Haags bier in Oudesluis

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Petten naar Oudesluis, gelopen op zondag 5 oktober 2014

Aan het begin van de wandeling gunnen we ons eigenlijk de tijd niet om heel even te kijken hoe het inmiddels opschiet, met het nieuwe land. Voor de Hondsbossche Zeewering immers, wordt deze dagen ruim tweehonderd meter blanke top der duinen en strand aan het vaderland toegevoegd. Bij de vorige etappe stonden we daar al met ontzag naar te kijken, naar de vanzelfsprekendheid van het gebeuren, en de voortvarendheid waarmee te werk wordt gegaan. Met hoeveel schijnbaar gemak er ook inderdaad een heel nieuw stuk land uit de zee opwelt, dat er dan meteen ook maar bij ligt of het altijd zo geweest is. En evengoed trekt het ook vandaag, het spektakel. Er wordt tenslotte geschiedenis geschreven, hier en nu, vaderlandse geschiedenis nog wel. We besluiten daarom aan het eind van de dag, wanneer we de auto op komen halen, nog even poolshoogte te nemen. Met een beetje geluk zien we dan ook meteen de zeehonden, die onlangs hun onverwachte intrek schijnen te hebben genomen, aan de nieuwe kustlijn. Nu slaan we, als we de dijk bij Petten beklimmen, om te beginnen rechtsaf, en voor ons ligt dan nog het stuk Hondsbossche Zeewering zoals die eens bedoeld was. In zijn eentje tegen de zee. Misschien is het wel voor het laatst dat we hem zo zien. Een piepklein historisch moment.

zeehonden

Richting St Maartenszee lopen we de Pettemer duinen in. Zanderige heuvels, grillig voorzien hier en daar van donkere samenscholingen van dennen, eensgezind kromgetrokken, weggedoken haast, in gesloten formaties, zo onopvallend mogelijk meeglooiend met het landschap en huiverend bescherming zoekend bij elkaar. Tegen weer en wind allicht, maar misschien ook wel tegen iets anders. Ze geven de duinen bij Petten iets geheimzinnigs in elk geval, met net boven de horizon ook nog de glanzende koepel en de schoorsteen van de kerncentrale. En wat doet dat vreemde blauw-witte en geblindeerde torentje daar eigenlijk? Met dat trappetje naar boven, die antenne en dat rode zwaailicht op het dak? En wat loopt daar voor griezelig gitzwart monster over het pad? Wat staat daar met zijn staart dreigend omhoog, in de aanvalshouding? Het lijkt wel een schorpioen, als je het ons vraagt. Nou goed, wel een heel kleintje dan, met zijn hooguit tweeëneenhalve centimeter. Toch houden we onze vingers voor de zekerheid zoveel mogelijk thuis als we het beest leuk boos proberen te krijgen, voor de foto. Niet helemaal ten onrechte blijkt later op internet, al is het niet de intimiderende staart waar we voor op hadden hoeven passen. Hij bijt gewoon van voren en nog onaardig bovendien, naar verluidt. Een schorpioen is het ook niet trouwens. We maken kennis met de stinkende kortschildkever. Die zijn naam dankt aan zijn blijkbaar korte dekschilden, en de niet lekker ruikende vloeistof die hij afscheidt wanneer hij zich bedreigd voelt. Nog bedreigder dan door ons.

