Een eiland aan de vaste wal

Oudesluis – Hippolytushoef, een etappe van het Nederlands Kustpad,  gelopen op vrijdag 31 oktober 2014

Parkeren is niet mijn sterkste kant, met mijn nog prille rijbewijs. Daarom heb ik het dus ook eigenlijk nog niet echt gedaan, bij aankomst in Hippolytushoef, het eindpunt van vandaag. Alleen maar even van hoppetee een vak in, voor zolang, of eigenlijk bijna twee, om te bellen naar mijn wandelgenoot, waar ze is. En dan snel weer weg want ze zijn hier een markt aan het opbouwen en dat wordt me straks veel te ingewikkeld. Maar voor ik het allemaal goed en wel voor elkaar heb, staat er een vrachtwagentje met marktkramen stijf achter me, om me op te sluiten in mijn vak. Scheef geparkeerd en al. Vandaar dat we met de auto van mijn wandelgenoot naar het beginpunt in Oudesluis rijden. Dan zien we vanavond wel verder. Die markt zal na tweeën wel weer opgeruimd worden, stel ik mijzelf gerust.
In Oudesluis zijn alle deuren en ramen gesloten, het is hier blijkbaar nog te vroeg, in elk geval voor koffie. We zullen zonder op pad moeten, dus daar gaan we. Over de Kneeskade langs de Boezem van de Zijpe richting Anna Paulowna. Aan de topografische namen ligt het weer niet in elk geval. En aan het weer al helemaal niet: het is de laatste dag van oktober vandaag, morgen is het november, stel je voor.. theoretisch zou het grijs en guur moeten zijn, maar wij lopen zonder jas in korte mouwen met onze bol in de zon. Precies wat we nodig hebben, dat wel.

Dat het natuurlijk toch gewoon herfst is, wordt verraden door de gele en zelfs al kale bomen, strak in het gelid langs de polderweg, het geel en bruin geworden ruisend riet in de vaart en de afgejakkerde akkers van zwart glimmende klei. Een Beet-eater – een torenhoge, rode geweldenaar met handenvol manshoge banden en een agressief ogende constructie van tandwielen, schoepen, messen en bladen voorop – draait vlak voor ons de weg op, razend en blazend, de kooi bovenop voor de helft gevuld met nog de laatste bieten. Het is een scherpe bocht en een smalle weg en het past ook eigenlijk niet, maar het lukt natuurlijk toch. Met zo’n gevaarte lukt alles. Wij staan erbij en kijken ernaar. En lopen daarna voorlopig nog in de modder, die uit de kniediepe profielen van al die banden stort.
De Boezem van de Zijpe, aan onze linkerhand, is het enige water in deze omgeving dat niet langs een liniaal in de verte verdwijnt, maar dat meanderend zijn eigen gang lijkt te gaan om, van ons en Oudesluis uit gezien, langzaam te verbreden en uiteindelijk terecht te komen in het Amstelmeer. Ik durf hier niet te beweren dat het zo is, maar misschien is het een in het verleden door stroming en woelige baren gevormde geul, bij de inpoldering gedoogd, gespaard gebleven, ingelijfd, om in te zetten bij het ontwateren van het gebied. Het enig overblijfsel nog van de hier ooit allesbepalende zee.

