Meeuw

IMG_6006

 

Bij mijn dagelijks bedoelde ochtendwandeling werd ik vandaag ingehaald door een meeuw. Wat voor meeuw het precies was, daar waag ik me niet aan want het was waarschijnlijk een andere, maar ik vermoed de Larus Canus. Het beest vloog laag over me heen, maakte een capriool en landde een tiental meters verderop op het asfalt. Daar bleef hij zitten. Toen ik te dicht bij kwam naar zijn smaak trippelde hij een stukje voor me uit, vloog dan toch maar op om nauwelijks twintig meter verder opnieuw te landen. Dit herhaalde zich een aantal keer. Opvliegen, landen, wegtrippelen, opvliegen en weer landen.
Je bent dan geneigd zo’n beest een beetje onbenullig te vinden. Waarom steeds zo’n klein stukje vooruit vliegen? Waarom niet links of rechtsaf de oneindige weilanden in? Veilig achter een sloot. Waar je geen wandelaar tegenkomt, waar je steeds zo lastig voor op moet vliegen. Of als je misschien per se op het asfalt wilt zitten, waarom dan niet de andere kant op gevlogen? Waar de wandelaar al geweest is. Je zou verwachten dat een meeuw dat vanuit de hoogte wel een beetje kan overzien. Dat het gevaar op de grond wel een beetje wordt ingeschat.
Tot je je na een tijdje plotseling afvraagt of het misschien niet zo zou kunnen zijn dat die meeuw nieuwsgierig is naar jou. Dat ie wel op zekere afstand wil blijven, maar je toch eens wat beter wil bekijken. Wat jij er voor eentje bent.
En ik geloof verdomd dat dat het was.
Na vier of vijf keer besloot ik zelf ook eens stil te houden, op precies de kritieke afstand, net vóór het moment van opvliegen. Ik bleef staan. De meeuw bleef zitten. Een tijdje stonden we elkaar zo stilletjes te bekijken. Een tijdje stonden we elkaar áán te kijken, de meeuw en ik. Zo had ik een meeuw nog nooit gezien. Zo had ik een meeuw nog nooit bekeken.
Na deze korte ontmoeting vervolgden we ieder ons eigen weg. Van de meeuw weet ik het niet, maar ik had iets bijzonders meegemaakt.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Advertenties

Graanrepubliek in winterslaap

Laatste etappe van het Nederlands Kustpad, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans, gelopen op vrijdag 29 december 2017

Het wordt een bijzondere dag vandaag. Daar hoeft al niets bijzonders meer voor te gebeuren. Vandaag lopen we het laatste stukje van het Nederlands Kustpad. Een staartje rest ons slechts, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans. Vier jaar geleden stapten we in Hoek van Holland uit de trein voor het eerste stuk naar Den Haag – Zeeland sloegen we over, dat viel niet te bereizen – en meanderend door het leven en de seizoenen liepen we vervolgens in zo’n dertig etappes langs de kusten van Zuid- en Noord Holland, Friesland en Groningen. Met de kop in de wind en de zon op de bol welgemoed langs de rand van het land. Een prachtige wandeling, elke keer weer. Een weblog vol. En vandaag bereiken we dan wat al die tijd onze eindbestemming is geweest. Daar zouden we trots op kunnen zijn, zou dat in onze aard hebben gelegen. Maar goed. Vandaag komt een periode ten einde. Zo voelt het ook. Laten we er maar geen drama van maken, er valt nog genoeg te wandelen.

DSC01534

Het is 29 december. Ook het jaar is bijna af, de kerst zit er al op. Het is koud maar onbewolkt. De zon staat laag en werpt lange, lange schaduwen. Wanneer we in Kostverloren van de weg af landinwaarts buigen, strekt zich een oneindig niets voor ons uit. Kale akkers, lege velden. Door geen huis, geen schuur, geen boom of struik onderbroken leegte tot aan de in koude nevelen gehulde einder. De graanrepubliek in winterslaap. Lange rechte stukken, door een modderig weiland langs een sloot. Onder de blauwe hemel. In de zilveren zon.
Goed, de graanrepubliek mag in winterslaap zijn, ter sprake komt hij toch, wanneer we Nieuwe Beerta bereiken. Beiden lazen we het boek van Frank Westerman, over de soms grimmige geschiedenis van deze streek. Over de enorme tegenstellingen en verschillen tussen landeigenaar en landarbeider. Tussen arm en rijk. Een geschiedenis die zich niet afspeelde in een duister, ver verleden maar gewoon in de twintigste eeuw. Gisteren. Recente, vaderlandse geschiedenis. Zo recent dat het lijkt of we er hier, in Nieuwe Beerta, de nog verse sporen van kunnen zien.

DSC01562

We lopen binnen door een verzameling nogal verwaarloosde, verveloze huizen, barakken bijna, dichtgetimmerd hier en daar, met rommelige, onverzorgde erven waar een wat armoeiig, vrijbuiterig sfeertje omheen hangt. Op de grens van die bebouwing, aan de hoofdweg, tegen de achtergrond van nog meer lege graanvelden, staat een kerkje op zijn wierde zich van geen kwaad bewust te zijn. Links en rechts de hoofdweg afkijkend zien we dan, zover het oog reikt, op riante afstand van elkaar, kastelen van huizen staan. Paleizen met torentjes, balkons en erkers en serres, gelegen in onafzienbare tuinen. Hier hebben ze dus gewoond, de herenboeren. Temidden van hun rijk bezit, onder het goedkeurend oog van dominee en de Heere. Rijk geworden van het graan, de vruchtbare bodem, de stijgende graanprijzen en de laag gehouden lonen.
Op een informatiebord lezen we van de landarbeidersstaking van 1929, met als inzet een eerlijker loon. Een staking die door het gezag als communistische opstand werd gezien en met harde hand werd neergeslagen. Arbeiders die om hun goed recht ontslagen werden, hun huis uit werden gezet en in het gevang belandden. Landeigenaren die zich onverzettelijk toonden, geen dubbeltje méér wensten te betalen en kerk en staat behaaglijk achter zich wisten. Zelfs op de verderop gelegen begraafplaats zijn achter de fraaie toegangshekken de verschillen te zien, menen wij. Zeer eenvoudige stenen van cementbeton en sobere graven steken karig af tegen rijkversierde, gebeeldhouwde en ruim opgezette zwart natuurstenen familiemonumenten. Hoe het er in het hiernamaals inmiddels voor staat, dat weten we niet. Maar we maken ons geen illusies.
We lopen nog een eindje verder door het barre land, volgen even een spoorlijntje zonder bovenleiding en staan dan, na vier jaar wandelen, vrij plotseling in Bad Nieuweschans. Voorheen heette dat gewoon Nieuweschans – denk maar aan Jans Pomerans, die er vandaan komt – maar omdat men heeft besloten zichzelf in de wellnessbusiness op de kaart te zetten is er een jaar of tien geleden het Duits te interpreteren Bad aan toegevoegd. In de hoop dat de toeristen daar in groten getale op af zouden komen.