stinkende kortschildkever

Bij St Maartenszee draaien we het strand op en dat komt mooi uit, want daar hebben we vandaag allebei net zin in en het weer is er prima geschikt voor, hoewel dat bij het strand voor iedere weersoort geldt natuurlijk. Op het terras van de laatste strandtent van het seizoen is de voertaal Duits, de buren vieren de Dag van de Eenheid en dat doen ze blijkbaar het liefst in het buitenland, we zullen ze meer tegenkomen vandaag. Alleen aan het tafeltje achter ons wordt algemeen beschaafd Hollands gebezigd. Je moet niet zo zeuren, snauwt een keurige grijzende man zijn keurige grijzende vrouw af. Op bekakte toon, dat wel. Jij zit altijd zo te zéuren, komt er nog bestraffend achteraan. Waarna de echtelijke conversatie zonder overgang weer gemoedelijk langs ditjes en datjes door meandert. Zo kan het dus ook.
Op het strand wordt ondertussen een ingewikkeld ogend spel gespeeld. Er komen allerlei verschillende houtjes en blokjes aan te pas waarmee gegooid moet worden naar weer andere stokken, die juist in het zand gestoken staan, maar die waarschijnlijk om moeten vallen. We doen ons best, vanachter onze koffie, maar voor we erachter zijn hoe het werkt, is het spel afgelopen.
Langs onze goede vriend de zee lopen we naar Callantsoog. De hemel staat er strakblauw boven en heeft pittoreske witte wolkjes aangetrokken om er nog mooier uit te zien. Van ons beider geboortestad Den Haag is dat wat we alletwee nog wel eens missen: de zee op tien minuten afstand. Wel is het een geruststellende gedachte dat ze altijd op ons blijft wachten, omdat wij altijd terug zullen blijven komen.
Even buiten Callantsoog, we lopen weer landinwaarts inmiddels en zijn het spoor even bijster, treffen we een scharrig, uitgemergeld katje dat zonder al te veel hoop wat om ons heen draait. Het beest lijkt bij een halfslachtig in het bos weggestopte caravan te horen, die er al net zo scharrig en uitgemergeld uitziet. Misschien nog wel erger. De burgerplicht gebiedt ons nu misschien daar eens poolshoogte te nemen, maar daar voelen we toch weinig voor. Het is bepaald geen verlaten bospaadje en we zijn in Callantsoog, dus we doen als de Callantsogers, besluiten wij. Ons latente schuldgevoel kopen we af met een boterham met worst, waar het dier zich uitgehongerd op stort, terwijl wij ons, fraai is het niet, uit de voeten maken.
Richting ’t Zand lopen we over de Zijperdijk, met uitzicht over de Zijpepolder, één van de oudste polders van ons land. In elk geval was het in 1597 de grootste polder die in één keer bedijkt werd, een succesverhaal dat indertijd de weg vrijmaakte voor misschien bekendere polders als de Schermer en de Beemster. Nu we er zo doorheen lopen is het maar moeilijk meer voor te stellen hoe de zee hier ooit de baas was. Links en rechts is het grasland wat we zien. En bollenland, bedekt met grijzig zand, stro of ondergelopen met water. Het is typisch Noordhollands landschap, denken wij. Rechttoe rechtaan, functioneel, sober.  Mooi, ook.

HK Petten Oudesluis 201

In ’t Zand steken we via de vlotbrug het Noordhollands kanaal over om even verderop weer met de Zijperdijk  Oudesluis binnen te lopen. Oudesluis, de eerste sluis in het destijds nieuwe gebied, vandaar de naam. Eens lagen hier schepen van de roemruchte VOC, om via het Marsdiep naar de rest van de wereld te varen. Tot nieuwere polders de weg naar de zee versperden. Nu ligt er nog een pittoresk maar piepklein sluisje, en een groene dijk middenin het groene land.
In café De Oude Herberg is volgens het bordje op de deur alleen toegang voor 50+, een criterium waar wij ruim aan kunnen voldoen, dus vol vertrouwen stappen wij binnen. Onze bestelling, twee maltbier (wij zijn 50+ en moeten nog rijden), stelt de barvrouw echter voor een probleem, want met al die verschillende soorten bier tegenwoordig heeft ze maar zeer beperkt ruimte in de koelkast, en nu Arie zo vreselijk ziek is geweest drinkt die ook alleen nog maar malt, dus ja, dan gaat het hard, en nu heeft ze nog maar één maltbiertje in huis. En hoewel wij het serieus als grap hadden bedoeld, kregen wij zonder morren één maltbier met twee glaasjes. Veel Haagser hadden we het niet kunnen wensen.

