Specht

IMG_7357

 

Vanochtend vroeg wandelde ik dan weer eens mijn vaste rondje om de dag mee te beginnen. Ik zeg vanochtend vroeg, maar dat klinkt eigenlijk wel erg opgewekt zonnegroeterig en zo was het nou ook weer niet. Het was niet bij het krieken van de dag in elk geval want daarvoor zit er alweer bijna teveel voorjaar in de lucht. Daarvoor moet je alweer bijna té vroeg je bed uit, voor het krieken van de dag. Het was vóór achten, okay? Dat is vroeg genoeg. En mijn vaste rondje was het ook niet helemaal want ik had er een stukje aan vastgeplakt. Maar verder wandelde ik vanochtend vroeg dus weer eens mijn vaste rondje. Om de dag mee te beginnen.
En ergens in dat stukje dat ik eraan had vastgeplakt hoorde ik dat typisch spechtengeluid, een roffelend trrr waar ik altijd erg blij van word, om één of andere reden. Al moet ik er bij toegeven dat ik te weinig een kenner ben om niet af en toe te twijfelen of ik nou een specht hoor, of hout dat door de wind langs elkaar beweegt. Ook omdat de bijbehorende specht zich maar zo zelden laat zien. Ook nu twijfelde ik in eerste instantie, het geluid klonk raar hard en had iets van een kunstmatige galm. Ik speurde vergeefs de bomen af, hoorde het geluid nog een paar keer en zag toen vlakbij de specht zitten. Gemakshalve schatte ik hem in als de grote bonte, de Dendrocopos Major, omdat dat geloof ik de meest algemene is, in deze contreien. Maar als gezegd, een kenner ben ik niet en ik weet niet precies hoe groot de grote en hoe klein de kleine is, laat staan dat ik op dat moment al wist dat er ook nog een middelste bestaat. En een witrugspecht bovendien. Enfin. Deze specht zat niet tegen een boom maar op het dakje van een lantaarnpaal. Speciaal voor mij gaf hij nog een roffel weg. Dat klonk lekker door, zo’n hardplastic dakje met een klankkast eronder.
Dus dan denk je: zo’n specht is niet achterlijk. Die weet heus wel dat er niets te halen valt in zo’n door mensenhanden geschapen plastic geval. Dat het ook geen handige nestplaats is, zo midden op straat. Dus als hij er dan toch zo enthousiast op zit te tikken, dan moet dat haast wel zijn omdat hij het zelf ook wel lekker vindt klinken, zo’n versterkte beat. Wel zo effectief. Hij zit daar natuurlijk zijn territorium af te bakenen, de lente hangt behoorlijk in de lucht tenslotte, en zo kunnen ze van verre al horen dat híj hier zit. Dat ze uit de buurt moeten blijven. En wie weet wat er nog aan vrouwtjes op af komt.
Ik kon het hem niet vragen, jammer genoeg, of ik gelijk had, want zodra hij mij in de gaten kreeg, ging hij er snel vandoor. Dus misschien is het onzin. Maar ik vind het wel leuk om te denken van niet.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Advertenties

Naar de bollen en Polder Q

Een dagtocht van het Zijper Landschap, gelopen op woensdag 16 april 2014

Al zolang ik hier woon neem ik mij voor nou eens op tijd te zijn voor de bollenvelden. Om nou ook eens te genieten van dien Hollandschen kleurenpragt, waar andere mensen met bussen tegelijk hun verre landen voor verlaten, om dat met eigen ogen te aanschouwen. Ik woon er middenin, bij wijze van spreken, en nog nooit is het er van gekomen. Ik denk er even aan als ik toevallig zie dat de bollen de grond weer ingaan, ergens in het najaar, nog eens als de eerste groene punten zich laten zien, en dan pas weer als het hele zooitje al weer lang en breed gekopt is. Te vroeg en te laat dus. En dat al jarenlang. Schande, eigenlijk.
Vandaar dat ik dit jaar extra alert ben. Al een tijdje ligt er een kaartje van Het Zijper Landschap op mijn bureau op een goed moment te wachten, dus toen de weerman van dienst deze week een zonnige woensdag afkondigde, moest en zou het er maar eens van komen, besloot ik.
Vanaf het Wildrijk, waar we trouwens wel ieder jaar strijk en zet naar het sprookje van de wilde hyacinten gaan kijken, loop ik de Belkmerweg af. Een lange, lange, rechte, rechte weg, zoals ze nu eenmaal zijn in de polder. Parallel aan de kust, maar nog paralleller aan het Noordhollandsch Kanaal, dat al net zo lang en recht is. Aan landschappelijk schoon of architectuur is nauwelijks moeite verspild. Het is hier wat het is: een stuk land achter de duinen waar we bollen verbouwen. De namen op de kaart zeggen ook al genoeg: Polder R, Polder Q, Polder L en Polder M. Schuren zijn groot, recht en van golfplaat. Functionele opschriften zijn in drie talen gesteld: Nederlands, Engels en Russisch. Huizen zijn sober, recht toe recht aan met een puntdak. De enkele statige boerderij die er wel staat, en het handjevol  oudhollandsche molens natuurlijk, wordt zo goed als overschaduwd door de lange rijen veel en veel hogere nieuwetijds windmolens.