DSC01641

Om onze wandeling ook echt en wel zo leuk tot het allerlaatste eind te volbrengen, lopen we door tot aan de Duitse grens. Dat pakt onderweg heel aardig uit want zo komen we ook terecht op een ruim, wat ovaalvormig plein dat enige historie doet vermoeden, met statige oude gevels en een piepklein met leisteen afgewerkt torentje, uitgestald rond een zeer langgerekt grasveld. Terwijl we wat rondkijken en fotograferen en ons afvragen of dat grasveld misschien ooit water is geweest dat werd gedempt, een haventje zelfs misschien, en of dat torentje nou wel of niet van een kerkje is, stopt er een meneer op de fiets die zich niet zonder trots bekend maakt als journalist, redacteur én uitgever van de plaatselijke online nieuwsdienst en ons genoeglijk voortbabbelend wegwijs maakt in Nieuweschans. Zo weet hij te vertellen dat het plein waar we staan in vervlogen tijden een exercitieterrein is geweest, we spreken dan van begin 17e eeuw, het staartje van de Tachtigjarige Oorlog. Nieuweschans was toen een juist opgeleverd vestingstadje als Bourtange en huisvestte in de bebouwing om ons heen enige compagnieën soldaten en kanonniers, zijstraten van het plein heten nog altijd eerste en tweede kanonnierstraat. Het torentje is van 1631 en hoort niet bij een kerkje maar completeert de Hoofdwacht, het gebouw waarvoor ieder uur ceremonieel de wacht werd gewisseld.
Verder is er, in tegenstelling tot wat wij in de gauwigheid menen te hebben gezien, geen sprake van leegstand in Nieuweschans, vertelt de man. Eerder van woningnood. Jongeren trekken weg uit het dorp omdat er niet voldoende geschikte woonruimte is. Werk is er genoeg, bij de bronnen van Fontana en de strokartonfabriek. Probleem is dat er wegens verordeningen ook niet echt gebouwd mag worden, aldus nog altijd onze correspondent, maar, weet hij ook, daar gaat verandering in komen. Er wordt gewerkt, aan Nieuweschans. Economische prikkels staan op stapel. Ook de oude locomotievenremise, waar we bij binnenkomst langs zijn gelopen, wordt straks heringericht en zal als Centrum van de Graanrepubliek ruimte gaan bieden aan allerlei hippe initiatieven rond het thema graan, zoals een bierbrouwerij, een bakkerij en restaurants waar gekookt wordt met lokale producten. Nieuweschans, nogmaals, wordt op de kaart gezet. Op het randje ervan misschien, maar niettemin.

DSC01632

Aan de grens met Duitsland dan, ons eindpunt, worden we verwelkomd door een dame met twee honden. Met enige bewondering in haar stem en blik constateert ze dat wij Het Pad lopen. Daar heeft zij diep respect voor, laat zij ons weten. We nemen haar compliment met gepaste bescheidenheid in ontvangst al vinden we diep respect wat overdreven, we hebben tenslotte niet eens echt het héle pad gelopen maar zijn in Hoek van Holland gestart. Als we even later een bord bestuderen waarop onze wandeling in lijnen en stippen op een kaart staat afgebeeld, zien we dat het Nederlands Kustpad deel uitmaakt van een veel groter geheel, een wandelroute namelijk die zich uitstrekt van zuidelijk Spanje tot aan St Petersburg toe. We vragen ons voorzichtig af of de dame ons niet verkeerd heeft begrepen. Hoe dan ook blijkt eens te meer dat, al staan we hier aan het eind van deze tocht, er nog voldoende te wandelen over blijft. Waarvan akte.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Carel Coenraads Zwelpasta

cropped-header-kostverloren.jpg

Van Termunterzijl naar Kostverloren, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 16 december 2017

In het visrestaurant in Termunterzijl, waar wij onze toevlucht hebben gezocht, maakt men zich op voor een lange, drukke dag. Er wordt gesjouwd met emmers ijs, de vis wordt in de vitrine uitgestald en ondertussen wordt de loodgieter gebeld voor een dakgeute die slim lekt. Buiten regent het nog hard genoeg voor een tweede cappuccino. Net als de eerste wordt die geserveerd met twéé koekjes én een hartje in het schuim. Dat blijkt zelfs genoeg om de lucht wat op te klaren en de rest van de dag zullen we het bijna helemaal droog houden, al zien we ook duidelijk dat dat niet voor de wijde omgeving geldt. Langs de horizon, die hier rondom ons is, zien we vele donkere luchten voorbij trekken en hun zware lading lozen. Soms krijgen we er een afgewaaide vlaag van mee, maar het deert ons niet. Sterker nog, met mooi en zomers strakblauw weer zou het wel eens saai kunnen zijn geworden op deze kilometers lange, kaarsrechte grasdijk met links de zee en rechts de polder, beiden schier oneindig uitgestrekt. Maar vandaag, met ieder moment een andere lucht, en nieuwe dreigende, of minder dreigende maar altijd schilderachtig voortgejaagde wolkenpartijen, in vele kleuren grijs en blauw, tot bruin en zwart aan toe, met regenbogen, of flarden daarvan, of aanzetten daartoe, en telkens ander licht dat het landschap van kleur en sfeer doet veranderen.. vandaag verveelt het geen moment. Het is een fascinerend schouwspel dat we krijgen voorgeschoteld. En als het aan het eind van de dag dan toch even recht boven ons losgaat en de regen ons koud en scherp in de ogen striemt, nou ja.. dan moet dat maar. Dan is het het waard geweest.

DSC01470

In Termunten lopen we rond de Ursuskerk. We hebben er al veel gezien in Groningen, van deze kleine, middeleeuwse, bakstenen kerkjes die op hun wierde boven het dorpje uit staan te steken, maar we krijgen er niet snel genoeg van. Ook dit kerkje is ronduit schitterend, met siermetselwerk en smalle hoge ramen in een gotisch aandoende gevel. In de zij- en achtergevel zit een hele rij laaggeplaatste bloemvormige vensters. In Oldenzijl werd van een dergelijk venster gezegd dat het een hagioscoop zou zijn, een gat in de muur waardoor mensen die de kerk niet mochten betreden buiten toch de mis konden volgen. Dat dat hier ook het geval is geweest lijkt onwaarschijnlijk, daar zijn het er toch teveel voor. Er zouden meer mensen buiten staan dan binnen zitten. Zó hardvochtig kan de Heer toch niet zijn.
Eenmaal op de dijk en op weg zien we de toren nog lange tijd als een baken aan de horizon. Natuurlijk zijn de windmolens hoger, de fabriekssilhouetten en de rook brakende schoorstenen groter, toch heeft het kerkje, vinden wij, meer gezag. Dat komt door de ouderdom, filosoferen wij. Het idee dat mensen dit torentje al honderden jaren geleden boven hun vlakke, lege land zagen uitsteken ontroert ons op één of andere manier. Later blijkt dat we hier iets te romantisch door de bocht gaan omdat de toren die ons nakijkt pas in 1951 werd aangebouwd. Maar goed, het ging om het idee. En in de Middeleeuwen stond er een andere, een losse toren naast de kerk, dus helemaal flauwekul is het ook niet.
Even boven Termunten stuiten we, niet verwonderlijk langs het Kustpad, niet voor het eerst op de Atlantikwall. Rechts in het land zien we wat lage, bakstenen barakken staan, een verlopen bunker, links aan het water een betonnen geschutssokkel. Een en ander maakt onderdeel uit van de voormalige Batterie Fiemel, die bedoeld was om de haven van Emden, aan de overkant, te verdedigen tegen geallieerde luchtaanvallen. Het blijkt dat hier in de laatste dagen van de oorlog nog zwaar is gevochten en dat dit stukje Groningen het laatst bevrijdde stukje Nederland is geweest.