Advertenties

Van een weerbarstige, onaangeharkte schoonheid

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Bergen aan Zee naar Petten, via Camperduin, gelopen op dinsdag 9 september 2014

Een saaie wandeling, wordt ons in het vooruitzicht gesteld, aan de koffietafel in Bergen. Heel saai. En het is een inwoner van het deftige dorp zelf, die de route van vandaag eens hoofdschuddend bekijkt, in ons boekje, dus hij kan het weten. Het gaat alleen maar door het bos, stelt hij vast, en wijst ons hoe het óók zou kunnen. Hoe het beter zou zijn, volgens hem. Hoewel we geen redenen hebben zijn gelijk te betwijfelen natuurlijk, besluiten we toch, in eensgezinde eigenwijsheid, de route te lopen zoals die nou eenmaal staat aangeduid. Tja. En spijt hoeven we daar niet van te krijgen want saai wil het vandaag zeker niet worden. Dat kan trouwens ook helemaal niet, een saaie wandeling. Dan moet het wel heel vreemd lopen, wil een wandeling saai worden.
Alleen al de bonte verzameling paddestoelen die we onderweg tegenkomen, maakt het een bijzondere tocht. We zien ze in grote hoeveelheden, de zwammen en de boleten,  in alle soorten en maten en kleuren van de regenboog. Van lichtgrijs, een zweempje groen, zachtgeel en een zeer subtiel lila, tot knalrood, voetbal-oranje en pimpelpaars. Plus natuurlijk nog alle beschikbare schakeringen beige, omber en oker en bruin, tot en met zwart aan toe. Lyrisch over zoveel mysterieuze schoonheid knielen we telkens weer eerbiedig neer, in de berm, om er zoveel mogelijk van op de foto te krijgen, om elkaar heen manoeuvrerend proberend elkaars camera buiten beeld te houden. Tot we moeten inzien dat het een onmogelijke opgave is. Dat, als we in dit tempo doorgaan, we niet heel ver zullen komen vandaag, en zeker niet in Petten, waar de auto staat.


Bergen aan Zee laten we volgens het boekje een beetje links liggen en we duiken bij het Zeehuis rechtsaf de duinen in. Door het bos inderdaad. Maar al snel ook langs stukken heide, in bloei nog hier en daar, en schitterend paars afstekend tegen de sombere lucht. Hetzelfde doet het pijpestrootje, maar dan in het geel uiteraard. We lopen over golvend terrein, in karresporen van zand, slingerend langs watertjes en duinvalleitjes, heksenbosjes van kronkelend eikenhout. En al is het loof nog groen, het heeft onmiskenbaar ook al een vleugje herfst te verbergen. Grijsgroene cirkels IJslands mos doen ons zelfs al aan de kerst vooruitdenken, zij het tegen wil en dank. Het mos zelf heeft daar nog geen last van, in volle glorie puilt het onaangedaan de bosrand uit. Naaldbossen. Kaarsrechte stammen, zilvergrijs, strak in het gelid op een glooiend tapijt van gouden naalden met een speels dessin van zwarte dennenappels in een onregelmatig patroon.

HK bergen petten 125

Richting Schoorl stuiten we op spiritueel centrum Heel en Al. Een geestig bedoelde naam, zo lijkt het, waarschijnlijk ten onrechte. Het is een wat ongezellig aandoende verzameling lage, witgeverfde bakstenen gebouwtjes, met de rug naar de wereld, als een schildpad weggedoken in een duinpan, in zichzelf gekeerd, de hekken op slot. Op ons maakt het eerder een benauwde dan een spirituele indruk. Maar goed, wij hebben er geen verstand van.
Verderop beklimmen we wat volgens een trots bordje het hoogste duin van Nederland is. Vijfenvijftig-en-een-halve meter. Nou ja, hooggebergte is het niet natuurlijk, een vlag hoeven we niet te planten, maar eerlijk is eerlijk, het uitzicht mag er wezen. Links zien we de zee naar ons knipogen, heel in de verte, rechts glooit een zwart naaldbos om haar eigen open plekken heen in een vergezicht dat in de Eiffel zeker ook niet zou misstaan. Maar, hier ligt Schoorl aan de voet verscholen.

