Scheve toren, gewonde terp

cropped-header-20170627.jpg

Een etappe van het Nederlands Kustpad, van Ferwert naar Ternaard, gelopen op woensdag 13 april 2016

We waren al eerder in Ferwert, dat klopt. Maar door bittere kou en aanhoudende regen uit ons normale doen gebracht, lieten wij het die keer, ten onrechte, ongeïnteresseerd en ongeïnspireerd links liggen, op weg naar een goed heenkomen. Vandaag, met de lente in de lucht en het zonnetje erop, komt het allemaal veel beter tot zijn recht. Het dorpsplein, met het rood wit gestreepte zeil van de kaaskraam, de kletsende dames met de fiets aan de hand, de kastanjes die in het blad dreigen te schieten, de vriendelijke huisjes onder de kerk, het bordje dat maant tot stapvoets rijden.. het is allemaal even plezierig. We lopen onder een poortje door, voor een rondje om de kerk, achter het plein gelegen op een terp en met zijn overzichtelijk kerkhof omzoomd door versgeknotte wilgen. Net als we tot de conclusie komen dat het een goed idee was Ferwert deze tweede kans te gunnen, worden we aangesproken door een meneer die, verlegen om een praatje, welwillend beaamt dat Ferwert best een aardig plaatsje is, maar ons vooral ook dringend adviseert naar de buren in Hegebeintum te gaan. Want dat is pas écht bijzonder.

DSC04625

Niet om de meneer te dissen, maar dat Hegebeintum bijzonder is, dat wisten we al. Ook daar waren we namelijk eerder. We probeerden er toen onze schoenen en broeken te drogen, en onze koude botten te warmen aan de koffie, vers gezet door twee hoofdschuddende heren die niet konden begrijpen dat je met dit weer ging wandelen. De rondleiding, besloten we toen, zouden we voor de volgende keer bewaren. En de volgende keer, dat is nu. Daar gaan we.
Een vriendelijke mevrouw voert ons gemoedelijk over de terp, langs de bebouwing, door het kerkje en de geschiedenis. Tenminste, over de terp, de wierde.. over wat er nog van over is, kunnen we beter zeggen. Er zijn enorme happen uit genomen, dat is duidelijk te zien, het zwaargewonde historisch landschap draagt metershoge littekens van beton. Trapsgewijs gestorte wallen die de boel voor wegschuiven en instorten moeten behoeden. Het oogt hier en daar als een bunkercomplex, onderdeel van de Atlantikwall. Je zou dat lelijk kunnen vinden, en zonde. Zeker. Je zou ook kunnen zeggen dat de wierde er niet minder historisch op is geworden. Dat er hooguit wat modernere historie aan is toegevoegd. En dat het interessant is te zien hoe er in diverse tijdsgewrichten werd gedacht en beslist over dit soort monumentale landschappen. En dan zou je ook gelijk kunnen hebben.
De oudste bewoning ter plekke dateert van 600 voor Christus, het romaanse kerkje bovenop van omtrent 1200 erna. In de eeuwen daartussen zal dus langzaamaan de wierde zijn ontstaan, steeds hoger opgeworpen als vluchtoord voor het grillige water. Met bijna negen meter boven de zeespiegel is dit de hoogste terp van Nederland.
De plaggen waarmee werd opgehoogd werden van de nu niet meer bestaande Middelzee gehaald. En dat gegeven is de wierde, en ook het kerkje, bijna fataal geworden. Toen door bedijking de zee geen gevaar meer opleverde en de terp zijn beschermende functie aldus verloor, is men begonnen hem weer af te graven, om de vruchtbare zeeklei voor goed geld te verkopen aan Midden Friesland en Drenthe, waar de arme zand- en veengronden ermee werden verrijkt. Tot ver in de twintigste eeuw was dat de praktijk. Zó voortvarend ging de koopman daarbij te werk, dat er werd afgegraven tot op enkele meters van het kerkje, waardoor de toren, door gebrek aan aards tegenwicht, inmiddels zeven centimeter uit het lood is komen te staan en met omvallen wordt bedreigd. Of de dominee toen een spaak in het wiel heeft gestoken, dat er toch cultuurhistorisch besef in het spel was of dat de handel in zeeklei instortte door de brede opkomst van het veel makkelijkere kunstmest vermeldt de geschiedenis niet. In elk geval, de terp is gestut met beton, Hegebeintum is beschermd dorpsgezicht, het kerkje staat er nog en de toren wordt met een ingewikkelde en peperdure operatie van instorten gered. Al blijft hij wel uit het lood staan, omdat rechtzetten onvermijdelijk ook instorten zou betekenen. Nou goed, een scheve toren.. daar kan het VVV wel weer wat mee.

