De huwelijkse sfeer



In de herfstvakantie brachten wij een aantal dagen in Zuid Limburg door. In Epen, om precies te zijn. Aanvankelijk dreigde onze derde wandeldag aldaar toch een beetje in het water te vallen. Donkere wolken hingen boven de heuvels en ook de weer-app beloofde niet veel goeds. De trage tocht die we hadden uitgekozen bleek een tikkeltje tegen te vallen, met lange stukken langs droefgeestige sportterreinen en gladgestreken golfbanen met elke tien meter een verbodsbordje. Het zal soms niet anders kunnen, ik begrijp het wel, maar vandaag, onder de grijze luchten, lukte het minder goed er mild over te zijn. Ik heb sowieso de pest aan golfbanen, het zal mijn linkse inborst zijn. Enorme stukken landschap worden ingepikt en verpest voor een kinderachtig, patserig en stupide spelletje, uitsluitend voor de rijkere medemens. Ga midgetgolfen, met je kouwe kak, dat is ook lelijk en stupide, maar neemt een stuk minder ruimte in.
Maar goed, toen het dan na de eerste drie kwartier inderdaad begon te regenen leek de lol er wel echt een beetje af te gaan. De huwelijkse sfeer werd tijdelijk op de proef gesteld door een verschil van opvatting over hoe erg het regende. Waar de een het wel mee vond vallen en vertrouwde op de voorbijgaande aard van het buitje, wilde de ander het liefst rechtsomkeert maken en de plannen voor de dag, hoewel al aardig op streek, alsnog rigoureus omgooien. Waar de een het niet erg vond om door te lopen en de enige paraplu aan de ander te geven, vond de ander het een beter idee terug te lopen naar Mechelen om daar op zoek te gaan naar een tweede paraplu. Waar de een dit plan er met zachte dwang doordrukte, wist de ander van tevoren al zeker dat er in Mechelen zeer zeker geen paraplu te vinden zou zijn. Waarna de ander dus met een bokkig hoofd achter de een aan sjokte, die ons op goed geluk het ene winkelloze straatje in en het andere winkelloze straatje uit dwaalde, op zoek naar iets waarvan de een na een vruchteloos half uur halfhartig moest toegeven dat het er waarschijnlijk niet was. Wat de ander dus van tevoren al zeker had geweten.
Gelukkig trok niet heel veel later de lucht helemaal open en waren we het in de loop van de middag weer volmondig met elkaar eens dat golfbanen een smet op het landschap zijn, strontvervelend en ergerlijk om langs te lopen.

Trage tocht Epen, gelopen op donderdag 20 oktober 2022

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Heuvels en dalen

Een rondwandeling om Epen uit de wandelgids Zuid Limburg, gelopen op woensdag 19 oktober 2022

Heel even slaat de twijfel toe.. hebben we nou mooi weer of niet? Weliswaar schijnt de zon, vrij uitbundig zelfs voor een woensdag in oktober, maar een groot deel van het Limburgs landschap wordt door mist aan het oog onttrokken. Het bovenste deel, om precies te zijn. Alsof een wolk van het zwerk is neergedaald om de aarde zachtjes toe te dekken, met de mantel der liefde. In de loop van de wandeling trekt dat op maar voor zolang het duurt levert het sprookjesachtige uitzichten op. Glooiende hellingen die van groen langzaam vergrijzend in de einder verdwijnen. Bomenrijen die zich als vage contouren nog aftekenen. Herfstkleuren die, aangelicht door de zon, fel, haast lichtgevend tegen de vervagende coulissen afsteken. En de stilte die nog stiller lijkt te zijn. Bedwelmend mooi.



We kunnen ons geluk niet op en moeten het delen met een toevallig passerende, nietsvermoedende meneer. Wat woont u hier prachtig, roepen wij hem toe, en wat doen wij nog in Noord Holland? De meneer kan niet anders dan het beamen, al lacht hij er bescheiden bij dat het niet zijn persoonlijke prestatie is en komen we al gemoedelijk babbelend samen tot de conclusie dat Nederland een mooi en afwisselend land is waar iedere streek of provincie zijn eigen charme en schoonheden heeft. Limburg de heuvels en de dalen, Noord Holland bijvoorbeeld weer de duinen en de zee. Met die verzoenende gedachte vervolgen we onze weg, al blijven we van mening dat dit stukje Nederland wel héél veel charme heeft.
En we zijn niet de enigen die er zo over denken, het wemelt van de wandelaars. Langs iedere glooiende helling zie je ze van verre al aankomen, in groepjes van twee of drie. Normaalgesproken probeer ik het al wandelend zo te versieren dat mijn berugzakte soortgenoten, al zijn het beste mensen allemaal, niet te lang in mijn kielzog blijven hangen noch in mijn uitzicht blijven lopen. Om de romantische illusie van de eenzame reiziger door het verlaten landschap zo veel mogelijk in stand te houden. Vandaag is daar geen beginnen aan. Vriendelijk groetend laten we het over ons heen komen.



De routebeschrijving, die we van internet hebben geplukt, wijst ons niet alleen de weg, maar ook plekken van plaatselijk historisch belang. Zo passeren wij rechts het herinneringskruis van J J G Frijns, die op deze plek aan een hartstilstand overleed, terwijl hij op weg was naar het veld, om mensen die daar aan het werk waren iets te drinken te brengen. Aan een beuk is een plaatje bevestigd dat het echtpaar Gerard en Fien de Groot-Burgers in herinnering houdt. We hadden het makkelijk over het hoofd kunnen zien. Aan het eind van een rechts gelegen weiland een groot boomkruis, waar in een niet nader omschreven verleden een man met een kar is verongelukt. We doen er wat lacherig over maar het heeft ook iets moois natuurlijk. Het is misschien wel één van de charmes waar we Limburg zojuist nog zo om benijdden. De vriendelijke kleinschaligheid, waar nog ruimte is voor de dagelijkse gebeurtenissen van haar bewoners. Al zal dat ook wel weer een geromantiseerd beeld zijn.



Wandelend over de groene heuvelen komt ook volautomatisch de gedachte aan Marijke Boon bovendrijven, wie kent haar nog, behalve wij. Met haar vrolijke lied over een groepsreis naar Limburg. Limburg is zo mooi, Limburg is zo groen.. Het zullen de jaren tachtig geweest zijn, de hoogtijdagen van de Boulevard of Broken Dreams, wie weet het nog.. Alleen van het refrein hebben we de tekst zo gauw paraat en dat laten we dan ook maar tweestemmig langs heuvels en dalen klinken. Voor de coupletten raadpleeg ik terug in het hotel vergeefs het alwetend web. Zo oud is het liedje al. Thuis heb ik het nog op een cassettebandje.
Op zoek naar een gemiste grenspaal treffen we twee mannen met een kettingzaag die een paal met een bordje van Natuurmonumenten omzagen. Het klinkt als vandalisme maar de mannen zijn van Staatsbosbeheer en hebben ook een nieuwe paal met een nieuw bordje neergezet. Een bordje van Staatsbosbeheer. Het gebied waar we doorheen lopen is van eigenaar gewisseld, vertellen ze. Zodoende. De eikenhouten Natuurmonumentenpaal wordt in handzame blokken gezaagd en achter in de auto gekieperd. Die gaan vanavond de kachel in, raden wij. Zo raken we wat aan de praat. Het gaat over natuurbeheer, over wolven, zwijnen en reeën. Postzegelnatuur en Oostvaardersplassen. De mannen hebben daar zo hun ideeën over en het is interessant hierover eens een minder gepolariseerd perspectief te horen. Zijn werkkleding, over polariseren gesproken, trekt hij niet meer aan, vertelt één van de mannen. Te vaak al is hij op modern assertieve wijze aangesproken op willekeurig onwelgevallig natuurbeheer waar ook in Nederland. De grenspaal, ten slotte, weten de mannen wel te staan. Dan moeten we terug de heuvel op waar we net vanaf kwamen. In goede harmonie nemen we afscheid en voegen zonder mopperen een extra beklimming toe aan onze tocht.



Het is herfst, dus we komen tal van paddenstoelen tegen, in soorten, maten en kleuren. Hoe beter je om je heen kijkt hoe meer je er gaat zien. Tamme kastanjes, vinden we ook. We hebben de oproepen gezien er maar liever zoveel mogelijk vanaf te blijven, ze aan de dieren in het bos te laten maar we kunnen de verleiding niet weerstaan en nemen een bescheiden portie mee naar huis. Om in de verre toekomst zelfvoorzienend te zijn graven we stiekem, omzichtig om ons heen speurend, niet voor niets heet het strooiselroof, een zaailing uit van een tamme kastanjeboom, die zich inmiddels in goeden doen in een volkstuin in Noord Holland staat af te vragen hoe hij hier terecht is gekomen. Ter compensatie van al deze illegaliteit kopen we ook nog een zak walnoten bij een stalletje langs de weg.
We meanderen een eindje met de Geul mee en ontmoeten een jonge vader en zijn zoon die met ieder een kijker het riviertje afspeuren. Ze zoeken de ijsvogel, vertellen ze, maar hebben tot nog toe geen succes. Gehaast trekken ze verder naar een volgende bocht, ze hebben niet zo’n zin in een gesprekje misschien. Nauwelijks hebben ze hun hielen gelicht of wij zien de blauwe schicht over het water schieten. Als we ze roepen komen ze terug gerend, maar de ijsvogel is gevlogen. We zullen nooit weten of ze ons geloofden of gedacht hebben dat ze in de maling werden genomen.
Als we alweer bijna terug bij het begin zijn worden we nog getrakteerd op een wolkje staartmeesjes. Wat een schattige vogeltjes zijn dat toch, daar kun je er nooit genoeg van zien. Als onze dag niet al helemaal goed was geweest, was hij het hiermee alsnog geworden.


Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Het is gewoon Nederland

Klimaatroute de Geul, een rondwandeling uit het blad van Natuurmonumenten, gelopen op dinsdag 18 oktober 2022



Bij wijze van herfstvakantie brachten wij een paar dagen in Limburg door. In Epen, om precies te zijn. Direct uit de auto, drie uur verwijderd van de Noordhollandse polderklei, stapten we zo het groene heuvellandschap in voor een korte maar middagvullende rondwandeling.
Niet minder dan een cultuurshock. Wat een verschil. Je bent dan geneigd te zeggen dat het net is of je in het buitenland bent, maar dat is ergens ook weer onzin natuurlijk. Het is gewoon Nederland. Zou een Limburger in de Noordhollandse polder dat ook zeggen? Dat het net het buitenland is? OnNederlands mooi? Sowieso een vreemde term. Nederland is gewoon een mooi en afwisselend land. En volledig onder handbereik. Geniet ervan, nu het nog kan.
Onder een knalblauwe lucht met ook wat speelse wolkjes klommen en daalden we langs glooiende heuvels. Witte dorpjes in groene landschappen die evengoed toch ook al behoorlijk naar de herfst begonnen te kleuren. Lommerrijke paden. Romantische doorkijkjes en vergezichten. Bomen vol maretakken, solitaire bomen, houtwallen. Paddenstoelen, tegenlicht en de meanderende Geul, waarvan hier en daar overigens nog goed te zien was hoe hoog het water vorig jaar heeft gestaan. Aan de lippen mensen, aan de lippen. Maar vandaag van een onschuldige, betoverende schoonheid.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling

Daar staat Pietje Potlood

Van Bodegraven naar Woerdense Verlaat, een etappe van De lange weg naar huis*, gelopen op zondag 9 oktober 2022

Om het allemaal een beetje duurzaam te houden, of in elk geval te voorkomen dat we met twee auto’s op pad moeten – één om bij het eindpunt achter te laten en één om daarna bij het beginpunt te komen – maken we een studie van de mogelijkheden van het openbaar vervoer. Die zijn niet groot, op zondag, in deze regio. Met de trein van Schagen naar Bodegraven, dat lukt nog, maar om van Woerdense Verlaat weer terug in Bodegraven te komen, om überhaupt uit Woerdense Verlaat weg te komen, zullen we op de bus van maandagochtend moeten wachten. ’s Zondags gaan wij naar de kerk.



Eventueel zouden we naar Mijdrecht kunnen lopen en van daar met drie slecht op elkaar aansluitende busverbindingen weer ergens op een station terecht kunnen komen, maar dat zou ons minstens anderhalf uur extra reistijd opleveren. En Mijdrecht is een mooie stad, waarschijnlijk, maar het ligt net iets te ver weg. Te ver van onze geplande route ook. Gelukkig komt mijn zoon met een slim alternatief plan. We leggen zijn racefiets achterin de auto, laten die achter in Woerdense Verlaat zodat hij, na de wandeling, terug naar Bodegraven kan fietsen om de auto te halen. En daarna met de auto zijn vader. Een plan dat goed uitpakt en mij zelfs tot het voornemen brengt nu dan toch maar eens een fietsendrager aan te schaffen, en mij zo onherroepelijk aan te sluiten bij het ANWB genootschap van de gemiddelde Nederlander, zodat we de volgende keer samen terug kunnen fietsen.
Later deze maand zal blijken dat oktober 2022 de warmste oktober ooit gemeten was, tot oktober 2023 het record overneemt waarschijnlijk, en deze zondag heeft daar zeker toe bijgedragen. Wat een heerlijk weer. Hoewel ik graag mag vertellen, en tijdens de wandeling ongetwijfeld ook niet voor het eerst aan mijn zoon heb verteld, dat het op 12 oktober 1986, de dag dat ik vader werd van mijn dochter, mijn eerste kind, ook fantastisch weer was. Dat ik dronken van geluk in mijn t shirtje door de stad naar huis liep, midden in de nacht. Waarmee ik echter zeker niet wil beweren dat we ons om het klimaat dus geen zorgen hoeven maken, zeker niet. Laten we ons daar vooral wél zorgen over maken, al is het waarschijnlijk te laat. Maar als we dan toch een zonnig oktoberdagje aan de wandel gaan, laat ons er dan maar van genieten. Anders is het ook zonde.
Nog maar amper op pad, onder de kerktoren van Bodegraven, ontdek ik dat de batterij van mijn camera leeg is. De reservebatterij ligt nog thuis. Even dreigt dat een smetje op de dag te werpen, ik mag nou eenmaal graag veel fotograferen onderweg en nu voel ik mij zwaar onthand. Natuurlijk besluit ik dat het een luxeprobleem is, niet waard om te lang over te kniezen, en uiteraard kan ik mijn telefoon gebruiken, hetzelfde is het niet. Maar goed, daar gaan we.



Langs de Oude Rijn verlaten we Bodegraven. De straten hebben namen als Kerkstraat, Buitenkerk en Kerkweg, het onderstreept nog maar eens in welke zone we ons bevinden. Langs de kades liggen woonboten van uiteenlopende pluimage, aan de overkant worden perceelvullende kasten van huizen gebouwd voor hen die zich dat kunnen permitteren.
Als we rechtsaf slaan, het buitengebied in, de Oude Rijn latend voor wat ie is, om straks verderop langs en door De Meije te lopen, staat er ergens halverwege een fiets onbeheerd tegen een knotwilg geparkeerd. Een robuuste, matzwart gespoten herenrijwiel waar zo te zien niet veel aan mankeert. Met een bagagerek voorop, een gloednieuw zadel, opgepompte banden en een goedgevulde sleutelbos in het slot. Huissleutels en al. We staan ons er een tijdje bij af te vragen of we hier iets mee moeten, en zo ja: wat? Want ja.. iemand is zijn huissleutels kwijt. Al weten we niet wie of waar want nergens een adres of postcode, wat op zich verstandig is. En wat zou hier gebeurd zijn, vragen we ons af.
Een jongetje op de fiets komt langszij en meldt dat hij de fiets eerder op de dag al uit de berm heeft opgeraapt en tegen de boom heeft gestald. Blijkbaar komt hij nu even checken of de fiets er nog staat en of het de moeite loont vanavond even met zijn grote broer en een busje terug te komen. Wij weten het niet. Wat zou u doen? Wij voelen ons nu opeens wel genoodzaakt op zijn minst de belendende sloot af te speuren op drenkelingen, hoe ondiep die ook is, want het scenario lijkt duidelijk te worden: hier is iemand met zijn zatte kop van zijn fiets gelazerd. De afloop zullen we nooit weten. We vinden niemand, gelukkig, hebben het idee dat het voorval met de fiets de aandacht van de buurtbewoners heeft en vervolgen onze wandeling.



Een groot deel van de tocht van vandaag gaat over, langs en door De Meije. De Meije is de naam van het riviertje waar we langs lopen, grens tussen Zuidholland en Utrecht; de naam van het langgerekte lintdorp dat zich daarnaast uitstrekt, en de naam van de al even langgerekte dijkweg die grotendeels met rivier en dorp mee kronkelt, dwars door het groene hart. Het hoeft geen verbazing te wekken dat dit pittoreske weggetje, door dit Hollandsch landschap, langs deze schitterende monumentale boerderijen en dorpsgezichten, deze romantische boerenerven en tuinen, zeker op zondag, zeker met dit weer, een enorme aantrekkingskracht uitoefent op toeristisch verkeer. Regelmatig moeten we aan de kant voor ANWB-koppels op elektrische fietsen, zondagsrijders, al of niet in cabrio’s, pelotons fanatieke wielrenners en ronkende motorrijders die in kuddeverband hun individuele vrijheid beleven door andermans stilte aan stukken te scheuren. Het blijft in ons rijke, drukbevolkte landje de kunst de ergernis aan de ander binnen de perken te houden.
Het is boerengebied waar we doorheen lopen, dus de route is rijkelijk gelardeerd met het inmiddels traditionele blauw wit rood. Het valt zo langzamerhand nauwelijks nog op dat al die vlaggen ondersteboven hangen en het vlagvertoon geeft eerder als vanouds de vrolijke indruk van een feestdag. Het provocerend symbool van ongenoegen is boerenfolklore geworden. Net als de borden en spandoeken met hashtags en kreupelrijm in het activistisch lettertype dat door Paulien Cornelisse onlangs ‘woedende boer’ is gedoopt.



Zo goed als de hele wandeling hebben we de watertoren van De Meije in het uitzicht staan, eerst voor ons uit en later bij achterom kijken. Een zakelijke, witte toren, rechttoe rechtaan omhoog, met geen andere tierelantijnen dan een kegelvormig puntdak. Wij zien er een raket in maar de officiële bijnaam, horen we van mensen die het weten kunnen, blijkt Het Potlood te zijn. Wat ook heel goed kan natuurlijk en misschien zelfs logischer is omdat de toren er al staat vanaf 1932, toen er volgens ons nog geen raketten waren. Op internet lezen we later dan weer dat het eigenlijk Pietje Potlood moet zijn, hoewel er voor Pietje geen andere verklaring valt te vinden dan dat het lekker allitereert, wat ook wat waard is uiteraard. Verder lezen we dat Pietje de laatste watertoren is die nog als zodanig in gebruik is, al zijn die dagen geteld. Waarschijnlijk dit jaar nog is het afgelopen en moet er een nieuwe functie voor het monument worden verzonnen. De plannen lijken uit te gaan naar uitkijktoren, als we het zo lezen, maar omwonenden zijn daar niet onverdeeld enthousiast over. Zij vrezen, misschien niet geheel onterecht, parkeeroverlast.



Halverwege De Meije schrikken we even, een geel bord roept ons toe dat de weg die wij willen gaan gesloten is. Dicht. Inderdaad staat er een graafmachientje geparkeerd en is de weg afgezet met van die roodwit gestreepte bakens, liggen er her en der hopen zand naast versgegraven sleuven, maar wij besluiten dat het zo’n vaart niet zal lopen. Het is zondag, dus gewerkt wordt er sowieso niet, en voor wandelaars moet het wel heel drastisch uitpakken wil je er niet door, om of overheen kunnen. Ongehinderd bereiken we de Oude Meije, waarvan ons opvalt dat die er een stuk nieuwer uit ziet dan de gewone Meije, die we nu achter ons laten. Een passant die we daar op aanspreken vertelt dat dat te maken heeft met de ruilverkaveling die hier heeft plaatsgevonden. We knikken beleefd, maar snappen het eigenlijk niet. Later lezen we op internet dat De Grecht, het water waarlangs we Woerdense Verlaat zullen bereiken, een wetering is waarvoor voor een groot deel de loop van de Oude Meije is uitgegraven, maar het blijft moeilijk te begrijpen. De Grecht biedt daardoor, hoewel dus mensenwerk, op veel plaatsen de aanblik van een rivier. Dat geldt dan weer niet voor het stuk waar wij langs lopen, dat is kaarsrecht. En onzichtbaar bovendien omdat we onderdijks lopen. Bij het voetgangerspontje, dat je met eigen kracht naar de overkant moet zwengelen, wachten we heel kinderachtig af tot een groepje fietsers zonder ons naar de overkant is vertrokken, hoewel we er makkelijk bij hadden gepast. We willen de boot voor onszelf hebben, en zelf de lier bedienen. Een onschuldig genoegen.



Terwijl mijn zoon van Woerdense Verlaat terugfietst naar Bodegraven om daar de auto te halen, maak ik vast een korte verkenningstocht langs de Kromme Mijdrecht om uit te vinden of we daar de volgende keer ergens met een voetveer naar de overkant kunnen. Het alwetende google maps beweert namelijk van wel maar verder is daar geen concrete informatie over te vinden. Nu ik toch even moet wachten kan ik net zo goed wat veldonderzoek doen. Ik zie al meteen dat ook de volgende wandeling weer de moeite waard zal worden, langs de Kromme Mijdrecht en de Amstel richting het IJsselmeer. Maar het voetveer vind ik niet. Dat bestaat ook niet meer, hoor ik van een meneer die ik het vraag. Wel is er verderop een fietsbrug. Om die te bereiken moet je over een stuk onbegaanbaar terrein gaan, aldus de meneer, maar bij verder navragen is dat allemaal volkomen legaal en hoeven we niet te vrezen voor boze boeren of valse honden.
Nu dit is opgelost loop ik terug naar Woerdense Verlaat en wacht op het plein van de school met de bijbel op een houten bankje in de schaduw tot ik word opgehaald. Gods woord is een lamp voor mijn voet, staat op de gevel te lezen.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis, in beide richtingen. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Lees eerdere afleveringen van De lange weg naar huis in het archief

Obdam ligt verkeerd..

De Groene Wissel Obdam, rond de Polder Wogmeer, gelopen op zondag 28 augustus 2022

Het is de laatste zondag van de zomervakantie en ik besluit die te gebruiken voor een wandeling. Dat is er deze vakantie niet heel erg van gekomen, door allerlei toestanden en omstandigheden die ik hier onvermeld laat, maar vandaag kan het wel weer. Hoop ik. Het wordt de groene wissel Obdam. Niet te ver van huis, niet te lang, niet te kort.. precies goed.
Om de wandeling mee te beginnen belooft de routebeschrijving mij de fraaie buitenwijken van Obdam. Daarover kunnen smaken verschillen uiteraard, daar zijn ze voor – ik zie vooral huizenblokken en straten uit de vinexcatalogus. Met onderhoudsvrije tuinen en carports zoals je ze in iedere moderne buitenwijk aantreft. De Dorpsstraat, waar ik straks weer door naar binnen wandel, heeft meer eigenheid en charme te bieden, naar mijn idee. Hoewel nostalgie hier op de loer ligt natuurlijk, en ook daarvoor moeten we ons hoeden



Tussen de nieuwbouwwijk en de provinciale weg is een overgeschoten driehoekje natuurgebied aangelegd, met veel schelpenpaadjes, water met eilandjes en bruggetjes, zodat de projektontwikkelaar en de makelaar kunnen zeggen dat het objekt midden in de natuur en aan het water ligt, en toch goed bereikbaar vlakbij Amsterdam.
Aan het begin van dit gebiedje staat een bordje met het verzoek de honden aangelijnd te houden en het is altijd weer opvallend hoe weinig mensen zich daar aan gelegen laten liggen. Van de zes honden die ik op dit kleine stukje tegenkom zijn er vijf niet aangelijnd. Eén loopt er zelfs los in een als vogelgebied aangemerkt stuk waar honden sowieso niet zijn toegestaan, volgens een tweede bordje.
Je kunt het zeuren noemen, dat ik daar nou alweer over begin, maar in een losloopgebied zul je mij niet snel horen. Ik vind het storend wanneer mensen zelf wel uitmaken aan welke regels ze zich wel of niet houden, zonder daarbij rekening te houden met een ander. Waar die ander natuurlijk wél geacht wordt zich aan de regel te houden geen stenen naar de hond te gooien. Zich de hond niet met stokken van het lijf te houden. Waar zelfs de minste op- of aanmerking al als een inbreuk op de vrijheid van hondenbezit wordt ervaren. Als wandelaar moet je er deemoedig zwijgend van uit gaan dat de hond inderdaad niets doet, zoals van een afstandje meestal wordt beweerd. Vriendelijk lachen en knikken en hopen dat het beest onder appèl staat, maar ik ben blij dat ik de baasjes en bazinnetjes die minutenlang vergeefs naar hun hondje staan te fluiten en te roepen en te commanderen en te smeken niet de kost hoef te geven.
Een goed voorbeeld daarvan tref ik vandaag halverwege de wandeling, waar de gemarkeerde route mij vlak langs het erf van een landelijke nieuwbouwwoning voert. Twee buitengewoon felle zwarte honden werpen zich blaffend en grommend tegen een niet al te robuust uitgevallen hekje. Het is trouwens ook verontrustend laag. Na een klein eeuwigheidje komt de eigenares uit haar vinexkasteel tevoorschijn en roept haar honden terug. Die zich daar geen reet van aantrekken en mij over de volle lengte en breedte van het ruim bemeten erf met opgetrokken lippen grommend en grauwend blijven intimideren en bedreigen. Ik word geacht dit gelaten over mij heen te laten komen, de eigenares trekt zich zonder verdere actie terug in haar paleis. Moet ik hier maar niet wandelen.
Goed, genoeg hierover, het helpt toch niet en ik word er zelf ook chagrijnig van.