HK bergen petten 153

Richting Groet ontmoeten we de Roetroute. Hier woedde in 2009 een grote brand, waarvan wordt aangenomen dat die werd aangestoken, al weet nog altijd niemand door wie. Laat staan waarom. Pas na dagen blussen was het vuur gedoofd, in de tussentijd werden honderden mensen geëvacueerd en uiteindelijk ging zo’n 150 hectare bos, duin en heide verloren. De Roetroute loopt om en door dit aangetaste gebied, om te laten zien uiteraard wat een brand kan aanrichten. En ons tot voorzichtigheid te manen. Kent u ze nog, de drie O’s? Vijf jaar later is het nu, en nog altijd biedt het terrein een mistroostige aanblik. Kale, geblakerde stammen, staketsels van bomen steken doods en naargeestig af tegen de lucht. Je lijkt de natte as nog te ruiken. Toch hééft het ook iets, vinden wij. Het zal wel oneerbiedig zijn, dus we vinden het stilletjes, maar het is ook móói, op één of andere manier. De romantiek van de verwoesting. De schoonheid van de dood. Zoiets. Een illustratie bovendien van de kracht van de natuur, want tussen al die romantische verwoesting steekt, onstuitbaar, nieuw leven de kop op. Allerlei grassen en struikjes en berkjes, bijvoorbeeld, en ander loof. Al zal het meeste daarvan misschien wel aangeplant zijn. Staatsbosbeheer, zo blijkt, is nou ook weer niet zó verdrietig over het verlies van al die naaldbomen. Gek genoeg blijkt de brand precies te passen in het streven naar meer diversiteit in het gebied, meer loofboom, en meer stuifduin. Als het geen cliché was, zou je kunnen zeggen: een geluk bij een ongeluk.

kustopkracht 007

Groet heeft een sympathiek, wit kerkje dat hoog op een terp temidden van een dorpspleintje schattig staat te wezen. Het torentje zagen we al ver van tevoren boven de bosrand uitsteken, met veel verder op de achtergrond de molen in de Harger en Pettemerpolder. Want na Groet is alles plat. Bij Groet houden de hoogste duinen van Nederland op, om pas na Petten een stuk lager weer te beginnen. Daartussenin ligt de Hondsbossche Zeewering, een monument van de eeuwige Hollandse strijd tegen het water, wie heeft hem niet gehad, met aardrijkskunde, op school? Of anders wel in een dictee. Mooi van lelijkheid. Een kilometerslange streep van fantasieloos asfalt en pokdalig beton. Als je er in het midden overheen klimt, verdwijnt hij links en rechts in zijn eigen verdwijnpunten. Van horizon tot horizon ben je dan afgesloten van al het andere, je bent er alleen met de zee. Tenminste, zo was het voorheen. De strijd tegen het water is hier inmiddels een nieuwe fase ingegaan. De 140 jaar oude dijk is als zwakke schakel in de kustverdediging aangemerkt en krijgt versterking van miljoenen kubieke meter zand. Over de hele lengte wordt een heel nieuw stuk Nederland gemaakt, door de Nederlanders, zoals de mythe voorschrijft. 250 meter de zee in. Het is een indrukwekkend schouwspel, dat wel. Pronte boten varen af en aan met zand, dat ergens ver uit zicht van de zeebodem wordt opgezogen. Roestige pijpleidingen doorsnijden het nieuwe land en braken onafgebroken gore stromen zand uit in de zee, tot het ook land is. Ronkend en brullend werpen shovels en graafmachines er links en rechts enorme bergen van op. De dijk ligt er beteuterd bij. Onderaan het nieuwe duin sijpelt het laatste restje zee eruit, in een hulpeloos stroompje terug naar huis.

HK bergen petten 207

Langs de Hargervaart steken we de Harger en Pettemerpolder over, richting Petten. Een soort vrijstaatje, lijkt het te zijn, waar eigen regels en wetten gelden. Langs de kant liggen boten in zeer verschillende staten van onderhoud, aangevuld soms met zelfverzonnen bouwsels en buitenissige constructies met wastafels, badkamerspiegels en douchekoppen waarvan het toch nauwelijks te geloven is dat die inderdaad als sanitaire voorziening bedoeld zijn, zo in de open lucht. Het past echter naadloos in het beeld dat we verder van deze polder krijgen: een tikkeltje onaangepast. Ongeschaafd en eigenwijs. Van een weerbarstige, hoekige en onaangeharkte schoonheid. Die er straks, naarmate het kustprojekt vordert en het gebied, zo lezen wij op internet, “economische en toeristische impulsen” moet krijgen, waarschijnlijk toch aan zal moeten geloven. De eerste keurig nette beschoeiingen worden tenminste de grond al ingeramd.