DSC04649

De buitenkant van het kerkje mag er niet zo mee te koop lopen, en de Reformatie mag eroverheen gegaan zijn, binnenin is er wel degelijk sprake van enige pracht en praal onder het grijsblauw houten tongewelf. Achterin staat bijvoorbeeld de herenstoel. Een riant bouwwerk van eikenhout over de breedte van de kerk, rijk geornamenteerd met gebeeldhouwde familiewapens, een luifel gedragen door pilaren en nogal barok afgetopt met een wirwar van krullen, leeuwen, kronen en schilden. Een kerkbank deluxe. Hierin konden de gefortuneerde kerkgangers, de landheer, zijn familie en personeel plaatsnemen en – ongehinderd door maar wel goed zichtbaar voor het gemene kerkvolk – rijk, devoot en belangrijk zitten wezen. De heer en zijn familie bovenin, onder de luifel, met ieder een eigen vuistdikke bijbel, het personeel een halve meter lager op de begane grond, met maar één bijbel. Al was dat laatste, zo vertelt de gids, omdat alleen het hoofd van het personeel kon lezen.  
Verder springt ook de indrukwekkende verzameling rouwborden aan de wanden meteen in het oog, grote houten borden die de gefortuneerdere doden in herinnering moeten houden. Aanvankelijk nog redelijk sober en ingetogen uitgevoerd, gaandeweg steeds rijker en uitbundiger versierd en gebeeldhouwd, met familiewapens in bladgoud, uit glanzend hout gesneden krullen en strikken en opzichtige memento mori: schedels met holle ogen boven gekruiste beenderen. Dat ze hier nog hangen, vertelt de gids, is te danken aan de omwonenden van lang geleden, die ze tijdens de Bataafse Revolutie in huis verborgen om ze aldus te redden van de brandstichtende meute, die het toentertijd in het kader van de égalité niet zo op de gefortuneerden had begrepen. Ook niet op de dode.
De weelderig gebeeldhouwde preekstoel is uitgerust met een forse zandloper. Normaalgesproken ook een memento mori, een herinnering dat onze tijd hier op aarde eindig is en een waarschuwing vooral er wijs mee om te gaan in verband met wat er daarna komt. Deze zandloper is eerder het tegenovergestelde misschien. Met precies vijf kwartier op voorraad gaf hij de voorgeschreven lengte van de preek aan. De dominee kon zien of hij een beetje moest voortmaken, of dat hij er eerder nog een eindje aan vast moest breien, en de gemeente kon zien hoe lang het nog duurde voor het eind in zicht kwam.

DSC04710

Via Blije bereiken we, langs boerenwegen en onderhoudspaden met aan elke horizon een kerktoren, de Waddenzee. De kwelder ligt lui in de zon tegen de dijk uitgestrekt. We zien de veerboot de route naar Ameland zoeken. Ameland zelf zien we trouwens ook duidelijk liggen, het is een heldere dag en zó ver is het niet, hemelsbreed. De grasdijk waarover we lopen, wordt bevolkt door schapen met hun al flinke lammeren, modern met de spuitbus toegetakeld. Erg florissant zien ze er niet uit, we zien meerdere hinkepoten en kneuzen waarvan we maar zorgelijk hopen dat daar naar om wordt gekeken. De dijk laat zich er niet over uit. Die reikt slechts ongenaakbaar naar zover het oog kan zien. En waarschijnlijk nog wel verder ook. Wij haken na een tijdje af, en nemen de afslag naar Ternaard.
Op het terras van de Waard van Ternaard krijgen we dan gezelschap bij de koffie, van een meneer met een petje op het zweterige haar, een vettige bril en een halve liter bier die zeker niet ter plaatse is gekocht. Het laat zich vermoeden dat het ook niet zijn eerste is vandaag. Dat de man niettemin op het toch redelijk deftige terras getolereerd wordt, met zijn in geen enkele Nederlandse uitspanning toegestane meegebrachte consumptie, verklaren wij uit zijn levensverhaal, waar hij ons met hinkstapsprongen door rond leidt. Hij schuift er zijn stoel voor bij aan ons tafeltje, dat praat wat makkelijker, aldus onze gastheer. Zo leren wij dat hij onbezoldigd klusjesman is bij de Waard van Ternaard. Vandaar. We leren ook dat de waard van de Waard van Ternaard graag kookt met lokale produkten. Dat hij er ook niet tegenop ziet aangereden gevogelte of anderszins verongelukt wild of boerderijdier een tweede leven op de menukaart te geven. Dat hij bij voorkeur ook álles van het dier gebruikt om de borden te vullen, en waarom niet. Hij vertelt ons over zijn Braziliaanse ex-vrouw, die nog altijd in Ternaard woont en waar hij warme contacten mee onderhoudt. Ook blijkt hij warme contacten te onderhouden met de plaatselijke jeugd, die ook hier maar wat bij elkaar klit, op het plein, met minirok en bietelhaar, en die hij dus regelmatig een avondje thuis ontvangt. Met gratis bier en cola, en zijn begrijpend, meevoelend gezelschap. En dat daar over gepraat wordt, in het dorp. En dat hij dat heus wel weet, maar dat hij zich daar dus niks van aantrekt. Wij zeggen dat we het snappen, en daar is geen woord aan gelogen. Altijd leuk, zulke close encounters, ze kleuren de dag. Maar het tweede kopje koffie, dat houdt de Waard van Ternaard van ons tegoed. We moeten nog een heel eind rijden, voor we thuis zijn. Zullen we maar zeggen.