DSC01556

Bij de punt van Reid maken we een scherpe bocht naar rechts om onze weg te vervolgen langs de Carel Coenraadpolder, een naam die tot de verbeelding spreekt en ons vrolijk terug doet denken aan Koenraads Kleefpasta, uit de verhalen van Pippi Langkous, hoewel hij genoemd is naar de toenmalige commissaris van de Koningin, Carel Coenraad Geertsema. De polder ligt in de zogenaamde graanrepubliek, waarover wij het gelijknamige boek van Frank Westerman lazen. Ons wandelboekje rept van een Amerikaans aandoende grootschaligheid: een gebied van grote en weidse akkers, zonder verstedelijking en alleen hier en daar een boerderij. We zien wat er bedoeld wordt, de sky is big inderdaad, maar we lopen op een dijk, links is de zee en rechts wordt het land ook weer in vakken opgedeeld door een netwerk van binnendijkjes, dus het is wel Amerikaans op zijn Hollands. Waar verder niks mis mee is trouwens. Deze Groningse polders waren meteen zó vruchtbaar dat de toch waarschijnlijk niet onaanzienlijke kosten van de landaanwinning er met de eerste de beste oogst al uit waren. We vermoeden dat het plaatsje Kostverloren, waarvan we ons dat al afvroegen, daar zijn naam aan te danken heeft. En van intrigerende namen gesproken, vlak ernaast ligt Hongerige Wolf. Waarom dát zo heet wordt uitgelegd op  het weblog Groninganus. Wat latijn is voor ‘hij die van Groningen komt’. We zeggen het er maar even bij.

DSC01537

Op de dijk ondertussen treffen we een bijzondere paddenstoel. Een wat pokdalige fallus is het, die zich licht gekromd zo’n vijftien centimeter uit het gras verheft, wit en slijmerig. Een echte hoed heeft hij niet, hij is hooguit wat afgeplat van boven. We hebben geen idee wat het is, maar dat hebben we eigenlijk nooit. Bij exemplaren die we verderop tegenkomen zien we een soort gelobde steel, maar dat helpt niet. We nemen wat foto’s om de zaak thuis te determineren. Dan begint het ons op te vallen dat deze paddenstoel altijd alleen staat. En altijd precies bovenop de dijk. In het midden, ook nog. En, nu we de boel eenmaal zijn gaan wantrouwen, eigenlijk ook steeds ongeveer op dezelfde afstand van elkaar. Dit zijn geen paddenstoelen besluiten we dan, en recalcitrant trappen we er één omver voor nader onderzoek. Het blijkt een soort klei te zijn die op gezette afstanden in een gat in de dijk is gespoten. We vermoeden dat er grondmonsters zijn genomen en dat de gaten zijn afgedicht met klei. Een lezing die later wordt bevestigd door het waterschap Hunze en Aa’s, dat we met de vraag benaderen. Het gaat om een onderzoek naar de veiligheid van de dijk. En de klei die is gebruikt blijkt zwelklei te heten. Zwelklei. Dat moet wel bijzondere klei zijn, die onze dijken zo heldhaftig waterdicht houdt. Onze verbeelding dwaalt dan toch weer af naar de wonderbaarlijke Kleefpasta van Koenraad. Zwelklei. Carel Coenraads Zwelpasta.

DSC01577

Dan komen we bij het Ambonezenbosje, zoals het in de volksmond heet, want officieel schijnt het naamloos te zijn, al rept wikipedia dan weer van Dollard Süd en staat het op de bordjes weldegelijk aangegeven als Ambonezenbosje. Goed, als bos mag het inderdaad geen naam hebben, dit plukje bomen, maar het staat er niet voor niets. Het is ooit neergezet om de herinnering aan wat er was uit te wissen. Die het nu, door er te zijn, juist in leven houdt, zou je kunnen zeggen. Een stukje vaderlandse geschiedenis dat in 1923 begint, het geboortejaar van deze polder. Voor de arbeiders – te werk gestelde werklozen – die het zware werk van de landaanwinning verrichtten, werd hier een handvol barakken neergezet waarin zij onder waarschijnlijk niet al te florissante omstandigheden konden verblijven. Na de oorlog werden dezelfde barakken gebruikt om NSB’ers in op te sluiten, naar verluidt onder een schrikbewind waar de gemiddelde Duitse kampleiding zich eerder niet voor zou hebben geschaamd. Tussen 1953 en 1961 tenslotte deed het kamp dienst als huisvesting voor driehonderd Ambonezen die in onze koloniale oorlog, pardon, politionele acties als KNIL-militairen aan Nederlandse zijde hadden gevochten. Dat geeft toch te denken, dat je mensen die voor jouw land gevochten hebben wegstopt in dezelfde barakken waarin je landverraders hebt opgesloten gehouden. Barakken die in 1923 effe snel werden neergezet om uitgebuite arbeiders in op te hokken. Dat de Ambonezen in de allerverste, meest verlaten uithoek van ons land werden opgevangen geeft ook te denken. Temeer daar ze er in 1961 met politiegeweld weer werden verdreven met het argument dat ze moesten integreren. Er wordt in dit koninkrijk vaak nogal hoog van de toren geblazen over normen en waarden, en het eigen blazoen wordt liefst als brandschoon gezien, maar het zou ook wel eens kunnen dat we hier niet zo heel veel beter zijn dan de rest van de wereld. Dat zou best in herinnering mogen worden gehouden. Het is goed dat het bosje dat doet.