Een staaltje Hollands Glorie

Een wandeling op, over en achter de Hondsbossche Zeewering, gelopen op dinsdag 12 augustus 2014

Camperduin is deze dagen wel een héél goede plek om, na een vakantie aan Bretonse kliffen en stranden, weer thuis te komen aan Hollandse kust. Hollandser dan het hier nu is, zal het namelijk niet snel worden. Hier, aan de voet van de Hondsbossche Zeewering, op zichzelf al een oerHollandsch fenomeen natuurlijk, met ook nog die fijne dicteefähige spelling, wordt nog maar eens eventjes onderstreept dat God dan misschien de wereld schiep, maar dat Holland toch echt gemaakt werd door de Hollanders, zoals het zelfverzonnen en in het Engels de wereld rondgebazuinde spreekwoord luidt, want bescheidenheid maakt nou eenmaal geen deel uit van de Hollandse Cultuur. Hier, achter de wegkijkende blik van de bronzen jutter op de miniboulevard, is inmiddels een begin gemaakt met de aanleg van een spiksplinternieuw stukje Nederland. Tussen Camperduin en Petten wordt, langs de hele zeedijk van vijf en een halve kilometer, een nieuwe strook duinen en strand opgespoten, die meer dan tweehonderd meter de zee insteekt. Die goeie ouwe Hondsbossche Zeewering is na honderdveertig jaar trouwe dienst opeens als zwakke schakel aangemerkt, door de boven ons gestelden, en op deze manier brengt men de kust hier naar verluidt weer op kracht.

wandeling petten kris 004

Direct als we ergens halverwege de dijk hebben beklommen, zien we de eerste verandering. Op een meter of vijftig, zestig uit de kust is van links naar rechts een nieuwe, tweede branding ontstaan, om de zee maar ook de vele bezoekers vast wat te laten wennen. Aan het eind van de dijk, aan de horizon in dit platte land, bij Camperduin dus, is de eerste uitstulping in zee al duidelijk te zien. Het is een bijzonder schouwspel, dat moet gezegd. Hier wordt iets groots verricht, die sfeer. Pronte schepen varen af en aan om ergens ver uit het zicht het benodigde zand van de zeebodem te halen en hier weer af te leveren. Op het nieuwe land rijden shovels, graafmachines en kiepauto’s bedrijvig heen en weer. Honderden meters roestige buis doorkruisen het groffe zandlandschap, in forse stapels ligt er nog veel meer te wachten op wat ongetwijfeld komen gaat. Mannen in oranje jassen met gele helmen op nemen het werk van enige afstand in kalme ogenschouw. Ze lijken de zaak volledig onder controle te hebben. De gewoonste zaak van de wereld, even een stukje zee dempen. Onder aan het nieuwe duin rijdt een tractor met een tankje op sleeptouw, waaruit een grijzige, natte smurrie op het zand wordt gespoten. Om het stuiven tegen te gaan, concluderen wij. Later lezen we dat dit papierpulp is, en geen rivierzand, wat we zelf hadden bedacht. De oude pokdalige dijk ligt er wat beduusd bij.