Wandelen naar de twaalfde stad

cropped-header-201706-4.jpg

Een etappe van de Elfstedentocht als wandeling, van Franeker naar Berlikum, gelopen op donderdag 8 juni 2017

Het toeval bepaalde dat ik een dag in Franeker terecht zou komen, met ruim de tijd voor een wandeling. Op internet diende zich toen de tiende etappe van de Elfstedentocht aan, van Franeker naar Berlikum, als wandeltocht, met net de goede afstand. En zo is het gekomen.
Eerlijk gezegd heb ik niet zo heel veel met de Elfstedentocht. Sorry, zal ik er maar bij zeggen, voor de zekerheid, want dat is het meteen een beetje: er hangt voor mij ongeveer hetzelfde hysterisch nostalgisch oud Hollandsch VOC sfeertje omheen dat het Sinterklaasfeest inmiddels tot een onverteerbaar nationaal ijkpunt heeft gemaakt. Met nuance, een opgetrokken wenkbrauw of een relativerende kanttekening maak je in dat boze witte wespennest al snel vijanden voor het leven. Maar goed, ik overdrijf, uiteraard, dat weet ik heus wel, en in juni zal het nogal meevallen, heb ik dan maar gedacht. Al blijft het uitkijken natuurlijk.

DSC09217

Omdat ik mijn wandeling niet, als voorgeschreven, bij het station begin maar bij het planetarium, ik van daar af de kaart verkeerd lees en op zoek naar de omschreven route wat richtingloos door het oude centrum van Franeker loop te dwalen, ontdek ik dat het eigenlijk doodzonde is dat je vanaf het station min of meer met de kortste weg van de stad wordt weggeleid. Franeker is een prachtig stadje, waar de oud Friesche geschiedenis op elke straathoek trots vanaf straalt. Gemiste kans dus. Oude klinkerstraatjes en grachten, bruggetjes, musea, kerken en monumentale panden en gevels.. een groen bolwerk om de oude stad.. ik zie het nu per ongeluk, omdat ik geen kaart kan lezen en geen richtinggevoel heb, maar het zou zeker de moeite waard zijn deze wandeling ook officieel met een uurtje uit te breiden.
Als je dan de Elfstedentocht gaat lopen, verwacht je een beetje de hele dag het water links of rechts te hebben liggen. Een tocht langs wijde vaarten en brede sloten, klunend over jaagpaden en schelpenpaadjes door het uitgestrekte Friese land en langs pittoreske dorpsgezichten. Fantaserend eventueel van winterse heroïek. Van Franeker naar Berlikum is dat niet precies het geval, zal ik maar vast verklappen. Niet dat dat verder veel uitmaakt, het wordt geen vervelende wandeling – een wandeling is eigenlijk nooit echt vervelend, als je maar uit je doppen kijkt en zolang het niet regent – maar echt spectaculair wordt het ook niet. Nee. Daarvoor zit er teveel asfalt in de route. Vóór je de A31 eindelijk niet meer ziet of hoort, loop je al bijna weer op het betonnen fietspad langs de druk en hard bereden Dongjumerweg. Alleen het laatste stuk, van Ried naar Berlikum, langs het Berlikumer Wijd, is aangenaam autoloos.

