De benen van de bruid

Een rondje Zaanse Schans, onderdeel van het Trekvogelpad, gelopen op dinsdag 29 september 2015

Ruim anderhalf miljoen bezoekers trekt de Zaanse Schans, gemiddeld, per jaar, de laatste jaren. Anderhalf miljoen toeristen die van over de hele wereld eens een kijkje komen nemen in het Nederland van weleer. Het romantisch reservaat voor het Hollandsch ideaalbeeld waar zo naar terug wordt verlangd, deze bange dagen. Nu zullen ze niet alle anderhalf miljoen met de trein komen, zoals ik vandaag, maar die het wel doen krijgen op NS station Koog Zaandijk toch een merkwaardige eerste indruk. Wat een haveloze treurnis! Wat een vervuilde, verwaarloosde en afgekloven bende. Toeristen schijnen over het algemeen geen bijzonder accuraat idee te hebben van waar Nederland nou precies ligt, eenmaal uitgestapt op Koog Zaandijk zullen de meesten er stellig van overtuigd zijn dat het ergens in de diepste krochten van Oost Europa moet zijn. Eind zeventiger jaren bovendien. Zelfs ikzelf ga even twijfelen. Ik maak me snel uit de voeten. Gelukkig is het mooi weer. Aan de overkant van de Zaan ligt Zaanse Schans opgepoetst te glimmen in de zon, daar ligt het niet aan.
Hoewel Zaanse Schans weldegelijk door echte mensen echt wordt bewoond, bestaat het eigenlijk niet. Tenminste.. het is niet het authentieke Zaanse dorp dat de tand des tijds dapper heeft weerstaan, al die eeuwen, waar je het ook voor zou kunnen houden, als je niet beter wist. In werkelijkheid is het een openluchtmuseum. In 1961 is men begonnen oude houten Zaanse huisjes en schuren en molens, waarvoor elders vanwege de oprukkende moderne tijd geen ruimte meer was, naar deze plek aan de overkant van de Zaan te verplaatsen. Om ze te behouden voor de toekomst.
Wat mensen beweegt er te willen wonen is mij onduidelijk, het moet vreselijk zijn. Ook vandaag, een onbijzondere doordeweekse dag buiten welk seizoen dan ook, wemelt het van de toeristen. Voornamelijk Japanners. Veel bleke, onpraktisch uitgedoste meisjes die het Holland van vroeger uitsluitend via de selfiestick bekijken, zichzelf prominent op de voorgrond, met modieuze gezichtsuitdrukkinkjes. Een authentiek ogende man staat zijn voordeur te schilderen, drie Japanse meisjes hangen schaamteloos over het hek in de hortensia’s, om zichzelf te fotograferen met dit rustieke tafereel in de linkerbovenhoek. De man doopt zijn kwast nog maar eens onverstoorbaar in de verf. Het lijkt of ieder die hier rondloopt de wereld vooral via het schermpje waarneemt. Zelf heb ik ook een camera op zak, maar al zou ik dus allesbehalve uit de toon vallen, ik voel vreemd genoeg teveel schroom om foto’s te maken.