Met de blik op oneindig, of we willen of niet, steken we langs een lange, lange, lange en kaaaarsrechte weg de lege Anna Paulowna Polder door en staan dan met toch iets van zeewind in de haren op de grasdijk rond het Amstelmeer. Aan de overkant van het water ligt Wieringen, het vergeten Waddeneiland, zoals het zichzelf noemt. Al is het natuurlijk al geen eiland meer sinds de inpoldering van de Wieringermeer, in de dertiger jaren van de vorige eeuw. En dat is ook alweer bijna honderd jaar terug. Het schijnt ook niet altijd een eiland geweest te zijn trouwens. Ooit lag het gewoon vast aan de hoogveengebieden, tot een flinke storm daar in 1200 een einde aan maakte. Maar, vanaf hier, met aan alle kanten water in het blikveld, als we de Amsteldiepdijk verderop even negeren, ziet het er inderdaad uit als een eiland, aan de einder. En ook als we een flinke wandeling later De Haukes binnenlopen, de vergeten haven, is het goed te zien. Het landschap onderscheidt zich duidelijk van wat we verder gezien hebben, deze dag. Licht glooiend, organisch en kleinschalig verkaveld, met bochtige weggetjes, rommelige erfjes, tuunwallen en op een kluitje bij elkaar gekropen en geveegde boetjes, bouwsels en buurtschappen. Het waddeneilandgevoel is onmiskenbaar.
Café de Postboot, gezien de naam ook vroeger al de eerste kennismaking met Wieringen, sluit daar aardig bij aan. De zaak ligt er wat in zichzelf gekeerd en donkertjes gesloten bij, maar de deur gaat na enig aandringen toch gewoon open en we stappen een andere wereld en tijd binnen. Het is moeilijk te zeggen welke precies, maar het ís al een tijdje geleden en sindsdien is hier niet veel veranderd. Voor ons hoeft dat ook niet, laat dat duidelijk zijn. Liever niet zelfs. Volledig doorgestylede maar kleurloze grand café’s met zonder bediening zijn er al genoeg. Gelegenheden als De Postboot kleuren je dag.
Onze komst wordt gemeld door een klein, vaalwit hondje dat het op een gemeen keffen zet. Boven ons hoofd horen we het houten plafond stommelen en klinken voetstappen, die we op veilige afstand van het hondje volgen tot aan de trap in de andere hoek, waar even later de gastvrouw haar intrede doet. Ze maant het beest kort tot stilte en ontvangt ons dan met laconieke vanzelfsprekendheid. Terwijl wij ons aan de leestafel met plaatselijk nieuws voorzichtig afvragen of we wel genoeg contant geld bij ons hebben, omdat het wel duidelijk is dat er in deze tijdzone niet kan worden gepind, leest de vrouw aan de bar haar krant en maakt een praatje met een groezelige man die een pakje zware shag komt kopen. Het vaalwitte hondje neukt ondertussen gedurig, met vreugdeloze volharding een al even vaalwitte knuffelolifant, die zich het leven als knuffel ook anders moet hebben voorgesteld.
Als we weer op pad gaan, raadt de vrouw ons aan straks in Hippo vooral naar de Halloweenmarkt te gaan. Omdat dat zo leuk is. Ik trek daaruit de conclusie dat ik mijn auto straks zonder kleerscheuren tussen de volgepakte marktkramen en het drentelend publiek uit zal moeten manoeuvreren. Over griezelen gesproken. Ik probeer er de rest van de wandeling maar niet al te erg tegenop te zien. Dat zou zonde van Wieringen zijn.

Advertenties

Haags bier in Oudesluis

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Petten naar Oudesluis, gelopen op zondag 5 oktober 2014

Aan het begin van de wandeling gunnen we ons eigenlijk de tijd niet om heel even te kijken hoe het inmiddels opschiet, met het nieuwe land. Voor de Hondsbossche Zeewering immers, wordt deze dagen ruim tweehonderd meter blanke top der duinen en strand aan het vaderland toegevoegd. Bij de vorige etappe stonden we daar al met ontzag naar te kijken, naar de vanzelfsprekendheid van het gebeuren, en de voortvarendheid waarmee te werk wordt gegaan. Met hoeveel schijnbaar gemak er ook inderdaad een heel nieuw stuk land uit de zee opwelt, dat er dan meteen ook maar bij ligt of het altijd zo geweest is. En evengoed trekt het ook vandaag, het spektakel. Er wordt tenslotte geschiedenis geschreven, hier en nu, vaderlandse geschiedenis nog wel. We besluiten daarom aan het eind van de dag, wanneer we de auto op komen halen, nog even poolshoogte te nemen. Met een beetje geluk zien we dan ook meteen de zeehonden, die onlangs hun onverwachte intrek schijnen te hebben genomen, aan de nieuwe kustlijn. Nu slaan we, als we de dijk bij Petten beklimmen, om te beginnen rechtsaf, en voor ons ligt dan nog het stuk Hondsbossche Zeewering zoals die eens bedoeld was. In zijn eentje tegen de zee. Misschien is het wel voor het laatst dat we hem zo zien. Een piepklein historisch moment.

zeehonden

Richting St Maartenszee lopen we de Pettemer duinen in. Zanderige heuvels, grillig voorzien hier en daar van donkere samenscholingen van dennen, eensgezind kromgetrokken, weggedoken haast, in gesloten formaties, zo onopvallend mogelijk meeglooiend met het landschap en huiverend bescherming zoekend bij elkaar. Tegen weer en wind allicht, maar misschien ook wel tegen iets anders. Ze geven de duinen bij Petten iets geheimzinnigs in elk geval, met net boven de horizon ook nog de glanzende koepel en de schoorsteen van de kerncentrale. En wat doet dat vreemde blauw-witte en geblindeerde torentje daar eigenlijk? Met dat trappetje naar boven, die antenne en dat rode zwaailicht op het dak? En wat loopt daar voor griezelig gitzwart monster over het pad? Wat staat daar met zijn staart dreigend omhoog, in de aanvalshouding? Het lijkt wel een schorpioen, als je het ons vraagt. Nou goed, wel een heel kleintje dan, met zijn hooguit tweeëneenhalve centimeter. Toch houden we onze vingers voor de zekerheid zoveel mogelijk thuis als we het beest leuk boos proberen te krijgen, voor de foto. Niet helemaal ten onrechte blijkt later op internet, al is het niet de intimiderende staart waar we voor op hadden hoeven passen. Hij bijt gewoon van voren en nog onaardig bovendien, naar verluidt. Een schorpioen is het ook niet trouwens. We maken kennis met de stinkende kortschildkever. Die zijn naam dankt aan zijn blijkbaar korte dekschilden, en de niet lekker ruikende vloeistof die hij afscheidt wanneer hij zich bedreigd voelt. Nog bedreigder dan door ons.