Bij het verlaten van het natuurgebiedje zie ik rechts de uitgestrekte polder al liggen, onder de Hollandse luchten. Een denkelijk speciaal voor de rondwandeling om de polder aangelegde voetbrug torent boven de N194 uit, ik verheug me meteen al op het uitzicht. Alleen raak ik door mijn enthousiasme waarschijnlijk in de war. Direct na voetbrug over de weg LA over grasdijkje, staat er in de routebeschrijving, en dat 3½ km blijven volgen. Kan niet missen zou je zeggen en het klopt als een bus dus tevreden met hoe het loopt vervolg ik mijn weg, langs de ringsloot, door het gras en over kluiten, langs weilanden en akkers, klimmend over hekjes en schrikdraad. Tot ik me na een tijdje begin af te vragen hoe het komt dat Obdam, wiens kerktoren nog ruim boven de horizon uitsteekt, op de verkeerde plaats ligt. Rechts achter mij, in plaats van aan mijn linkerhand, zoals op het kaartje. Ik sta niet bekend om mijn geweldige richtinggevoel dus het duurt even voor ik door heb dat ik de verkeerde kant op loop. Of, verkeerd.. de andere kant in elk geval dan de routemaker bedoelde. Die had gewild dat ik de voetbrug zou passeren, in plaats van erover te gaan. Taal.. het luistert nauw, dat blijkt maar weer. Net als nauwkeurig lezen trouwens, haast ik mij mijn hand in eigen boezem te steken, want de beschrijving meldt ook dat de ringsloot links hoort te liggen, terwijl ik hem dus rechts heb. Enfin, lekker belangrijk, het is geen ingewikkelde route gelukkig, ik hoef de aanwijzingen niet achterstevoren en binnenstebuiten om te rekenen van links naar rechts en andersom, ik loop het rondje gewoon de andere kant op, net zo makkelijk, net zo mooi.



In de ringsloot, abusievelijk aan mijn rechterhand dus, zie ik na een kwartiertje wandelen een gans zwemmen. Op zich niet bijzonder, ganzen zijn overal, maar deze gans draait gedurig kleine rondjes en lijkt daar geen controle over te hebben. Opvliegen voor de wandelaar is er ook niet bij. Ik meen te weten dat dat op vogelgriep wijst en het lijkt mij dat één of andere instantie daarvan op de hoogte gesteld zou moeten worden. Ik kijk eens om me heen, vraag me nog eens af waarom Obdam toch rechtsachter mij ligt en kom dan tot de conclusie dat dat mijn verantwoordelijkheid is, om dat te doen, als verstandig burger, een instantie op de hoogte stellen. Echt zin heb ik er niet in, in het gedoe, maar goed.
Aanvankelijk vind ik alleen een telefoonnummer dat vooral voor pluimveehouders bedoeld lijkt te zijn. Pluimveegrootindustriëlen. Ik hoor mezelf al verontschuldigend stamelen over een eenzame wilde gans, midden in de polder, langs een wandelpad, op zondagochtend.. Gelukkig vind ik elders ook een onlineformulier waar ik weliswaar mijn hele doopceel moet lichten en waar ik alleen dode vogels kan melden maar uiteindelijk lukt het me via een sluiproute duidelijk te maken dat mijn gans nog leeft en heb ik mijn burgerplicht gedaan. Mijn telefoon heeft godzijdank zelf de locatie al ingevuld, met coördinaten en al, want als ik dat zelf had moeten doen was dat waarschijnlijk niks geworden, ook op dit digitale kaartje ligt Obdam namelijk op de verkeerde plek.
Eenmaal weer thuis blijk ik inderdaad een email ontvangen te hebben van het Dutch Wildlife Health Centre – wat is er mis met onze eigen taal, vraag je je dan weer af – waarin ik vriendelijk bedankt word voor mijn melding maar dat men helaas niet voldoende menskracht heeft om levende vogels uit het landschap op te halen en dat ik mijn melding bij de desbetreffende gemeente kan doen. Nou is dat op zondag onbegonnen werk natuurlijk en wanneer ik ontdek dat ik voor mijn melding de keuze heb uit acht verschillende ambtelijke telefoonnummers, afhankelijk van het soort water waar ik de gans heb aangetroffen – provinciaal, gemeentelijk, hoogheemraadschappelijk of anderszins – besluit ik dat ik dáár helaas de menskracht niet voor heb. En hoop er verder het beste van.



Het is boerennatuur, waar ik doorheen wandel. De polder is van 1608, lees ik, en wordt sindsdien gebruikt als agrarisch gebied. Bloementeelt, mais en ander veevoer, weiland. Veel leven zit er niet in. Behalve de zieke gans en de valse honden kom ik wat koeien tegen, ik sta een tijdje naar een beweeglijk wolkje zwaluwen te kijken dat zich van mij maar weinig aantrekt, ik ontwaar één piepklein groen kikkertje op mijn pad en hier en daar schiet er een vogel uit de slootkant omhoog waar ik een gekromde snavel aan meen te ontwaren, waardoor het wulpen zouden zijn, maar ik steek er mijn hand niet voor in het vuur.
Is het daarom een saaie wandeling? Nee natuurlijk, die bestaan trouwens helemaal niet eens. Ten eerste zijn daar de Hollandsche wolkenluchten die het nodige schilderachtige leven in de brouwerij brengen. Soms loop ik in de zon, dan trekt er weer een schaduwveld over me heen en het uitzicht is altoos nieuw. Verder is daar natuurlijk de molen, die aan één van de ellipspunten van de polder mooi staat te wezen. Nieuw Leven, heet hij, lees ik op iemand anders’ wandelblog, en hij is net als de polder zelf van 1608. Die heeft dus een bijdrage geleverd aan het droogmalen van het meer, destijds. Het valt nu, als ik zo om me heen kijk, nauwelijks nog voor te stellen. Samen met de kerktorentjes van de omliggende dorpen levert de molen wat je noemt een typisch Hollandsche aanblik.



Wat de wandeling ook een avontuurlijk tintje geeft zijn de tientallen hekjes die ik over moet klimmen. De bekende overstapjes die daar ooit voor zijn geplaatst worden kennelijk nauwelijks onderhouden, velen zijn nogal wankel, anderen zijn volledig ingestort en het is elke keer weer spannend of ik het zonder brokken en kleerscheuren haal. Ook is hier en daar schrikdraad over het pad gespannen, ik loop over boerenland tenslotte, dat gewoon in gebruik is. Soms moet daar onderdoor getijgerd worden, andere keren hanteer ik zo’n handvat met een haak, maar in het algemeen geeft het een fijn kinderlijk gevoel van iets doen dat eigenlijk niet mag. Hetzelfde geldt voor de tocht door Driemeerhuizen, een buurtschapje van een handjevol bijeengeveegde huizen aan de spoorlijn Hoorn – Obdam. Wandelaars worden toegestaan, maar het wordt ook niet onder stoelen of banken gestoken dat het hier om privéterrein gaat.
En dan heb ik Spierdijk nog onvermeld gelaten.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

De Tungelroyse beek

Fotoalbum



Eén van de vele warme dagen van deze vakantie loop ik vanaf Tungelroy door de omgeving en langs de Tungelroyse beek. Over een Romeinse brug waar verder nauwelijks aandacht voor is, waar verderop bij een vrij onbeduidend boerenbruggetje op een imposant informatiebord uitvoerig wordt uiteengezet hoe dat daar zo gekomen is. Het landschap is afwisselend bos en cultuur, beekdal en boerenakkers- er wordt hier en daar flink beregend om de boel in leven te houden. De beek kronkelt zich er nog wel doorheen, zoals het een beek betaamt. Ik volg een buizerd in de vlucht, word verrast door een ree, ritselend in het struweel. Een specht, boomkruipers en roodborsttapuiten. Vlak voor mijn voeten schieten wat patrijzen weg, te snel om te fotograferen. De blauwgevleugelde sprinkhaan, die ik mij nog herinner van een paar dagen eerder. Ik eet bramen warm van de zon, een grashalm is goed voor de pitjes tussen mijn kiezen. Op een smal paadje ontmoet ik een paardje. Aarzelend blijven we allebei staan, elkaars bedoelingen inschattend. Met een bedachtzaam boogje passeren we elkaar heel langzaam, waarna het paardje hinnikend weg galoppeert. Halverwege laat ik mijn blote voeten wat bungelen in de koele beek en mijmer terug in de tijd, van vakanties met mijn jongens, waar ook altijd wel een beek aan te pas kwam.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Over de Valkenhorst

Fotoalbum



Op vakantie in eigen land, zoals de laatste jaren sowieso gebruikelijk, liepen wij een stukje van de Valkenhorsttocht, bij Valkenswaard. Een stukje, want door medische perikelen, die ik u verder zal besparen, waren wij deze vakantie op korte wandelingen en ommetjes aangewezen. Wat verder ook geen ramp is, want wie het kleine niet eert etcetera. En al zijn medische perikelen niet leuk, de wereld zucht onder grotere problemen.
Het was een warme dag maar omdat een groot gedeelte van de tocht door het bos liep was het goed te doen. En warme dagen.. we zullen eraan moeten wennen. We liepen over bomenlanen die nog altijd een zekere deftigheid over zich hadden, we zagen zwaar toegetakelde naaldbossen waar blijkbaar andere plannen mee waren en we zagen de hei in bloei. Een aantal vennen die nog niet waren opgedroogd. We ontdekten een sprinkhaan die op het grijze zandpad nauwelijks zichtbaar was, maar die bij het wegspringen – of vliegen, hoe je het noemen wilt – blauw bleek te zijn aan de onderkant van zijn vleugels en die bij navraag op internet blauwvleugelsprinkhaan bleek te heten. Hoe overzichtelijk wil je het hebben. Vrij algemeen voorkomend. Net als het knopsprietje.
De Valkenhorsttocht liep ik overigens in zijn geheel al eerder, twee jaar geleden, volop in coronatijd, over medische perikelen gesproken, en daarvan valt het verslag nog altijd terug te lezen in het archief.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum van deze wandeling

Het landgoed Vilsteren

Fotoalbum



Het was mijn verjaardag en we waren op vakantie. In eigen land, om het allemaal niet nog erger te maken dan het al is, met de wereld. We maakten een rondje over het Landgoed Vilsteren, want dat was in de buurt. Dat ging over bomenlanen en langs houtwallen, langs akkers, weilanden en vennen. Rijkelijk voorzien van omgekeerde vlaggen, nostalgische boerenzakdoeken en rijmende boze woorden langs de weg. En de Vecht, zagen we ook nog even, de Overijsselse Vecht, niet te verwarren met de IJssel. Er stonden veel bordjes dat er iets niet mocht, maar goed, mensen doen ook maar, misschien. We zagen libellen in soorten en maten en alle kleuren van de regenboog. Een haas, een aantal ooievaren, statig stappend tussen het rundvee. Terwijl we de hoge bramen stonden te plukken, schoot er een boommarter voor onze voeten weg, te snel om te fotograferen, te snel ook eigenlijk om hem echt te zien, al hebben we nog een tijdje naar zijn staart hoog in de boom staan kijken in de hoop op nieuwe kansen. We eindigden op een wespenrijk terras met groentebitterballen bij de borrel, omdat we net een week geleden vegetariër waren geworden, vanwege alle toestanden.

Bekijk eventueel het fotoalbum van deze wandeling

Terug naar Bergen

Trage Tocht Bergen, gelopen op woensdag 13 juli 2022

Eigenlijk zouden we vandaag een etappe lopen van onze Lange Weg Naar Huis*, mijn jongste zoon en ik, zo was het afgesproken. En daar was het nog een bijzonder geschikte dag voor geweest ook, met dit weer en de vakantie al in de lucht, ware het niet dat mijn oudste zoon vanavond plotseling zijn vorig jaar al behaalde diploma eindelijk krijgt uitgereikt – een voor het gemak op corona afgeschoven vertraging – en daar willen we als liefhebbend broer en vader natuurlijk bij zijn. Het lijkt ons daarom praktischer het vandaag maar wat dichter bij huis te zoeken zodat we niet in een nerveuze race tegen de klok verwikkeld raken om nog ergens ver weg net op tijd een vage busverbinding met drie overstappen te halen. We kiezen, na amper ampel beraad, voor de Trage Tocht Bergen. Altijd leuk, weet vader, een trage tocht. En al kennen we de omgeving van Bergen van vele eerdere wandelingen en fietstochten, het blijft de moeite waard.



Het sfeervolle kunstenaarsdorp zelf, zoals het in de routebeschrijving flatteus wordt genoemd, slaan we even over. Zeker in deze tijd van het jaar is het voornamelijk een kakkineus horecadorp dat bovendien uitpuilt van de toeristen en waar parkeerruimte schaars en duur is. We zetten de auto net buiten het dorp en pakken de wandeling daar op, over de deftige bomenlanen van het Oude Hof, waar ik iedere week ook een steeds korter wandelingetje maak met mijn oude schoonmoeder, de oma van mijn zoon.
Het is een warme dag en de schaduw biedt aangename verkoeling. Achter de lommerrijke Eeuwige Laan langs, waar de rijken zich hebben teruggetrokken in omheinde en beveiligde privédomeinen met huizen als kastelen, over het tracé van de voormalige trambaan richting Bergen aan Zee. We lopen langs een heideveldje waarover mijn schoonvader meer dan eens verteld heeft dat zijn moeder, telg uit de plaatselijk beroemde kunstenaarsfamilie Min, daar ooit een heel mooi schilderij van maakte, het hangt bij hen in de slaapkamer. Ik heb dat ook meer dan eens bekeken en bewonderd. Toen zij nog wat langere wandelingetjes aankon ben ik er met mijn schoonmoeder ook wel eens heen gelopen, om het nog eens in het echt te zien, maar het bleek al snel dat die er geen herinneringen meer aan had, zodat ik ook niet honderd procent zeker weet of het hetzelfde heideveldje is, maar goed, het gaat om het verhaal.



Dan duiken we het duingebied in, het Noordhollands duinreservaat, waar je een toegangsbewijs voor moet hebben. We weten het, maar we hebben het niet. Wij hadden erop gegokt dat er wel een betaalzuil zou verschijnen, langs ons pad, het zijn moderne tijden tenslotte. Nu zit er niks anders op dan er maar op te gokken dat we zo gauw geen boze boswachter tegen het lijf zullen lopen. We nemen ons voor bij de eerste gelegenheid alsnog onze burgerplicht te doen. En zo gaat het, iets verderop bij een parkeerterrein staat wel een betaalzuil en de rest van de wandeling verloopt alsnog legaal.
We lopen langs plekken met interessante namen als Schulpvlak, Uilenvanger en Russenduin. ‘t Grote Ganzenveld, Grensvlakte en Bijlenboom. Elk pad hebben we eerder bewandeld, ieder uitzicht eerder gezien, maar het blijft een boeiend en afwisselend landschap, waar je ook gewoon nooit genoeg van krijgt. Heidevelden, zandverstuivingen, door de zeewind kort gehouden eikenbosjes, vreemd gevormde naaldbomen. We lopen over bospaden en -lanen, ploeteren door mul zand, we klimmen en dalen en kronkelen. En ondertussen nemen we het leven door, halen herinneringen op en bespreken de plannen voor de vakantie en de toekomst daarna.  
Wanneer we bij het Zeehuis de schaduw van het bos verlaten zijn we voorbereid op de warmte die ons is voorspeld, maar dat blijkt reuze mee te vallen. Zeker langs de branding van Bergen aan Zee waait een heerlijk koel windje.



Bij de strandopgang zijn we gecharmeerd van een tegen de duinen aan geïmproviseerde boekenkast. Een strandboekenkast, wordt het genoemd. Je kunt er een boek uitzoeken om mee te nemen naar je handdoekje, je wordt ook uitgenodigd er boeken achter te laten. En terug te brengen, nemen wij aan. We vinden het een leuk initiatief.
Terwijl we de titels vluchtig doornemen om een indruk te krijgen van het gebodene – je weet nooit of er niet iets bijzonders tussen staat, een buitenkansje moet je te baat nemen – komt een bejaard echtpaar aan geschuifeld. De man maakt zich los van de arm van zijn vrouw om ook even een kijkje te nemen, zij blijft onaangenaam verrast achter op het pad. Ik ben mijn boek vergeten, sputtert de man als zijn vrouw hem snibbig vraagt wat hij nou weer gaat doen. Dat zij zijn boek immers in de tas heeft, snijdt zijn vrouw hem ongeduldig  de pas af, waarop de man gehoorzaam terugkeert op zijn aarzelende schreden. Opnieuw gearmd schuifelen ze verder naar het strand, en de rest van hun huwelijksleven. Wij vinden alleen een wel erg beduimelde verhalenbundel van Jan Wolkers die we maar liever laten staan, je weet het nooit, met Jan Wolkers. Bovendien heb ik ‘m al, geloof ik.



Als we zo een tijdje langs de zee hebben gelopen – overdreven druk is het trouwens niet, voor een badplaats op een zomerse dag – blijken we op het naaktstrand te zijn beland. Hier en daar liggen wat blote lijven in het zand gedrapeerd, we zien witte billen, bruine billen, af en toe paradeert er een bloot borstenpaar langs. Het is niet dat ik er moeite mee heb, vrijheid blijheid en het is niet dat je verder nergens ooit blote billen en borsten ziet, me dunkt.. ik weet alleen nooit zo goed hoe ik niet moet kijken. Ik voel me preuts maar ben tegelijk bevreesd voor vieze ouwe man te worden aangezien, terwijl ik geen van beiden ben. Ik weet alleen niet met welke blik ik dat uit moet stralen. Mijn zoon zegt dat probleem niet te hebben, maar goed, hij is dan ook nog geen ouwe man.
Halverwege komt ons dan een wel wat oudere man tegemoet die het neutraal blijven kijken naar een nieuw level brengt. Gebruind van top tot teen en zeer uitbundig gepiercet op vele plaatsen die mij in elk geval buitengewoon pijnlijk voorkomen. Mijn zoon vertelt me wereldwijs dat zo’n pin door je eikel een prins Bernhard heet, maar als ik hem vraag waarom dat zo is weet hij het niet. We speculeren wat over boerenslimme smeergeld- en vastgoedgraaiers van die naam, maar op de voor de hand liggende eikel na krijgen we het verhaal niet rond. Omdat we nu toch nieuwsgierig zijn komt internet er aan te pas en blijkt dat het niet om prins Bernhard, maar om prins Albert gaat. Prins Albert von Saksen-Coburg en Gotha, om precies te zijn, in de eerste helft van de 19e eeuw echtgenoot van de Britse koningin Victoria, bekend van de puriteinse opvattingen. Het verhaal, dat trouwens wel meteen als broodje aapverhaal wordt gepresenteerd, waarvan akte, wil dat de zwaar geschapen prins zich geneerde voor de grote bobbel in het kruis van de strakke broeken die destijds gedragen werden en deze piercing gebruikte om zijn penis aan zijn broekband vast te haken zodat het allemaal wat minder opviel. Het lijkt ons een vreemde en vergaande en nauwelijks werkende oplossing voor het probleem. Een wat ruimere broek of een Schots rokje had een hoop ellende gescheeld, bedenken wij, maar blijkbaar paste dat niet in het tijdsbeeld. Enfin.. de langslopende meneer bij Bergen aan Zee heeft in elk geval last van gêne noch strakke broek.



Het strand verlaten we via de Kerf. In 1997 werd hier de duinenrij doorsneden om de zee de kans te geven in bepaalde omstandigheden toch binnen te komen en een gedeelte van het gebied tijdelijk te overstromen, waardoor een bijzonder natuurgebied zou kunnen ontstaan waar zoutminnende plantensoorten en de bijbehorende insecten, vogels en andere fauna een kans zouden krijgen zich hier opnieuw te vestigen. Ik kan me herinneren dat ik kort na de eerste overstroming ben gaan kijken en voornamelijk geschokt was door de enorme hoeveelheden plastic afval die binnengestroomd en achtergebleven waren. Vandaag ligt het er keurig bij maar ik neem voorzichtig aan dat er na ieder bezoek van de zee een schoonmaakploeg door het gebiedje gaat aangezien het probleem van de plastic soep nog altijd hopeloos makend onoplosbaar lijkt te zijn.
Wanneer we daarover pratend naar een uitzichtpunt met verrekijker zijn geklommen zijn we getuige van de mentaliteit die wel eens aan dat probleem en zijn onoplosbaarheid ten grondslag zou kunnen liggen. Ook op het uitzichtpunt zijn een man en een vrouw met fietshelmen. Ze dragen strakke, sportief bedoelde kleding maar verder ogen ze niet erg sportief. De man, buik als een trofee vooruit, staat zelfs te roken. Roken! Het peukje, u raadt het al, wordt, toeschouwers of niet, achteloos op de grond gegooid, uitgetrapt en onder het zand begraven. Wat je niet ziet, bestaat niet. En ik weet wel, één peukje maakt geen plastic soep, maar de ongeïnteresseerde grondhouding wel, dames en heren. Dáár gaat onze wereld uiteindelijk aan ten onder, let maar op.
Met lede ogen zien wij het aan, mijn zoon en ik, en zonder woorden weten we dat we hetzelfde denken: eigenlijk moeten we hier iets van zeggen. Maar we doen het niet. Geen zin in gedoe. In ruzie, frustratie en boosheid of erger nog. En daarmee zijn we natuurlijk onderdeel van het probleem, dat weten we heus wel. Dat zit ons dan ook zelfs na een tijdje nog niet lekker. De volgende keer dat ik zoiets zie, besluit mijn zoon tenslotte, als we alweer lang en breed zijn afgedaald, zeg ik er wel iets van. Zelf ben ik allang te cynisch om me hetzelfde voor te nemen, maar ik vind het mooi dat mijn zoon nog hoop op verbetering heeft.



Door bos en langs hei komen we in de middag langzaamaan weer in de buurt van de auto wanneer we op een kruispunt van twee lange, rechte boslanen een wat oudere dame zien staan. Ze beweegt zich opvallend weifelachtig: twee trage passen naar links, twee trage stappen naar rechts, een ongerichte blik om zich heen. We vragen haar of ze het kan vinden, allebei denken we aan oma, die ook verdwaald is in het bestaan. Het heideveldje waar ze naar op zoek zegt te zijn weet ik wel te liggen, het is het heideveldje waar mijn schoonvader het vaak over heeft, het hangt in de slaapkamer. We wijzen haar waar het is, vertrouwen op ons oordeel dat ze nog voldoende bij de pinken is om haar verder haar eigen weg te laten gaan en slaan zelf volgens plan linksaf.
In de verte zien we ons een gestalte tegemoet komen die bij nadering ook iets zoekends over zich heeft. Zul je zien, grappen we tegen elkaar, dat ze ons straks vraagt of we haar moeder misschien hebben zien dwalen. En inderdaad, geloof het of niet, spreekt de gestalte, inmiddels een dame die eerder de oudere zus van de vorige zou zijn, ons aan. Te zeggen dat ze paniekerig is zou overdreven zijn, maar helemaal gerust is ze er zeker ook niet op. Of wij misschien bekend zijn in deze omgeving, is de inleidende vraag. Waarop een licht verward verslag volgt van de belevenissen die haar naar hier hadden gebracht. Met haar man was ze een dagje uit in Bergen, het strand en het zeeaquarium had ze bezocht, en nu zat ze op een terrasje in het dorp wat te eten en moest ze plotseling op stel en sprong de auto wegzetten, net als niet nader omschreven andere mensen. Waarschijnlijk, reconstrueerden wij later, hadden de auto’s geparkeerd gestaan in voor de brandweer gereserveerde vakken. Maar goed, nu kon ze dus de weg naar het dorp niet terugvinden, was haar eten ondertussen waarschijnlijk koud en haar man ongerust want ze liep naar eigen idee al meer dan uur te dwalen.
Mobiele telefonie is aan deze generatie niet besteed bleek maar weer eens en bij welk restaurant ze op een terras zat wist ze niet zodat we ook op die manier haar man niet konden bereiken. We besluiten ons dan maar over deze dame te ontfermen en nodigen haar uit met ons mee te lopen naar onze auto en een rondje door het dorp te rijden, op zoek naar iets dat haar bekend voor komt, een voorstel dat ze bezwaard maar opgelucht aanneemt. Onderweg herhaalt ze meerdere malen verontschuldigend hoe erg ze het allemaal vindt en op onze vraag of ze nou nog wel wist waar ze de auto had geparkeerd antwoordt ze weinig geruststellend dat die ‘op zijn plek’ staat.
Na een kort rondje door het sfeervolle kunstenaarsdorp herkent de dame het terras waarop haar biefstukje koud staat te worden. Hoewel buitengewoon rottig geparkeerd wachten wij nog even af of haar man al die tijd op zijn post is gebleven en wanneer dat het geval blijkt te zijn besluiten we dat onze goede daden erop zitten voor vandaag. Al zijn we ons nog wel een tijdje af blijven vragen of en hoe ze de geparkeerde auto terug hebben gevonden. Nog steeds, eigenlijk.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis, in beide richtingen. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd. De verslagen van de tot nu toe gelopen etappes zijn hier te lezen

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Raja en de brandweer

Kunst onderweg

Kijk daar, kunst. Mijn jongste zoon wijst me erop. Een beetje plagerig, klinkt het. Omdat hij er waarschijnlijk toch zo het zijne van denkt, van zijn vader die bij het wandelen de kunst onderweg fotografeert, om er later thuis desgewenst een stukje over te schrijven, op zijn weblog. Maar ook omdat in de vijver waar we hier in Voorburg langs lopen het beeld staat van een naakte vrouw. Een jonge, slanke, naakte vrouw. De armen uitnodigend gespreid, de borsten pront vooruit, de heupen gekanteld in wat je als een verleidelijke pose zou kunnen opvatten. Let op de voorzichtige formulering, want dat is natuurlijk wat mijn best wel woke zoon bedoelt: Kijk, een mooie naakte vrouw, ga daar maar een stukje over schrijven. Op internet. Als oudere, witte heteroseksuele man. Succes! Ja, het zijn me de tijden wel..