Een paar honderd meter verder houdt het op. Daar staan geen molens meer, geen houten huisjes en toeristenwinkeltjes. Daar rest alleen het landschap. Woest en ledig. Met aan de overkant van de Zaan de industrie. Glimmende silo’s, leidingen en schoorstenen met hier en daar nog een stukje uit rood baksteen gemetseld verleden. Absoluut hoogtepunt wat dat betreft is zeepziederij De Adelaar. Voor de toerist is het te ver, ik vind het een adembenemend uitzicht, al zie ik het niet voor het eerst. Ik loop vandaag een rondje Trekvogelpad, van Zaanse Schans naar Zaanse Schans, omdat de bedenkers van dit pad hier twee mogelijkheden bieden, en ik niet kan kiezen. Ik wil ze allebei. Vandaar een rondje, waarvan een klein stukje dus voor de tweede keer. Niet het minste stukje.
In noordelijke richting loop ik door Bartelsluis onder Wormer door, langs de ringvaart om de Enge Wormer, een droogmakerij uit 1638, met aan de andere kant de Wijde Wormer, die rond 1626 uit zichzelf droogviel. Het verschil is goed te zien. Rechts is het maaiveld twee meter lager, liggen smalle, kaarsrechte sloten met wiskundige precisie naast elkaar. Links staat het water in brede grillige sloten nagenoeg even hoog als de dijk waarover ik loop. Weiland en water lopen er zo goed als naadloos in elkaar over.
Zo opgepoetst en aangeharkt als Zaanse Schans is, zo grof en ongepolijst is het omringend landschap. De industriële horizon uiteraard, met zijn rookpluimen, die de hele wandeling in het oog blijft springen, maar ook tal van half vervallen loodsen en schuren, rommelige erven en schijnbaar aan hun lot overgelaten stukken land. Mij doe je er een plezier mee. Hoogtepunt is een wat afgezonderd erf met een dichtgetimmerd huis, een sterk vervuilde silo en een verzameling verzakte, nog net niet ingestorte boetjes en bouwsels, sommigen eigenlijk nog niet eens afgebouwd, met als stralend middelpunt een pipowagen waarvan de rode luiken in stuitende typografie vrolijk beweren dat men open is. Het is jammer dat ik toch niet verder naar binnen durf.

Nog weer verder, langs de Kalverpolder, tref ik een huisje, ik zie het van verre al staan, met op het dak een enorme windmolen. Veel groter dan het huisje zelf. Het is het soort windmolen dat je soms in een weiland ziet staan, van een gelig soort kunststof, vier wiekjes plus een staartstuk dat de boel in de wind houdt. Maar dan veel en veel groter. Metershoog torent het boven het landschap uit, 32 wieken in een  reusachtige cirkel. Mijn fantasie slaat onmiddellijk op hol. Hier woont een excentrieke uitvinder, een professor die in de verlatenheid van de Zaanse polder een geheimzinnig experiment voorbereidt. Die een allesverwoestende wind wil opwekken en zo de wereldheerschappij in handen denkt te krijgen. Of juist een groot gevaar denkt af te kunnen wenden, en de wereld te redden. Door juist op tijd de koers van de aarde te veranderen, waardoor het gevaar uit de ruimte ons op een haar na mist. Of.. het is een moderne Noach, die zijn huis op wil laten stijgen, en weg, ver weg wil vliegen van dit land in verwarring.
Met een boog loop ik terug naar de Zaan. Tenminste, dat is de bedoeling. In ’t Kalf – een fantasieloze buitenwijk van lage apenrotsflats en piepkleine, haastig uit grindbetonblokken opgetrokken huisjes en woonerven met betegelde tuinen – verdwaal ik jammerlijk, terwijl ik mild bedenk dat het hier dan eigenlijk wel begrijpelijk is dat mensen het gefiguurzaagde woord HOME pontificaal in de vensterbank zetten. Je zou je anders inderdaad kunnen gaan afvragen wat je hier deed, in deze vreugdeloze gribus.
Het Jagersveld, waarvan ik, door de naam misschien, het idee had dat het een natuurgebiedje zou kunnen zijn, blijkt al snel een zeer aangelegd stadspark van grazige ligweiden langs tekentafelwatertjes met designerstrandjes en geometrisch meanderende betonpaden. Er is zelfs een trimbaan, met bij ieder toestel een bordje dat geïllustreerd en al precies uitlegt wat je er moet doen, en hoe vaak. Aardig misschien, zo’n park, als her en der leuke jonge moeders met hun kroost in het gras op aanspraak zitten te wachten, vandaag is het praktisch uitgestorven. Een opa zit er, met zijn drie kleinkinderen, lijdzaam te wachten tot het erop zit. Een moeder met een hoofddoek snauwt tegen haar kind, een magere man wandelt met twee hazewinden. Bejaarden op elektrische fietsen. Ik maak dat ik wegkom.


