere omgeving.

Afbeelding

Richting Schoorl gaat het nu, over de Oude Schoorlse Zeedijk, om te beginnen. En Schoorl mag dan misschien de hoogste zandduinen van Nederland hebben, zoals ik laatst ergens las of hoorde, van dit lieve, kleine dijkje is het moeilijk voor te stellen dat het ooit serieus als bescherming tegen de zee bedoeld is geweest. Nu ligt er de Hondsbossche Zeewering, onverzettelijk in beton gegoten, maar vóór die tijd zal de zee zich er niet altijd iets van hebben aangetrokken, van de Schoorlse Zeedijk.  De aanblik van de Harger en Pettener Polder erachter doet zelfs een beetje vermoeden dat de woeste golven er niet eens zo héél lang geleden nog een tijdje flink vrij spel hebben gehad. Smalle asfaltweggetjes voeren bochtig door een aftands en afgekloven, moeilijk te duiden landschap. Het is geen natuur, het is geen agrarisch gebied, geen gebied in ontwikkeling.. het ís er alleen. Het bestaat, maar het lijkt vergeten. Polder X, was een goede naam geweest.
Hier en daar liggen wat kleine, ondiepe, vormloze plassen, met bergen vuil zand ernaast, of eromheen. Er loopt een vaart, waar een paar woonboten in bivakkeren, verscholen in het riet. Er staan een paar molens en boerderijen, wat huisjes, die niet echt verwaarloosd maar ook niet echt onderhouden zijn. Voor één ervan zit een man in een blauwe overall op zijn knieën naast een houten broeikas en trekt bokkig het onkruid tussen zijn groente uit. Een vlugge blik door het raam vertelt het verhaal van een zonderling, een eenzame vrijgezel in de scharrige woonkamer waarin zijn ouders hem jaren geleden hebben achtergelaten. Waar het nog altijd 1953 is. Maar misschien gaat mijn fantasie nu wel met mij op de loop.

Afbeelding

Het zijn hier huizen zonder tuinen. Zonder hekken, of tierelantijnen. Geen bomen langs het tuinpad van mijn vader. Geen opsmuk. De welstandscommissie is er waarschijnlijk ook nooit geweest, de bewoners lijken het allemaal zelf wel een beetje te regelen. Tot ieders tevredenheid. Een schoorsteenpijp steekt scheef en wankel, zwartgeblakerd uit een gevel. Een erf is bezaaid met pipowagens, boten en karren. Zelfverzonnen bouwsels. Verderop staat een verzameling ruïnes en verlaten bunkers. Het heeft alles van een vrijstaat. Het is van een heel andere, veel weerbarstiger schoonheid dan de bollenvelden van zojuist, maar zeker niet minder. En ook zeker niet minder Hollands.
Tot slot beklim ik de Hondsbossche Zeewering en loop op haar kruin in een kaarsrechte lijn terug richting Petten. Links de zee, rechts de polder. En er zit vandaag al zoveel zomer in de lucht dat de zee zelfs al even voor een aangenaam verkoelend briesje zorgt. In de verte schittert nog het rood van de tulpen.