Helemaal naakt is ze trouwens niet, technisch gesproken, de afgezakte band om haar heupen suggereert iets van een rok, rondom haar knieën is dat ook duidelijk, maar wat vrouwelijke vormen betreft wordt er toch weinig aan de verbeelding overgelaten. Heur haar draagt ze strak naar achter in een knotje boven op het hoofd, het kan ook een doek of hoofddeksel zijn, en haar trekken doen wat oosters aan. Of is dat invulling? Omdat de blik naar binnen lijkt gekeerd? En om de mond een serene glimlach speelt? De oosterse mythe.. Of, nou, is het echt sereen? Nee, dat eigenlijk niet, daarvoor zit er teveel spot in. Maar een beetje mysterieus is het wel. Wetend. Zelfbewust. Met een zweem van trots. Feministisch, zou het kunnen zijn, geloof ik. Á la Beyoncé.


Is het een serene glimlach? Of eerder licht spottend?


En wat heeft ze in haar handen?

Als ze danst is het een langzame dans, iets ritueels, met veel armgebaren, maar ook dat kan weer invulling zijn. Wat heeft ze trouwens in haar handen? Ze heeft iets in haar handen, kijk maar, ze laat ons iets zien. Of ze biedt ons iets aan. Wat is het? Twee schaaltjes, met waxinelichtjes, lijken het. Hmm.. een beetje banaal. Zo wordt het een topless serveerster in een Thais restaurant van laag allooi, dat kan de bedoeling niet zijn.



Dan valt het ons op dat haar onderbenen wit zijn uitgeslagen, waarschijnlijk van kalk, en begrijpen we dat we met een fontein te maken hebben. Het is blijkbaar nog te vroeg in het jaar om hem aan te zetten maar het zal, denken wij nu, de bedoeling zijn dat er water uit de schaaltjes omhoog spuit, wat later ook blijkt te kloppen. Waarom dat is, is ons niet meteen duidelijk. Op internet vinden we wel uit dat het beeld in 1987 speciaal gemaakt is voor een dat jaar nieuw opgeleverde brandweerkazerne, in Leidschendam, maar dat lijkt ons toch een wel erg platte verklaring. Brandweer = water spuiten.
Het beeld heet Raja, lezen we, misschien helpt dat ons verder. Raja blijkt een van oorsprong Hindoestaanse naam te zijn die ‘hoop’, of ‘verwachting’ betekent en voornamelijk in moslimlanden wordt gebruikt. Okay..
Elders wordt geschreven dat Raja een Arabisch woord is dat zoveel betekent als ‘kudde die aan een herder is toevertrouwd’. Daar kunnen we misschien meer mee. Dan zou het kunnen zijn dat Raja, het beeld, de naakte vrouw, de bevolking van Leidschendam symboliseert die zich in kwetsbaarheid aanbeveelt in de bescherming van de brandweer. Naakte vrouw = kwetsbaar.


Hier staat Raja nog voor de brandweerkazerne aan de Veursestraatweg in Leidschendam.

Maar voor hetzelfde geld is dat allemaal veel te ver gezocht en wilden de brandweermannen van Leidschendam gewoon een lekker wijf met goeie tieten voor de deur. Al is dat een seksistische stereotypering natuurlijk, dat weet ik heus wel. Niet alle brandweermannen zijn male-gazende testosteronbommen, sowieso zijn niet alle mannen dat, en er zijn ook vrouwelijke brandweerlieden, zeker. En daar zullen er dan weer bij zijn die op vrouwen vallen, maar niet alle vrouwen bij de brandweer zijn automatisch lesbisch.
Maar is het niet ook een beetje seksistisch dat, wanneer er een symbool gezocht wordt voor een bescherming zoekende bevolking, meteen weer voor een vrouw wordt gekozen? Zijn vrouwen altijd alleen maar zwakke wezens die niet voor zichzelf kunnen zorgen? Mogen mannen geen bescherming zoeken? Kan een man niet kwetsbaar zijn? En is een vrouw die zonder schroom haar naaktheid laat zien wel zo kwetsbaar? Is dat niet een beetje vanuit het vrouwelijk perspectief gedacht? Dat de vrouw de onschuld voor zich opeist? Mag ik dit opperen, als man?
Tjoh, wat een ingewikkeldheid. Maakt het nog uit wie de kunstenaar is? Wat als het een man is? Is dat dan een vieze geile bok? Die zich aan jonge meisjes verlekkert? Dat geluid wordt wel gehoord. Mannen beelden vrouwen af alsof het vleesvazen zijn voor hun lulbloemen, las ik laatst nog dat kunsthistorica en stand up comedian Hannah Gadsby had gezegd. Allicht heeft ze een punt. Maar Raja is gemaakt door een vrouw, dus hoe het dan zit weet ik even niet.


Ander werk van Sybille de Braak, de maakster van Raja. Vlnr Female torso, een beeld in oplage; Zwangere vrouw, in de koffieruimte van de UvA; De drie gratiën (1991)

Sybille de Braak (1947), is de maakster. Er is verbazend weinig over haar te vinden, behalve een her en der herhaald riedeltje dat ze in Duitsland is geboren, als kind met haar ouders naar Nederland verhuisde, kunstopleidingen volgde aan onder meer de Koninklijke Academie in Den Haag en haar eerste expositie had in 1980. Geen foto, niks. Een beeld moet voor zichzelf spreken, is een uitspraak uit het riedeltje, dat zou een verklaring kunnen zijn. Ook foto’s van ander werk zijn trouwens schaars, wat ik vind zijn vrouwelijke naakten. In een krant uit 1986 vind ik nog een advertentie voor een expositie van erotische kunst waar haar werk getoond wordt. Dus misschien moeten we er verder niet te moeilijk over doen en het toch ook maar in die hoek zoeken. Wel is het te hopen dat Raja dan inmiddels een beetje is schoongeregend, wij troffen haar aan met ontsierende klodders druipende witte vogelschijt op gezicht, schouders en borsten, met alle masculiene associaties van dien. Bij de kazerne staat ze dan wel niet meer, maar misschien kan de brandweer hier toch even wat aan doen. For old times’ sake.

We kwamen Raja tegen in Voorburg, bij De Lange Weg Naar Huis, onze wandeling van Schagen naar Den Haag en weer terug, tijdens de etappe van Den Haag naar Benthuizen, gelopen op zondag 27 februari 2022.



Raja stond vanaf 1987 voor de brandweerkazerne van Leidschendam. Toen in 2002 Leidschendam en Voorburg fuseerden tot één gemeente werd de brandweerkazerne opgeheven en werd Raja opgeslagen. Sinds 2018 staat ze, gerestaureerd en al, in de vijver van park ’t Loo in Voorburg.

Lees meer afleveringen van Kunst Onderweg in het archief

De wandelverslagen van De Lange Weg Naar Huis zijn te vinden in het archief.

Ophef uit de oude doos

Kunst onderweg

Veendam is behoorlijk groos met haar beroemde zoon Anthony Winkler Prins, ontdekken wij om te beginnen op het sfeervolle en zeer lommerrijke kerkhof, waar hij begraven ligt. Herbegraven, om precies te zijn want toen hij in 1908 overleed werd hij begraven in Voorburg, zijn toenmalige woonplaats, met naar verluidt niet meer dan een paaltje met een nummer. Nummer 48. Pas in 2005 kwam hij weer thuis in Veendam, en kreeg hij een fatsoenlijke steen op zijn graf.



Anthony Winkler Prins (1817 – 1908) was bij leven predikant, schrijver, dichter en hoofdredacteur van de naar hem vernoemde encyclopedie – lange tijd en misschien nog steeds wel een begrip – waar hij dertien jaar aan werkte. Daarnaast heeft hij veel betekend voor Veendam en omstreken. Hij zorgde voor een hbs, een kweekschool, een latijnse school voor meisjes en maakte zich op vele andere manieren sterk voor onderwijs en ontwikkeling van de bevolking; was betrokken bij de oprichting van de Eerste Groninger Tramway Maatschappij, ter ontsluiting van het gebied. Het zijn vooral deze zaken waarom hij het nog altijd als afgelegen beschouwde Veendam zo na aan het hart ligt: de hedendaagse scholengemeenschap draagt zijn naam, er is een Winkler Prins winkelpassage, de bakker verkoopt Winkler Prins koek, de slijter verkoopt Winkler Prins drankjes, de Lions Club organiseert een Winkler Prins dictee.. en op het plein zijn beeld, voor het veenkoloniaal museum, dat gevestigd is in het voormalig gebouw van het Winkler Prins lyceum.


Vlnr: Christine Chiffrun, beeldend kunstenaar; Anthony Winkler Prins, predikant, schrijver, encyclopedist; Anthony Winkler Prins, beeld.

Op een ruitvormig plateau en een driehoekige sokkel staat hij daar, keurig in pak, orerend achter een lessenaar. Zelfverzekerde blik in de ogen, een volle baard, een scherpe vouw in zijn bronzen broek. Zijn vrouw zou hem zo herkennen. In 1987 naar het leven geboetseerd door Gronings beeldend kunstenaar Christine Chiffrun. Speciaal voor de opdracht verhuisde ze van Groningen naar Veendam.
Chiffrun (1942 – 2021), werd geboren in Paramaribo, studeerde in de jaren 60 en 70 aan de Rietveld in Amsterdam, Minerva in Groningen en Jan van Eyck in Maastricht. Naast beeldhouwer was zij ook fotograaf en videokunstenaar en maakte ze installaties. Veel van haar werk heeft een conceptueel randje, een idee dat verder gaat dan wat je kunt zien.
Dat blijkt ook het geval bij het beeld van Winkler Prins, lezen wij later op internet. De sokkel waar het beeld op staat, bestaat uit twee driehoekige delen die samen een denkbeeldige lijn aangeven. Wanneer je die lijn zou volgen, kwam je na zo’n anderhalve kilometer uit op de plek waar ooit het kerkje stond waarin dominee Winkler Prins preekte, en de pastorie waarin hij zijn encyclopedie schreef. Chiffrun deed onderzoek ter plaatse, bepaalde de exacte coördinaten van kerkje en woonhuis en legde één en ander vast op een kadasterkaart en in een fotoreportage. Een markering ter plekke, een zichtbare link naar het beeld op het museumplein achtte zij niet nodig, de plek was op deze manier onderdeel van haar kunstwerk geworden, vond zij.


Ander werk van Christine Chiffrun. Vlnr: Buste van Fré Meis, 2002, Gronings stakingsleider, communist, Oude Pekela; Poggelinie, Stadskanaal, 1984, kleuren en lijnen verwijzen naar het Gronings landschap van veen, turf en rechte kanalen.

Een gegeven dat wellicht niet bekend was bij de plaatselijke Rotary, die, zo lezen wij verder, in 1993, ter ere van haar zestigjarig bestaan, als geschenk aan de bevolking van Veendam een Winkler Prins monument liet plaatsen, op precies die plek. Dit leidde tot enige ophef omdat Christine Chiffrun dit tweede beeld, op juist deze plek, als een inbreuk op haar auteursrecht en een bezoedeling van haar werk op het museumplein en het conceptuele aspect ervan beschouwde, en via de rechter eiste dat het Rotary-geschenk binnen 24 uur verwijderd zou worden. Tja. Je kunt daarvan vinden wat je wilt, maar niet dat zij haar werk niet serieus nam, het minste dat je van een kunstenaar mag verwachten.
De maker van het tweede monument, Veendammer, Rotarian en voormalig beeldend kunstenaar Ive Krikke, benadrukte dat zijn ontwerp zeker geen kunst was maar een informatiezuil. Kunst is dood voor mij, was daarover zijn verklaring. Ook daarvan kun je van alles vinden.
Het kort geding werd verloren door Chiffrun en het tweede monument, zo blijkt op google earth, staat er nog steeds.


Waar ooit het kerkje van dominee Winkler Prins stond, staat nu een tweede monument, geplaatst door de Veendamse Rotary.

Al speurend in het groot online krantenarchief vinden we dan nog een artikel uit Trouw uit die dagen, waarin deze hele kwestie wat meesmuilend als dorpsrel wordt afgedaan, vanuit het grote Amsterdam, de navel van de wereld, waar de maat der dingen wordt bepaald. Een verslag waarin figuratieve kunst hooghartig als niet ter zake doend van tafel wordt geschoven, beide beelden daarom snuivend worden gediskwalificeerd – ja kindjes, zó zag WP er uit – en waarin gesteld wordt dat het enige echte onovertroffen Winkler Prins monument natuurlijk, hoe kan het anders, in Amsterdam staat. Op het Frederiksplein. Een beeld van André Volten (1925 – 2002). Een monumentale, roestvrij stalen pyloon, opgebouwd uit een groot aantal glimmende ringen, die volgens de schrijver tenminste nog wat aan de verbeelding van de kijker overlaat en waarvan die ringen bijvoorbeeld kunnen corresponderen met het aantal verschenen delen van de encyclopedie. Tja. Weer iets waar je van alles van kunt vinden, al is het nog zo lang geleden.


Vlnr: André Volten (r) bij de onthulling van zijn Winkler Prins monument in Amsterdam, 1970; Moderne stad, Den Haag, 1965, ook een beeld van André Volten.

Kijk, als de kunstenaar zegt dat hij zijn beeld op Winkler Prins heeft geïnspireerd, dan is dat zo natuurlijk, geen twijfel aan en houd me ten goede, het is een prima beeld, ik vind het mooi en krachtig in al zijn abstracte eenvoud. Maar laten we eerlijk zijn, je zou even gloedvol kunnen betogen dat het een ode is aan de glansrijke carrière van nationaal volkszanger André Hazes (1951 – 2004), bijvoorbeeld. De ringen zouden kunnen corresponderen met het aantal platina platen dat hij bij elkaar heeft gezongen. Al zit de bronzen André (ja kindertjes, zó zag André Hazes er uit) natuurlijk ook al op zijn bronzen barkruk op de Albert Cuyp.
De bijnaam die het beeld van Volten in de volksmond heeft gekregen, de knakenpilaar, lijkt me dan weer een mooi verbaal monument voor een stad die zichzelf voor een handvol zilverlingen heeft uitgeleverd aan de toeristenindustrie, de evenementenbranche en de vastgoedinvesteerder.


De bronzen André Hazes, Amsterdam, 2005, door drie onbekende Chinese kunstenaars.

We liepen door Veendam langs het Grootfrieslandpad, met de etappe Nieuw Annerveen – Muntendam, gelopen op zondag 9 april 2022

Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief

Lees eventueel ook de wandelverslagen van het Grootfrieslandpad

Dwars door het Groene Hart

Van Benthuizen naar Bodegraven, een etappe De lange weg naar huis*, gelopen op zondag 24 april 2022

In Benthuizen openen we de dag met stroopwafels uit Zegveld. De lekkerste van Nederland, volgens onze oude Haagse vrienden, die ze speciaal voor ons in huis hebben gehaald. De vorige wandeling eindigden we bij hen aan tafel, met bier en een maaltijd, vandaag zwaaien ze ons uit aan het begin van onze tocht naar Bodegraven, met koffie en cake. En stroopwafels dus.
Net als vorige keer zullen we het vandaag zonder markeringen moeten stellen. Heen en weer klikkend op het web heb ik van de week een volgens mij best aardige route bij elkaar gesprokkeld, met Google Earth hier en daar vast een verkennende blik vooruit werpend om nare verrassingen te voorkomen – het gebied is nogal dunbezaaid met wandelpaden dus verkeerswegen zijn onvermijdelijk, maar al te druk moet het niet worden natuurlijk. Met een handgeschreven A4-tje vol straatnamen en aanwijzingen gaan we op pad en achteraf kunnen we zeggen dat dat allemaal perfect heeft uitgepakt.



Onder een vriendelijk zonnetje trekken we om te beginnen het Bentwoud in, een spiksplinternieuw natuurgebied met een ambitieuze naam dat zich uitstrekt tussen Zoetermeer en Boskoop, Benthuizen en Waddinxveen. Het is vanaf 2006 in tien jaar tijd aangelegd op de voormalige boerenakkers van deze droogmakerij, als bos, als recreatiegebied en als barrière tegen de almaar oprukkende verstedelijking van wat toch het groene hart genoemd wordt. Met achthonderd hectare en drie miljoen bomen zou je het Bentwoud het groene hart van het groene hart kunnen noemen, al is dat een lelijke zin. Het is nog pril allemaal, de tekentafel schijnt er nog een beetje doorheen, de schelpenpaadjes slingeren nog wel heel braaf door de langs een liniaal aangeplante en precies even hoge bomen maar het is een kniesoor die daar op let. Het ligt er mooi wel, en time is hier on our side. Bermen vol knalgeel koolzaad strekken zich langs slootkanten uit tot aan de einder, het fluitekruid wolkt de hoogte in, het frisse groen van uitbottende jonge boompjes licht op in de lentezon, steekt af tegen de helblauwe lucht, gevuld van vogelgeluiden. We zien een fitis op fotografeerafstand, een veldleeuwerik, kiekendieven, een buizerd, fazanten, futen.. Wonderlijk genoeg treffen we bijzonder weinig recreanten, ondanks het fantastische weer en de legio mogelijkheden. Maar het is zondagochtend, en we bevinden ons in kerkelijke contreien.



Aan het eind van het Bentwoud lopen we de buitenwijken van Boskoop in. Het Peppellaantje, dat afgezoomd met knotwilgen de naam ruimschoots eer aan doet, voert ons discreet achter de nieuwbouw langs, langs een smal watertje, over wat vermoedelijk nog een dijkje uit vroeger tijden is. Aan het eind ervan stuiten we op een watertoren, een voormalige watertoren, die ook inderdaad een zeer voormalige indruk maakt. Aan de voet van de gemetselde steel ligt, op zijn kop, de immens grote metalen tank die ooit tientallen meters hoog jarenlang trouw op zijn post heeft gestaan. Nu lijkt hij op het oog nog dienst te doen als schuur. Uit de gepleisterde bovenste rand van de toren steken rondom nog de balken, waardoor het lijkt of er zo’n Bedouin woestijnhuis bovenop staat. Het erf is afgezet met bouwhekken en zeil – wat er van te zien is geeft een wat vrijgevochten, alternatieve indruk. De associatie met krakers en hippies ligt op de loer, maar we weten het niet. Voor hetzelfde geld is er een renovatie in volle gang.



Iets verderop, maar nog wel in de schaduw van de watertoren, treffen we een meneer die de viooltjes in de berm tegenover zijn huis staat te verzorgen. Geheel in de stijl van Arnout Hauben, de populaire Belgische televisiewandelaar, groeten wij uitbundig en complimenteren hem met de gezellige aanblik van zijn bloemekes, in de hoop op een praatje. Dat kost verder weinig moeite, de meneer heeft er alle tijd voor. Ieder jaar plant hij viooltjes, vertelt hij. Weliswaar is de berm van de gemeente maar hij kijkt er immers wel op uit, vanuit zijn keukenraam. De buren nemen zijn initiatief niet over, zoals wij vragen, want meneer is er al jaren geleden mee begonnen en zoals wij kunnen zien is er in de rest van de straat nog niet veel gebeurd. Inderdaad is de berm verder begroeid met gras en paardenbloemen. Sinds er een keer een auto dwars over zijn bloemen is gereden, onthult de meneer, heeft hij een flink blok hout op de stoeprand vastgeschroefd, met lange stalen pennen. Met een schalkse blik schopt hij er tegenaan. Geen beweging in te krijgen. Nee, dat zal hem niet nog een keer gebeuren.
Van de watertoren weet hij te vertellen dat die vijftien jaar of misschien nog wel langer geleden door de gemeente voor een symbolisch bedrag verkocht is aan iemand die er een plan mee had. Maar dat er vervolgens niets mee gebeurde omdat de koper het geld niet had om zijn plannen ook uit te voeren. De gemeente ondertussen, graag voor een dubbeltje op de voorste rij, wilde wel dat de toren werd onderhouden en dat de watertank weer werd teruggeplaatst, daar werden meerdere rechtszaken over gevoerd. Wij denken stiekem dat de gemeente van het nu over de juridische balk gesmeten geld de toren misschien beter zelf had kunnen onderhouden, wanneer zij dat zo belangrijk achtte, maar goed, wat hebben wij er mee te maken. De eerste koper, vertelt de meneer onverstoorbaar verder, is inmiddels overleden en nu wonen er twee mannen in de toren waar hij verder geen mening over heeft, behalve dat het wel een beetje een rommeltje is.



Door het oudere gedeelte van Boskoop, met kapitale herenhuizen en villa’s enerzijds maar ook vervaarlijk achteroverhellende en armoeiig scheefgezakte huizen hier en daar, lopen we richting de stalen hefbrug, die al van verre boven alle bebouwing uitsteekt. Een beetje ramptoeristisch vraag ik me af of dit dezelfde is die een paar jaar geleden door slordig takelwerk op de huizen neerstortte, maar dat blijkt later die van Waddinxveen te zijn geweest, een paar kilometer verderop over de Gouwe.
Op een bankje onder de kerktoren zien we twee meisjes met een ijsco zitten. Als één man houden we onze pas in bij deze aanblik en besluiten woordeloos dat wij ook een ijsje willen, daar is het wel het weer voor vandaag. Omdat we op eigen kracht niet één twee drie een ijssalon ontdekken hebben we een goede reden de meisjes aan te spreken, met de vraag waar we terecht kunnen. Twee straten verder sluiten we aan bij een lange rij maar net als alle andere ijssalons is die van Boskoop met vlag en wimpel de beste van het land dus die moeite wordt beloond.



Als we Boskoop aan gene zijde van de Gouwe dan weer uitlopen komen we terecht in tuinbouwgebied. Boomkwekers, fruittelers, kassen. Het landschap, hadden we op de kaart al gezien, kenmerkt zich door vele lange, rechte vaarten langs smalle, al even lange en rechte akkers, die zich maar nauwelijks boven het water verheffen. In de buurt van de weg dan steevast een opslagloods met laag boven het water hangende laadplatforms. Als Noordhollanders associëren wij het met het duizend eilandenrijk bij de Broekerveiling, waar het er precies zo aan toe gaat, maar dan met kolen en andere groenten. Het is een vreemd landschap, waar functionaliteit al heel lang overheerst. Je kunt niet zeggen dat het mooi is, of lieflijk. Toch heeft het een zekere robuuste schoonheid. Recht toe recht aan. Onopgesmukt. Het helpt natuurlijk dat het schitterend weer is en de zon op een jonge lente neerschijnt. Met grauw en regenachtig weer of in de winter zou het er hier wel eens knap deprimerend uit kunnen zien. We lopen naast en over smalle asfaltweggetjes, de kaart had ons niet al teveel keus gelaten, het water is hier de alomtegenwoordige infrastructuur, maar het is zondag, als gezegd, en met de drukte valt het mee. Naar de grote vrijstaande huizen te oordelen gaat het de tuinders niet slecht. Al komen we ook langs schuren en loodsen die hun gloriejaren al wel een tijdje achter de rug hebben, maar die met hun afgetrapte rabbigheid toch weer meer aan de charme van het landschap bijdragen dan de witte bungalows met veel glas en brede oprijlanen.



