Het rijke Groningse verleden

header uithuizen

Van Uithuizen naar Tjamsweer, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zondag 8 oktober 2017

Er zijn slechtere plekken om je wandeling te beginnen. Tjongejonge zeg.. Vanaf de Menkemaborg in Uithuizen wandel je wel even op stand. Langs een kaarsrechte oprijlaan, beschaduwd van dubbele rijen rechthoekig geschoren bomen, betreden we de statige luister van het rijke Groningse verleden. Omsloten door een ferme slotgracht ligt daar, gelijk een kasteel, met twee speelse torentjes ook nog, de Menkemaborg, naar de gelijknamige familie die hier sinds naar schatting 1500 heeft geresideerd. De toegang tot de brug naar het woonhuis wordt op klassieke wijze bewaakt door twee stenen leeuwen. Het zijn leeuwen zoals je ze tegenwoordig wel in trieste rotten van vijf in het tuincentrum ziet staan, zoals je ze tegenwoordig wel op muurtjes van de carport gemetseld ziet, in lelijke nieuwbouwwijken, ter verfraaiing van onderhoudsvrije voortuintjes. De leeuwen die hier, fris in de verf maar wel zwaar loensend op de gang van zaken toezien, zijn van betere komaf, voor zover wij hebben kunnen nagaan. Dat laat zich aan hun gouden nagels en aan hun gekleurde wapenschilden ook al vermoeden trouwens. Terzijde van de slotbrug alhier staan ze pas sinds 1921, het jaar waarin de Menkemaborg aan het Groninger Museum verviel na de dood van zijn laatste bewoner, de kinderloze vrijgezel Gerard Alberda van Menkema, in 1902. Daarvóór hebben ze dienst gedaan bij de borg Dijksterhuis in Pieterburen, die eigendom was van dezelfde Gerard Alberda van Menkema en in 1903, na dus diens dood, werd afgebroken, maar al in de familie Alberda was sinds 1706. Nóg eerder behoorden de leeuwen bij de Thedemaborg in Bedum, die waarschijnlijk begin 17e eeuw werd gebouwd. Aansluitend wordt 1600 inderdaad ook genoemd als geboortejaar van de leeuwen. Wanneer ze dan van Bedum naar Pieterburen zijn verhuisd, vermeldt de geschiedenis niet, maar wel dat in 1774 na een sterfgeval een groot deel van de boedel van de Thedemaborg werd verkocht, dus allicht ook de twee leeuwen, die ons nu vervaarlijk grijnzend nastaren wanneer we, na de koffie in het skathoes, aan de tocht richting Tjamsweer beginnen.

DSC00857

Na deze luisterrijke start lopen we verder over boerenwegen, met klei besmeurd zo hier en daar. Op de akkers rondom ligt de uienoogst in lange rijen op nadere instructies te wachten. Rechts zien we een stalgebouw in de stutten staan, we mogen aannemen vanwege de bodemverzakking, een aanblik die cynisch genoeg vertrouwd begint te worden. Links van ons steekt de kerktoren van Uithuizermeeden tussen de bomen uit, een opvallend exotische verschijning, met zijn hemelsblauwe koepeltjes en zijn opengewerkte witte verdiepingen, verlopend van vierkant, via achthoekig naar rond. Het heeft iets luchtigs, iets frivools, iets dat je hier niet zou verwachten, om één of andere reden. Net zo min als het gegeven dat hij er toch al van begin 18e eeuw staat, ter vervanging van de in 1734 ingestorte losstaande toren. Bijzonder. Het is het ontwerp van een in die tijd veelgevraagd Gronings schrijnwerker, van wie ook werk in het interieur is terug te vinden, aldus wikipedia. Het is eigenlijk jammer dat je op zo’n wandeldag ook vaak gebonden bent aan de route en de afstand die je wilde lopen, de plek waar de auto staat te wachten, en je niet altijd toe kunt geven aan de impuls om voor zo’n bijzonder kerkje als dit een omweg te maken en wat tijd uit te trekken. We genieten daarom maar van wat we wel uitgebreid kunnen bekijken, en houden de rest in ons achterhoofd. Er komt altijd een tweede kans.