DSC09244

Langs het bolwerk en via een charmant onaangeharkt boerenerf laat ik Franeker achter me. Aan de horizon kondigt zich al snel Schalsum aan, met een bescheiden kerktorentje dat maar nauwelijks boven de bomen uitsteekt. Ik vind het altijd aardig om zo’n kerkje wat te bekijken en verheug me er vast op. Vreemd genoeg weet de routebeschrijving mij er echter op slinkse wijze omheen te leiden. Pas als ik Schalsum aan de andere kant alweer uitloop zie ik verdorie wat er gebeurd is, maar om er nou voor terug te lopen vind ik ook weer zo wat. Des te vreemder is het wanneer je bedenkt dat dit stuk van de route het Jabikspad volgt, een pelgrimsroute nota bene. Het zal een kerkje van een ketters geloof geweest zijn.
Met de wind en daarmee het geraas van de A31 in de rug loop ik verder richting Boer. Verderop, bij een kippenbruggetje, of een tille, zoals het hier ten lande schijnt te heten, staat een busje geparkeerd. De deuren en de klep staan open, het is duidelijk het busje van een of ander onderhoudsbedrijf. Er hoort een in rode overall gestoken man bij, zie ik nu, en er klinken duidelijk verontrustende werkgeluiden vanaf het bruggetje. Even vrees ik het ergste, maar de man in rode overall vertelt mij vriendelijk en breeduit glimlachend dat hij alleen wat planken en balken hoeft te vervangen. Om nut en noodzaak van zijn klus te onderstrepen houdt hij een stuk brugleuning omhoog waarvan de uiteinden inderdaad hun beste tijd gehad hebben. Ieder jaar is er wel iets te vervangen, zegt de man, het staat nou eenmaal buiten, in weer en wind. Maar het zal zijn nut wel hebben, denkt hij, het bruggetje. En voor hem is het allemaal weer werk. Dus. Vandaag en morgen zal hij er nog wel mee bezig zijn, schat hij onverstoorbaar doorglimlachend in. En anders is er na morgen nóg een dag. Ook in Friesland kan het leven goed zijn.
Van de andere kant van het smalle pad langs de sloot zie ik dan een dame aankomen met twee enorme honden van een bedenkelijk merk. Wederom vrees ik het ergste. Ik ben niet dol op honden als verschijnsel. Daar kunnen de honden meestal niet zo veel aan doen, het zijn honden tenslotte, maar hondeneigenaren houden er vaak wat merkwaardige ideeën op na wat betreft beleefdheid en sociale omgang. Zodat je als wandelaar regelmatig in, laten we zeggen, uitdagende situaties terecht komt. Om mijzelf de bek niet open te breken ga ik daar nu niet verder op in en dat hoeft ook helemaal niet want deze dame toont zich een dame, die weet hoe het hoort. Zij lijnt haar honden kort aan en laat ze in de berm zitten tot ik ongehinderd gepasseerd ben. Het kan dus wel, wil ik maar zeggen. Het is niet onmogelijk. Ik heb het zelf gezien.

DSC09281

In het buurtschap Boer staat, zo meldt de routebeschrijving wervend, het oudste stenen woonhuis van Friesland. Een bezoekje waard, had ik gedacht, maar dat had ik gedacht inderdaad. De bewoners van het oudste stenen woonhuis van Friesland houden blijkbaar niet van cultuurhistorische pottenkijkers want dit stukje Fries erfgoed is rondom daadkrachtig aan het oog onttrokken door dikke en metershoge beukhagen, vol in het frisgroene blad. Zou je het willen bekijken, dan zou je daarvoor de privétuin moeten betreden en iets zegt mij dat dat niet op prijs gesteld zou worden. Gelukkig staat daar ook de 12e eeuwse Mariakerk, om troost te bieden. Ossenbloedrood gepleisterd weggedoken achter een bomenrij, op een bescheiden terpje met een overzichtelijk kerkhof rondom. De ingangspartij trekt nogal de aandacht. Door zijn nogal barokke vormgeving – pilasters  met kleurrijke krullen en versiersels en een door brullende leeuwen geflankeerd timpaan – lijkt die niet helemaal bij de kerk te horen. Dat blijkt ook te kloppen gelukkig. Het is de uit 1664 stammende toegangspoort van de voormalige Elgersmastate, die later, toen de state werd afgebroken, aan de kerk is vastgeplakt. Vroeger hadden ze geen welstandscommissies die daar moeilijk over deden waarschijnlijk en ach, als het lang genoeg is zoals het is gaat het vanzelf zo horen. Tijd heelt alle wonden. Hoewel dat voor het kerkje dat ik in Ried aantref misschien minder het geval is. Daar zijn aan de achterkant, waar je het niet ziet zal men gedacht hebben, twee zulke lelijke vierkante bakstenen puisten tegenaan gemetseld dat de tijd er zijn handen vol aan zal hebben.

DSC09350

Langs het Berlikumer Wijd loop ik dan richting Berlikum. Waarvan de kerk, omdat we het daar nu toch over hebben, zich al lang van te voren aan de horizon aandient. Een indrukwekkende koepel met een gezellig extra koepeltorentje erop waarvan ik later op internet leer dat dat een lantaarn heet. Gebouwd in 1777. Een staartje barok in Berlikum. De twaalfde stad, zoals ze zich zelf noemen, omdat er, getuige een toeristische folder, aanwijzingen zouden zijn dat men er vroeger stadsrechten heeft gehad die later om onbekende redenen zouden zijn verlopen. Het had, begrijp ik, maar heel weinig gescheeld of we hadden ons ieder jaar weer vreselijk druk gemaakt over een Twaalfstedentocht.