Richting Reeuwijk Dorp gaat het dan. Over dijken die aan de ene kant misschien wel vijf meter boven het weiland uitsteken en aan de andere kant bijna tot aan de kruin in de wetering staan. Hollands waterbeheer in beeld. Het blijft een bijzonder gezicht.
Langs de Oude Reeuwijkerweg naderen we dan langzaam maar zeker het onvermijdelijke: de E30 en de E25, waar we onderdoor, langs en opnieuw onderdoor moeten. Asfalt in het groene hart. We hadden er tegenop gezien maar uiteindelijk gaat het allemaal heel soepel en lopen we zelfs tussen deze verkeersaders nog door een opmerkelijk landelijk stukje, het Reeuwijkerhout. Over tal van bruggetjes over evenzovele sloten kronkelt het linksom en rechtsom tussen de bomen door en het geraas van de snelweg laat zich aldus, buiten beeld gehouden, met een beetje goede wil, nog vrij makkelijk wegdenken als het ruisen van de zee. Na een tweede gang onder bulderende en tochtige viaducten door vinden we de Oude Bodegraafseweg die ons kalm en vriendelijk naar het eindpunt van de dag meandert.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis, in beide richtingen. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Lees meer afleveringen van De lange weg naar huis, in het archief

De wereld een beeldentuin

Kunst onderweg

Een beginnersfoutje was het eigenlijk. Zo begon het. Zo ontstond het idee, ooit, lang geleden. In de beeldentuin van het Kröller Müller museum, nota bene, hoe mooi kan het lopen..
Ik was in mijn eentje op fietstocht door Nederland, langs beeldenparken, -tuinen, -bossen en -routes. Ik was net weer vrijgezel, ik zat op de kunstacademie en ik was op zoek naar mezelf, een nieuwe versie van mezelf. Een nieuw leven, een doel, iets anders.. Ik stond open voor alles. Alles. En zo liep ik, in de beeldentuin van het Kröller Müller museum dus, belangstellend rondjes om een manshoge, vierkante sculptuur van geribbeld kiezelbeton waar een soort metalen roosters in verwerkt waren. Trachtend zijn zeggingskracht te doorgronden. Haar zijn te absorberen.
Tot ik ontdekte dat er geen bordje bij stond, zoals wel bij de andere sculpturen. Dat ik ook wel een beetje van het pad was afgedwaald. En daarna dat het dus ook helemaal geen sculptuur wás, waar ik zo interessant omheen liep te peinzen, maar de ontluchting van de kelder van het museum, of zoiets.
Een tikkeltje gênant natuurlijk, zeker voor een kunstacademiestudent, maar gelukkig had geen mens me gezien. Behalve ikzelf. Oók gelukkig, want daar was meteen het idee. Ik had hier iets dat niet als kunst bedoeld was, tóch als zodanig staan bekijken. En gewaardeerd. En dat maakte dus pas wat uit toen ik had ontdekt hoe de vork in de steel zat.
Een interessante kwestie. Wat zei dat over mij? Wat zei dat over kunst? Ik had geen idee, maar ik besloot ter plekke er een thema van te maken, voor de foto’s onderweg, op mijn fietstocht, dan kwam ik er allicht vanzelf wel achter.
Jaren geleden is dit allemaal. 1991, om precies te zijn. En sindsdien ben ik het blijven tegenkomen, op mijn pad. En fotograferen, al die jaren. GeenKunst, noem ik het. De catalogus op internet wordt almaar volumineuzer.



Goed, dan zou je dus denken dat je inmiddels door de wol geverfd bent. Een veteraan op het gebied. Dat je je niet meer laat foppen. Maar van de week gebeurde het opnieuw. Wandelend van Benthuizen naar Bodegraven stuitten we even buiten Reeuwijk Dorp, langs de Kerkweg, op een beeld. Een vierkante plaat beton, leuk diagonaal in de berm gelegd, met in elke hoek een kniehoge oranje-rode appelvorm. Een verwijzing naar de streek, dacht ik, we liepen immers door een gebied van tuinders en fruittelers. De betonplaat konden we dan zien als een fruitschaal waarin de oogst werd gepresenteerd maar die met zijn vierkante, ongepolijste functionaliteit misschien ook het industriële, het grootschalige karakter van de fruitteelt benoemde. In die termen probeerde ik het beeld te doorgronden. De Kerkweg werd geheel gerenoveerd en heringericht, was duidelijk te zien, dus misschien was het ter ere daarvan dat er een kunstwerk was geplaatst, die dingen gebeuren.
Ik liep er eens een rondje omheen en maakte wat foto’s voor de rubriek Kunst Onderweg op dit weblog. Een bordje stond er niet bij, er stond geen naam in het beton gekrast, nadere informatie ontbrak, maar dat heb ik in de loop van deze rubriek over kunst in de openbare ruimte wel vaker meegemaakt, dat maakt het alleen maar leuker. Thuis zou ik op internet eens zien wat ik te weten kon komen over het kunstwerk en zijn maker. Over het hoe en waarom.
Maar wat ik ook intikte als zoekterm, een halve avond lang, wijzer werd ik niet. Met geen woord, met geen pixel werd er gerept over dit beeld. Ten einde raad legde ik het voor aan een vriendin die in de omgeving van Reeuwijk woont en in de kunst zit bovendien, misschien kon zij me meer vertellen. En inderdaad. Zij lachte me hartelijk uit. Dit was geen kunst. Dit was een wandelbankje, om even op te zitten, onderweg. Er stonden er meer in de omgeving.
Tja.. nou ja, in elk geval heb ik weer een nieuwe aanwinst voor mijn GeenKunst catalogus. Het jammere was wel, achteraf, dat wij juist langs de Kerkweg even buiten Reeuwijk op zoek waren naar een bankje, om even op te zitten, want het was nog best ver naar Bodegraven.

Blader eventueel door de GeenKunst catalogus op internet

Lees meer afleveringen van Kunst Onderweg in het archief


Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

De lange leegte

Van Nieuw Annerveen naar Muntendam, een etappe van het Grootfrieslandpad, gelopen op zaterdag 9 april 2022





We lopen door een ledig landschap van lange rechte lijnen. Lange rechte paden, lange rechte wegen en lange rechte kanalen onder een woeste lucht die geen seconde hetzelfde oogt. Van strakblauw naar dreigend zwart gaat het, imposante wolkenformaties trekken over en zo af en toe schuilen we voor een korte maar felle hagelbui. Saai wordt het nooit. Wat betreft Veendam moeten we ons vooroordeel herzien, de stad is beslist de moeite waard, met ruime parken, een theater en vele monumentale gebouwen en vrijstaande huizen. Hoogtepunt moet wel het kerkhof zijn, midden in de stad. Uitgestrekt en lommerrijk, sfeervol en verstild met vele bijzondere graven en stenen die interessante verhalen doen vermoeden van geleefde levens. Het graf van Pieter Hazewinkel bijvoorbeeld, die van 1852 tot 1854 de aardbol over reisde. We treffen het graf van Anthony Winkler Prins, van de gelijknamige encyclopedie, die daarnaast ook veel betekend heeft voor het welzijn van Veendam en haar bevolking. In het centrum staat zijn standbeeld. Struinend door een stukje ruigte langs een meanderend watertje bereiken we volmaakt tevreden Muntendam.



Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze etappe

Lees meer verslagen van het Grootfrieslandpad in het archief

Het is alles gekregen door Gods zegen

Van Den Haag naar Benthuizen, een etappe van De Lange Weg Naar Huis*, gelopen op zondag 27 februari 2022

Vanaf vandaag zijn we dan dus officieel op de terugweg, mijn zoon en ik. Onze zelfverzonnen langeafstandswandeling gaat van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, ons beider geboorteplaats, en weer terug. Van huis naar huis in beide richtingen. Bijna precies drie jaar geleden vertrokken we voor de eerste etappe van De Lange Weg Naar Huis, zoals we de wandeling noemen. Nee, haast hebben we niet.



Langs de Noordzeekust liepen we naar beneden. We maakten een nostalgische tour door het Den Haag van onze jeugd, twee jeugden waar zo’n veertig jaar, een half leven tussen zit. En nu lopen we weer terug naar boven. Door het groene hart en langs het IJsselmeer. Deze etappe zal het naar Benthuizen gaan. Daar wonen oude Haagse vrienden die we mooi in één moeite door kunnen bezoeken, zij zullen ons vanavond ontvangen met een maaltijd en bier. En goed en vrolijk gezelschap. Een mooi vooruitzicht.
Met de trein reizen we naar het startpunt, in de toch bijzondere wetenschap dat we deze hele heenweg ook te voet hebben afgelegd. Vanaf het Centraal Station hebben we zelf een route uitgedokterd, we doen het zonder markeringen vandaag. Het is een risico want we zijn geen van tweeën behept met een goed ontwikkeld richtinggevoel maar met twee van alle gemakken voorziene telefoontjes op zak kan er ook weer niet zó veel fout gaan.



Het centrum van Den Haag ken ik niet anders dan in een permanente staat van herinrichting, sloop, opbreking, omleiding en bouwput. Het plein voor het station is al jaren afgetimmerd met houten platen en er lijkt alweer meer hoogbouw bij te zijn gekomen sinds mijn laatste bezoek. Het is grappig, vertel ik mijn zoon, dat Harrie Jekkers, een hem totaal onbekende Haagse grootheid, zich in 1982 al zingend afvroeg of dat Nieuw Babylon er nou eigenlijk wel zo nodig moest komen, in wat nog steeds als het Haagse lijflied mag gelden. Ik duid hem uit welk gebouw daar mee bedoeld werd. Een bruin detail in een immens gevaarte op torenhoge pilaren in de schaduw van naar de hemel reikende flatgebouwen. Babylon, heette dat gebouw destijds – het ‘Nieuw’ had Harrie er voor het metrum voor geplakt – en het was, het zullen de jaren 70 wel weer geweest zijn, het summum van megalomane klatergoudluxe. Ik vind het nog altijd merkwaardig dat hoeveel er gebroken, gemoderniseerd en veranderd mag zijn in dit stukje Den Haag, uitgerekend dit spuuglelijke Babylon de moeite van het behouden waard werd geacht. Dat het vele malen grotere monster dat er nu om- en overheen is gebouwd inderdaad New Babylon heet kan niet anders dan een knipoog naar Harrie Klorkestein zijn. Haagse humor, dat dan weer wel.



Ook de hertenkamp tegenover het station is blijkbaar onderdeel van het grote plan en wordt ernstig op de schop genomen. Er staan hekken omheen, de bomen hebben houten jurken aan om ze te beschermen tegen het zwaar materieel dat hier blijkbaar rondrijdt. Andere bomen zijn rücksichtslos gekapt. Het is een slagveld en het biedt een treurigmakende aanblik. Er zal wel een reden voor zijn, nemen we maar aan, en hopen dat het een goede is. We lopen erlangs in plaats van erdoorheen en draaien over de Utrechtse baan het Haagse Bos in. Waar op de vroege en frisse zondagochtend behoorlijk gesport, gerend, gefietst en bewogen wordt. Mensen wandelen met hun hond, gezinnen laten de kinderen uit. Wat een heerlijkheid, vinden we allebei, zo’n enorm park midden in je stad, waar je kunt wandelen en mijmeren en tot rust kunt komen. Vreemd dat juist ook een park je een grotestadsgevoel kan geven. Vreemd ook dat het na onze verhuizing naar het platteland juist het groen en het bos is dat ik mis, van de grote stad.
Voor paleis Huis ten Bosch, waarvan we ons tegen beter weten in afvragen hoeveel vergeefs naar betaalbare woonruimte zoekende jongeren je erin zou kunnen huisvesten, slaan we rechtsaf, richting Voorburg en Leidschendam. Langs zwembad Overbosch, waar ik als tiener veel in het buitenbad kwam, in de lange, lege zomers die we toen nog gratis kregen. Ik herinner me de kleedhokjes met de houten klapbankjes en de ruwe stoeptegels aan je blote voeten. De strenge badmeesters. En de eeuwige vraag of je genoeg geld had om na afloop nog zo’n keiharde, in je mond langzaam uit elkaar vallende dextroselolly te kopen. Langs sportvelden waar op hele en halve veldjes fanatiek gevoetbald wordt, door grote kluiten jongetjes en meisjes, met roepende coaches langs de lijn. In de korte tijd dat wij er langs lopen wordt er zó vaak gescoord dat we enorme uitslagen voorspellen.



Aan het eind van een lange laan waarlangs de nodige hoge bomen zijn omgewaaid bij de laatste stormen zien we het steeds groter wordend silhouet van een molen opdoemen, tegen de lage zon. De Nieuwe Veenmolen, blijkt dat te zijn. Van 1654, volgens het bord in de top. Hij staat hier nu wat anachronistisch uit de toon te vallen, van alle kanten belaagd door met graffiti vervuilde spoorwegviaducten, een betonnen fietstunnel, inmiddels ook al weer oude nieuwbouwwijken, een nagelnieuwe zonnepanelenweide en grootstedelijke verkeersaders, maar ooit, eeuwen geleden, stond hij hier ver buiten de stad de veenpolder droog te malen, het valt niet meer voor te stellen. Leuk om te lezen dat er ook in de 17e eeuw al gesteggeld werd tussen partijen met tegenstrijdige belangen en wie zal dat betalen. Notabelen met buitenplaatsen in de omgeving hadden er weliswaar belang bij dat de boel werd bemalen maar wilden geen molen in hun achtertuin en er zeker niet voor betalen. Eén van de heeren wilde alleen van zijn bezwaren afzien onder het beding dat de hoge bomen langs zíjn tuinpad er nooit of te nimmer voor hoefden wijken, wat met het oog op de windvang dan misschien wel handig zou zijn geweest. Nu zouden we een dergelijk standpunt als groen en milieubewust weten te waarderen, destijds dacht men daar waarschijnlijk anders over. Maar hij kreeg wel zijn zin, en dat zou dan vandaag de dag weer anders uitpakken.



Onder de spoorlijnen door betreden we park ’t Loo, een langgerekt en waterrijk plantsoen met veelsoortige bebouwing aan weerszijden. De krokussen staan hier al uitbundig in bloei en zoals het een deftig park betaamt staat er op gezette plekken een beeld, en zoals het de modernere beelden betaamt zijn we er soms niet honderd procent zeker van dat het ook als kunst bedoeld is, maar blijkt achteraf van wel. Zo zien we bijvoorbeeld in een nogal onaanzienlijk watertje direct onder de spoorbaan een grote rode kroon. In de meest eenvoudige vorm. Een soort driedimensionale tekening in het water. Een nijlgans zit erop te schijten. De uitleg die we zoeken vinden we niet. Vanaf een zo te zien vers aangelegd uitzichtpunt dat we beklimmen, zien we een tweede exemplaar. Ditmaal is het een gestileerde olifant, denken we. Ook rood. Ze horen duidelijk bij elkaar, wat doet vermoeden dat het inderdaad kunst is, maar voor hetzelfde geld is het het bedrijfslogo van een aanpalende onderneming. Of van het grondwerkersbedrijf dat het uitzichtpunt heeft aangelegd. Weer thuis op internet blijkt het zelfs een drieluik te zijn, waarvan we deel drie, een tweede olifant, dus hebben gemist. En inderdaad kunst. Het is een ontwerp van Toine van Wieringen, lezen wij, de landschapsarchitect die dit gedeelte van het park ook heeft ontworpen. En het refereert aan twee olifanten, Hans en Parkie, die hier in de 18e eeuw per VOC schip uit toenmalig Ceylon werden afgeleverd op bestelling van stadhouder Willem V, voor de privédiergaarde die hij er op deze zelfde plek op nahield. Vandaar dus de kroon. Mijn gedachten waaieren heel even uit naar Hansken, de beroemde olifant die een aantal keer door Rembrandt werd getekend, maar dat was een eeuw eerder.



Het vers aangelegde uitzichtpunt voorziet in een lange, licht meanderende glijbaan waarmee je weer terug zou kunnen naar de begane grond. Heel even zie ik mijn zoon hier te stoer voor zijn, maar dan bezwijkt hij voor de verleiding. Uiteraard kan ik dan niet achterblijven, als eeuwig jonge vader. Een passerende wandelaar met lederen hoed beziet het tafereel met een glimlach en geeft het internationaal bekende gebaar van goedkeuring.
Aan de andere kant van het park lopen we dan een beetje op de bonnefooi verder langs de lommerrijke lanen van Voorburg, met kapitale vrijstaande huizen en enorme tuinen en oprijlanen achter monumentale toegangshekken met camerabewaking, richting de onderdoorgang van de A4, waarvan we ongeveer weten waar die is. We steken de Vliet over en volgen die tot in oud Leidschendam, waar de terrassen rond het sluizencomplexje weer als vanouds goedgevuld zijn. Wij vinden ook een plekje onder de zon en zien het allemaal eens een tijdje aan. Een ophaalbruggetje, een veelhoekige kerk, gedeeltelijk wit, charmante oude gebouwtjes, een komen en gaan van fietsers en ander volk.



Door het tunneltje onder de A4 door verlaten we de stad en betreden de weidsheid van de polder, toch een soort van onverwachts, deze abrupte overgang. Linksaf gaat het richting Stompwijk. Het is een druk bereden weg die bijna zonder overgang aan het water ligt, de Stompwijkse vaart. Ik herinner me dat hardop van vroeger, dat ik hier fietste met mijn ouders, op een uitje, en dat ik dat eng vond als kind, zo vlak langs dat water, op mijn jongensfiets. Nu we er zo langs lopen bekruipt mij een beetje datzelfde gevoel, zeker wanneer er auto’s voorbij suizen. Regelmatig moeten twee tegengestelde auto’s elkaar juist passeren op de plek waar wij lopen en moet er voor ons geremd, moet er voor ons stilgestaan, het is een smalle weg. Maar de mensen zijn het blijkbaar gewend, boze gezichten krijgen we niet en onze groet wordt in het gemeen beantwoord. We lopen hier dan ook in godvruchtig gebied. Op een ophaalbrug – alle huizen die hier links aan de vaart staan hebben een eigen ophaalbrug – staat het in schoonschrift te lezen: Het is alles gekregen door Gods zegen. Het rijmt, dus het moet waar zijn. Dat zou je dan als nederigheid kunnen opvatten, filosoferen wij, deugdelijke ootmoed, die de eigen bijdrage, de inspanning, de prestatie, de moeite en wat al niet verwaarloosbaar acht, omdat het zonder Gods zegen niet zou zijn gelukt. Maar net zo goed kun je het als hooghartigheid zien. Dat deze mensen zich blijkbaar hoger achten dan anderen. Dat zij goed genoeg zijn voor Gods zegen, waar anderen het met minder moeten stellen. Want er staan mooie, oude en glanzend onderhouden boerderijen tussen, ook zeer grote en duidelijk nieuwe huizen, er wordt hier en daar voortvarend gebouwd, modern of in retro-boerderijenstijl, maar er staat ook heel wat moois en monumentaals te verpieteren en langzaam maar zeker in te storten. Erven blijkbaar waar God de handen vanaf heeft getrokken. Of misschien, speculeren wij, is het lucratiever de boel maar te laten instorten en dan de grond weer leeg te hebben. Omdat de lege grond meer opbrengt. Omdat onderhoud of renovatie, omdat behoud te duur is. Gods schoorsteen moet ook roken tenslotte, God is ook niet gek.



In één van de boerderijen die er erbarmelijk aan toe zijn – het dak gedeeltelijk zonder pannen, alle schuren eromheen verzakt en kapot, met half weggewaaide dakbedekking die om te beginnen al tijdelijk was – zien we achter het met gordijntjes omzoomde woonkamerraam toch nog een eettafel staan, met stoelen eromheen. Een kastje tegen de muur, een plantje in de vensterbank. Geen teken van leven. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen dat hier nog iemand woont. Van onze vrienden horen we die avond dat dat echter weldegelijk het geval is. Hoe is het mogelijk, denken wij. Hoe is het mogelijk dat geen gezegende naaste zich daar blijkbaar om bekommert.
We zijn blij wanneer we na verloop van tijd rechtsaf de Stompwijkse vaart kunnen verlaten en onze weg verder over fietspaden kunnen vervolgen. We lopen een tijdje langs de ei-vormige Zoetermeerse meerpolder. Het is hier overal goed te zien dat het water in de vaart meters hoger staat dan de weilanden en het water in de slootjes. Hier en daar staat nog een rijtje van drie molens, al of niet afgeknot, die duidelijk maken hoe het water hier in vroeger tijden in drie gangen steeds verder naar boven werd gemalen, een karwei dat tegenwoordig wel computergestuurd en elektrisch geklaard zal worden.
Voordat we Benthuizen bereiken passeren we een aantal brede plassen die als recreatiegebied fungeren. We zien strandjes die nog verlaten zijn, een vol terras bij het pannenkoekhuis, een vol parkeerterrein, prullenbakken waar je kijkt, veel mensen met honden. Niet echt interessant om door te wandelen. Onze aandacht wordt dan ook getrokken door een hek met een bord dat waarschuwt voor drijfzand en levensgevaar. Er komt juist een jongeman met een baard en een brede, wat hemelse glimlach vandaan die ons verzekert dat het goed te doen is, achter het hek. Wij zijn zo gebrand op dit avontuur dat we ons geen twee keer bedenken en er pas later achter komen dat we hiermee een verkeerde afslag hebben genomen. Langs het recreatiegebied moeten we een stukje terug en beklimmen dan het laatste dijkje van de dag, het dijkje dat ons Benthuizen binnen voert, waar wij ontvangen worden met thee, bier, een maaltijd en een genoeglijke avond.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Lees ook eerdere afleveringen van deze wandelingen in het archief

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze etappe

Prijs de dag gerust reeds voor de avond

Een etappe van het Grootfrieslandpad, van Tynaarlo naar Nieuw Annerveen, gelopen op woensdag 23 februari 2022

De avond voorafgaand aan de wandeling wordt er nog even heen en weer geappt, niet per se paniekerig, eerder aftastend, met van facebook geplukte foto’s van ondergelopen wandelpaden en natte horrorverhalen over precies de etappe die wij morgen gaan lopen.



Moeten we de plannen maar omgooien? Uitstellen? Verzetten? Maar de weersvoorspelling is juist zo mooi, voor precies deze ene dag.. Nee, we besluiten het avontuur te omarmen en voor het ongewisse te gaan. Hopla.
We starten in Tynaarlo, volgens het wandelboekje een typisch brinkdorp. Te zien krijgen we dat niet, we zullen het wandelboekje op haar woord moeten geloven, Tynaarlo schampen we slechts. Langs het voetbalterrein. Waar zo te zien het voltallig elftal heren veteranen de groene aanslag van het wit betonnen hekwerk rond het eerste veld staat te boenen. Met emmertjes sop en doekjes en borstels, en een enkele hogedrukreiniger. We worden elf maal welwillend teruggegroet maar er wordt wel doorgewerkt. We lopen door een wolk van ouderwetse frisheid en aanpakken de dag tegemoet.



In eerste instantie lijkt het allemaal reuze mee te vallen, met het water en de natheid. Goed, de landerijen zijn hier en daar inderdaad in meren veranderd, fel schitterend in het lage licht, maar daar hoeven we vooralsnog niet te lopen. De paden zijn goed begaanbaar, de plassen zijn makkelijk te ontwijken, zonder moeite trotseren we de modder. Als ik mijn zoveelste foto maak vraagt mijn wandelgenoot spottend of ik nou elke droge plek ga fotograferen, om straks ons gelijk te onderstrepen. Zo doen we een beetje lacherig over de paniek op facebook, waar een mug al snel een olifant is, en zijn nogal ingenomen met onze eigen nuchter laconieke doortastendheid. Al schiet ons nu ook een ander spreekwoord te binnen: prijs de dag niet voor het avond is. Maar dat vinden we bij nader inzien een vervelend calvinistisch gezegde dat ons verdorie het zorgeloos leven ontraadt. De mens verbiedt te genieten van het hier en nu. Wij besluiten de dag gewoon nu al te prijzen, of de beer nou geschoten is of niet. Alleen al om het feit dat we eropuit getrokken zijn en nu de zon op ons bol en de wind in ons haar hebben, en een mooie dag voor de boeg. Wie dan leeft wie dan zorgt. Zo is het toevallig ook nog eens een keer.



Lang hoeven we daar niet op te wachten trouwens. We krijgen boter bij de vis, zou je kunnen zeggen. Ruim voor we bij Schipborg zijn waarschuwt een bordje langs de weg ons al voor natte voeten en raadt ons daarom ten zeerste aan het gemarkeerde alternatieve traject te volgen, om het probleemgebied heen. Nog altijd eigenwijs en misschien wel typisch Hollands besluiten wij dat we dat nog wel eens zullen zien, en slaan zonder pardon rechtsaf. Nauwelijks honderd meter verder staan we oog in oog met een onafzienbare waterplas. Het waterloopje waar wij ons op verheugd hadden langs te wandelen is zo ver buiten de oevers getreden dat we niet eens meer kunnen zien waar het eigenlijk lag. En waar dan ooit het pad was. Er is zo te zien geprobeerd met zand iets te redderen, er is een dijk geïmproviseerd, maar daarvan steken alleen nog hulpeloos wat topjes boven het water uit. Het is duidelijk, hier ligt ons Waterloo. We moeten bakzeil halen. Eieren voor ons geld. We lopen alsnog de alternatieve route, die minder aantrekkelijk een heel eind langs de provinciale weg voert. Als we ook hier op een lange, enkeldiepe en meer dan pad-brede plas stuiten, vlak voordat dat afbuigt naar het verharde fietspad en de brug over het Westerdiep, herkennen we de foto van facebook. Daar staan we dan, met onze grote mond. We zijn te bekakt om voor die paar meter de schoenen uit te trekken en de broeken op te stropen dus lopen een eindje terug, tot waar we over het slootje durven springen dat ons van het fietspad scheidt. Hoe dat in zijn werk ging durf ik hier niet te beschrijven, laten we het er op houden dat we aan de overkant kwamen. En dat niemand het gezien heeft.
Langs en door een evengoed betoverend mooi landschap, dat zich groen en veelbelovend aftekent tegen de blauwe lucht, lopen we alternatief naar koffiehuis de Drentse Aa, vernoemd naar de waterloop waar het nu zo goed als in staat. Vanaf het terras is het niets dan water. Het is een drukte van belang. Fietsers, gezinnen met kinderen, matching bejaarde echtparen, wandelaars.. iedereen komt een kijkje nemen bij het ondergelopen gebied. Er wordt met kaplaarzen of op blote voeten door het water geflaneerd. Iedereen maakt dezelfde foto van het rijwielbord dat midden in het water staat en van de brede bomenlaan die een waterweg is geworden. Er heerst een gemoedelijke, zelfs uitgelaten sfeer, en dat is eigenlijk wel fijn, dat dat ook nog kan.