wandeling petten kris 029

Er staat een straffe wind. Man! Ver voorovergebogen worstelen we ons er tegenin, we kunnen elkaars kreten van verwondering maar nauwelijks verstaan. Ook de mannen in oranje jassen moeten in elkaars oren roepen hoe lekker het allemaal gaat. Het zand dat van het werk geblazen wordt, striemt ons in het gezicht en tegen de blote armen en benen. Pijnlijk. Maar het geeft het tafereel van de eeuwige Hollandse strijd tegen het water wel een extra heroïsch tintje, dat wel.
Overigens zou Holland Holland niet zijn wanneer er niet ook de nodige tegengeluiden te horen waren, ontdekken we later op internet. Lang niet iedereen is overtuigd van de noodzaak van dit peperdure projekt, blijkt op Twitter, en in fora. Het grondwater achter de dijk, vrezen sommigen, zal straks waarschijnlijk zo de kelders inlopen, met die miljoenen kilo’s extra zand voor de deur, zoals dat bij Katwijk ook gebeurde. De natuur krijgt het zwaar te verduren, denken anderen. De strekdammen, nu nog voedselbank voor talloze vogels, verdwijnen onder het zand. Het brakke gebied achter de dijk, uniek leefgebied voor allerlei vogels en planten, zal minder bereikbaar zijn voor kwelwater en dus minder brak worden, met alle gevolgen van dien. Die gele rook die de zandschepen dag en nacht uitbraken, foetert een derde, tarten iedere wetgeving op het gebied van uitstoot voor bijvoorbeeld personenauto’s.
Tja. Wij weten het natuurlijk ook niet. Maar nu we het allemaal zo lezen, vinden we het zelf bijvoorbeeld nogal zorgwekkend dat in het kielzog van dit zogenoemde kustopkrachtprojekt gerept wordt van ´kansen om de mogelijkheden voor recreatie, toerisme, natuur en economie in het gebied te vergroten´. Kijk, daar wordt het over het algemeen niet beter van, naar onze bescheiden mening. Uitzichtpunten en verbeterde strandopgangen. Jaja. Parkeerterreinen, patatkramen en pannenkoekenboerderettes. Brrr.
Ook in de Harger en Pettemerpolder, waar de wandeling na Camperduin verder gaat, zijn nieuwe voorzieningen voor recreanten gedacht. Extra wandel- en fietspaden. Voor ons hoeft het niet, eerlijk gezegd. Het is hier goed zoals het is. Kijk dan: weids, leeg, ongepolijst. Zonder opsmuk. Ongemoeid. En heel erg Hollands. Of het altijd zo geweest is.

wandeling petten kris 060

Naar de bollen en Polder Q

Een dagtocht van het Zijper Landschap, gelopen op woensdag 16 april 2014

Al zolang ik hier woon neem ik mij voor nou eens op tijd te zijn voor de bollenvelden. Om nou ook eens te genieten van dien Hollandschen kleurenpragt, waar andere mensen met bussen tegelijk hun verre landen voor verlaten, om dat met eigen ogen te aanschouwen. Ik woon er middenin, bij wijze van spreken, en nog nooit is het er van gekomen. Ik denk er even aan als ik toevallig zie dat de bollen de grond weer ingaan, ergens in het najaar, nog eens als de eerste groene punten zich laten zien, en dan pas weer als het hele zooitje al weer lang en breed gekopt is. Te vroeg en te laat dus. En dat al jarenlang. Schande, eigenlijk.
Vandaar dat ik dit jaar extra alert ben. Al een tijdje ligt er een kaartje van Het Zijper Landschap op mijn bureau op een goed moment te wachten, dus toen de weerman van dienst deze week een zonnige woensdag afkondigde, moest en zou het er maar eens van komen, besloot ik.
Vanaf het Wildrijk, waar we trouwens wel ieder jaar strijk en zet naar het sprookje van de wilde hyacinten gaan kijken, loop ik de Belkmerweg af. Een lange, lange, rechte, rechte weg, zoals ze nu eenmaal zijn in de polder. Parallel aan de kust, maar nog paralleller aan het Noordhollandsch Kanaal, dat al net zo lang en recht is. Aan landschappelijk schoon of architectuur is nauwelijks moeite verspild. Het is hier wat het is: een stuk land achter de duinen waar we bollen verbouwen. De namen op de kaart zeggen ook al genoeg: Polder R, Polder Q, Polder L en Polder M. Schuren zijn groot, recht en van golfplaat. Functionele opschriften zijn in drie talen gesteld: Nederlands, Engels en Russisch. Huizen zijn sober, recht toe recht aan met een puntdak. De enkele statige boerderij die er wel staat, en het handjevol  oudhollandsche molens natuurlijk, wordt zo goed als overschaduwd door de lange rijen veel en veel hogere nieuwetijds windmolens.