DSC01636

Aan het eind van de polder, waar we landinwaarts trekken, bij de laatste boerderij van het laatste stukje Nederland, wordt ook iets in herinnering gehouden. Ter gelegenheid van de dijkverzwaring werd hier in 1987 een kunstwerk geplaatst van Arie Berkulin. De titel van het beeld is Hongerige Wolf, naar het aanpalende plaatsje waarschijnlijk, al kan natuurlijk ook de zee worden bedoeld. Het bestaat uit een tiental rechtop in een patroon in de grond gezette zandzuigerbuizen die, mag je aannemen, gebruikt zijn bij de herdachte dijkverzwaring. Door er al lopend naar te blijven kijken verandert voortdurend de aanblik en het aantal buizen dat je ziet doordat ze zich voor het oog telkens achter elkaar verschuilen en weer tevoorschijn springen, al naar gelang. De kunstenaar wil hiermee constante beweging suggereren, lezen wij. Omdat de zee ook voortdurend in beweging is, kun je denken. En het land uiteindelijk ook. Het hele leven. Doordat het beeld op een aarden wal staat, een terp als het ware, refereert het naar ons idee ook aan de kleine Groningse kerkjes die overal dapper stand houden, tegen alle beweging in. Of de kunstenaar dat óók bedoeld heeft weten we niet, maar dat is het leuke van kunst: je mag het helemaal zelf weten, wat je erin ziet en wat je ervan vindt. Wij vinden het een mooi en krachtig beeld.
De hele dag dat wij hier wandelen hebben we om ons heen knallen gehoord die we na verloop van tijd in verband zijn gaan brengen met de links en rechts voor ons wegschietende hazen. Hier worden voorbereidingen getroffen voor een zalig kerstfeest. Het zal wel schijnheilig en weekhartig zijn, maar we beklagen de hazen. Het komt ons voor dat ze geen schijn van kans hebben in dit lege, lege knollenknollenland, al proberen we ze wel te waarschuwen. Vlak voor Kostverloren zien we tenslotte twee jagermannen die hun auto in het doorweekte gras hadden geparkeerd en hem nu niet meer uit de blubber krijgen, al is het slechts een eenvoudig Berlingootje. Daar moet een toevallige voorbijganger met een burgermans suv aan te pas komen, om dat weer op het droge te krijgen. Tja, denken wij.. wel op onschuldige haasjes schieten, maar niet je eigen auto uit de prut kunnen duwen.
Verderop blijkt onze auto ook vast te zitten in de prut.
Maar wij wandelaars, wij staan ons mannetje.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

 

Industriële vergezichten

cropped-header-20171209-21.jpg

Van Tjamsweer naar Termunterzijl, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 1 december 2017

Logistiek is het gekkenwerk natuurlijk, maar we hebben het in ons hoofd gezet dat we het Nederlands Kustpad nog dit jaar willen afronden. Een race tegen de klok. Niet zozeer omdat het jaar bijna is afgelopen, we schrijven december, maar vooral omdat het laatste stukje Groningen met een reistijd van ruim twee-en-een-half uur nou niet direct naast onze respectievelijke deuren ligt en het ’s middags vóór vijven al donker is. We schrijven niet voor niets december. Niettemin starten we de dag optimistisch onder de kerktoren van Tjamsweer. Het is koud, er ligt zelfs een vliesje ijs op de sloot rond het kerkhof, maar de zon schijnt ook, het is een kraakheldere, veelbelovende dag.

DSC02962

Tjamsweer lijkt niet heel veel meer dan haar kerk te zijn want zodra we de weg zijn overgestoken lopen we Appingedam binnen. Een plaatsnaam die, we durven het bijna niet te zeggen in deze tijden van tweedracht en kloofdenken, bij ons voormalig randstedelingen geen grootse beelden oproept. Dat blijkt ten onrechte. Appingedam heeft een schitterend historisch stadsgezicht, met krommende straatjes en stokoude huisjes, karakteristieke geveltjes, de grootste kerk uit de Groningse ommelanden naast een raadhuis uit 1638 op het plein, een eigen museum en hangende keukens boven de gracht. Een plaatje.
Bij de koffie krijgen we aanspraak van de bediening, die ons met toenemende verbetenheid uit de doeken doet hoe de andere kant van de medaille eruitziet, in mooi Groningen. Huizen die permanent in de stutten staan, telkens opnieuw scheuren en langzaamaan onverkoopbaar zijn geworden. De frustratie daarover, over hoe daarmee om wordt gegaan, is zeer voelbaar. Onze machteloosheid moet ook te merken zijn want na enige tijd wordt overgeschakeld op het weer, dat heerlijk is, en kunnen we veilig de aftocht blazen.

DSC03005

Voordat Delfzijl het overnam was Appingedam, in een economische bloeitijd, een stad van enige industriële betekenis, lezen wij later op internet. Met onder meer een steenfabriek, een strokartonindustrie en een kalkoven. Even buiten de oude stad, aan het Damsterdiep, komen we daarvan een overblijfsel tegen. Industrieel erfgoed, mogen we aannemen. Een witgepleisterd kantoorgebouw, dakpannen, een rood bakstenen fabriekshal met zo’n iconisch zaagtanddak, een bakstenen schoorsteenpijp, een trapgeveltje en eenvoudig, wat hoekig siermetselwerk. Honderd jaar geleden zal het een indrukwekkend groot complex geweest zijn. Vandaag, afgezet tegen wat we verderop rondom Delfzijl nog te zien krijgen, valt vooral de menselijk maat op. Hier werd, leert internet ons, tussen 1907 en 2004 de zogenaamde Bronsmotor geproduceerd, een vinding van de Groningse bouwvakker Jan Brons. Een zuinige maar krachtiger variatie op de dieselmotor, begrijpen we ervan. Zware motoren, toegepast onder meer in de scheepvaart en in gemalen.
In Delfzijl zien we dan voor het eerst weer de zee, dat wil zeggen, de Eems. Het is eb. Het kost enige moeite de zeedijk te bereiken, omdat Delfzijl zich opmaakt voor de toekomst, blijkens een metershoog banier, wat in het heden de gebruikelijke rommel geeft. Her en der rijdt zwaar materieel, overal liggen hopen zand en steen en staan bouwhekken en borden die de vrije doorgang ontmoedigen. Rechts wordt een jaren zeventig flat duurzaam afgebroken. Esthetisch gezien lijkt het ons geen groot verlies, maar in de Volkskrant lezen we later in de week een reportage over de laatste bewoners, die er veertig jaar met veel plezier hebben gewoond. Zijn we toch weer elitair bezig verdorie. Belangrijk argument voor sloop was trouwens, dixit de Volkskrant, dat het gebouw niet voldoende aardbevingsbestendig was. Waarmee de nieuwe Groningse werkelijkheid dus andermaal om de hoek komt kijken.

IMG_3800

Over de kruin van de zeekering, een smal betonnen pad met aan weerszijden een borstwering, lopen we in ganzenpas om Delfzijl heen, een fantasieloze omgevallen blokkendoos met veel geparkeerd blik. Voor de charme van Delfzijl moeten we toch echt aan de andere kant zijn. Daar zien we de Eems in het blauw oplossen, één wordend met de rookpluimen van Eemshaven in de verte, in monochrome aquarellen. En daarna windmolens, kranen en ander havengeweld dat scherp en kleurrijk afsteekt tegen de blauwe hemel. Aan de overkant ligt Duitsland. We passeren een aantal zijlen, kolkende verbindingen tussen de zee en het land, lopen langs de scheepswerven van Farmsum, via de groene zeedijk onder een rechtlijnig netwerk van glimmende pijpleidingen door, langs vreemde bouwsels op poten en een doods pekelbassin richting de industriële vergezichten die Groningen Seaport verder nog in petto heeft. De chemische industrie, de aluminiumfabriek, de vuilverbranding. Natuurschoon komt er weinig aan te pas, deze etappe, maar goed, dat hoeft van ons ook niet altijd. Wij zijn de beroerdsten niet en ook zeker in staat te genieten van het schouwspel dat ons wel geboden wordt. De laaghangende zon deelt zachtmakende, sepia-oranje-achtige kleuren uit aan al die grote en vreemde gebouwen, al dat ingewikkelde en dampende en stomende technisch vernuft, aan de inmiddels dreigende wolkenluchten erboven en zet deze hele onheilspellende wereld ondanks alles in een romantische gloed. Torenhoge windmolens en dikke rookpluimen worden mysterieus aangelicht. Als we omkijken zien we de vuilverbranding afsteken tegen een lucht die veranderd is in een vuurzee. Het is een spectaculaire aanblik. Wat we allemaal inademen, daar denken we dan maar liever even niet aan.