Verder gaat het, over de Strubben, een heidegebiedje met hier en daar een vriendelijk berkenbosje dat met de voeten in het water staat. Een schietterrein, meldt het boekje ongezellig. Vandaag lopen er schapen. Het zijn mooie, ranke schaapjes, met golvend haar in plaats van de gebruikelijke krullen. Het ziet er zacht en aaibaar uit als angora, maar hoewel ze niet schuw zijn, laten ze zich ook niet aaien.
Terwijl we de kudde vanaf een bankje in de zon wat zitten te bekijken en becommentariëren zien we twee medewandelaars met veel moeite en gedoe, en gevaar voor eigen kruis over het prikkeldraad klimmen terwijl er twintig meter verder nota bene een klaphek staat. We vermoeden dat ze een plas willen omzeilen. Het klaphek gebruiken ze namelijk om weer op hun oorspronkelijk pad terug te komen, en ook nu wringen ze zich in de vreemdste bochten om ieder contact met het water, dat ook hier in de uitgesleten doorgang staat, te vermijden, een wonderlijk en amusant ballet. We weten niet wat ze nog van plan zijn vandaag, maar met enig gepast leedvermaak voorspellen we ze nog een moeilijke tocht.



Ook het Kniphorstbosch, waar we dan doorheen komen, is militair oefenterrein. Er staan vreemde, schijnbaar nutteloze bakstenen bouwsels die soms wat aan het werk van Per Kirkeby doen denken, voor wie dat wat zegt. Een rijtje met gemetselde bogen verbonden pilaren. Een losstaande gevel, de ramen zonder sponningen of glas. Een rijtje betonnen rioolbuizen, afgedekt met aarde en gras, als een reusachtig insectenhotel. Een kunstmatige glooiing in het landschap, aan twee zijden afgezoomd met een betonnen beschoeiing. Al die ingrepen en bouwwerken, verspreid over het landschap, half verdekt tussen de bomen.. het ziet er mysterieus uit. En ook vredig, vreemd genoeg.
We treffen een meneer die met zijn hond wandelt en die een stalen boerenhek wil openen waar blijkbaar stroom op staat, een pijnlijke ervaring. We proberen hem te helpen door het hek met stokken open te duwen, we moeten er zelf trouwens ook doorheen, maar dat wordt broddelen met broos en afbrokkelend waaibomenhout en uiteindelijk krijgt de meneer het hek zelf zonder schokken open door zijn in leren jas gehulde elleboog te gebruiken. Dankbaar glippen wij er ook snel door.
Bij Annen verlaten we dan vrij plotseling het oude Drentse landschap van bos en hei, kronkelig eikenhout, schaapskuddes en meanderende waterloopjes en betreden het voorgeborchte van het Groningse land. Uitgestrekte graslanden en zwarte akkers tot de horizon, kaarsrechte sloten en geen boom teveel. Agrarisch landschap. Boerennatuur. Het gebied, lezen wij in het boekje, heeft hier namen als Aasvenen, Hooilanden, Ketterslooten, Onlanden en de Gloepen.
Annen zelf is gezegend met een enorme brink. Een bijzonder groot grasveld, midden in het dorp, omzoomd van vele hoge bomen en met een vaste muziektent op de kop. Wij zien voor ons geestesoog al de theater- en muziekfestivals, de kermissen en de dorpsfeesten die hier weer gehouden kunnen worden, in de weldadige lommer. 



Even voorbij Annen komen we diverse malen een koppel reeën tegen. Dat blijven bijzondere ontmoetingen, zulke grote dieren die los in het wild rondlopen en hun eigen leven leiden, in ons overvol geachte land. Grappig is het te constateren dat zolang je blijft lopen de dieren blijven staan, hun blikken strak op jou gericht, maar zodra je blijft staan, en zeker wanneer je je camera optilt om ze te fotograferen, ze het meteen op een lopen zetten. Met dansende witte gatjes. Wat wij een vreemd verschijnsel vinden, zo blijven ze immers veel langer zichtbaar voor de gevreesde jagerman, denken wij. Maar het zal wel een andere functie hebben.
We eindigen in stijl langs het Anner kanaal, waarin het water tot bijna aan de kruinen van de dijken staat. Aanstonds valt de avond, en wordt het tijd de dag te prijzen.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Lees meer afleveringen van het Grootfrieslandpad in het archief

Eene loome odaliske, eene schalke zingara

Kunst onderweg



Een eenzaam beeld. Dat vond mijn jongste zoon ervan, toen we er een tijdje naar hadden zitten kijken, vanaf ons bankje in de zon aan de Groot Hertoginnelaan in Den Haag. Eline Vere. Tragische romanfiguur uit de 19e eeuw, van de pen van Louis Couperus, Haagser dan Haags. Veel meer weet ik er op dat moment ook niet over te vertellen. Ik ben ooit wel in het boek begonnen, weet ik nog, vanuit Haags literair plichtsbesef, maar wat ik me er vooral van herinner is dat ik het snel weer heb weggelegd, wegens te archaïsch. Maar daar staat ze, in het heden. Meer dan levensgroot, als je daar bij een romanfiguur van kunt spreken, in groen gepatineerd brons. Een ranke gestalte, flanerend, een parasol in de waarschijnlijk met zijde geschoeide hand. Elegant gekleed in een lange robe met linten en strikken en zo’n ouderwets opgevuld achterwerk, een zogenoemde queue de Paris, een deftig manteltje om de schouders gedrapeerd en een zonnehoed die met een shawl op heur haar wordt gehouden. En met inderdaad een melancholieke oogopslag. Ze staat hier natuurlijk ook moederziel alleen, in een wat mager uitgevallen plantsoentje in een net niet statig stukje van de stad, maar ze maakt ook anderszins een verloren indruk. Dat heeft mijn zoon wel goed gezien.



En dat klopt ook wel met het leven dat Louis Couperus voor haar bedacht heeft, in zijn Haagsche roman. Verkerend in de gegoede burgerij van ’s Gravenhage voelt zij zich ook verloren in het leven. Gevangen in de etiquette en de normen die eind 19e eeuw de benauwende dienst uitmaakten, voor jonge vrouwen in die kringen, waaraan ze op een of andere manier ook niet bij machte is te ontsnappen, het ontbreekt haar blijkbaar aan voldoende karakter, besluitvaardigheid of opstandigheid. Zo vult haar dagelijks leven zich dan met eindeloze reeksen theevisites, soirées, bezoekjes aan de opera en concerten in het Kurhaus. Met in haar ogen saaie en bekrompen mensen, mensen die haar aanstellerig en overdreven vinden, met haar dromerige hang naar de perfecte romantiek. Ze staat dan ook graag in het middelpunt van de aandacht en besteedt buitengewoon veel tijd en zorg aan haar uiterlijk. Op het narcistische af, zouden we nu zeggen, instagram en tiktok zouden zeer aan haar besteed zijn geweest:

“Haar schaduwvolle, zwartbruine blik, bij de geämberde bleekheid van haar tint en het kwijnende van sommige heurer gebaren, gaven haar iets van eene loome odaliske, die droomde. Die schoonheid verzorgde zij zeer, als een dierbaar juweel, dat men laat fonkelen en flonkeren, en deze aanhoudende zorg deed haar als verlieven op wat zij bevalligs aan zich vond. Minuten lang kon zij zich spiegelen, glimlachend met de fijne punt van den roziggenagelden vinger de lijn van wenkbrauw en wimper streelend, zich de oogleden een weinig amandelvormig vertrekkende, of heure bruine haren woest om zich heen warrelende, in de houding eener schalke zingara.”


Louis Couperus (1863-1923), zelf ook een decadent lid van de residentiële elite, schreef Eline Vere aanvankelijk als feuilleton voor het Haags dagblad Het Vaderland. De gedichtenbundel waarmee hij eerder debuteerde werd slecht ontvangen waardoor hij in een bui van ‘wie doet me wat’ besloot het als schrijver over een andere boeg te gooien. Het zou kunnen, begrijp ik, dat hij zijn personage baseerde op het leven van Virginie la Chapelle, een bekende van hem, een collega zelfs, met wie hij ook had samengewerkt tot zij in 1887 op 39 jarige leeftijd overleed. Drie maanden na haar dood begint Couperus aan zijn nieuwe projekt.
Het feuilleton werd zeer populair en ik lees dat toen Eline Vere in de aflevering van 4 december 1888 op tragische wijze overleed, dat groot en veelbesproken nieuws was in Den Haag. ‘Heb je het al gehoord? Eline Vere is dood’, fluisterde men elkaar toe in de tram. Kom daar trouwens nog eens om, in deze tijd van eindeloze netflixseries, van prequels en sequels, dat je de hoofdpersoon van je hitserie al na een jaar laat sterven.


Vlnr: De dandy schrijver Louis Couperus op jonge leeftijd; het omslag van de eerste boekuitgave van Eline Vere (1889); Else Mauhs in de rol van Eline Vere bij de eerste toneeluitvoering (1918); Marianne Basler speelt Eline Vere in de gelijknamige film (1991)

In 1889 verscheen Eline Vere voor het eerst in boekvorm. Couperus’ vrouw, Elisabeth Baud, zijn achternicht, met wie de homoseksuele Couperus alleen voor de buitenwereld getrouwd was, bewerkte het voor het toneel. In 1918 ging het voor het eerst in première, de meest recente uitvoering is van 2015. In 1991 werd het boek verfilmd door Matthijs van Heijningen. Louis Couperus schreef daarna meer romans die als boek, maar ook als film en televisieserie, tot de klassiekers zijn gaan behoren. De Stille Kracht bijvoorbeeld, waar ik als veertienjarige niet naar mocht kijken op tv, vanwege de broeierige en zelfs naakte Pleuni Touw, onderwerp van opgewonden jongensgesprekken op het schoolplein iedere maandag, waar ik dus niet aan mee kon doen.
Maar goed. Eline Vere. In 1948 wordt tekenaar en beeldhouwer Theo van der Nahmer (1917-1989) door de gemeente Den Haag gevraagd een monument voor Louis Couperus te maken. Het reliëf van de schrijver omringd door zijn romanfiguren, dat de kunstenaar aanvankelijk in gedachten heeft, wordt te duur geacht en zo komt men uit bij een beeld van Eline Vere, waarschijnlijk toch het bekendste personage. En zelfs in 1948, vijftig jaar na haar literaire dood, krijgt zij dan nog te maken met de bekrompen burgerlijke moraal wanneer de eerste versie van haar beeld wordt afgekeurd omdat die ‘te vrouwelijk’ zou zijn. Waarna zij onder protest van de kunstenaar door hem wordt aangepast. Terug in het keurslijf. Iets dat in 2012 misschien een beetje wordt rechtgezet door de Britse kunstenaar Thom Puckey (1948). Zijn versie van Eline Vere, ook te zien in Den Haag, mag eindelijk onbelemmerd vrouwelijk zijn.


Geheel links: Theo van der Nahmer bij zijn versie van Eline Vere. De eerste versie van het beeld werd door de gemeentelijke opdrachtgever afgekeurd omdat die te vrouwelijk zou zijn. Theo van der Nahmer maakte in de loop van zijn carrière nog meerdere kleine beeldjes van Eline Vere, als vrij werk, die inderdaad iets geprononceerder zijn, rechts een tweetal voorbeelden.

Theo van der Nahmer, geboren in Eindhoven, bezoekt de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten in Den Bosch maar verkast in 1940 naar de Koninklijke Academie in Den Haag, waar hij zich ontwikkelt tot veelgevraagd beeldhouwer, één van de bekendste Haagse kunstenaars, sterk verbonden met de hofstad. Dertien beelden staan er van hem, maar ook daarbuiten is werk van hem te vinden. In Hoorn bijvoorbeeld staat een beeld van Theodorus Velius, in Meppel het Staphorster Vrouwtje, in Oss een beeld van Titus Brandsma, en de lijst is daarmee verre van compleet. Als beeldhouwer werkt hij het liefst met was. Hakken in steen of boetseren met klei is hem te bewerkelijk en te langdurig, het werken met was geeft hem de vrijheid die hij zoekt. Het gieten in brons doet hij zelf, volgens de verloren was methode. Als tekenaar, lees ik, is hij een aantal jaar de leraar geweest van destijds koningin Beatrix. Waarmee we royaal zijn teruggekeerd in de gegoede kringen van ’s Gravenhage.


Een aantal beelden van Theo van der Nahmer in de openbare ruimte. Vlnr: De Flaneur, Den Haag (1968), ter nagedachtenis aan Eduard Elias, het pseudoniem waaronder verschillende auteurs het Haagse leven beschreven; Staphorster Vrouw, Meppel (1967); Ballend Meisje, Alphen ad Rijn (1985); Theodorus Velius, Hoorn (1981), ter ere van deze 17e eeuwse kroniekschrijver van Hoorn.


De Britse kunstenaar Thom Puckey koos voor zijn beeld van Eline Vere de smartelijke sterfscene van 4 december 1888:
 
“Zij nam het flesje om de drie druppels te tellen. Een… twee… drie, vier, vijf… De laatste twee vielen er in voór zij het flesje had kunnen oprichten. Vijf… zou dat te veel zijn? Zij weifelde een poos. Met die vijf druppels zou ze toch zeker slapen. Zij weifelde nog steeds. Maar opeens nam zij een besluit, toegelokt door het vooruitzicht te zullen rusten. En zij dronk. Zij legde zich neer, op de grond, dicht bij de open balkondeur. Het angstzweet brak haar uit, en ze voelde zich zeer dof worden, maar zo vreemd dof, zo anders dan gewoonlijk. “O mijn God!” dacht ze. “Mijn God! Mijn God! Zou het… te veel zijn geweest? “Neen, neen, dat zou te verschrikkelijk zijn! De dood was zo zwart, zo leeg, zo onzegbaar! Maar toch, áls het zo was? En eensklaps versmolt haar vrees in een onmetelijke rust. Nu, als het zo was, dan was het goed….”

Dit beeld heeft sinds 2012 een aantal jaar deel uitgemaakt van het Haags Sokkelprojekt maar staat nu in het Zuiderpark, naast de sportcampus.


Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief

Een goedgemutste postbode, en nog zo wat

Een etappe van het Grootfrieslandpad, van Norg naar Tynaarlo, gelopen op zaterdag 5 feb 2022

Erg duurzaam is het niet maar wij bereizen de etappes van het Grootfrieslandpad met twee auto’s. We wonen aan weerszijden van de Afsluitdijk en het openbaar vervoer heeft daar nou eenmaal geen passend antwoord op. Met een heenreis alleen al van zes uur met zes verschillende bussen blijft er weinig tijd voor wandelen. Het is niet anders. Onze extra uitstoot compenseren wij door sowieso geen vliegreizen te maken, dat dan weer wel. We spreken af bij het eindpunt, laten daar een auto achter, rijden gezamenlijk naar het beginpunt enzovoort. Vandaag hebben we afgesproken bij Perron 3, een restaurant in Tynaarlo. Het kan prettig zijn een horecagelegenheid aan je eindpunt te hebben, zeker nu die weer min of meer zijn vrijgegeven voor klandizie.



Zo sta ik op het parkeerterrein en wacht op mijn wandelgenoot. Ik trek mijn wandelschoenen vast aan. Nog vóór ik mijn veters gestrikt heb verschijnt er een meneer met twee honden naast mijn auto. Eén van de honden neemt meteen de karakteristieke houding aan en draait een enorme drol in de berm en mijn gezichtsveld. De meneer zegt niks, hij klopt niet op mijn raampje, hij maakt geen communicatieve gebaren. Wel bekijkt hij mij en mijn auto met vorsende blik en zo krijg ik toch het idee dat hij hier niet per se zijn honden loopt uit te laten. Dat hij iets op zijn lever heeft. En dat klopt.
‘Wij zijn gesloten’, klinkt het met Drentse tongval, zodra ik mijn portier heb geopend. De toon doet al vermoeden dat hij dit niet komt vertellen om mij een teleurstellende gang naar de voordeur van zijn restaurant te besparen. Er staat namelijk een bordje, vervolgt de meneer, dat dit parkeerterrein uitsluitend voor bezoekers van het restaurant is. En wij zijn gesloten. Dus.
Het parkeerterrein, groot genoeg voor zeker vijftig flinke auto’s, is inderdaad verlaten. Op mijn auto na. Ik leg de meneer uit hoe het zit, dat ik hier mijn wandelafspraak opwacht, maar dat ik, als hij dat prettiger vindt, mijn auto wel elders wil parkeren. Dat vindt de meneer inderdaad prettiger. Als ik hem vraag waar ik dat in de buurt het beste kan doen is zijn antwoord: ‘Overal, maar niet hier’. Het is duidelijk, deze horeca-ondernemer is zó lang in lockdown geweest dat hij de kneepjes van het vak is verleerd. In Norg, waar we wél koffie gaan drinken, moeten ze er trouwens ook weer even inkomen want hoewel we toch echt de enige gasten zijn op een meerkoppig aanwezig personeel, blijven we geruime tijd onopgemerkt. Als je zou willen mopperen zou je dus ook kunnen vaststellen dat de horeca in elk geval al weer helemaal terug is naar het oude normaal. Maar wij mopperen niet. Wij lachen erom, en gaan wandelen.



Vanaf Norg lopen we door een bos waar aan weerszijden van het stukgereden pad druk gebouwd wordt aan een handvol vakantiehuisjes. Ten koste van de bomen uiteraard. Flinke vakantiehuisjes, niet uit de catalogus, een aantal zelfs met een verdieping erop. Huisjes waar je woningzoekende zoon met gemak in zou kunnen wonen, met een paar vrienden, maar die er voor hem niet zijn. Hier bouwt het rijkere deel der natie aan zijn vermogen. Als we het aansluitend gaan hebben over de schaamteloze vanzelfsprekendheid waarmee het grote geld zich overal maar ruimte toe-eigent, wordt het bijna alsnog mopperen.
Gelukkig treffen we voordat het zover is een goedgemutste postbode. Zijn bestelautootje met het oranje logo staat aan het begin van de boslaan geparkeerd, naast een stellage met misschien wel honderd of meer groene, plastic brievenbussen, in lange rijen op borst- en kniehoogte aan stangen gemonteerd.



Een vervreemdend bouwwerk, zo midden in het bos, zonder huizen in zicht. Het zou zo maar kunst kunnen zijn. Een beeld, een installatie. Dat is het niet, want de postbode loopt er tussendoor, met een armvol enveloppen en pakketjes, en opent klep na klep. Dat hij goedgemutst is, merken we als we hem toeroepen dat het lekker makkelijk bezorgen is zo. Hij stapt meteen op ons af, legt zijn stapel post op de motorkap en is goed voor een gemoedelijk praatje van zeker tien minuten. Tien minuten die hij eigenlijk op zijn app als pauze moet invoeren. Want dat er wel het een en ander veranderd is, in de 42 jaar dat hij nu bij de posterijen werkt. Dat hij voor deze honderd of meer brievenbussen op een rijtje dus minder tijd per bus krijgt dan voor andere brievenbussen, van zijn app, zijn app die hem volgt waar hij gaat. Dat hij vroeger veel meer contact had met de mensen, door aangetekende brieven, telegrammen, remboursen en pakketten. Dat zijn werk van vandaag de dag een uitgeklede versie is van wat het ooit was, ook financieel. Maar dat de tijden nou eenmaal veranderen, niet altijd per se ten goede. Wij knikken en schudden en beamen, en vragen bezorgd of de app hem ook kan horen, maar dat is niet het geval. Om het afscheid nog wat uit te stellen laat hij ons glimmend foto’s zien van zijn paardje, waarmee hij, met een huifkar erachter, tochtjes maakt door het Drentse land. Zíjn hobby, zoals de onze wandelen. Niks mooiers dan Drenthe, vindt hij, en wij geven hem geen ongelijk. Verderop blijkt dat we de goedgemutste postbode alleen tegenkwamen doordat we eerder een afslag naar links hadden gemist. Zo zie je maar..  verkeerd lopen, dat kan nog best aardig uitpakken.
Terug op de route stuiten we op medewandelaars die, zo blijkt, ook het Grootfrieslandpad lopen, in de omgekeerde richting. Ze voorspellen ons een best wel aardige wandeling voor vandaag, met ook wel wat mindere stukjes van langs de weg lopen. Een voorspelling die uit zal komen, al hoeft het van ons heus niet altijd louter natuurschoon te zijn wat de klok slaat. Ons land wordt op vele manieren, voor vele doeleinden gebruikt en wanneer je er oog voor hebt, heeft het allemaal een eigen charme.



We zien veel zwarte velden vandaag, leeggehaald en omgeploegd, zompig, afwachtend. Troosteloos en verwachtingsvol in één. Grote plassen water, volgelopen tractorsporen en ook ons wandelpad vergt soms wat improvisatievermogen om er zonder natte voeten of uitglijders langs te komen.
We naderen het Noordsche Veld door een bosje dat door het kamerbrede, bijna lichtgevend groene mos een feeërieke indruk maakt, vooral ook omdat het zonnetje er net even doorkomt met een fijn schouwspel van gefilterde lichtstralen. Aan de rand van het Noordsche Veld treffen we een jonge zwarte nieuwe natuur stier die in zijn eentje wat mistroostig alleen staat te zijn, de flanken bedekt met een dikke korst van opgedroogde mest. Volgens ons staat hij aan de verkeerde kant van hek en wildrooster. We staan erbij en kijken ernaar maar weten niet precies of we hier een verantwoordelijkheid hebben te nemen of niet. En welke dan? En hoe krijg je zo’n kolos zo ver dat hij doet wat jij bedacht had? Wie bel je hiervoor? We weten het niet. Het is niet mooi, maar we laten het maar zo. Langs de open vlakte van het Noordsche Veld lopen we richting Vries.



Vries, wat we er van te zien krijgen, is een verzameling riante villa’s met ruime tuinen, beslist niet onaardig. De betere wijken. Hoewel we aan de rand ook iets tegenkomen waarvan we niet weten wat ervan te denken. Een van hoge bomen omgeven terrein gevuld met een merkwaardig soort, ja.. keten. Caravan-achtige bouwsels met ingebouwde balkons aan de voorkant. Hoog op de magere poten lijken ze wat boven de grond te zweven. Het doet een beetje Thunderbird-achtig futuristisch aan, een verlaten jaren 60 nederzetting op Mars. Een hoekige creatie van Atelier Van Lieshout, kan ook, voor wie dat wat zegt. Het ziet er wat afgeleefd uit allemaal. De wanden zijn groen uitgeslagen, de metalen toegangstrappen aan de achterzijde rusten op geïmproviseerde pilaren van gestapelde stoeptegels, het terrein ziet er niet onderhouden uit, hier en daar staat verloren een schommel, of een plastic glijbaantje. Maar aan de overzijde een gloednieuwe slagboom. Wij denken aan een verlaten azc. Of, als we ook bouwmaterialen zien liggen en er redelijk nieuwe keukentjes in de keten blijken te zitten, een nog in gebruik te nemen azc.
Een mevrouw die met haar hondje ons pad kruist vragen we om uitsluitsel, en dat wil ze wel geven. Zo komen we te weten dat de keten tweedehands zijn aangeschaft en hier zijn geplaatst om te worden opgeknapt tot vakantiewoningen, voor toeristen. Op het terrein staat er één die al helemaal af is, als een soort voorbeeld, en volgens de mevrouw is het best mooi. En als straks de bomen weer groen zijn, zie je er niks meer van.
Weer thuis lezen we op internet een bericht in het Dagblad van het Noorden dat er het nodige te doen is geweest, om deze trekkershutten, want dat moeten het straks worden. Omwonenden zagen de groen uitgeslagen keten verschijnen en vroegen zichzelf en de gemeente af of dit wel volgens de regels was. De wethouder legde de exploitant vervolgens een bouwstop op omdat de keten niet voldeden aan het bestemmingsplan voor het terrein, waar altijd stacaravans hadden gestaan. De keten waren te hoog. Inmiddels, lezen we, is de boel geschikt en de bouwstop weer opgeheven. De hutten worden lager door er de onderstellen onderuit te halen. En de groene uitslag wordt verwijderd, belooft de exploitant.