Wanneer ik de cirkel bijna rond heb, wandel ik Haaldershoek in, en dat is een aangename verrassing. Dit is ongeveer het authentiek Zaanse buurtschapje dat Zaanse Schans probeert te zijn. Een stuk eenvoudiger, dat is waar, veel minder pracht en praal, maar ook zonder toeristen. En daardoor toch bijzonderder misschien, voor mij in elk geval. Schoolkinderen fietsen er achteloos doorheen, met hun modieus op de knieën gescheurde broeken en hun veel te grote kratten met niks erin aan het stuur. Die zien het niet, hoe mooi dit is. Die zien alleen elkaar, wat ook weer mooi is natuurlijk.
Betoverd loop ik een extra rondje. Houten huisjes, strak en glimmend groen met wit in de lak, met luiken aan de ramen en versierde makelaars in de nok. Smalle klinkerstoepjes langs sloten en klassieke tuintjes, en bruggetjes die te smal zijn voor iets anders dan een wandelaar.
Terug in Zaanse Schans verbaas ik me nog één keer over de toeristenmenigte, die dus nooit zal weten hoe lieflijk en stil het er tien minuten verderop bijligt.
Een bruidspaar laat zich fotograferen met de Tinkoepel op de achtergrond. Genadig valt het tegenlicht door de bruidsjurk, en verklapt dat de benen van de bruid er mogen zijn.

Schipper, mag ik overvaren?

Graft – Zaanse Schans, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op zondag 26 oktober 2014

Ja, waar sláát dat nou op? Het is de schipper aan het woord, van het pontveer Jan Hop te Spijkerboor. Hij heeft net ongelovig mijn wat gênante bekentenis aangehoord, namelijk dat ik niet meer contant geld in mijn portemonnee heb dan de twintig cent waarmee ik vanochtend van huis ben gegaan. De motor van de pont had hij al gestart toen ik aan kwam lopen, maar ik durf niet zonder meer aan boord te stappen.
Wie gaat er nou zonder geld van huis? Vraagt hij zich vervolgens oprecht verontwaardigd af, zijn ogen ten hemel opslaand. Zelf vind ik het ook opeens wel wat onbenullig. Twintig cent, verdorie, wat ben ik ook een knurft. Als het nou nog een euro geweest was. Maar ja, gut.. we leven in de moderne tijd, contant geld wordt nauwelijks nog ergens op prijs gesteld. Klein bedrag, pinnen mag, is het motto van de winkelier zelfs al geworden, en in het openbaar vervoer is het gewoon verplicht inchecken geblazen. Er gaan weken voorbij dat ik het prima red, zonder contant geld. Ik zou er bij wijze van spreken wel een weddenschap op af durven sluiten dat je zonder contant geld de wereld rond kunt reizen, al of niet in tachtig dagen. Zolang je Spijkerboor een beetje mijdt, uiteraard.
Een flink eind voorbij De Rijp was het me pas te binnen geschoten, dat de moderne tijd op een pontje natuurlijk niet zo’n vat heeft. Dat dat uiteindelijk ook de charme is, van pontjes, nietwaar? En dat ik dus, even kijken.. zestig cent te kort ging komen, voor de overtocht. Tegen beter weten in had ik daarna bij Fort Spijkerboor nog geprobeerd aan contanten te komen, maar uiteraard zou een pinapparaat dáár helemaal een anachronisme geweest zijn. De kans om nog met guldens te kunnen betalen was er waarschijnlijk groter geweest. Het voorgenomen bezoek aan het fort komt daarmee trouwens wel te vervallen, wegens gebrek aan contanten.
En nu sta ik dus, aan de oever van een machtige rivier, en heb geen cent om te schipper te betalen. Mag ik overvaren ja of nee? Ik durf er niet op te rekenen. Maar met een barse hoofdbeweging laat de veerman me weten dat hij me heus niet zal laten staan. Zwijgend en er het zijne van denkend zet hij me over. Ik sta schuldbewust aan de reling op de reddende overkant te wachten. Toch is zijn wrevel onderweg, zo kort als de overtocht is, blijkbaar verwaterd, want als ik aan de overkant hardop bedenk dat ik bij het daar gelegen café misschien een euro extra kan pinnen bij een kopje koffie, wuift hij het idee met een breed gebaar uit de lucht. Het komt de volgende keer wel, besluit hij, en wil er niks meer over horen. Opnieuw vervuld van vertrouwen in de uiteindelijke goedheid van de mens vervolg ik mijn weg, langs de Knollendammervaart, richting Oostknollendam en Wormer.