IMG_3760

Een keerzijde is er ook, aan al deze futuristische schoonheid. De industriële vergezichten die Delfzijl het Rotterdam van het Noorden zagen worden, hebben ook slachtoffers gemaakt. Drie complete dorpen die hier eeuwen hebben gelegen zijn aan de vooruitgang opgeofferd. Van Heveskes zien we alleen het kerkje nog staan, aan de overzijde van de Oosterhornhaven. Een eenzaam overblijfsel van een oud verleden. Een anachronisme, nietig en reddeloos verloren tussen de boven haar uit torenende kathedralen van de chemische industrie. Van Oterdum zijn alleen de grafstenen bewaard gebleven. Het dorp zelf is, met kerk en kerkhof en al, afgebroken om plaats te maken voor verzwaring van de zeewering en uitbreiding van het industriegebied. De grafstenen zijn op de dijk geplaatst, als een laatste groet aan het dorp dat hier ooit lag maar door het land werd verzwolgen, om te voorkomen dat het land door de zee werd verzwolgen. Van Weiwerd tenslotte is niet veel méér over dan de wierde waarop het ooit lag. Een wat verwaarloosd kerkhof en een dichtgetimmerde boerderij contrasteren onaangenaam met de intimiderende machinerieën en buizencomplexen die letterlijk tot aan de rand van het dorp zijn opgerukt. Over de wierde ligt een plattegrond van klinkerweggetjes en beukenhaagjes die er zó nieuw en onderhouden uitzien dat ze bijna wel vooruit moeten lopen op de herinrichting van Weiwerd, die op een groot bord aan de weg wordt aangekondigd. Een herinrichtingsplan dat het dorp opnieuw in authentieke stijl wil opbouwen, op de fundamenten die er nog liggen, om er vervolgens kleinschalige high-tech bedrijvigheid in te vestigen. Een brainwierde, moet het worden, waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de omringende chemische- en metaalindustrie, die het plan ook initieerden. Klinkt mooi, en idealistisch. Maar wij lezen ook dat er weinig met de grond gedaan kan worden vanwege de archeologische waarde, met bijbehorende regelgeving. We lezen ook dat de bevolking van Weiwerd jarenlang behoorlijk is gepiepeld, door overheid en ondernemingen. Misleid en aan het lijntje gehouden met valse beloften en niet nagekomen afspraken en uiteindelijk toch verjaagd van de grond waar ze generaties lang woonden. Waar ze ondanks alles niet weg wilden. Grond waar nu, tientallen jaren later, eigenlijk nog steeds niets mee gedaan is. Geschiedenis, is het. Maar het klinkt ons ook razend actueel in de oren.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Groeten uit Grolloo

cropped-header-grolloo.jpg

Groene Wissel 344, Op avontuur in boswachterij Grolloo, gelopen op woensdag 25 oktober 2017

Is het mogelijk een wandeling van, naar en rond Grolloo te maken zonder over Cuby + the Blizzards te beginnen? Nee, zo blijkt dus, hier en nu. En is het niet te flauw boven het verslag van zo’n wandeling dan ‘Groeten uit Grolloo’ te zetten? Ja, eigenlijk wel natuurlijk. Behoorlijk flauw. Al staat daar als excuus tegenover dat Blues Village Grolloo er alles aan doet te zorgen dat zijn beroemde zoon niet onopgemerkt zal blijven. De Godfadder van de Nederblues is alomtegenwoordig. Alle borden en pijlen wijzen naar zijn museum, langs de weg staan spandoeken van opgeblazen foto’s met allen Harry Muskee als bepalend middelpunt en op het asfalt staat zijn songtekst afgedrukt. Appleknockers Flophouse. That’s where we live in. En vanaf de brink ziet het ongenaakbaar bronzen borstbeeld dat het goed is. Enfin, het is een halve eeuw geleden allemaal, maar het blijft een fenomeen, zullen we maar zeggen, Cuby. Al moet ik bekennen dat ik het pas later ben gaan waarderen. In retrospectief. De elpee heb ik nog niet eens zo gek lang in huis. Een krijgertje, ook nog. Ik was meer van Herman Brood.

DSC01277

Goed, terug naar onze eigen tijd. Wat de moderne techniek al niet vermag. Mij baserend op buienradar én weeronline ben ik vandaag van huis gegaan voor een flinke wandeling, in de veilige wetenschap dat, hoe grijs het er ook uit ziet, het de hele dag droog zal blijven. En nu zit ik dus in de auto, op een verlaten parkeerterrein in een ook verder uitgestorven Blues Village Grolloo op mijn telefoontje te turen, terwijl het roffelt op het dak en het water langs de beslagen ruiten stroomt, om te kijken of het al droog is. Hoe deden we dat vroeger toch ook weer? Als het schermpje zegt dat het droog is ga ik nog op pad ook, de capuchon op tegen de regen. Appleknockers Flophouse, it’s a place in the sun.
Het zal het twijfelachtige weer zijn, maar ik ben alleen op de wereld vandaag, zo lijkt het. Geen kip, kom ik tegen. Geen hond. Geen mens. Erg vind ik dat niet, zo loopt er niemand in mijn uitzicht en op honden onderweg ben ik toch al niet dol. En ik hoef niet na te denken over hoe er gegroet moet worden. Dat blijkt namelijk, wandelend in Nederland, overal anders te zijn. Het is moi of hoi of hé of nog iets anders. Veiligheidshalve houd ik het meestal op goeiedag, dat kan niet verkeerd gaan. Tenminste dat dacht ik. Nu er toch plotseling iemand opduikt, in strakke zuurstokkleuren, die mij groet met ‘goeiedag’, raak ik zo van mijn apropos dat mijn tekst hier wordt ingepikt, dat ik er bij mezelf een verbouwereerd, alles dooreen verhaspelend gmweûh uit hoor komen. De man zal zich de rest van de dag hebben afgevraagd waar ik in vredesnaam vandaan kwam.

Verbouwereerd ook trouwens omdat het niet klopt met het door mij in de loop der jaren proefondervindelijk vastgestelde systeem van groeten. Mensen in zuurstokkleuren groeten geen wandelaars, in dat systeem, die hebben het daar te druk voor. Voor mensen in zuurstokkleuren op fietsen geldt dat nog sterker, die wanen zich van een hogere orde en nemen zelfs geen wandelaars waar. Wandelaars groeten iedereen, maar worden alleen teruggegroet door andere wandelaars, in de meeste gevallen. In uitzonderlijke gevallen ook door fietsers zonder zuurstokkleuren en ruiters. Dit systeem geldt alleen voor in de provincie. In randstedelijk gebied wordt in principe niet gegroet. Al passeer je elkaar op een pad van een halve meter breed en moet je voor elkaar de berm in, oogcontact wordt vermeden en ieder vervolgt het eigen gesprek of de eigen gedachtegang. Groeten wordt hier ervaren als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarom afgeraden.