stinkende kortschildkever

Bij St Maartenszee draaien we het strand op en dat komt mooi uit, want daar hebben we vandaag allebei net zin in en het weer is er prima geschikt voor, hoewel dat bij het strand voor iedere weersoort geldt natuurlijk. Op het terras van de laatste strandtent van het seizoen is de voertaal Duits, de buren vieren de Dag van de Eenheid en dat doen ze blijkbaar het liefst in het buitenland, we zullen ze meer tegenkomen vandaag. Alleen aan het tafeltje achter ons wordt algemeen beschaafd Hollands gebezigd. Je moet niet zo zeuren, snauwt een keurige grijzende man zijn keurige grijzende vrouw af. Op bekakte toon, dat wel. Jij zit altijd zo te zéuren, komt er nog bestraffend achteraan. Waarna de echtelijke conversatie zonder overgang weer gemoedelijk langs ditjes en datjes door meandert. Zo kan het dus ook.
Op het strand wordt ondertussen een ingewikkeld ogend spel gespeeld. Er komen allerlei verschillende houtjes en blokjes aan te pas waarmee gegooid moet worden naar weer andere stokken, die juist in het zand gestoken staan, maar die waarschijnlijk om moeten vallen. We doen ons best, vanachter onze koffie, maar voor we erachter zijn hoe het werkt, is het spel afgelopen.
Langs onze goede vriend de zee lopen we naar Callantsoog. De hemel staat er strakblauw boven en heeft pittoreske witte wolkjes aangetrokken om er nog mooier uit te zien. Van ons beider geboortestad Den Haag is dat wat we alletwee nog wel eens missen: de zee op tien minuten afstand. Wel is het een geruststellende gedachte dat ze altijd op ons blijft wachten, omdat wij altijd terug zullen blijven komen.
Even buiten Callantsoog, we lopen weer landinwaarts inmiddels en zijn het spoor even bijster, treffen we een scharrig, uitgemergeld katje dat zonder al te veel hoop wat om ons heen draait. Het beest lijkt bij een halfslachtig in het bos weggestopte caravan te horen, die er al net zo scharrig en uitgemergeld uitziet. Misschien nog wel erger. De burgerplicht gebiedt ons nu misschien daar eens poolshoogte te nemen, maar daar voelen we toch weinig voor. Het is bepaald geen verlaten bospaadje en we zijn in Callantsoog, dus we doen als de Callantsogers, besluiten wij. Ons latente schuldgevoel kopen we af met een boterham met worst, waar het dier zich uitgehongerd op stort, terwijl wij ons, fraai is het niet, uit de voeten maken.
Richting ’t Zand lopen we over de Zijperdijk, met uitzicht over de Zijpepolder, één van de oudste polders van ons land. In elk geval was het in 1597 de grootste polder die in één keer bedijkt werd, een succesverhaal dat indertijd de weg vrijmaakte voor misschien bekendere polders als de Schermer en de Beemster. Nu we er zo doorheen lopen is het maar moeilijk meer voor te stellen hoe de zee hier ooit de baas was. Links en rechts is het grasland wat we zien. En bollenland, bedekt met grijzig zand, stro of ondergelopen met water. Het is typisch Noordhollands landschap, denken wij. Rechttoe rechtaan, functioneel, sober.  Mooi, ook.

HK Petten Oudesluis 201

In ’t Zand steken we via de vlotbrug het Noordhollands kanaal over om even verderop weer met de Zijperdijk  Oudesluis binnen te lopen. Oudesluis, de eerste sluis in het destijds nieuwe gebied, vandaar de naam. Eens lagen hier schepen van de roemruchte VOC, om via het Marsdiep naar de rest van de wereld te varen. Tot nieuwere polders de weg naar de zee versperden. Nu ligt er nog een pittoresk maar piepklein sluisje, en een groene dijk middenin het groene land.
In café De Oude Herberg is volgens het bordje op de deur alleen toegang voor 50+, een criterium waar wij ruim aan kunnen voldoen, dus vol vertrouwen stappen wij binnen. Onze bestelling, twee maltbier (wij zijn 50+ en moeten nog rijden), stelt de barvrouw echter voor een probleem, want met al die verschillende soorten bier tegenwoordig heeft ze maar zeer beperkt ruimte in de koelkast, en nu Arie zo vreselijk ziek is geweest drinkt die ook alleen nog maar malt, dus ja, dan gaat het hard, en nu heeft ze nog maar één maltbiertje in huis. En hoewel wij het serieus als grap hadden bedoeld, kregen wij zonder morren één maltbier met twee glaasjes. Veel Haagser hadden we het niet kunnen wensen.