TVP graft schans 074

Op de Oudelandsdijk heb ik al snel twee dames in mijn kielzog. Dames met wapperende sjaaltjes, flodderige, ooit felgekleurde jasjes en blommige rokjes over verschoten broeken. Hippiemeisjes van vijftig. Medewandelaars, die ook wel van de pont zullen komen en hoogstwaarschijnlijk dezelfde route lopen. Ik heb niks tegen medewandelaars, herhaal ik nog maar eens. Wandelaars, dat is goed volk. Maar ze moeten niet een hele wandeling in mijn nek lopen hijgen, en ze moeten ook niet een hele dag hinderlijk in mijn blikveld blijven hangen. Nee zeg, het is de avondvierdaagse niet, dáár heb ik geen zin in. Normaalgesproken kost het trouwens weinig moeite weer van elkaar af te komen. Een korte stop volstaat, over het algemeen. Medewandelaars hebben zelf namelijk ook geen zin in medewandelaars en zetten er even flink de pas in, om een voorsprong op te bouwen, zodat daarna iedereen weer de prettige illusie kan hebben dat hij alleen op pad is. Maar deze dames vallen buiten het systeem. Wat ik ook stop, versnel of vertraag onderweg, ik blijf ze de rest van de dag tegenkomen. Het lijkt wel of ze het erom doen, hoewel ze mijn consequent groeten maar nauwelijks, of liever nog helemaal niet beantwoorden. Alsof ík de stalker ben. Als ik bij Wormer rechtsaf sla om de alternatieve route via Zaanse Schans te lopen, heb ik de hoop al opgegeven, en inderdaad slaan de dames daar vijf minuten later óók rechtsaf.

TVP graft schans 093

Lopend door dit gebied heb ik gedurig het idee dat ik zo’n beetje ín het water loop. Dat idee klopt ook wel natuurlijk want het is hier alles droogmakerij en polder wat je ziet. Een uitgestrekte lappendeken van drooggemalen en ingepolderde meren, waarin het water toch nog altijd alomtegenwoordig is. Rechts van mij de Knollendammervaart, waarin het zelfs letterlijk boven mij uittorent: als ik de dijk beklim zie ik dat het water zo goed als tot de kruin staat, de weg waarop ik loop ligt toch zeker twee meter lager. Maar ook links, in het Wormer- en Jisperveld glinstert het zó hoog in de brede sloten dat de weilanden en de weg het hoofd maar net boven water lijken te kunnen houden. Het water mag overwonnen zijn, en ingedamd, het is ons niet vergeten. Het wacht op een kans. Op een moment van onoplettendheid.
Na Oostknollendam loop ik verder langs de Zaan, met aan de overkant het industrieel uitzicht dat zich al vanaf Spijkerboor aan de horizon aandiende. Een wirwar van oudhollandse molens, moderne Europese subsidie windmolens, hoogspanningsmasten, rokende fabrieksschoorstenen, silo’s en grote, lelijke gebouwen en loodsen. Je zou het mistroostig kunnen noemen, zeker op een grijze dag als deze, maar ik vind het wel wat hebben. Het is mooi van lelijkheid, inderdaad, net wat u zegt. En dat aan mijn kant van de Zaan de weg is opgebroken, en gedeeltelijk vervangen door roestige stalen rijplaten, is alleen maar sfeerverhogend, wat mij betreft. Zelfs de onafgebroken stoet vliegtuigen waarmee het groothertogdom Schiphol zijn immer groeiende nabijheid verraadt, past hier in het plaatje.