DSC01297

Even buiten het beroemde dorp loop ik boswachterij Grolloo in. Uitgesproken koddig is het verzoek bij het betreden van de boswachterij de mobiele telefoon uit te zetten, in verband met de radiotelescopen van de sterrenwacht. Ik vraag me in alle vrolijkheid af hoeveel mensen hieraan gehoor zullen geven. Aan de andere kant zou het een alternatieve verklaring kunnen zijn voor het feit dat ik hier dus moederziel alleen loop. Met mijn uitgezette mobiel. Op het Wilhelmus zul je me nooit betrappen, een brave burger ben ik evengoed wel.
De blues ga ik hier niet vinden, in boswachterij Grolloo, dat heb ik al snel gezien. Wat een schitterend gebied. Stukken heide en open ruigtes rond vennen worden afgewisseld met naaldbospercelen, donkerzwart van de regen, natte gebiedjes met berkenhout en loofbossen waar de inmiddels doorbrekende herfstzon gouden strepen doorheen tovert. Zó groen is het loof ook hier en daar nog dat het met het zonnetje erop bijna weer lente lijkt. Een plaatje! De weelderige overdaad aan paddestoelen roept me tot de orde. Net als het verend roestbruin bladertapijt dat veel van de paden bedekt. In de percelen met naaldhout strekt een fluorescerend groen moskleed zich uit. Andere paden en paadjes zijn door de overvloedige regen van de afgelopen weken in zompige modderpoelen veranderd. Zelfs de olifantenpaadjes die zich daarnaast hebben gevormd zijn soms al moeilijk begaanbaar geworden.

DSC01417

De routebeschrijving belooft een avontuur maar is zó gedetailleerd dat verdwalen in elk geval vrijwel is uitgesloten. Zelfs waar het fout zou kúnnen gaan is de beschrijving de wandelaar steeds een stapje voor. Als hij er nog ligt, wordt er bijvoorbeeld gewaarschuwd, dient men óm de omgezaagde boom heen te lopen, teneinde daarachter het bedoelde pad te vinden. Een andere moeilijk vindbare afslag het bos in is men voorbijgelopen wanneer men een paaltje met een 9 ziet. Even een stukje terug, luidt het advies. Toch zijn tijd en werkelijkheid soms nóg sneller. Een stuk hoog naaldbos waar men 500 meter doorheen wordt geleid is inmiddels van de aardbodem verdwenen. Er resten slechts treurige stompen. De gezellige horeca die in Schoonloo wordt aangekondigd, lijkt zich heden ten dage zo op het eerste oog te beperken tot een twijfelachtige pizzeria-snackbar tegenover een zéér voormalig café dat alleen nog hoeft in te storten. Achteraf blijkt dat een te snelle conclusie te zijn geweest. Schoonloo is groter dan het leek.
Vanaf Schoonloo gaat het linksom weer terug naar boven, terug naar het beginpunt. Stukjes door bos en hei, iets vaker over boerenweggetjes, langs zwart akkerland waar de voederbieten juist vanaf zijn gehaald, en langs ruime weiden met paarden. Zeker niet minder aangenaam. Zeker niet minder de moeite waard. Het is juist de afwisseling van het één met het ander die een wandeling zijn charme geeft.
Als de avond begint te vallen nader ik Grolloo weer. Voor mijn lange schaduw uit loop ik over een modderige weg de ondergaande zon tegemoet. Als een poor lonesome cowboy. Maar dat is meer country, geloof ik.

DSC01426

Bekijk eventueel ook het fotoalbum

Een helder, bijna welluidend kroe kroe

header dwingelderveld

Een herfstwandeling over en langs het Dwingelderveld, gelopen op maandag 23 oktober 2017

Herfstvakantie. Dan kun je je plannen beter niet te veel van het weer af laten hangen want dan kom je de deur niet uit. En dat zou zonde zijn, nietwaar. Kijk maar eens naar een dag als vandaag. Ja, de lucht is grijs en dreigend. En ja, er valt eens een buitje, zoals buienradar al had voorspeld, en er zou er straks best nog een kunnen vallen. Maar veel vaker nog is het droog, het bos ruikt heerlijk als het is natgeregend, de lucht is frisser dan ooit en de grijze wolkenluchten en de heiige vergezichten hebben een heel eigen, betoverende schoonheid. Bovendien komt het zonnetje er ook af en toe nog doorheen, het is herfst tenslotte, veranderlijk weer. Prima omstandigheden voor een herfstwandeling, zo moet je het zien. Wij laten ons in elk geval niet kisten en krijgen daar geen spijt van.

DSC01063

We lopen van Dwingeloo in de bosrand langs het Dwingelderveld richting Lhee, over schelpenpaadjes en brede boslanen, maken een kronkel over de heide en vinden in de vallende schemer onze weg terug over smalle, soms moeilijk zichtbare paden en paadjes door het bos. Maar al lopen we op veel plaatsen over een dik, licht verend, roodbruin pakket van afgevallen blad, het herfsttapijt is nog lang niet af. De bomen gaan ook nog volop in herfstkleuren getooid, variërend van groenig geel en gelig groen tot roestbruin, bordeaux en knalrood. Een lust voor het oog, zo clichématig als het zijn mag. En nu dat woord toch gevallen is: het schijnt een misvatting te zijn dat paddestoelen alleen in de herfst voorkomen. Dat schijnt een romantisch en onwaar cliché te zijn. Dat heb ik wel eens ergens gehoord, dat heb ik wel eens ergens gelezen. Maar ik weet niet of de kabouters dat ook weten want tjongejonge, wat hebben we er veel gezien, paddestoelen bedoel ik. Paddenstoelen, zo u wilt. Bermen, stronken en boomstammen vol. In soorten, maten, cirkels, rijen, groepjes en kleuren. The usual suspects als vliegenzwam, stuifzwam en elfenbankje, de soorten waar je dan heel stoer de naam van denkt te weten, al begin ik nu ik het zo opschrijf alweer te twijfelen of elfenbankje wel een officiële naam is.. is dat niet meer een kinderaanduiding die ten onrechte is blijven hangen? Dat geldt trouwens misschien ook wel voor eekhoorntjesbrood.. En wat ik nu een stuifzwam noem, was dat niet een bovist? Is er verschil tussen een bovist en een boleet, en zo ja: welke is wat? Of andersom?

paddestoelen dwingelderveld

In het bezoekerscentrum, dat we een paar dagen later bezoeken, wordt ons bij een zwaar geurende herfsttafel bevestigd wat we al wel wisten ook: er bestaan honderden verschillende soorten paddestoelen, die zelfs de kenner soms maar moeilijk uit elkaar kan houden. We zouden het ontzettend leuk vinden er alles van en over te weten, maar leggen ons er bij neer dat dat er nooit van zal komen. Het is onbegonnen werk. Het is teveel. Al belet dat ons niet er plezier aan te beleven. We zien vreemde en buitenissige exemplaren en bij gebrek aan de boom der kennis zijn we niet te beroerd er zelf, als Adam en Eva in het paradijs, een naam voor te verzinnen. Zo ontdekken wij bijvoorbeeld de Anemoonamoniet, de Hortensiazwam, de Gewone Koeienvlaai en de Kokosbovist. Stuk voor stuk zeer afdoende namen wat ons betreft, al worden we voor twee ervan bijna ter plekke gecorrigeerd door de boswachter die toevallig ons pad kruist. Als hij ons vanuit de verte gebiologeerd over de natuur gebogen ziet staan, stapt hij van zijn houten fiets om ons op eventuele bijzonderheden te wijzen. En om een praatje te maken allicht, want zoals hij de eerste levende ziel is die wij tegenkomen, zijn wij dat misschien ook voor hem.