Afbeelding

Het is dus maar goed dat er links en rechts bollenvelden liggen, met zonbeschenen kleur tot zover het oog reikt, anders was het wel echt alleen een lange, rechte weg geweest. De lucht is zoet en zwaar van de hyacinten. Narcissen tonen bijna transparant van de felle zon die ze aanlicht. De tulpen zorgen voor de felste kleuren: paars, geel, wit en oranje. De rode velden zijn mijn favoriet. Hier vloeien individuele tulpen samen tot één gloeiende, trillende kleur. Tot één levend, ademend rood waar je blik in wordt gezogen en verdwijnt. Een beetje zoals Barnett Newman het rood in zijn Who’s afraid of red, yellow and blue bedoeld zal hebben, stel ik mij voor.
Toch vind ik het ook niet erg dat het uitzicht bij Burgervlotbrug verandert en ik de bollenvelden weer een beetje achter mij laat. Het is blijkbaar net als met ijs, of chocolade: het is lekker, erg lekker zelfs, maar op een gegeven moment heb je genoeg. En Burgervlotbrug biedt meteen het juiste tegenwicht. Een troosteloos straatje schrale huisjes, bijeengeveegd op een overgeschoten strook tussen twee drukbereden provinciale wegen en langs het Noordhollandsch kanaal, waar juist op dit moment een soort cruiseschip passeert. Ook op bedevaart langs de bollen waarschijnlijk. Het schip steekt overal bovenuit en detoneert hevig bij zijn sobere omgeving.

Afbeelding

Richting Schoorl gaat het nu, over de Oude Schoorlse Zeedijk, om te beginnen. En Schoorl mag dan misschien de hoogste zandduinen van Nederland hebben, zoals ik laatst ergens las of hoorde, van dit lieve, kleine dijkje is het moeilijk voor te stellen dat het ooit serieus als bescherming tegen de zee bedoeld is geweest. Nu ligt er de Hondsbossche Zeewering, onverzettelijk in beton gegoten, maar vóór die tijd zal de zee zich er niet altijd iets van hebben aangetrokken, van de Schoorlse Zeedijk.  De aanblik van de Harger en Pettener Polder erachter doet zelfs een beetje vermoeden dat de woeste golven er niet eens zo héél lang geleden nog een tijdje flink vrij spel hebben gehad. Smalle asfaltweggetjes voeren bochtig door een aftands en afgekloven, moeilijk te duiden landschap. Het is geen natuur, het is geen agrarisch gebied, geen gebied in ontwikkeling.. het ís er alleen. Het bestaat, maar het lijkt vergeten. Polder X, was een goede naam geweest.
Hier en daar liggen wat kleine, ondiepe, vormloze plassen, met bergen vuil zand ernaast, of eromheen. Er loopt een vaart, waar een paar woonboten in bivakkeren, verscholen in het riet. Er staan een paar molens en boerderijen, wat huisjes, die niet echt verwaarloosd maar ook niet echt onderhouden zijn. Voor één ervan zit een man in een blauwe overall op zijn knieën naast een houten broeikas en trekt bokkig het onkruid tussen zijn groente uit. Een vlugge blik door het raam vertelt het verhaal van een zonderling, een eenzame vrijgezel in de scharrige woonkamer waarin zijn ouders hem jaren geleden hebben achtergelaten. Waar het nog altijd 1953 is. Maar misschien gaat mijn fantasie nu wel met mij op de loop.

Afbeelding

Het zijn hier huizen zonder tuinen. Zonder hekken, of tierelantijnen. Geen bomen langs het tuinpad van mijn vader. Geen opsmuk. De welstandscommissie is er waarschijnlijk ook nooit geweest, de bewoners lijken het allemaal zelf wel een beetje te regelen. Tot ieders tevredenheid. Een schoorsteenpijp steekt scheef en wankel, zwartgeblakerd uit een gevel. Een erf is bezaaid met pipowagens, boten en karren. Zelfverzonnen bouwsels. Verderop staat een verzameling ruïnes en verlaten bunkers. Het heeft alles van een vrijstaat. Het is van een heel andere, veel weerbarstiger schoonheid dan de bollenvelden van zojuist, maar zeker niet minder. En ook zeker niet minder Hollands.
Tot slot beklim ik de Hondsbossche Zeewering en loop op haar kruin in een kaarsrechte lijn terug richting Petten. Links de zee, rechts de polder. En er zit vandaag al zoveel zomer in de lucht dat de zee zelfs al even voor een aangenaam verkoelend briesje zorgt. In de verte schittert nog het rood van de tulpen.