Afbeelding

Het is dus maar goed dat er links en rechts bollenvelden liggen, met zonbeschenen kleur tot zover het oog reikt, anders was het wel echt alleen een lange, rechte weg geweest. De lucht is zoet en zwaar van de hyacinten. Narcissen tonen bijna transparant van de felle zon die ze aanlicht. De tulpen zorgen voor de felste kleuren: paars, geel, wit en oranje. De rode velden zijn mijn favoriet. Hier vloeien individuele tulpen samen tot één gloeiende, trillende kleur. Tot één levend, ademend rood waar je blik in wordt gezogen en verdwijnt. Een beetje zoals Barnett Newman het rood in zijn Who’s afraid of red, yellow and blue bedoeld zal hebben, stel ik mij voor.
Toch vind ik het ook niet erg dat het uitzicht bij Burgervlotbrug verandert en ik de bollenvelden weer een beetje achter mij laat. Het is blijkbaar net als met ijs, of chocolade: het is lekker, erg lekker zelfs, maar op een gegeven moment heb je genoeg. En Burgervlotbrug biedt meteen het juiste tegenwicht. Een troosteloos straatje schrale huisjes, bijeengeveegd op een overgeschoten strook tussen twee drukbereden provinciale wegen en langs het Noordhollandsch kanaal, waar juist op dit moment een soort cruiseschip passeert. Ook op bedevaart langs de bollen waarschijnlijk. Het schip steekt overal bovenuit en detoneert hevig bij zijn sobere omgeving.

Afbeelding

Richting Schoorl gaat het nu, over de Oude Schoorlse Zeedijk, om te beginnen. En Schoorl mag dan misschien de hoogste zandduinen van Nederland hebben, zoals ik laatst ergens las of hoorde, van dit lieve, kleine dijkje is het moeilijk voor te stellen dat het ooit serieus als bescherming tegen de zee bedoeld is geweest. Nu ligt er de Hondsbossche Zeewering, onverzettelijk in beton gegoten, maar vóór die tijd zal de zee zich er niet altijd iets van hebben aangetrokken, van de Schoorlse Zeedijk.  De aanblik van de Harger en Pettener Polder erachter doet zelfs een beetje vermoeden dat de woeste golven er niet eens zo héél lang geleden nog een tijdje flink vrij spel hebben gehad. Smalle asfaltweggetjes voeren bochtig door een aftands en afgekloven, moeilijk te duiden landschap. Het is geen natuur, het is geen agrarisch gebied, geen gebied in ontwikkeling.. het ís er alleen. Het bestaat, maar het lijkt vergeten. Polder X, was een goede naam geweest.
Hier en daar liggen wat kleine, ondiepe, vormloze plassen, met bergen vuil zand ernaast, of eromheen. Er loopt een vaart, waar een paar woonboten in bivakkeren, verscholen in het riet. Er staan een paar molens en boerderijen, wat huisjes, die niet echt verwaarloosd maar ook niet echt onderhouden zijn. Voor één ervan zit een man in een blauwe overall op zijn knieën naast een houten broeikas en trekt bokkig het onkruid tussen zijn groente uit. Een vlugge blik door het raam vertelt het verhaal van een zonderling, een eenzame vrijgezel in de scharrige woonkamer waarin zijn ouders hem jaren geleden hebben achtergelaten. Waar het nog altijd 1953 is. Maar misschien gaat mijn fantasie nu wel met mij op de loop.

Afbeelding

Het zijn hier huizen zonder tuinen. Zonder hekken, of tierelantijnen. Geen bomen langs het tuinpad van mijn vader. Geen opsmuk. De welstandscommissie is er waarschijnlijk ook nooit geweest, de bewoners lijken het allemaal zelf wel een beetje te regelen. Tot ieders tevredenheid. Een schoorsteenpijp steekt scheef en wankel, zwartgeblakerd uit een gevel. Een erf is bezaaid met pipowagens, boten en karren. Zelfverzonnen bouwsels. Verderop staat een verzameling ruïnes en verlaten bunkers. Het heeft alles van een vrijstaat. Het is van een heel andere, veel weerbarstiger schoonheid dan de bollenvelden van zojuist, maar zeker niet minder. En ook zeker niet minder Hollands.
Tot slot beklim ik de Hondsbossche Zeewering en loop op haar kruin in een kaarsrechte lijn terug richting Petten. Links de zee, rechts de polder. En er zit vandaag al zoveel zomer in de lucht dat de zee zelfs al even voor een aangenaam verkoelend briesje zorgt. In de verte schittert nog het rood van de tulpen.