Aan de Bonifatiuskerk in Vries, volgens eigen zeggen het oudste kerkje van Drenthe, is te zien dat er vroeger minder moeilijk werd gedaan over bouwregels en bestemmingsplannen. Toren en schip zijn Romaans, het naar verhouding te grote koor dat er ruim twee eeuwen later achter is geplakt is Gotisch, het huisje met de luiken dat daar weer op een rare plek tegenaan is gezet is weer van een andere stijl. Je zou het er vandaag niet meer door krijgen, bij de welstand, en toch vinden we het nu mooi, zo’n stokoud gebouw dat in zijn bij elkaar geraapte rommeligheid zijn geschiedenis blootgeeft. Al geldt dat dan ook weer niet voor de hele geschiedenis want, zo lezen wij, het oudste kerkje van Drenthe kent ook een mysterie. Bij een restauratie kort na de oorlog werd een grafveld gevonden met 153 boven elkaar begraven kinderlijkjes, allen gestorven rond het jaar 1000, waarvan het hoe en waarom tot nog toe onopgehelderd is gebleven. Het is maar goed dat wij dat pas lezen als we weer veilig thuis zijn, het had onze blik op het kerkje toch verkleurd, misschien.
Nog een druk bereden stuk onder de A28 door en we zijn weer in Tynaarlo. De plaatselijke horeca is gesloten, maar dat wisten we al.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Lees meer verslagen van het Grootfrieslandpad in het archief of op samenuitenthuis, weblog van het Grootfrieslandpad

Tante Toetie en tante Pop

Kunst onderweg

Het lijkt er toch echt even op dat we in de rij moeten gaan staan om ze te bekijken, en te fotograferen, de Indische Tantes. Twee dames zijn ons net voor, als we de Frederik Hendriklaan oversteken posteren zij zich vlak voor onze neuzen voor het beeld. Zou het zó populair zijn, vraag ik mij af? Ik had het nooit eerder gezien, en ik loop nog wel op mijn geboortegrond, maar goed, dat zegt ook niet alles, zo vaak kom ik hier niet meer. De dames vragen ons zelfs of wij een foto van ze kunnen maken, met de Tantes, de telefoon wordt al uitnodigend uitgestoken, ze stellen zich al aan weerszijden van het standbeeld op, glimlachjes op de automatische piloot. De bronzen Tantes, in hun lange jassen, hun maar half gevulde boodschappentassen aan de arm, kijken elkaar eens meewarig geamuseerd aan en denken er het hunne van, van dit moderne gedoe. Je kunt ze bijna met hun tongen horen tutten, van tuttuttuttuttut adoe.



Ze moeten inmiddels minstens honderd zijn. Van de eerste generatie zullen er toch niet veel meer rondlopen, vrees ik. Zelfs niet in Den Haag, toch de weduwe van Indië, zoals het postkoloniaal cliché luidt.
Na de tweede wereldoorlog en na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië verhuisde een groot aantal Indische mensen – mensen van gemengde afkomst, geboren in Indonesië als nakomeling van een Indonesische/Aziatische en een Nederlandse ouder – met hun gezinnen naar Nederland, berooid en ontheemd. Een uittocht van honderdduizenden mensen. Je zou het ook vluchten kunnen noemen. Velen hadden de oorlog in Japanse kampen doorgebracht. Velen werden gedwongen te verhuizen omdat zij in dienst van de Nederlandse overheid waren geweest en in onafhankelijk Indonesië niet werden geaccepteerd. Velen waren hun leven niet zeker. Ze kwamen met een Nederlands paspoort en een Nederlands verleden naar ons land maar waren nou ook weer niet per se heel welkom. Veel van deze gezinnen vestigden zich in Den Haag en zo werd de Indische cultuur in deze stad een vast en uiteindelijk ook geaccepteerd en zelfs gewaardeerd onderdeel van het straatbeeld, zeker ook hier in het Statenkwartier, waar de Tantes nu staan. Daarmee raakt het beeld aan onze koloniale geschiedenis en zou aldus ook zomaar onderwerp van verhitte discussie kunnen zijn. Ik geloof echter niet dat dat het geval is en dat moesten we ook maar zo houden, verhitte discussies zijn er al genoeg.



Het beeld staat hier op initiatief van de schrijfster Yvonne Keuls (1931). Voor haar tachtigste verjaardag kreeg zij, in 2012, van Den Haag de Cultuurprijs, een bedrag van 25.000 euro. Ze wist meteen wat ze met dat geld wilde doen, lees ik, namelijk de stad een bronzen sculptuur schenken. Dat klinkt heel nobel, en dat is het ook, al is het ook een voorwaarde die aan de prijs verbonden is. De ontvanger bepaalt waar het geld aan wordt uitgegeven, ten behoeve van de cultuur in de stad. Na ampel beraad besloot Yvonne Keuls tot een monument voor haar Indische tantes, en daarmee voor alle Indische vrouwen, die met veel pijn en moeite en eeuwigdurende heimwee een nieuw leven hebben moeten opbouwen, in een koud en kil nieuw vaderland, en er altijd met humor en levenslust de schouders onder hebben gezet. Aldus, vrij geïnterpreteerd, Yvonne Keuls. Overigens bleek de 25.000 euro niet toereikend om het beeld te realiseren en startte zij een crowdfundingactie om de ontbrekende 6.000 gesponsord te krijgen. Over je schouders eronder zetten gesproken.
Ook in veel van haar verhalen spelen haar tantes een hoofdrol. In haar boek ‘Alle Indische tantes’ (2007) beschrijft ze hoe vijf eigengereide dames, tante Toetie, tante Prul, tante Iesje, tante Non, tante Mekkie en tante Bel, zich blijven verbazen over de Hollandse manier van doen en laten. Een beetje zoals de bronzen tantes naar ons toeristisch fotografie-gedoe hebben staan kijken. Dat sfeertje heeft de kunstenaar dus goed getroffen.


Kunstenaar Loek Bos en schrijfster Yvonne Keuls bij het schaalmodel van de Indische Tantes.

Loek Bos, is die kunstenaar. En hij bedacht dat het twee tantes moesten zijn, in plaats van één. Met twee, zo zegt Loek Bos, is er interactie, een relatie, en ontstaat er eerder een wisselwerking met het publiek. Van de tantes, tante Toetie en tante Pop in dit geval, is eerst een schaalmodel geboetseerd. Na de bewonderende goedkeuring van Yvonne Keuls – ‘ik herken er zelfs mijn moeder in’ – werden ze op de bedoelde grootte opnieuw gemaakt en in brons gegoten. Sinds 2013 staan ze nu op het Frederik Hendrikplein. Precies op de plek, zo wil het toeval, waar haar moeder de kleine Yvonne Keuls, wanneer ze haar om een boodschap had gestuurd op de Fred, nog net kon zien, vanuit het raam van Pension Louise, waar het gezin zijn intrek had genomen na aankomst uit Indonesië.
Eigenlijk was het de bedoeling dat Loek Bos (1946) priester zou worden. Na de lagere school bezocht hij zelfs het seminarie. Vreemd eigenlijk als je bedenkt dat zijn vader al conservator was aan het museum van reproducties van beeldhouwkunst. Wat zou je je zoon dan nog naar het seminarie sturen. Maar goed, wat er precies gebeurde vermeldt de geschiedenis niet, het liep anders, Loek Bos liep zijn eigen pad. Na een opleiding aan de Haagse Koninklijke Academie combineerde hij het kunstenaarschap met het onderwijs, als leraar handvaardigheid en kunstgeschiedenis, in 1990 neemt hij definitief de stap naar de kunst. Als beeldhouwer, schilder en tekenaar. In opdracht en als vrij kunstenaar. Groot werk en klein werk. Zijn inspiratie vindt hij overal om zich heen. In de krant, op straat, in het theater, in boeken en zijn fantasie. Met een voorliefde voor mensen. Mensen en hun gedoe. Doorbreken deed hij in 2003, met zijn beeld van Toon Hermans, voor de gemeente Sittard. Daarna portretteerde hij meer beroemdheden in brons. Aad Mansveld, Paul van Vliet, Anne-Wil Blankers. Louis Couperus. En tante Toetie en tante Pop dus.


Ander werk van Loek Bos. Vlnr Toon Hermans, 2003, in Sittard. Advocaat, vrouw. Aad Mansveld, 2007, in Den Haag.

Lees ook andere afleveringen van Kunst Onderweg in het archief

Van nostalgisch belang

Een etappe van De Lange Weg Naar Huis*. Een rondwandeling door Den Haag, gelopen op zondag 30 januari 2022.

Vandaag zijn we officieel op de helft van onze zelfverzonnen langeafstandswandeling. Van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, onze geboorteplaats, en weer terug. Van huis naar huis in beide richtingen. Vorige keer kwamen we al aan in Den Haag, bij het Kurhaus – wat volgens kniesoren eigenlijk op Scheveningen is natuurlijk – vandaag lopen we een historische wandeling over onze geboortegrond, om volgende keer de weg terug naar het Noorden aan te vangen, door het Groene Hart en langs de Zuiderzee. Het is niet zozeer een Haags historische route die we volgen, we lopen langs plekken en gebouwen van nostalgisch belang. Plaatsen die een rol hebben gespeeld in onze levens. Omdat ik nou eenmaal ouder ben dan mijn zoon, en ook langer in Den Haag heb gewoond, zijn dat meer plekken uit mijn leven, en zijn de plekken uit zijn jonge leven automatisch ook plekken uit het mijne, maar dat maakt allemaal niet uit, het belooft een mooie dag te worden. Ook omdat het weer zijn zegen geeft met een bijna lente-achtig zonnetje, waar we hier en daar zelfs even in kunnen zitten. Op een bankje. Of sinds kort ook weer een terras. En dat terwijl morgen Corrie over ons land zal razen en ook Haagse bomen zal vellen. Het is vandaag nog nergens aan te merken.



De auto parkeren we toepasselijk gratis op de Adriaan Goekooplaan en we nemen tram 1 naar het Kurhaus. Heerlijk, een Haagse tram. Over de boulevard, met rechts het strand en zijn nog in onttakeling verkerende strandtenten beneden ons, lopen we richting de haven, die de lange armen een schuimende branding in steekt. Een torentje groen en een torentje rood.
Mijn zoon verbaast zich er hardop over dat er niet gesurft wordt, op deze fantastische golven, er klinkt nog net geen spijt door in zijn stem. Er lijkt sowieso niet veel volk op de been, het waait en de wind is koud, maar bij de havens is het plotseling druk. Verse gezinnen, met kinderen op fietsjes en skateboards, goed gekapte en hip geschoren vaders die zich uitsloven met hun duur geklede kroost. Jonge mensen staan onder deskundige begeleiding in groepjes te buigen en te strekken, te springen en te squatten, of hoe het ook allemaal mag heten, anderen zitten op het terras van de herwonnen vrijheid te genieten. Er is een hoop grootsteedse reuring kortom, en we zijn het er over eens dat dat in ons kleine stadje in de provincie nog wel eens kan ontbreken.



Langs de havens, waar de aftandse industriële treurigheid die ik mij er bij herinner grotendeels heeft plaatsgemaakt voor hippe appartementencomplexen en horeca, lopen we naar de Westduinweg, waar ik op mijn 18e, het ouderlijk huis ontvlucht, onderdak vond boven een chemisch stomerij. Ik kreeg een afgedankte braadpan, een prullenbak en een theedoek mee, de verhuizing kon ik destijds lopend af. Ik duid mijn zoon uit welk raam mijn kamer en welk mijn keuken was. Douchen moest ik beneden achter het winkeltje doen, buiten bedrijfsuren. Thuiskomen deed ik tussen de sissende en stomende apparaten door, de lucht van perchloride was alomtegenwoordig. Maar ik was wel vrij. En de eerste in mijn vriendengroep met een zelfstandige woonruimte, die al snel een zoete inval werd voor nachtelijke bijeenkomsten zonder ouderlijk toezicht. Ik betaalde het ook in die dagen al belachelijk lage bedrag van zestig gulden per maand – voor mijn zoon reken ik dit snel om naar dertig euro – het was de stomerij van de ouders van een toenmalige vriend die zich mijn lot hadden aangetrokken. Toen de vriendschap na verloop van tijd plotseling wat bekoelde werd ik er met een smoesje net zo makkelijk weer uitgewerkt, maar ik geloof dat ik dat destijds ook eigenlijk wel logisch vond.
Door de Burgemeester vd Werfstraat, waar mijn opa volgens de overlevering een tabakswinkel had waarvan de voorraden hem wel eens door de hongerwinter zouden kunnen hebben geholpen, lopen we verder het Geuzenkwartier in, het kleine broertje van het Statenkwartier. Hier staat, in de Van Lumeystraat, nog altijd mijn geboortehuis. Hier woonden mijn ouders, pasgetrouwd, eind jaren vijftig, begin jaren zestig, in tijden van woningnood, in bij mijn opa en oma. In een piepklein bovenkamertje stond mijn wiegje. Ik heb mij er later nog wel eens in staan afvragen hoe ze het in vredesnaam voor elkaar kregen allemaal. Mijn oudste zoon trekt heden ten dage zijn neus al op voor huisjes van twee verdiepingen met twee slaapkamers, een zolder en een keuken als de badkamer wat verouderd is. Ook in tijden van woningnood. En wij vinden dat misschien een beetje jammer, maar ook weer niet echt raar of onbegrijpelijk. Het kan verkeren. Hoewel je van de andere kant zou kunnen zeggen dat ook hij dus bij zijn ouders inwoont, op een piepklein bovenkamertje, waar met de beste wil van de wereld niet eens plaats zou zijn voor een wiegje. Nogmaals, het kan verkeren.
Twee deuren verder in dezelfde straat, wijs ik mijn zoon, woonde ons gezin in mijn tienerjaren, met drie jongens, in een veel riantere bovenwoning. Die mijn vader jarenlang met groeiende tegenzin eigenhandig en eigenwijs in zijn eentje grondig en ingrijpend verbouwde en renoveerde naar de smaak van de jaren zeventig. Waar ons gezinsleven, misschien mede daardoor, al snel ontspoorde tot een moeizaam, zwaar en kil gebeuren dat ik op 18 jarige leeftijd dus ontvluchtte, met een braadpan, een prullenbak en een theedoek.



Langs het Gemeentemuseum, dat tegenwoordig Kunstmuseum genoemd wenst te worden, wat ik persoonlijk nogal een infantiele benaming vindt, lopen we naar park Sorghvliet, dat mijn zoon op zijn lijstje had staan. Ik kwam er vroeger vaak. Eerst met mijn dochter, later ook met mijn jongens. Een geheel ommuurd en bewaakt stukje bos waar het verboden was voor honden, wat ik altijd als een enorm voordeel heb gezien. Je moest er een jaarkaart voor aanschaffen om toegang te krijgen en er liep een strenge boswachter rond die serieus werk maakte van het handhaven van de talloze regels en verboden, al liet hij er wel altijd zijn eigen hond los rondlopen. Graag zouden we hier vandaag nog eens een rondje wandelen om het met onze herinneringen te vergelijken. Maar aan de poort is de laatste twintig jaar in elk geval niets veranderd. Er staat een onvriendelijk gesteld bord dat in twee talen maar weinig woorden verbiedt het park zonder kaart te betreden en verderop staat duidelijk zichtbaar de strenge boswachter te controleren, op deze eerste mooie lentedag wandeldag. Wij vertrouwen niet op onze mooie blauwe ogen, noch op ons talent voor zoete broodjes, wij durven het niet aan. Het is niet anders.



Door de Scheveningse bosjes, langs het Vredespaleis, over de Groot Hertoginnelaan langs het beeld van Eline Vere, de Thomsonlaan en de Fahrenheitstraat, op de Valkenboskade het bekende hoekje om, de Sleedoornstraat in. Hier werd mijn jongste zoon geboren. In ons eerste koophuis. Een portiekwoning op de tweede verdieping. Een zogenoemde tussenwoning, waarin je rekening diende te houden met buren aan alle kanten en last had van buren aan alle kanten. Van buiten is het nog steeds hetzelfde rustige straatje, zien we. De boom van mevrouw Spaans, waarvan ze altijd klaagde dat de afgevallen naalden zo naar binnen liepen, staat er nog. Of dat voor mevrouw Spaans zelf ook geldt, weten we niet zeker. Even spelen we met de gedachte om aan te bellen, bij onze oude huis, met de vraag of we misschien.. We zien dat er iemand thuis is, maar besluiten dan verstandig dat dat in tijden van corona wellicht niet zo gepast is.
Met tram 12 rijden we, net als we vroeger een tijdje deden, naar de basisschool waar zowel mijn dochter als mijn jongens op hebben gezeten, op het randje van Transvaal, een andere wereld ten opzichte van het Den Haag waar we tot nog toe in liepen. Het is druk op straat, overal staan groepjes mannen rokend bij elkaar, voor kleine winkeltjes op de straathoek, druk gebarend en lachend nemen ze het leven door. Het oude schoolgebouw is niet veranderd, het ziet er nog altijd scharrig en weinig onderhouden uit. Toch koesteren we er allebei warme herinneringen aan. Zonder enige twijfel was dit de leukste school van Den Haag. En misschien nog wel.



Nu is het niet ver meer naar de Nunspeetlaan, waar ik woonde van mijn 2e tot mijn 12e. Mijn onbezorgde jeugd. Hier speelde ik met mijn broertjes, in het omheinde perkje voor de deur, maar als je tussen de struiken ging werd er iets van gezegd. Hier rolschaatste en stepte ik blokjes om over de stoep. Hier parkeerde mijn vader zijn bescheiden Opel Kadett achter de rode Opel Admiral van de buurman. Op iedere straathoek zat een winkel, vertel ik mijn zoon. Hier de bakker, daar de kruidenier, de groenteboer. Op deze hoek mijnheer van Beijeren, voor melk, boter en eieren, wat we grappig vonden rijmen. Kwam ook nog langs de deuren, met zijn ijzeren hond, maar mijn moeder vond hem te duur. In die garage werden aardappelen verkocht door een man in een stofjas, met een pet op, en handschoenen zonder vingers. Bintjes, Eigenheimers, Doré’s.. De aardappelen werden uit de weegschaal in een meegebrachte mand gestort, een oude krant op de bodem. Het was er altijd donker en koud.
Een door en door doorsnee Hollandse spruitjesluchtbuurt was dit destijds, waar de vaders naar hun werk gingen en de moeders huisvrouw waren. Hoofddoeken om de permanentjes geknoopt, plastic regenkapjes. Aangeveegde stoepen en portiektrappen. Nu dragen de vrouwen er ook hoofddoeken. Staan de Mercedessen twee rijen dik geparkeerd. Een matig geschoren meneer staat zijn portiek te vegen, tree voor tree. Het is mijn portiek bovendien, we staan er al een tijdje te kijken, ik sta er al een tijdje naar te wijzen om mijn zoon te vertellen hoe het was. De meneer woont in het huis onder het onze, zie ik. Het huis van de onderbuurvrouw, mevrouw van der Ark. Tante Ark, noemden wij die. Op woensdagmiddag keken we daar televisie, want die hadden we toen nog niet. Haar zoon had kinderverlamming gehad.
De meneer heeft ons wel gezien maar trekt zich er weinig van aan. Toch voel ik mij na een tijdje genoodzaakt de niet bestaande kou uit de lucht te nemen en uit te leggen waarom wij hier zo naar misschien wel zijn huis staan te kijken. De man haalt zijn schouders op. Hij spreekt geen Nederlands, begrijp ik. Ook geen Engels of Duits. Frans durf ik al niet meer te vragen. Pahap, bromt mijn zoon, hij geneert zich, ik zie verdomd dat hij bloost. Maar ik vind het wel grappig en bovendien is de meneer inmiddels de trap op gestommeld om versterking te halen. Al snel is het portiek gevuld met een heel gezin, nieuwsgierig naar wat de Hollander te vertellen heeft. Eén van de kinderen treedt op als tolk en vertaalt mijn natuurlijk niet al te interessante verhaal voor zijn vader. Die lacht er wat schaapachtig bij, haalt zijn schouders nog maar eens op en laat vertalen dat er nu andere mensen wonen. Mijn beurt om schaapachtig te lachen.
Als we een blokje om lopen komen we langs het huis van mijn andere oma, naar wiens te vroeg overleden man ik ben vernoemd. Ik moet even nadenken over het huisnummer. Hier stalde ik mijn fiets, toen ik die op mijn 10e gekregen had. Elke schooldag twee keer door de gang en de keuken naar de schuur in de achtertuin.
Van daar lopen we dan nog de route die ik meer dan vijftig jaar geleden dagelijks heen en weer liep naar mijn lagere school, aan de Amerongenstraat. Een lange, lange wandeling in mijn herinnering, maar vandaag valt het wel mee. Dat het gebouw er niet meer staat is geen verrassing, dat had ik eerder al gezien, dat had me eerder al geschokt.
Tot slot dan nog even naar de kinderboerderij in het Zuiderpark. Als we er eenmaal tussen de schapen staan realiseer ik me dat dit niet de kinderboerderij is waar ik met mijn kinderen altijd heen ging, zoals ik dacht. En schapen zien we in Schagen genoeg. Op een bankje in de zon evalueren we de dag, smeden we plannen voor de terugweg naar boven en kijken we even welke tram we moeten hebben om terug bij de auto te komen.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Lees eerdere afleveringen van deze serie in het archief

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Een vogelaar van likmevestje

Rondwandeling door de Kennemer Duinen bij Santpoort, gelopen op maandag 24 januari 2022

Vandaag wandel ik met mijn vriendin uit het goeie, ouwe Den Haag. Al bijna veertig jaar nemen wij op gezette tijden het leven door, gezeten op een terras, of in een restaurant, maar nu die setting al enige tijd niet meer tot de vanzelfsprekendheden behoort, doen we dat wandelend. Daar hoeven we verder geen woorden aan vuil te maken, het is zoals het is, al hangt de versoepeling vandaag in de lucht. Door en over landgoed Duin en Kruidberg gaat het dit keer, van en naar station Santpoort Noord, op een ouderwets op hagelwit A4 uitgeprinte routebeschrijving van de anwb.



We zijn nog maar net vertrokken, we lopen nauwelijks door de eerste bomenlaan, wanneer mijn vriendin vraagt welke vogels wij nu horen, daar boven ons. Ik hoor een licht spottende ondertoon, zeker als ze er op laat volgen dat ik ‘immers vogelaar ben’. Zeker ook als het duidelijk om mussen en koolmezen gaat. Inderdaad heb ik me de vorige keer misschien een beetje laten gaan in het rondbazuinen van random vogelweetjes en wistudatjes die ik ook alleen maar uit de vogelspotcast had onthouden, een vogelaar ben ik zeker niet. Ik weet niet eens zeker of het wel mussen en mezen zijn, bijvoorbeeld. Maar goed. Het is haar Haagse inborst. Haagse humor. Elkaar een beetje prikken, een beetje afzeiken. Maar goedmoedig, dat wel, altijd goedmoedig. God, wat mis ik Den Haag af en toe.
Het is een grijze maandag, niet echt vreselijk koud, fris. We volgen verschillende kleuren pijlen,  pijltjes en markeringen door een grijzig landschap. Hier en daar staan we in twijfel wat de bedoeling is – is dit een driesprong of een T splitsing, is dit een brede zandweg of een smalle, hebben we de eerste links of de bocht naar rechts misschien gemist – maar we praten ook teveel onderweg, we letten niet altijd even goed op. Er is ook veel om over te praten. Hoe gaat het met de kinderen, de kleinkinderen, hoe ben je de feestdagen doorgekomen, hoe is het met je ouders? Het leven dat maar doorjakkert, de kleine ongemakken van het ouder worden en hoe daar mee om te gaan. De onmiskenbare voordelen van de plastuit. Het c-woord natuurlijk. De cijfers en de maatregelen. De vraag of mensen die zonder mondkapje door de supermarkt lopen er inderdaad altijd een bepaald soort triomfantelijk gezicht bij trekken, of dat dat alleen onze schaapachtige verbeelding is. De vraag of je het pesterij zou kunnen noemen wanneer het theaters wordt toegestaan om tot 20 uur open te mogen. Een kwartier vóór de gemiddelde voorstelling begint. De nationale voice-verlekkering. Verwondering over zeven miljoen mensen die zich massaal zitten te verlustigen aan andermans misbruik-ellende en de smadelijke neergang van hun eigen voormalige idolen. De opgeklopte kant en klaar meningen. Maar ook over wat er onderweg te zien is hoor, gelukkig, het is niet alleen gemopper.