TVP graft schans 176

Wat het vooral charmant maakt, denk ik, is de 19e eeuw die hier en daar de kop nog opsteekt, tussen het modernere geweld van golfplaat, beton en blinkende kilometers pijpleiding. Een bakstenen torentje met kantelen, dat tevoorschijn piept op kniehoogte van een enorm en grijs complex. Een vriendelijk bruinrood geveltje met wat sober decoratief metselwerk onder het puntdak, te midden van puur functioneel rechttoe rechtaan de hoogte in. Met als onbetwist hoogtepunt: Zeepziederij De Adelaar. Een klassiek fabrieksgebouw, een vierkant fort van rood baksteen met drie verdiepingen, een raster van ramen in iedere muur, laaddeuren rechts van het midden en op de linkerhoek een soort watertoren met een metershoge, gietijzeren adelaar op het zinken puntdak, de vleugels heerszuchtig uitgespreid. Ooit zal dit een enorm gebouw geweest zijn, een imposant toonbeeld van welvaart en rijkdom dat almachtig boven zijn platte omgeving uittorende. Nu staat het er bijna bedremmeld bij, als een oude man, minzaam gedoogd tussen veel jongere silo’s en loodsen en hallen, die allemaal stukken groter zijn, maar plompverloren neergezet met nog niet een honderdste van de liefde en de aandacht waarmee De Adelaar zelf werd gebouwd.
Als de geur van linoleum langzaam plaatsmaakt voor die van cacao, nader ik Zaanse Schans. Een openluchtmuseum. Een stukje Holland dat eigenlijk niet meer bestaat, zoals aan de overkant van het water ook duidelijk te zien is. Een handvol molens op een rij, een dorp van houten huizen, glimmend onderhouden en opgetuigd alsof de tijd heeft stilgestaan sinds de 18e eeuw. Een nepdorp, feitelijk. Ik begrijp dat hier ook gewoon mensen wonen, maar het lijkt me een vreselijk lot want zelfs nu, eind oktober, krioelt het nog van de toeristen. Er rijdt verdorie zelfs een riksha heen en weer. Ik hoor Spaans, Italiaans, Japans, Engels, Hindi, Zweeds, Duits, Frans, Oosteuropees.. alle talen van de regenboog. Mensen sjokken verveeld achter elkaar aan, huisje in huisje uit, van molen naar molen, alsof ze zelf ook niet precies weten waarom ze hier zijn. Alsof ze het zich toch anders hadden voorgesteld misschien, Holland. Een verliefd stelletje laat zich in een vreemde taal fotograferen, door een andere toerist, met een windmill op de achtergrond. Drie meisjes zijn een half uur in de weer om foto’s van elkaar te maken terwijl ze een koket sprongetje maken op één van de smalle bruggetjes. Een kennelijke bewoner met een hond wringt zich er moeizaam langs. Een Nederlander leidt zijn Engelse gasten in Dunglish langs de molens en de houten schuren met de rieten daken op een toon alsof hij ze eigenhandig gebouwd heeft.

TVP graft schans 207

Ik zit het op een bankje allemaal eens te bekijken wanneer iemand mij vraagt of ik alstublieft tien minuten op zijn reclamebord zou willen letten. Het is de jongen van de riksha, zie ik. Hij heeft zijn bord al van het slot maar heeft nu toch nog weer twee klanten, voor een ritje naar het station. En geen zin het bord weer vast te maken. Blijkbaar is hij niet benauwd dat ík er nu met zijn bord vandoor ga. Ach, ik vind het wel best. Ik doe graag iemand een plezier, zeker wanneer het zo weinig moeite kost. Bovendien, zo weet ik tenminste zeker dat ik mijn dames niet ook nog in de trein terug naar huis tegenkom. Terwijl zijn klanten nog op zijn Japans het toeristenwinkeltje induiken, en de tien minuten al snel verdubbelen, maakt de jongen een praatje. Zo kom ik te weten dat de riksha elektrisch wordt aangedreven maar dat je na een dagje heen en weer fietsen evengoed behoorlijk afgemat bent, dat een ritje naar het station zeven euro vijftig kost en een complete rondrit vijftien, dat de jongen dit als vakantie- en weekendbaantje doet, dat hij het leuk werk vindt en dat hij cabaretier wil worden. Ik raad hem aan te beginnen met een programma over toeristen aan de Zaan.
Als de jongen na gedane zaken terugkeert en ik na nóg een praatje aankondig maar eens naar het station te gaan, oppert hij mij met de riksha te brengen. Ik vertel van mijn pijnlijke overtocht bij Spijkerboor, en bedank. Maar de jongen bedoelt een gratis ritje. En ik verlaat Zaanse Schans geheel in stijl. In toeristenstijl, maar ook in stijl van de dag. Want die weddenschap, dat zit wel goed. Met mensen als deze op mijn pad, moet ik die makkelijk kunnen winnen.