DSC00900

Het kerkje van Oldenzijl voldoet wel geheel en al aan ons klassiek Gronings verwachtingspatroon. Een klein Romaans bakstenen gebouw met kleine vensters, een bescheiden dakruiter, gelegen op een wierde temidden van een oud kerkhof. Of.. nou.. oud.. later lezen we dat het kerkhof in de vijftiger jaren flink is afgegraven omdat het, door het gebruik zullen we maar zeggen, hoger was komen te liggen dan de kerkvloer, wat voor vochtproblemen zorgde. Hmm.. er zijn misschien ook dingen die je niet per se hoeft te weten. Goed.. De halfronde apsis aan de achterkant is verrijkt met siermetselwerk dat als typisch middeleeuws wordt aangemerkt. Let wel, wij citeren slechts de kenners op internet.. dat u niet denkt dat wij al deze kennis met ons meezeulen de hele dag. Een ander interessant detail is de hagioscoop, een klein, fraai vormgegeven venster dat op ooghoogte is aangebracht. Nu zit er glas in, maar in vroeger tijden was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te kunnen volgen. Mensen die de kerk niet in wilden, zoals kluizenaars, of niet in mochten, zoals misdadigers, overspeligen en lepralijders, konden zo toch gesticht worden en hopen op verlossing, blijkbaar.

DSC00883

Binnen treffen we een eenvoudig maar beeldschoon interieur. Witgepleisterde wanden, een gewelfje achterin, een blauwgeschilderd houten plafond, trapvormige vensterbanken, verweerde kapiteeltjes en gevelstenen, een houten kansel en een rijkversierde herenbank waarin de kapitaalkrachtige christen zich liet stichten en verlossen. Eén van de familiewapens laat weten dat deze bank mede bestemd was voor de familie Alberda, waarvan dus ook een telg in de Menkemaborg resideerde. Niet alleen de wereld, ook Groningen is klein.
We wandelen langs vette akkers van klei, in glimmende voren geploegd. We komen langs de Diek’n en door ’t Zandt, via een indrukwekkende tunnel van bomen passeren we de voorname Alberdaheerd, met een 19e eeuws theehuis op palen in de tuin en versgeschoren alpaca’s op het erf, we jagen een enorme wolk spreeuwen de lucht in, en belanden dan in een gebied waar de Groningse actualiteit een gezicht krijgt. Aangekondigd door een metershoge affakkeltoren ligt daar, achter hekken, een aardgaslocatie van de NAM. Het onderscheidt zich feitelijk niet van ieder ander industrieterrein waar we langs zijn gelopen: golfplaat, camerabewaking, verzamelpunt, kilometers pijpleiding, grindbeton, prikkeldraad, stelconplaten.. Maar waar we er elders nog wel eens de robuuste romantiek van in konden zien, de schoonheid van de lelijkheid, de esthetiek van de pure functionaliteit, krijgt het hier, door het verhaal erachter, door wat we ervan weten, door wat we ervan hebben gehoord en gezien onderweg, eerder iets grimmigs. Iets beladens.

DSC00976

Met een welhaast symbolische bocht lopen we om de locatie heen en laten de zaak weer achter ons. Wat kunnen we anders. Voor Groningen is het dagelijkse kost, dat beseffen we ook. Het is cynisch, bedenken we, terwijl we het laatste stuk naar Tjamsweer lopen, dat de vruchtbare bodem die Groningen zijn rijke verleden heeft gebracht, het rijke Groningse verleden dat wij om ons heen zien, de herenboerderijen, de kerken en de borgen, de landgoederen, dat diezelfde bodem de rijkdommen herbergt die de toekomst nu in zo’n korte tijd onzeker heeft gemaakt.