Vlak langs het pad zien we bijvoorbeeld pontificaal een ree liggen. Of een hert, dat weet ik nooit. Er komt een vrij indrukwekkend gewei aan te pas in elk geval. Er liggen er trouwens wel meer, zien we nu. En hoe langer we blijven kijken, hoe meer we er zien. De dieren zijn grijzig van kleur en vallen zo goed als weg tegen de grijze stammen, het bos en de grijze dag. Het is mooi geregeld, in de natuur. Het mannetje met het grootste gewei ligt met een verwaten kop op een heuveltje, als op een troon, centraal in het gezelschap, dat onderdanig rondom ligt gedrapeerd. In een wat grotere cirkel eromheen staan de jongere mannetjes in groepjes van twee de krachten wat te meten, speels, stoeierig, de koppen naar de grond, de geweien in elkaar. Het is een knus familietafereel. Alleen de immer enthousiaste voice-over van Menno Bentveld ontbreekt, dat is jammer.
Twee dames, die het reeëntoneel ook staan te bekijken, menen ook spechten te horen. Een grote rode hadden ze vandaag al gezien. Een tijdje turen we gezamenlijk de boomkronen af maar hoewel we het erover eens zijn dat het in deze kale tijd zou moeten lukken, blijft onze zoektocht tevergeefs. Bij het weglopen verzuchten de dames dat ze ook wel eens een groene specht zouden willen zien, of een zwarte. Ik sta op het punt uitgebreid te gaan staan vertellen hoe ik vorig jaar op één dag, in één wandeling, in Twente, de grote rode, de groene én de zwarte heb gezien, maar ik houd me in. Tegen mijn vriendin heb ik daar de vorige keer waarschijnlijk al over lopen pochen, en de dames zijn al doorgelopen. De zwarte komt in dit gebied trouwens zeker niet voor, meen ik te weten, maar ook dat houd ik wijselijk voor me.



Wat verderop raak ik even in gesprek met een passerende jongeman. Mijn Haagse vriendin staat in de bosjes net iets te dicht langs het pad haar plastuit te gebruiken en ik wil de jongeman afleiden om mogelijk gênante situaties te voorkomen. Zolang ik met hem praat staat hij met zijn rug naar haar toe. Ook nu gaat het over spechten, die zijn hier namelijk in grote getale te horen en opnieuw turen we de boomtoppen af, zonder resultaat. Al keuvelend passeren de verschillende soorten de revue – de grote, de kleine, de middelste – terwijl ik zie dat achter zijn rug mijn vriendin niet vanachter haar boom tevoorschijn durft te komen, bevreesd voor gênante situaties. De jongeman is echter niet te stoppen en vertelt dat hij eerder op de dag een grijze specht heeft gezien. Grijs met zwarte strepen. De naam moet hij schuldig blijven, maar hij weet wel dat die zeldzaam was. Met een joviaal ‘en jíj hebt hem gezien’ stuur ik hem weer op pad, waarna mijn vriendin ongezien tevoorschijn kan komen. Een grijze specht.. het zal wel, denk ik. Later ontdek ik op internet de draaihals. Een grijze specht. Met zwarte strepen. Zeer zeldzaam. Dus nu ben ik jaloers.



Rond een flinke den zien we twee eekhoorns scharrelen. Ze maken geluidjes naar elkaar die aan een hamster doen denken. Of eigenlijk meer een cavia. Met waakzame kraaloogjes worden we bekeken, vanuit de hoogte, en uiteindelijk huppelen ze sierlijk als in een Disneyfilm achter elkaar aan, over een brug van takjes en twijgjes over onze hoofden naar de andere kant van het pad, een lang en gelukkig leven tegemoet.
Dichterbij dan ooit zie ik plotseling een boomkruiper opvliegen en ik ben apetrots dat ik dat zomaar in één keer weet. Een heel eind verder zie ik hem tegen de stammen op kruipen en ik hoor mezelf alweer mansplainen dat een boomkrúiper naar boven loopt, tegen de boom op, en dat de boomkléver dat ook naar beneden kan. Terwijl ik uit sta te duiden waar ie nu weer zit, komt een ouder echtpaar langszij en informeert nieuwsgierig wat voor bijzonders wij zien. Zo heb ik nog meer publiek, voor mijn wijsheid. Als ik mijn wijsheid thuis op internet nog even bevestigd wil zien, blijkt het toch een boomklever te zijn geweest. Nee, een vogelaar ben ik niet.
In de tunnel onder het station komen ons nog twee oudere dames tegemoet die galmend vooruitlopen op de onvermijdelijke versoepelingen en het einde van de pandemie. Nóóit meer zullen ze iemand zoenen, echoot het tegen de wanden. Nóóit meer, kunnen wij niet nalaten te vragen? Nóóit meer, beamen de dames tweestemmig. Wij vinden het saai. Bij het verderlopen horen wij de ene dame nog wel aan de andere vragen: wíe ga je eigenlijk nooit meer zoenen dan? Het antwoord hebben wij niet meer gehoord.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Stichting De Verrommeling

Van Haulerwijk naar Norg, een etappe van het Grootfrieslandpad, gelopen op vrijdag 14 januari 2022

Het is 14 januari, een spannende dag. Vanavond zal officieel bekend worden gemaakt hoe het verder moet, met dit land in lockdown. In afwachting daarvan wandelen wij getweeën een etappe van het Grootfrieslandpad. De eerste van het nieuwe jaar. Van Haulerwijk naar Norg, zal het gaan. Van  Friesland naar Drenthe. We ontmoeten elkaar in Norg, bij restaurant de Norgerberg, waar we, nu het nog kan, een koffie to go aanschaffen, alvorens naar ons startpunt te rijden. Halverwege de wandeling komt er al een pushbericht binnen dat de winkels weer open kunnen, op afspraak. Nieuws dat later dus nog mooier wordt omdat het afspreken vervalt. De horeca en de cultuur blijven dicht. Een verrassing is dat allang niet meer. Voor de winkels is het fijn natuurlijk maar je kunt je afvragen hoe het gesteld is met een volk dat shoppen zó hoog op het prioriteitenlijstje heeft staan.



Haulerwijk verlaten we door een bescheiden parkje en lopen dan al snel door agrarisch gebied, dat zich in dit somber jaargetij ruig, chagrijnig en ongenaakbaar toont. Zwart en ledig. Rijen stoppels van geoogste mais reiken troosteloos naar de horizon. Sporen van zware trekkers. Kapot gereden modderpaden en met troebel water gevulde voren. Heiige coulissen van grijze bomenrijen in een afwachtend landschap, onder een al even lege lucht. Als je wat beter kijkt blijkt het wel mee te vallen met dat grijs trouwens en laten zich veel meer subtiele kleurschakeringen zien, van rood en rood-bruin, groen, paarsachtig zwart en het ijle wit van berkenstammetjes. Hier en daar staan ook wat bomen alleen, kale kronen als etsen tegen het zwerk. We zien een koppel reeën toch maar, wat aarzelend voor ons wegspringen.



Verder treffen we een uitgebreide verzameling zogenoemde boetjes en bouwsels langs de route, ik verzamel ze al jaren, ik houd ervan. Deze etappe blijkt een goudmijn. Half vervallen schuren en schuurtjes, nog net niet ingestort, aftandse en groen uitgeslagen loodsen, scheefgezakte stallen, zelfverzonnen aanbouwsels van bij elkaar gesprokkeld materiaal. Een bakstenen schuur met aan de voorkant nog een redelijk ordentelijke houten veranda, waar aan de achterkant een zo te zien nog altijd gestaag aangroeiend stelsel van golfplaten keten en boetjes steeds achtelozer tegen elkaar aan hangt, hier en daar met oranje bouwzeilen afgedekt, temidden van semi-ordelijke stapels ongeregeld goed. Op het erf een sterk verwaarloosde fiat 500, de voorklep hulpeloos omhoog. Verderop een zwaar geërodeerde houten stal met een geïmproviseerd dichtgetimmerd raam waarvoor twee wolharige varkentjes gezellig heen en weer lopen te knorren. Bepaald geen alledaags tafereel in tijden van varkensflats en grootschalige bio-industrie, varkens in de open lucht. We steken er speciaal de weg voor over. We kunnen niet dichtbij genoeg komen voor een goed gesprek, maar we zien elkaar wel, er is oogcontact. We zijn niet onopgemerkt gebleven. Een tot schapenkot omgemetseld bakhuisje, een schattig boerderijtje onder de bomen, met ingezakt pannendak, en een boerenschuur met een verzakte stapel hakhout voor de groen be-algde staldeuren. Het omineuze bordje in kapitale typografie: Geen toegang eerst ontsmetten brengt ons terug in onze eigen niet pittoreske tijden.



Goed, je zou dus kunnen spreken van een verrommeld landschap. Wij vrezen zelfs met grote vreze dat dat in zekere kringen ook gebeurt. Maar ons hoor je niet klagen. Sterker nog, wij zouden een pleidooi willen houden voor de verrommeling. Het woord heeft een negatieve bijklank, van neergang en aftakeling, van lelijkheid en ontwaarding, maar daar moeten we vanaf, vinden wij. Verrommeling heeft niets te maken met zwerfafval, met vreetverpakkingen, vuilniszakken, driezitsbanken in de berm. Verrommeling is het tegenovergestelde van aangeharkt en gladgetrokken, van gestandaardiseerd en eenheidsworst, en daarmee is het een positief woord. Wij vinden het mooi. Erven waarop geleefd wordt, waarvan de geschiedenis zich toont, in al haar weerbarstigheid. Leve de verrommeling, roepen wij. Het geeft het landschap charme, eigenheid en karakter. Kom er nog eens om, in tekentafelland. Tussen industriegebied, datacentrum en vinexwijk. Ter plekke richten wij Stichting De Verrommeling op. Zonder tussenkomst van een notaris, voor het juiste resultaat.



Bij het dorpje Een, waarvan de naam volgens het boekje een verbastering van het woord ‘eden’ is, wat op zijn beurt weer oud Drents voor ‘turf’ zou zijn, treffen we een begraafplaats tussen de bomen. Het voorziet in een plein, dat ’s zomers waarschijnlijk lommerrijk genoemd kan worden, met ruime banken afgezet. We nemen even plaats. Het is niet dat we ons de rest van de dag door rumoer en tumult hebben bewogen, maar hier lijkt de rust nóg serener. Zo gaat dat op kerkhoven en begraafplaatsen, men keert even naar binnen. We zitten en mijmeren over het leven en de tijd. Er staat een oorlogsgraf, ter herinnering aan gesneuvelde plaatsgenoten. De geschiedenis komt ter sprake, hoe die altijd nog aanwezig is, hoe dun soms ook nog maar, na zoveel jaren. Een meneer met een rode jas en witgrijze haren groet ons. Met een gieter en een tasje loopt hij langzaam steeds verder naar achteren. Zwijgend kijken wij hem na. Wie zou hij onlangs begraven hebben, vragen wij ons onwillekeurig af, en denken aan wie we zelf zijn kwijtgeraakt. En aan wie we nog hebben. En dat we er zelf nog zijn en hoe mooi het allemaal is. Dat ook. Ja, dat ook.
Inmiddels lopen we al een tijdje in Drenthe, we zijn zelfs een officiële grenspaal gepasseerd, maar echt duidelijk te zien is dat pas in Norg. Een typisch Drents dorp met brinken en hoge bomen, het stokoude kerkje fier in het midden. De kuddes fietsende anwb-stellen en de overvolle pannenkoekenterrassen moeten we er deze tijd van het jaar even zelf bij denken, maar dat hoeft natuurlijk niet.
Weer terug bij de Norgerberg kopen we andermaal een koffie to go, het wordt nog een lange autorit naar huis. De meneer achter de bar ziet het somber in voor de persconferentie vanavond, de gelekte berichten zijn niet hoopgevend. Inmiddels weten we dat hij gelijk heeft. Toch blijft hij optimistisch, zegt hij. Vastbesloten er het beste van te maken. Als ik buiten mijn bekertje omgooi, met een onhandige beweging, en ik bedremmeld een nieuwe ga halen, krijg ik die van het huis. Al protesteer ik meer dan eens. Het hoort, volgens de meneer, bij de ondanks alles nog altijd bestaande service. En misschien, vervolgt hij vanachter zijn mondkapje, kom ik dan nog eens terug. En dat klopt. De volgende etappe start in Norg. Met koffie. Misschien kunnen we dan zelfs terecht op het overvol terras.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Met de luiken open

Van Callantsoog naar Groote Keeten, langs het Nederlands Kustpad, en langs het strand weer terug. Gelopen op maandag 3 januari 2022.

Wat heb je nodig om van een wandeling een mooie wandeling te maken? Weinig, blijkt vandaag. Niet voor het eerst trouwens want ik wist dat al, van eerdere gelegenheden. Een wandeling wordt eigenlijk bijna altijd vanzelf mooi, als je je ogen open houdt. En je luiken. Zo loop ik vandaag van Callantsoog naar Groote Keeten, slingerend door de polder – ik volg de pijlen van het Nederlands Kustpad – en op het eerste oog is dat nou niet wat je noemt van een romantische schoonheid. Nee. Ik zie veel paardenstallen, in verschillende staten van onderhoud, zelfverzonnen boetjes en bouwsels, kapot getrapte en half ondergelopen paardenweitjes, ordeloze terreinen die kennelijk dienst doen als opslag voor trailers, bouwmachines, uit de roulatie genomen trucks van diverse pluimage en ander industrieel gedoe. Al of niet achter bouwhekken. Een rabbige drafbaan in vol bedrijf, een verzakte keet als kantine. Een half verlaten camping, bungalowparken waar de sjeu al een tijdje vanaf is. Leeggetrokken akkers waar schots en scheef slechts de stoppels zijn achter gebleven. Grote hopen zand en aarde op afwachtende velden. Pittoresk is het allemaal niet. En toch houd ik wel van dit soort onaangeharkt, tegendraads landschap. Een beetje dwars, een beetje nurks. Een beetje bemoei je met je eigen zaken. Of het typisch Noordhollands is weet ik eigenlijk niet, maar dat stel ik me zo voor. Het heeft zijn eigen schoonheid, maar alleen voor wie die wil zien. Zo is het vóór ik halverwege ben al een mooie wandeling geworden. En dan moet ik het strand nog op, dan moet ik nog langs de zee.



Voor ik bij Groote Keeten het strand op draai om tegen de stevige wind in langs de branding terug te lopen zit ik even op een bankje, voor de spreekwoordelijke boterham. Op de rugleuning is een aluminiumplaatje geschroefd. Het gedenkt Coen en Cock Roozen. Een fotootje in zwart wit toont een vrolijk bruidspaar uit de vroege jaren vijftig, schat ik. Indien men liefde wil vermenigvuldigen, moet men haar delen, staat ernaast geciteerd. Nieuwsgierig geworden speur ik internet af naar wie dit geweest zouden zijn maar ik vind alleen dat het bordje geplaatst is namens hun elf kinderen. In liefdevolle herinnering. En ach, misschien is dat ook genoeg. De kern van het bestaan.



Langs de strandopgang zie ik dat iedere paal van het hek is versierd met een veer, het zijn er zeker twintig op rij. Iemand heeft hier de moeite genomen een flinke bos veren bij elkaar te zoeken, op het strand waarschijnlijk, en ze één voor één in de palen van het hek te steken. Met geen ander doel dan het plezier van het doen en het opfleuren van de wereld. Ik vind het altijd een hoopgevende en inspirerende gedachte dat zulke mensen ook bestaan. Ik word er blij van. Het is een vergankelijk kunstwerk van een anonieme kunstenaar dat waarschijnlijk alleen vandaag te zien is, en ik heb het gezien.
Een jong, verwaaid gezin komt me tegemoet. In de bolderkar die wordt meegetrokken hangt als een slappe pop een slapende kleuter, de armen wijd uitgespreid, de wangen rood van het spelen. Honderden herinneringen aan mijn eigen jongens komen bovendrijven bij deze aanblik. Verderop gebeurt me dat opnieuw, waar een vader met zijn kleintje de branding uitdaagt en trotseert, op laarzen en dik ingepakt in regenkleding, joelend wegrennend voor de aanrollende golven. Mijn vertederde blik wordt opgevangen en beantwoord met onverholen vaderlijke trots. Ach ja..



Regelmatig krijg ik op mijn tocht langs de vloedlijn gezelschap van een stel drieteenstrandlopertjes die met onbegrijpelijk snelle pootjes een stukje met me mee dribbelen, voor me uit dribbelen, vluchten voor het water en dan er weer achteraan.. een genot om even bij te blijven staan kijken, tot ze het wel mooi geweest vinden en haastig op de wieken gaan. Je vraagt je af wie ooit heeft kunnen tellen dat het beestje blijkbaar drie tenen heeft, het staat nooit stil. In tegenstelling tot de groep scholeksters die tegen de duinrand staat opgesteld. Het zijn er zeker vijftig. Volkomen relaxed staan ze bij elkaar, de meesten op één poot, de rode snavels, op een enkeling na, in de veren weggestoken en allemaal in dezelfde richting, de koppen in de wind. Zijn ze al klaar voor de nacht, die er zo aankomt? Of hebben ze even pauze en gaan ze zo weer verder met wat ze moeten doen?
Vlokken schuim waaien van de branding en huppelen me in groepjes tegemoet, als blije kinderen, steeds kleiner wordend, tot ze in het niets zijn verdwenen.
Een gehavend speeltoestel met een geel glijbaantje en een gerafelde vlag in de wind is na een vreemde zomer eenzaam achtergebleven in het zand.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum van deze wandeling

Zwartwandelen

Notities

Zo goed als iedere dinsdag bezoek ik mijn oude schoonouders, ’s middags, na hun dutje. Dan drinken we een kopje thee en nemen de gebeurtenissen van de week door. Gebeurtenissen die steeds kleiner worden. Die steeds meer op elkaar gaan lijken. Als het een beetje weer is, en dat is het eigenlijk altijd wel, maak ik daarna een wandelingetje met mijn schoonmoeder. Een al korter wordend wandelingetje. Mijn schoonvader is daar niet voor te porren. Die vindt het ook wel lekker om even een uurtje alleen te zijn, al moeten we ook weer niet heel veel langer wegblijven dan dat. Het luistert nauw.



Meestal rijden we naar hetzelfde stukje bos, waar we de ene keer linksaf en de andere keer rechtsaf naar het eind van het pad lopen en weer terug. Voor mijn schoonmoeder maakt dat niet uit, die verklaart iedere week even enthousiast hoe mooi ze het hier vindt en dat ze er al ze weet niet hoe lang niet meer is geweest. Voor haar wordt het nooit saai. En ach, mij maakt het ook niet veel uit voor dat uurtje, maar vandaag besluit ik toch eens ergens anders heen te rijden. Naar de duinen. Waar ze ook al ze weet niet hoe lang niet meer is geweest. Wel herinnert ze zich dat je er een toegangskaart voor nodig hebt. En dat ze die niet meer heeft. Het is jammer dat juist die informatie wel is blijven hangen want dat dreigt even roet in het eten te gooien. Ook het ontzag voor het gezag zit er nog diep in en zonder geldig toegangsbewijs durft mijn schoonmoeder eigenlijk niet naar binnen.
Ik heb niet zoveel zin, nu we eenmaal hier zijn uitgestapt, weer ergens anders heen te rijden dus ik sus dat het wel mee zal vallen, dat we maar een piepklein rondje maken en dat het wel heel sterk zou zijn dat we daar een boswachter bij tegen zouden komen. En dat die ons dan om toegangsbewijzen zou gaan vragen. En dat we ons dan altijd nog van de domme kunnen houden. Maar daar wil mijn schoonmoeder allemaal niks van weten. Ze heeft geen zin in een boete en je zult het altijd zien.
Ik besluit daarop dat we dagkaarten kopen, wat maakt het uit tenslotte, er staat een betaalzuil langs het pad, ik heb mijn pinpas al in de hand. Wanneer mijn schoonmoeder ziet dat ons wandelingetje dan vier euro gaat kosten, schiet haar dat pardoes in het verkeerde keelgat. Vier euro?! Voor zo’n klein pestwandelingetje? Dat vindt ze schofterig! Wat een oplichters. En zo kordaat als maar mogelijk wanneer je met een stok loopt, betreedt ze het verboden terrein.

Koperwieken

Notities

Het was zomaar even mooi weer en zaterdagmiddag tegelijk, wij trokken eropuit voor een wandeling door de duinen. En langs het strand, want zó mooi was het weer. Je moet je kansen grijpen als ze zich voordoen, zeker in onzekere tijden als de onze. Rustig was het niet per se, maar zeker ook niet druk. De lockdown light die gisteren werd afgekondigd had nog niet meteen tot een nieuwe wandelhype geleid. Gelukkig, zou ik bijna zeggen, want ik heb het rijk graag alleen, elitair als ik ben. Vandaag deelden we het rijk met wat hondenuitlaters, een handjevol wandelaars en een enkel jong gezin.



We liepen door een redelijk sobere duinvallei, met overwegend helmgras en hier en daar een kale stuifplek, die door een grillige heuvelachtigheid en de voluptueuze wolkenluchten erboven toch haar charme had. In de hellingwanden ontwaarden we de nodige konijnenholen en hoewel we de konijnen zelf niet zagen, verraadden de karakteristieke keutels langs het pad dat ze er weldegelijk zaten.
Van ons favoriete tv programma Vroege Vogels, dat we deze maanden vanaf de allereerste aflevering in 2007 zitten terug te kijken, weten we dat dit gebied dus geschikt is voor tapuiten. Die maken gebruik van de konijnenholen, hebben wij geleerd. Jammer genoeg zouden we op dit moment geen van tweeën meer uit ons hoofd weten hoe een tapuit eruitziet, je kunt niet alles onthouden. Natuurlijk zouden we dat dan meteen even hebben kunnen opzoeken op onze telefoontjes maar dat leek niet zo nodig aangezien we de hele wandeling alleen maar vogels zagen waarvan we heel zeker wisten dat het geen tapuiten waren. Meeuwen, spreeuwen, eenden. Kraaien, duiven, merels. En een drieteenstrandloper. En ach, ook zonder tapuiten kun je een leuke middag hebben.
Toch waren we alsnog bijzonder in ons schik toen we vlakbij de parkeerplaats plotseling wel twee vogels buiten ons boekje zagen scharrelen. Koperwieken, meende ik op de gok, vanwege het roestbruine veegje onder de vleugels. En verdomd, het ter plekke geraadpleegd alwetend internet gaf ons gelijk. Wonderlijk dat je daar zó innig tevreden mee kunt zijn. Wonderlijk, maar ook fijn. Ik gun het iedereen.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Rom en frij

Kunst onderweg

Wandelend door het uitgestrekt Fries landschap kom je allicht eens een weidevogel tegen. Zeker in het seizoen. Ik heb niet echt verstand van vogels, ik ben geen vogelspotter. Ik heb wel een klein en ontoereikend verrekijkertje in de rugzak zitten maar dat haal ik maar zo weinig tevoorschijn dat ik eigenlijk al niet eens meer zeker weet of dat inderdaad nog wel zo is. Van de meeste vogels op mijn pad weet ik dan ook niet hoe ze heten, hoe graag ik dat ook zou willen.



Van de vogel die verderop rustig op een paaltje zit weet ik het wel, dat is een grutto. Of.. nee.. bij nader inzien zal het wel een tureluur zijn. Die zitten graag op paaltjes, meen ik mij te herinneren. Ik krijg ruim de tijd hem te bestuderen, en van heel dichtbij, deze tureluur is namelijk van cortenstaal, karakteristiek roodbruin geroest. Het is niet zo’n platte uitgestanste vogel uit de museumwinkel die je in je tuin in een boom kunt spijkeren, maar een natuurgetrouw geboetseerd 3d model. Of het op ware grootte is durf ik hier niet te beweren maar dat zou me niet verbazen. Het is een vriendelijk en bescheiden beeld dat hier zonder poeha, bijna onopvallend in de omgeving staat op te gaan, mooi voor wie het toevallig ziet en er even bij stil wil staan. De doodgewone paal waar zij op staat is haar sokkel en het boerenhek dat daaraan vast zit hoort er ook nog bij want daarop staat een tekstregel: ‘Ik fiel my hjir sa rom en frij’. Dat is Fries natuurlijk maar goed te begrijpen voor wie hier staat, middenin de Friese weidsheid, alleen al omdat je je hier inderdaad precies zo voelt, rom en frij.



Het stemt mij altijd tevreden en hoopvol dat er in deze grote boze wereld toch ook nog mensen zijn die de moeite nemen er met iets ogenschijnlijk kleins en eenvoudigs juist iets moois aan toe te voegen. Tegenover te stellen misschien. Het is dan ook een beetje een domper dat ik bij mijn zoektocht op het web naar informatie over dit beeldje als eerste stuit op een krantenbericht dat meldt dat het vermist is. Gestolen. Dat ik er nu naar sta te kijken bewijst dat het uiteindelijk weer goed gekomen is maar tjongejongejonge. Bijna nog vreemder is het dat het beeldje, volgens een tweede bericht, een week later weer gewoon op zijn plek staat. Wat een merkwaardig verhaal..
De voorzitter van de Gerben Rypma Stichting, eigenaar van het beeldje, vermoedt dat door alle media-aandacht rond de diefstal het de dader te heet onder de voeten werd, maar ik weet het niet. Ik probeer me zo’n dief dan voor te stellen, middenin de nacht op pad, met een zaklantaarn, een beetje schichtig, het gestolen beeld in een jute zak, een hamer en wat kromme spijkers om dat beest weer op zijn plek te zetten, met die zaklantaarn in zijn mond. En voor de tweede keer in een week de kans om betrapt te worden.
– Goedenavond, wat zijn wij aan het doen?
– Ja, ziet u agent, ik had dit beeld gestolen omdat ik dacht dat het brons was, dat is een hoop geld waard begrijpt u. Maar thuis bleek dat het gewoon staal was, waardeloos spul, dus ik dacht: ik zet het maar weer terug.
Nee, het moet anders zitten volgens mij. Het beeld werd onbeschadigd teruggevonden op zijn sokkel, met alleen een onbekende witte aanslag. Misschien, verzin ik hier ter plekke, vond de dief het een mooi beeldje en heeft hij, of zij, gedacht het wel ongemerkt een weekje te kunnen lenen, om er thuis een nieuwe mal van te maken, al weet ik niet zeker of dat zo kan. Misschien om voor zichzelf een afgietsel te maken, voor op de schoorsteenmantel, omdat hij, of zij, het dus een mooi beeldje vindt. Of misschien om er een zwart handeltje in duplicaat tureluurs mee te beginnen. Je weet het niet. De Stichting gaat in elk geval wel onderzoeken of de vogel beter vastgezet kan worden, lees ik.