DSC01054

Of wij op het paadje links achter ons de gekraagde aardster hebben gezien? Vraagt de boswachter, met twinkelende oogjes. Een bijzondere, zo niet zeldzame paddestoel, die op het Dwingelderveld alléén op juist dát paadje voorkomt, voor zover hij weet. Wij herkennen onmiddellijk onze Anemoonamoniet en vertellen opgetogen dat die ons inderdaad is opgevallen. Onze Hortensiazwam, die langs hetzelfde paadje stond, herkent de boswachter dan weer als de Grote Sponszwam, al had hij hem zelf nog niet gezien op die plek. Voordat hij weer verder fietst, misschien wel om de Grote Sponszwam alsnog te gaan bekijken, vertrouwt hij ons toe dat we, als we geluk hebben, best eens kraanvogels tegen zouden kunnen komen. Een ontmoeting waar wij de rest van de wandeling op gespitst blijven.
We passeren sprookjesachtige miniatuurlandschappen van boomstronken begroeid met bekertjesmos, rendierenmos en piepkleine paddestoeltjes en zwammetjes, de sporen van het helgroene mos in dit perspectief als een geheimzinnig woud van reusachtige bomen. We gaan er graag voor door de knieën, om ons te laten betoveren. Een afgebroken stuk met bekertjesmos begroeid schors gaat voorzichtig in mijn capuchon gepakt mee naar huis. Net als twee door de bosbeheerder uit de grond gerukte dennetjes. Daar komen we de aankomende kerst wel mee door.

DSC01116

Verderop, wanneer we de heide zijn opgelopen en een aantal vennen zijn gepasseerd, worden we andermaal met onze onwetendheid op natuurgebied geconfronteerd. Op een picknicktafel ligt iets, of groeit iets, of leeft iets, iets intrigerends, dat ons voor raadselen plaatst. Het is een bobbelig hoopje van een behangerslijmachtige substantie, een onsmakelijk drilpuddinkje, alles bij elkaar ter grootte van een duim. Als een sterk uitvergroot klompje cellen ligt het daar, een onverklaarbaar embryo. Er steekt een sliertje uit, een navelstreng, een restje darm, met het vermoeden van bloederigheid en eromheen en half er op liggen zwarte bolletjes, alsof iemand er een lepel kaviaar overheen heeft geschept. Zijn het de inmiddels opgezwollen ingewanden van een diertje dat hier op een nare manier aan zijn eind is gekomen? En zijn de zwarte bolletjes zijn laatste maaltje geweest? De zaden van het een of ander? Is het een slijmerige zwamsoort? Een schimmel? Met zwarte bolletjes als sporen? Heeft iemand hier iets vies zitten doen? We komen er eenmaal weer thuis, op internet pas achter. Het blijkt te gaan om sterrenschot, uit bijgelovige overlevering ook wel heksensnot genoemd. Hier is een vrouwelijke kikker te grazen genomen, door een reiger, of een ooievaar. Of een kraanvogel natuurlijk. En wat op tafel is blijven liggen, is het weer uitgekotste kikkerdril. De wittige substantie het door maagsappen en regen opgezwollen en opengebarsten eiwit, de zwarte bolletjes de onfortuinlijke kikkertjes die nooit zullen meemaken hoe weergaloos mooi maar ook gevaarlijk en wreed het leven op het Dwingelderveld kan zijn.

DSC01148

Dan, als we de hoop al bijna hebben opgegeven, horen we een helder, bijna welluidend kroe kroe in de lucht. Allebei tegelijk steken we onze vinger in de lucht: hoor je het? We horen het allebei. Het is een nieuw geluid voor ons leken, en we weten dus niet welke vogel er bij hoort, maar voor hetzelfde geld is het een kraanvogel. Uiteraard hebben we ook geen idee welk geluid een kraanvogel maakt. We weten zo weinig eigenlijk. Wel zien we in een flits een grote vogel achter de bomen verdwijnen zodat we ons in elk geval even kunnen verheugen in de mogelijkheid dat het een kraanvogel was die we hoorden. Een verheugen van korte duur omdat we vrij snel daarna opnieuw het kroe kroe horen, dat deze keer duidelijk zichtbaar gemaakt wordt door iets dat zeer zeker geen kraanvogel is. Eerder een kraai. Maar een kraai, dat weten we dan in elk geval nog wel, zegt géén kroe kroe. En zeker niet helder of bijna welluidend. Het is ook groter dan een kraai, zien we nu. Met waarschijnlijk kinderlijk aandoende logica besluiten we dat het dan wel een roek zal zijn. Waarom niet. Ook leuk. Thuis op internet worden we vervolgens in verwarring gebracht wanneer we lezen dat de kraanvogel weldegelijk een helder, trompet-achtig kroe kroe voortbrengt. Zie je nou wel, zeggen we tegen elkaar. Maar als we het bijgeleverde geluidsbestand afspelen weten we weer beter, een kraanvogel was het niet. Voor de zekerheid spelen we dan ook de roek af. Een factcheck kan nooit kwaad tenslotte. En dat blijkt, want mijn hemel, wat een roek voortbrengt, dat komt niet eens bij welluidend in de buurt. Het is geen kroe kroe, het is geen krassen, het is niks, het is geluidsoverlast. Uiteindelijk komen we uit bij de raaf. De raaf roept precies het kroe kroe dat wij hebben gehoord. Helder en bijna welluidend. We snappen er niks van. Wordt in de bekende fabel van De La Fontaine niet beweerd dat de raaf zó vals krast dat hij niet mee mag zingen in het koor van vogels? Dat moet een vergissing zijn. De La Fontaine heeft duidelijk een roek gehoord, maar heeft net zo veel verstand van de natuur gehad als wij.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Het rijke Groningse verleden

header uithuizen

Van Uithuizen naar Tjamsweer, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zondag 8 oktober 2017