Advertenties

Kerkepad, hoogholtje, poffert, borg en hoeske

cropped-20171213-nk-baflo-e1513182175224.jpg

Van Baflo naar Uithuizen, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 21 juli 2017

Als we aan het eind van de middag in Uithuizen bij de Menkemaborg een afsluitend terrasje pikken, vraagt de waard ons bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Van het Nederlands Kustpad, dat nochtans zo goed als dóór zijn gelagkamer loopt, heeft hij nog nooit gehoord. We beloven hem de volgende etappe te openen op zijn terras, met een kop koffie, maar dat we nu op huis aan gaan. We hebben er een beste etappe op zitten, het is mooi geweest.

DSC09646

De dag begint in Baflo met kerkbezoek. Dat is toeval, want als we op het kerkje aflopen om er een snel maar eerbiedig fotorondje omheen te maken, gaat juist de deur open. De mevrouw die naar buiten komt wil de boel eigenlijk afsluiten maar vraagt ons of we misschien even binnen willen kijken. Zo voelt het als een buitenkansje, waar we graag gebruik van maken. De mevrouw is vrijwilligster bij de kerk, vertelt ze op ons navragen. Bij de deur hangt een bordje met een telefoonnummer dat je kunt bellen wanneer je de kerk zou willen bezichtigen. Als je dat nummer belt, krijg je de mevrouw aan de lijn. Ze wordt niet heel vaak gebeld, vertrouwt ze ons toe, maar áls ze gebeld wordt, dan komt ze. Bijna altijd meteen. Ze heeft nooit geen zin om te komen. Maar als we de toren willen bezichtigen, die als een apart gebouw los van de kerk staat, moeten we een ander telefoonnummer bellen. Dan komt er iemand anders. Want de toren valt onder een andere stichting.
We krijgen trouwens geen spijt van onze impulsieve reactie want de Laurentiuskerk is erg de moeite waard. Aan de buitenkant is goed te zien dat het een zeer oud kerkje is, waar in de loop van de geschiedenis het nodige aan bijgebouwd en weer afgebroken is. Opgelapt, aangepast en gerestaureerd. De spitsboogvensters zijn er duidelijk later ingezet, gevelstenen memoreren verbouwingen in de jaren des Heeren 1656 en 1808. De buitengevel is een grillig mozaïek van uiteenlopend metselwerk in verschillende steensoorten. Binnen zien we een uitstekend onderhouden en afgewerkt interieur. Witgepleisterde wanden met vensters alsof ze er altijd hebben gezeten, gekleurd glas zo hier en daar, een blauw geschilderd balkenplafond, of is het groen, en achterin een fraai, rijk versierd orgel. Roodhouten herenbanken rond een preekstoel in het midden van de lange wand. De mevrouw wijst ons op een aantal grote kiezels met ieder een naam erop geschreven. Een gebruik van speciaal deze kerk. Het zijn de namen van de dit jaar overledenen. De stenen liggen een jaar in de kerk, ter nagedachtenis aan de dode, waarna ze worden meegegeven aan de familie of nabestaanden.
Geheel in stijl verlaten we Baflo via het kerkepad, over het hoogholtje richting Rasquert. Een hoogholtje, ik zeg het er maar even bij, is een smal en steil houten bruggetje over het water. Een ander zou van een kippenbruggetje spreken, ik meende te weten dat dit soort bruggetjes in Groningen een til werd genoemd, maar het blijkt allemaal nog veel ingewikkelder te zijn. Om het extra verwarrend te maken is dit hoogholtje dan ook nog weer gemaakt van staal. Ik besluit geen pogingen meer te ondernemen het fijne ervan te doorgronden, als ik maar aan de overkant kom vind ik het allemaal best.

DSC09681

Via Rasquert en Breede geraken we in Warffum, een stadje waaraan de voorspoed uit vroeger tijden goed is af te zien met een handvol statige herenhuizen, met grote vensters en balkons, versierde daklijsten en decoratief metselwerk. Middenin het dorp ligt openluchtmuseum het Hoogeland, waar de geschiedenis van de streek in twintig gebouwen levend wordt gehouden. Als oppervlakkige cultuurbarbaren komen wij niet verder dan het terras van het museumcafé. Waar we de plaatselijke lekkernij bestellen, dat dan weer wel. De poffert met kaneelroom. Een soort cake die zonder oven wordt gebakken, als een wentelteefje, maar dan toch weer anders. Armeluiscake, wordt er gezegd. Ons smaakt ie prima en als het tafeltje naast ons wat aarzelend is over de poffert, en ons op aanwijzing van het bedienend personeel om advies vraagt, raden wij hem van harte aan.