Er zijn slechtere plekken om je wandeling te beginnen. Tjongejonge zeg.. Vanaf de Menkemaborg in Uithuizen wandel je wel even op stand. Langs een kaarsrechte oprijlaan, beschaduwd van dubbele rijen rechthoekig geschoren bomen, betreden we de statige luister van het rijke Groningse verleden. Omsloten door een ferme slotgracht ligt daar, gelijk een kasteel, met twee speelse torentjes ook nog, de Menkemaborg, naar de gelijknamige familie die hier sinds naar schatting 1500 heeft geresideerd. De toegang tot de brug naar het woonhuis wordt op klassieke wijze bewaakt door twee stenen leeuwen. Het zijn leeuwen zoals je ze tegenwoordig wel in trieste rotten van vijf in het tuincentrum ziet staan, zoals je ze tegenwoordig wel op muurtjes van de carport gemetseld ziet, in lelijke nieuwbouwwijken, ter verfraaiing van onderhoudsvrije voortuintjes. De leeuwen die hier, fris in de verf maar wel zwaar loensend op de gang van zaken toezien, zijn van betere komaf, voor zover wij hebben kunnen nagaan. Dat laat zich aan hun gouden nagels en aan hun gekleurde wapenschilden ook al vermoeden trouwens. Terzijde van de slotbrug alhier staan ze pas sinds 1921, het jaar waarin de Menkemaborg aan het Groninger Museum verviel na de dood van zijn laatste bewoner, de kinderloze vrijgezel Gerard Alberda van Menkema, in 1902. Daarvóór hebben ze dienst gedaan bij de borg Dijksterhuis in Pieterburen, die eigendom was van dezelfde Gerard Alberda van Menkema en in 1903, na dus diens dood, werd afgebroken, maar al in de familie Alberda was sinds 1706. Nóg eerder behoorden de leeuwen bij de Thedemaborg in Bedum, die waarschijnlijk begin 17e eeuw werd gebouwd. Aansluitend wordt 1600 inderdaad ook genoemd als geboortejaar van de leeuwen. Wanneer ze dan van Bedum naar Pieterburen zijn verhuisd, vermeldt de geschiedenis niet, maar wel dat in 1774 na een sterfgeval een groot deel van de boedel van de Thedemaborg werd verkocht, dus allicht ook de twee leeuwen, die ons nu vervaarlijk grijnzend nastaren wanneer we, na de koffie in het skathoes, aan de tocht richting Tjamsweer beginnen.

DSC00857

Na deze luisterrijke start lopen we verder over boerenwegen, met klei besmeurd zo hier en daar. Op de akkers rondom ligt de uienoogst in lange rijen op nadere instructies te wachten. Rechts zien we een stalgebouw in de stutten staan, we mogen aannemen vanwege de bodemverzakking, een aanblik die cynisch genoeg vertrouwd begint te worden. Links van ons steekt de kerktoren van Uithuizermeeden tussen de bomen uit, een opvallend exotische verschijning, met zijn hemelsblauwe koepeltjes en zijn opengewerkte witte verdiepingen, verlopend van vierkant, via achthoekig naar rond. Het heeft iets luchtigs, iets frivools, iets dat je hier niet zou verwachten, om één of andere reden. Net zo min als het gegeven dat hij er toch al van begin 18e eeuw staat, ter vervanging van de in 1734 ingestorte losstaande toren. Bijzonder. Het is het ontwerp van een in die tijd veelgevraagd Gronings schrijnwerker, van wie ook werk in het interieur is terug te vinden, aldus wikipedia. Het is eigenlijk jammer dat je op zo’n wandeldag ook vaak gebonden bent aan de route en de afstand die je wilde lopen, de plek waar de auto staat te wachten, en je niet altijd toe kunt geven aan de impuls om voor zo’n bijzonder kerkje als dit een omweg te maken en wat tijd uit te trekken. We genieten daarom maar van wat we wel uitgebreid kunnen bekijken, en houden de rest in ons achterhoofd. Er komt altijd een tweede kans.

DSC00900

Het kerkje van Oldenzijl voldoet wel geheel en al aan ons klassiek Gronings verwachtingspatroon. Een klein Romaans bakstenen gebouw met kleine vensters, een bescheiden dakruiter, gelegen op een wierde temidden van een oud kerkhof. Of.. nou.. oud.. later lezen we dat het kerkhof in de vijftiger jaren flink is afgegraven omdat het, door het gebruik zullen we maar zeggen, hoger was komen te liggen dan de kerkvloer, wat voor vochtproblemen zorgde. Hmm.. er zijn misschien ook dingen die je niet per se hoeft te weten. Goed.. De halfronde apsis aan de achterkant is verrijkt met siermetselwerk dat als typisch middeleeuws wordt aangemerkt. Let wel, wij citeren slechts de kenners op internet.. dat u niet denkt dat wij al deze kennis met ons meezeulen de hele dag. Een ander interessant detail is de hagioscoop, een klein, fraai vormgegeven venster dat op ooghoogte is aangebracht. Nu zit er glas in, maar in vroeger tijden was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te kunnen volgen. Mensen die de kerk niet in wilden, zoals kluizenaars, of niet in mochten, zoals misdadigers, overspeligen en lepralijders, konden zo toch gesticht worden en hopen op verlossing, blijkbaar.

DSC00883

Binnen treffen we een eenvoudig maar beeldschoon interieur. Witgepleisterde wanden, een gewelfje achterin, een blauwgeschilderd houten plafond, trapvormige vensterbanken, verweerde kapiteeltjes en gevelstenen, een houten kansel en een rijkversierde herenbank waarin de kapitaalkrachtige christen zich liet stichten en verlossen. Eén van de familiewapens laat weten dat deze bank mede bestemd was voor de familie Alberda, waarvan dus ook een telg in de Menkemaborg resideerde. Niet alleen de wereld, ook Groningen is klein.
We wandelen langs vette akkers van klei, in glimmende voren geploegd. We komen langs de Diek’n en door ’t Zandt, via een indrukwekkende tunnel van bomen passeren we de voorname Alberdaheerd, met een 19e eeuws theehuis op palen in de tuin en versgeschoren alpaca’s op het erf, we jagen een enorme wolk spreeuwen de lucht in, en belanden dan in een gebied waar de Groningse actualiteit een gezicht krijgt. Aangekondigd door een metershoge affakkeltoren ligt daar, achter hekken, een aardgaslocatie van de NAM. Het onderscheidt zich feitelijk niet van ieder ander industrieterrein waar we langs zijn gelopen: golfplaat, camerabewaking, verzamelpunt, kilometers pijpleiding, grindbeton, prikkeldraad, stelconplaten.. Maar waar we er elders nog wel eens de robuuste romantiek van in konden zien, de schoonheid van de lelijkheid, de esthetiek van de pure functionaliteit, krijgt het hier, door het verhaal erachter, door wat we ervan weten, door wat we ervan hebben gehoord en gezien onderweg, eerder iets grimmigs. Iets beladens.

DSC00976

Met een welhaast symbolische bocht lopen we om de locatie heen en laten de zaak weer achter ons. Wat kunnen we anders. Voor Groningen is het dagelijkse kost, dat beseffen we ook. Het is cynisch, bedenken we, terwijl we het laatste stuk naar Tjamsweer lopen, dat de vruchtbare bodem die Groningen zijn rijke verleden heeft gebracht, het rijke Groningse verleden dat wij om ons heen zien, de herenboerderijen, de kerken en de borgen, de landgoederen, dat diezelfde bodem de rijkdommen herbergt die de toekomst nu in zo’n korte tijd onzeker heeft gemaakt.