DSC09697

Als we Warffum weer uitlopen, worden we langs de begraafplaats gestuurd. Omdat wij van kerkhoven en begraafplaatsen houden, met hun verstilde sfeer, bedenken we dat we er net zo goed overheen kunnen lopen, en er wat van zien. Het is een fraaie, uitgestrekte begraafplaats die vreemd het midden houdt tussen aangeharkt en in verval. Al ronddwalend zien we tamelijk veel familiegraven met een sfeerverhogend roestig hekje eromheen waarbinnen het gras hoog opschiet, scheefgezakte stenen, een wat luguber ogende grafkelder van wel zeer sober grindbeton, graven die soms hutje mutje bij elkaar lijken te schuilen en anderen eenzaam en alleen in een groene zee van ruimte. Rust zacht lieve doden, staat ergens te lezen op een grijze naald van eroderend beton waarvan de lelijkheid de boodschap een tikkeltje ondermijnt. We krijgen het allemaal twee keer te zien want als we de begraafplaats aan gene zijde weer willen verlaten, blijkt daar een sloot te liggen. Heel even overwegen we een sprong, maar kiezen uiteindelijk natuurlijk voor de veilige weg terug op onze schreden.

DSC09730

In Rottum bezoeken we het beroemde kleinste huisje van Groningen. Het blijft opmerkelijk hoe belangrijk dat gevonden wordt, dat iets het grootste of het kleinste of het hoogste of het oudste of het langste of het dikste ergens van is. Alsof alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. Alsof iets alleen maar interessant kan zijn in de overtreffende trap. Als er in Groningen nou nog drie huisjes hadden gestaan die nét iets kleiner waren, dan was dit waarschijnlijk het kleinste huisje van midden noord oost Groningen geweest, om toch in de behoefte te voorzien. Maar.. wordt dit hoeske van Tais’ Joaptje daar nou meer of minder van? Welnee, het staat er en vertelt zijn verhaal. Op het eerste gezicht is dat misschien een romantische ‘vroeger was alles nog zo ouderwets gezellig en gezellig ouderwets oudHollandsch openluchtmuseum’ geschiedenisles, maar als je er even bij stil staat is het een heel ander verhaal. Want dit is inderdaad een piepklein huisje en het valt niet voor te stellen dat hier ook echt mensen in hebben gewoond. Hoe dan? Vragen wij ons onmiddellijk af. Want we staan er nu met één  medetoerist ons kont niet te kunnen keren en ergeren ons nú al aan elkaars aanwezigheid. Nog onvoorstelbaarder is het dat dit huisje van, wat zal het zijn.. twaalf vierkante meter, nog in 1953 werd bewoond. 1953! Drie kinderen op het stro op zolder, de ouders in de bedstee, het secreet achter het huis. Onderweg in Groningen hebben we borgen zien staan waarvan de kleinste kast waarschijnlijk nog groter was dan dit arbeidershuisje. Begin dit jaar heeft het huisje nog in de kranten gestaan toen het door actievoerders werd ingepakt in een zelfgebreide deken, om aandacht te vragen voor de problemen die Groningen ondervindt van onze gasconsumptie. Een situatie die je gerust een actuele variant op het verhaal zou kunnen noemen. De geschiedenis leert het blijkbaar nooit.
Met dit alles in ons achterhoofd betreden we aan het eind van de dag het landgoed bij de Menkemaborg in Uithuizen, om het op het terras, met uitzicht op de riante borg, wat te laten bezinken. De waard vraagt bij het afrekenen plaatsvervangend huiverend of we nu weer verder moeten wandelen. Maar dat hadden we al verteld.
DSC00856