Gerben Rypma (1878 – 1963). Friese boerenzoon, schilder en dichter, links aan het werk in zijn atelier. Rechts een zelfportret als cover van het boek dat over hem verscheen.

Dat het beeldje hier staat, is dus een initiatief van de Stichting Gerben Rypma. Een eerbetoon aan haar naamgever. Wat de vraag oproept wie dat dan is, Gerben Rypma. Dat blijkt al snel een plaatselijk zeer bekend en geliefd schilder en dichter te zijn waar zelfs een boek aan gewijd is. Een boerenzoon van de streek, geboren in 1878 en gestorven in 1963. Werkte als boerenknecht en probeerde daarnaast aan de kost te komen als schilder en later ook als dichter. Grote kunst of literatuur is niet aan hem toegeschreven, zijn werk wordt hooguit gezien als niet onverdienstelijk, een beetje ouderwets. Rypma zelf, lees ik, stond bekend als de kluizenaar van de Brekswâl. Hij leefde een teruggetrokken bestaan met wat koeien in een hutje bij de Aldegeaster Brekken in Sanfurderryp, tot hij in 1939 op 61 jarige leeftijd met een longontsteking op sterven na dood via het ziekenhuis in een bejaardentehuis terecht kwam, waar hij dus nog meer dan twintig jaar zou verblijven.


Schilderijen van Gerben Rypma, geïnspireerd op het Friese landschap en het boerenleven. Naast landschappen schilderde Gerben Rypma portretten.

Zowel voor zijn schilderijen als voor zijn gedichten zocht en vond Gerben Rypma inspiratie in zijn geboortestreek, onder meer leunend over het hek waar nu de stalen tureluur staat. De dichtregel in het hek is ook van zijn hand en komt uit het gedicht ‘Wetterlannen’, een lofzang op zijn thuis:

De wrâld moat for myn boerkerij
De minsken for myn skiep en kij
Fier by my ûnderdwaen
Ik fiel my hjir sa rom en frij
Gjin wrâldsgedoch dat hindert my
Om ûnrest my to jaen


Hans Jouta (1966), beeldhouwer, aan het werk in zijn atelier.

Tjirkje op de hikke, zoals het beeld voluit heet, werd gemaakt door Hans Jouta, een noordelijke kunstenaar, geboren in Holwerd, 1966, en gestudeerd aan de Groningse kunstacademie Minerva. Net als Gerben Rypma voelt Hans Jouta een grote liefde voor en verbondenheid met de natuur en het landschap van Friesland. Veel van zijn beelden zijn, als het tjirkje, levensgroot en naar het leven geboetseerde dieren. Aalscholver, grutto, uil, mus en mees, roerdomp, vos en haas.. gans het Friese dierenrijk komt langs in zijn oeuvre. Daarnaast staan in meerdere steden, en heus niet alleen in het noorden, monumentale werken van hem in de openbare ruimte. In Amsterdam bijvoorbeeld het standbeeld van Johan Cruyff.
Voor zijn kleine beelden werkt Hans Jouta onder meer met de zogenoemde verloren was methode, in het Frans ook wel cire perdu, waarbij een gietmal gemaakt wordt van een met was geboetseerd origineel. Ook boetseert hij direct met brons. Door het met hitte en gereedschap te bewerken, te buigen, te slaan, te lassen en te vormen ontstaan beelden waarvan maar één exemplaar bestaat. Het origineel zelf.


Werk van Hans Jouta. Rennende haas (2020), het standbeeld van Viglius in Leeuwarden (2018) en Tiidreizgje (2014) een monument in Finkum voor het Dokkumer Lokaaltje, de oude spoorlijnverbinding tussen Leeuwarden en Dokkum.

Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief.

Van vissers en Romeinen.. maar wie is Hendrik Aalders?

Kunst onderweg

Komend uit het noorden steken we in Katwijk de Oude Rijn over en betreden zo het Romeinse Rijk. Het Romeinse Rijk van eeuwen geleden welteverstaan, waarvan de Rijn in de beginjaren van onze telling de noordelijke grens was, de zogenoemde Limes. Nu is er weinig Romeins meer aan, aan wat we hier zien aan kustbebouwing en beton. Net als het rechtgetrokken en tussen sluizen opgesloten uitwateringskanaal dat we oversteken nog maar nauwelijks aan de Rijn doet denken. Er zijn dan ook tweeduizend jaar overheen gegaan, dus wat wil je?
Dat ik er toch over begin is niet vanwege ons diepgeworteld historisch besef, welnee.. we hebben nog geen idee, we wandelen gewoon. Het komt door een beeld dat hier staat, tussen duinen, kanaal en zee. Tussen badplaats en parkeerterrein. Een beeld dat wij niet één twee drie kunnen duiden, zonder bordjes of informatiepanelen.



Op het asfalt staat een forse tafel van cortenstaal, een ronde tafel met een stevige rand waaruit een tekst is gesneden. “Kalla’s toren, hier geboren, zocht Neptunus toorn, de hele zee zou hij bezitten en vechten om het huis te Britten”, lezen we terwijl we een rondje om het beeld maken. Hmm.. Neptunus kennen we wel, de god der zee, wiens toorn je waarschijnlijk beter niet kunt zoeken, maar verder komen we niet.
In het midden van het tafelblad is een strak geometrische tekening uitgesneden. Centraal daarin lijkt een hoofdletter E te staan. Is het een logo? Van de sponsor wellicht, die het beeld mede mogelijk maakte? Nee, want die heeft, zien we nu, een eigen bordje, bescheiden op de grond voor het beeld bevestigd. Oostingh staalbouw, voor wie het weten wil.
Aan de rand van het tafelblad staan drie groepjes figuren in groen gepatineerd brons. Het zijn er eenentwintig, maar het zijn geen drie groepjes van zeven. Ten opzichte van de tafel waar ze op staan zijn ze niet heel groot. Gezichten hebben ze niet, verder zijn ze geheel figuratief. Twee ervan zitten op de grond, de rest staat in allerlei houdingen samengeschoold, sommigen met stokken in de hand. Het lijkt soms of ze dansen, maar het kan ook zijn dat ze boos op de grond stampen. Anderen staan er meer gelaten afwachtend bij. Tussen hun voeten – dragen ze nou klompen? – liggen schelpen, ah.. ze staan dus op het strand. Gekleed in wijde broeken en halflange jassen. Oliejassen, denken wij, we zijn in Katwijk aan Zee, het zullen vissers zijn. Vissers die aan de rand van de zee staan te overwegen of ze Neptunus’ toorn zullen trotseren vandaag. Vissers die wachten op andere vissers, die uitgevaren zijn. Waarvan sommigen op zee zullen blijven wellicht. De vis wordt duur betaald.



Dat is de richting waarin wij denken. Maar wat is Kalla’s toren? Wie is Kalla? En wat hebben de Britten hiermee te maken? En waarom heeft die ene een schelp op zijn hoofd? En wie is Hendrik Aalders? Wiens naam maar liefst twee keer met een plaquette op het tafelblad is geplakt, vergezeld van een datum, 20 april 1806. Een beetje vreemde plaquettes zijn het wel trouwens, wat onbeholpen, van goedkoop materiaal, ze passen niet echt bij het beeld en haar vormgeving. Kortom, een handvol raadselen om thuis te doorgronden.
Al snel vinden we uit dat het allemaal heel anders zit, veel ingewikkelder bovendien. Raadselachtig zal het echter wel blijven. We betreden nu pas echt het Romeinse Rijk, niks vissersromantiek. Kalla, leren we al gauw, is een verbastering van Caligula, de Romeinse keizer waarvan alom beweerd wordt dat hij krankzinnig was. Die bevond zich rond 39 n Chr in deze contreien, vermoedelijk met het voornemen vanuit hier Brittannië binnen te vallen en te onderwerpen.
Het beeld op de sluis in Katwijk nu, vertelt het verhaal van deze invasie zoals dat in 120 n Chr is opgeschreven door Caligula’s biograaf Gaius Suetonius Tranquilius, en in de eeuwen erna is vertaald en overgeleverd. Volgens dat verhaal verzamelde Caligula zijn troepen op het strand van de Noordzee, stelde ze in slagorde op, katapulten en belegeringswerktuigen werden in stelling gebracht, waarna de oorlog werd verklaard.. aan de zee. Er zou op de zee zijn geschoten, met pijlen en speren, waarmee de slag als gewonnen werd beschouwd, de zee had zich onderworpen. Caligula’s soldaten kregen vervolgens de opdracht hun helmen en zakken met schelpen te vullen, bij wijze van oorlogsbuit, en als blijvende herinnering aan deze glorieuze overwinning liet de dwaze keizer een enorme vuurtoren bouwen: Kalla’s toren. Een krankzinnig verhaal inderdaad en voor deze vuurtoren is nooit enig bewijs gevonden.


Gaius Julius Caesar Augustus Germanicus, later bijgenaamd Caligula. Keizer van Rome van 37 tot 41 na Chr. Bekend om zijn vermeende krankzinnigheid, waar tegenwoordig ook wel weer wat genuanceerder over wordt gedacht. Zijn politieke tegenstanders en opvolgers zouden er wel eens baat bij kunnen hebben gehad deze veronderstelling de wereld in te helpen en in stand te houden. Ook tweeduizend jaar geleden werd er in de politiek al met modder gegooid.

Maar goed, we weten nu dus wel dat de bronzen figuren op de ronde tafel Romeinse soldaten zijn die op het strand de merkwaardige bevelen van hun keizer staan op te volgen: de zee bevechten en schelpen rapen. De dichtregel in de tafelrand is ook een stuk duidelijker geworden met dit verhaal, alleen het huis te Britten vraagt nog om opheldering. Daarmee, lezen we in de breed uitwaaierende documentatie op het web, wordt bedoeld de Brittenburg. Een geheimzinnig gebouw dat in zee is verdwenen en waarvan voorzichtig wordt aangenomen dat het ooit een Romeinse versterking of stadsmuur of iets dergelijks geweest zou kunnen zijn. Restanten van dit bouwwerk zijn verschillende malen waargenomen. In 1520, 1667, 1701 en 1750 werd de ruïne door zware storm geheel of gedeeltelijk blootgelegd. De geometrische tekening in het midden van het tafelblad, het logo, is de plattegrond van de ruïne zoals die in 1566 werd vastgelegd door kaartenmaker Ortelius. Als het zonnetje schijnt wordt hij als lichtbeeld op de grond geprojecteerd, meedraaiend met het uur van de dag op steeds een andere plek, aanstippend wellicht dat niemand vandaag nog weet waar het gebouw nou precies heeft gestaan. Na 1750 is het niet meer gezien. Wel vertelden Katwijkse vissers vaak en graag aan bezoekers die nieuwsgierig waren naar ‘het Romeinse fort’, dat zij op bepaalde plekken in zee met hun netten aan stenen vast bleven zitten. Dat zij zelfs hier en daar met stokken de stenen onder water konden aantikken en voelen. De stenen van Kalla’s toren, werden dat al gauw, in de volksmond. Kijk, en zo begrijpen wij eigenlijk wel dat die Romeinse soldaten op de ronde tafel gekleed zijn als Katwijkse vissers, met hun stokken. Hier wordt met trots een prachtig oud verhaal verteld, met misschien een kern van waarheid, maar zeker ook het nodige visserslatijn.
Of Nicolas Dings, de verantwoordelijk kunstenaar, het allemaal ook zo heeft bedoeld weten wij natuurlijk niet zeker, maar het zou kunnen. Zelf zegt hij te werken op de grens van officiële kunst en volkskunst, en graag naar de geschiedenis, oude verhalen en mythologie te verwijzen, met altijd een oog op de actualiteit. Verder zegt hij: ‘Als toeschouwer kun je je eigen verhaal in mijn werk projecteren en daarmee wordt het een geldige interpretatie.’ Dus bij dezen.


Een plattegrond van de Brittenburg, zoals die rond 1866 werd getekend door kaartenmaker Ortelius, in gestileerde vorm terug te vinden in het tafelblad.


Een reconstructie van hoe ‘het Romeinse fort’ er dan uitgezien zou moeten hebben. Het is niet helemaal duidelijk of de Brittenburg wel echt Romeins is geweest. Het was in elk geval niet Kalla’s toren. Er wordt ook wel betwijfeld of Caligula zijn inval inderdaad vanuit Katwijk wilde beginnen. In Romeinse geschriften erover wordt veelal gesproken over de Gallische kust.


Nicolas Dings, beeldhouwer, schilder, tekenaar, aan het werk in zijn atelier.

Nicolas Dings is van 1953, studeerde aan de stadsacademie Maastricht en de Rijksacademie in Amsterdam, begon als schilder maar ontwikkelde zich gaandeweg tot een soort allround kunstenaar die niet op één speciale techniek is vast te pinnen. Als beeldhouwer werkt hij met brons, gietijzer, staal, steen, keramiek en wat voorts ter tafel komt. Wanneer hij een materiaal of techniek niet beheerst, laat hij zich daar niet door tegenhouden of beperken maar zoekt de mensen die het hem kunnen leren. Zijn beelden zijn vaak collages van verschillende materialen, stijlen en technieken. Dings is behoorlijk produktief en ook in de openbare ruimte is hij goed vertegenwoordigd, in onder meer Amsterdam, Utrecht, Zwolle en Maastricht zijn beelden van hem te vinden.


Spinoza. Een beeld van Nicolas Dings uit 2008. Te zien in Amsterdam. Onthuld ter ere van het Spinozajaar.


Guardian Angel, 2007. Houdt de wacht bij de Nederlandse zorgautoriteit, die op zijn beurt de Nederlandse zorgmarkt in het oog houdt. Een beeld in Utrecht van Nicolas Dings. Zijn beelden zijn vaak ruimtelijke collages van verschillende materialen, stijlen en technieken.

Zitten we alleen nog met Hendrik Aalders 20 04 1806. Herdacht met maar liefst twee plaquettes op dit beeld, maar nergens te vinden. We speurden internet af en vonden tientallen Hendriken Aalders, werkmannen, huisknechten, conducteurs en matrozen bij de VOC, maar geen enkele met de bijbehorende datum en geen enkele met een link naar Katwijk. Het dichtstbij kwamen we met de Amsterdamse Hendrik Aalders die geboren werd in de Bloemstraat op 23 04 1806. We benaderden het Museum Katwijk, die benaderde voor ons het Hoogheemraadschap, zonder resultaat. We benaderden een aantal amateurhistorici die veel van deze Katwijkse episode leken te weten, we mailden twee families Aalders met een uitgebreide stamboom op het net.. zonder resultaat. De kunstenaar meldde desgevraagd van geen plaquettes te weten maar wel benieuwd te zijn naar verdere ontwikkelingen. Wie is Hendrik Aalders? En wie nam de moeite om twee plaquettes met zijn naam te maken en op het beeld te plakken? Afgaande op de datum hebben we het al gauw over een overgrootvader. Een visser die op zee gebleven is? Vergaan bij Kalla’s toren wellicht? Iemand die toen al afwijkende ideeën had over de Brittenburg en de Romeinen? De ongenoemd gebleven dichter van de tekstregel op de tafelrand? Het blijft een raadsel. En nu ik dit zo opschrijf zie ik opeens dat Aalders een anagram is van raadsel. Dat is dan wel weer mooi.


Eén van de twee geheimzinnige plaquettes. Wie is Hendrik Aalders?

Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief.

Stiltegebied



Je kunt als wandelaar weleens een beetje een hekel krijgen aan pelotons wielrenners. Of roedels mountainbikers. De goeden niet te na gesproken kunnen die er wel eens merkwaardige ideeën op na houden, op het sociale vlak. Maar op vakantie in Brabant maakten wij kennis met een nieuwe, misschien nog wel ergere variant op het thema. De elektrische toeristenscooter. Het zal vast een officiële naam hebben, iets hips waarschijnlijk, dat weet ik niet, wil ik ook niet weten, toeristenscooter dekt de lading volledig, je zult er nooit iets anders op aantreffen dan toeristen. In kuddeverband, dat spreekt.
Een clownesk voertuig op rare dikke bandjes, met een vreemd laag zadel en een breed uitgevallen stuur, waar je alleen maar potsierlijk voor lul op kunt zitten. Als een kleuter op de bagagedrager van zijn autoped. Een dwaas gezicht, vooral bij de buikige mannen en vrouwen van middelbare leeftijd die wij er vandaag op zien zitten. Om die lulligheid te compenseren wordt er dan ook alleen in luidruchtig en zo groot mogelijk groepsverband op gereden. In toffe jongens vrijgezellenpartysfeer. Kijk eens hoe lollig wij zijn. En lúister eens hoe lollig wij zijn, want hoewel de scooter zelf nauwelijks geluid maakt, hoor je zo’n gezelschap al van verre aan komen. Niet alleen vanwege het jolig geroep en geschreeuw over en weer, maar vooral ook vanwege het irritant snerpende toetertje dat er van fabriekswege op zit. En waar dus permanent lekker op gedrukt wordt, van je tèèèètetèèèètetèèèè, want ja, dat vinden jongens leuk, om met de nog altijd betreurde Jeroen van Merwijk te spreken. Om onnavolgbare redenen hoef je bij deze dingen geen helm op en mag je er, hoewel het geen trappers heeft, blijkbaar ook mee over fietspaden scheuren. Als wandelaar kun je alleen maar aan de kant springen en lijdzaam wachten tot het voorbij is. Als bedaagd fietser eigenlijk ook.
Nu kun je denken: ach, ieder z’n lolletje en dan zál er eens zo’n stoet geinponems langskomen en dan zál je ze nog even horen.. dan wandel je daarna toch weer rustig verder.. Maar zo werkt het niet. Die dingen worden in grote hoeveelheden per uur verhuurd dus in het aanpalend natuurgebied kun je tijdens één wandeling al gauw twee of drie van die optochten tegenkomen. En niet alleen op het fietspad. De derde komen we zelfs tegen op een smal voetpad door het stiltegebied. Minstens twintig achter elkaar. En allemaal toeteren en schreeuwen en lachen. En gezien de joviale commentaren blijkbaar ook nog in de veronderstelling dat wij dat wel leuk zullen vinden, zo’n lawaaiige club uitgelaten oude jonge honden.
Grommend staan wij in de berm op onze tanden te bijten. Als het eindelijk voorbij is komt er even later nog een spuit elf achteraan. Een verloren schaap. Met breed lachend de vraag of wij misschien een groep scooters langs hebben zien komen.
Helaas wel, klinkt ons geërgerd antwoord als uit één mond. Helaas wel. En dit is een voetpad, bijt ik er nog machteloos achteraan.
Maar ja.. Wij zijn de zeikerds natuurlijk. Met ons wandelen in een stiltegebied.. gekker moet het toch niet worden.
Eens komt de dag, dan is ons land af. Dan is heel Nederland een pretpark. Eén groot terras, met bierfietsroutes, zwemparadijzen en onbeperkt spareribs vreten. Leve de vrijheid!

Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Slangenarend



In het plaatselijk ochtendblad op ons vakantieadres las ik het bericht dat in de omgeving de slangenarend is gesignaleerd. Ik had nog niet eerder van de slangenarend gehoord. Ik ben oprecht geïnteresseerd in alles wat met vogels en dieren en planten te maken heeft, de natuur, maar zal altijd hopeloos onwetend blijven. Ik las verder dat het een bijzondere verschijning was in ons land. En nu dus in de buurt. Op de Strabrechtse heide. Nu las ik ook dat daar, zoals dat gaat, onmiddellijk hele kuddes vogelaars en aanverwanten op af waren gekomen, met verrekijkers en camera’s en telelenzen, om het beest meteen weer te verjagen, dus hoewel ik een wandeling over de Strabrechtse heide in mijn verzameling klaar heb liggen, besloot ik er weg te blijven. Als het even kan mijd ik de kudde, wat voor kudde het ook is. Mijn voorgenomen wandeling van de dag voert langs de Stratumse heide en de Gijzenrooische Zegge en dat blijft zo.
Wanneer ik zo een eind op streek ben en trek begin te krijgen strijk ik neer op een bankje. Het is een half gesloopt bankje en er ligt een hele rol Fruitella aan bonte snoeppapiertjes omheen maar beter dan dat krijg ik het nou eenmaal even niet. Het blijft verbazend hoeveel rotzooi mensen, die dan toch ook door de natuur en het landschap wandelen, overal achterlaten. Het is verschrikkelijk. Verdrietigmakend.
Als mijn ergernis wat is gezakt hoor ik achter mij een roofvogelachtig geluid en wanneer ik het nogmaals hoor dringt het langzaam tot me door dat het niet het geluid van een buizerd is. Zo onwetend als ik ben, het geluid van een buizerd, een wat klaaglijk miauwen, behoort inmiddels wel tot het basispakket. Wat ik nu hoor is duidelijk anders. Een tikkeltje opgewonden sta ik op van mijn bankje en loop naar het open veld dat vlak achter mij ligt en verdomd, daar zie ik meteen de roofvogel heen en weer kruisen die verantwoordelijk is voor dit geluid. Ik zie het, ik hoor het. Ik probeer wat foto’s te maken, wat nog niet meevalt met mijn eenvoudige camera, om thuis eventueel te determineren wat ik nu weer gezien heb, maar in mijn achterhoofd heeft zich allang het avontuurlijk idee gevormd dat dit weleens de beroemde slangenarend zou kunnen zijn. De Strabrechtse heide is hier ook weer niet zó ver vandaan.
Als de vogel even achter de bomen is verdwenen pak ik mijn telefoon erbij en zoek de slangenarend op het web. Als eerste speel ik een geluidsfragment af dat precies klopt met wat ik net gehoord heb. Dan lees ik over gedrag dat precies klopt met wat ik juist gezien heb. Ik word overvallen door een nergens op gebaseerde opgetogen trots. Ik heb een slangenarend gehoord, gezien én herkend. Dé slangenarend. En er is hier niemand, alleen ik, stuiterend op mijn gesloopte bankje.
Toch heb ik sterk de behoefte mijn geluk te delen.
Een mevrouw komt de hoek om wandelen. Het is een mevrouw met een witte kuitbroek en een tijgerprint bloesje maar het maakt me niet uit.
Of ze lekker aan de wandel is, gooi ik er als inleidend lokkertje in.
De mevrouw trekt haar oortjes eruit en vraagt: wablief?
Nee.. ik zal mijn geluk helemaal zelf op moeten kunnen.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Strooiselroof

Je zal het altijd zien. De hele dag dat je door bos en over heide loopt te wandelen kom je niemand tegen, geen hond, geen kip, geen mens, je waant je alleen op de wereld, tót je heel even iets staat te doen waar je geen toeschouwers bij nodig hebt. Dan komt er opeens een medewandelaar de hoek om zeilen. De hoek waarvan je niet gezien had dat die er was of Joost mag weten waar ze dan opeens wel vandaan komen.
Nu denkt u natuurlijk dat ik tegen een boom sta te pissen, en inderdaad, dan gebeurt dat ook heel vaak. Ongemakkelijke situaties levert dat op want ja, je staat toch een beetje voor lul natuurlijk. En je kunt nergens heen zo gauw. Hoe moet je kijken? Waar moet je kijken? Wat denkt zo iemand dat jij staat te doen? Soms loopt zo iemand dezelfde kant op als jij en kom je elkaar verderop weer tegen. Huu.. Ik hou er niet van, maar goed, soms laat de natuur je geen andere keuze.



In dit geval was het iets anders waar ik pottenkijkers bij kreeg, ik stond aan de rand van het bospad een beukje uit te graven. Voor eigen gebruik. In mijn volkstuin leg ik een verzameling boompjes aan die ik tijdens wandelingen uit het bos meeneem. Wederrechtelijk dus. Een gestolen arboretum. Strooiselroof, zoals dat heet, heb ik me ooit laten vertellen. Dat klinkt spannend en dat is het ook, voor een braverik als ik. Laatst hoorde ik dat iemand met dezelfde gewoonte het ‘het verspreiden van biodiversiteit’ noemde, wat inderdaad een positievere toon heeft, maar het blijft toch iets waar iemand anders weleens de wenkbrauwen bij op zou kunnen trekken. Iets waar je niet bij betrapt wilt worden, met je plastic zakje, en je van huis meegebrachte schepje. Iets dat de schijn van vernielzucht om zich heen heeft hangen. Al is dat ook weer reuze relatief allemaal want vanmorgen las in het plaatselijk ochtendblad nog een gedienstig trots artikel over een nieuw aan te leggen testlocatie voor onderzoek naar duurzame wegenbouw, waarvoor als eerste stap op weg naar een CO2 vrije wereld alvast 1900 bomen waren gekapt. Dus. En het zwarte beukje waar ik mijn oog nu op had laten vallen was nog maar piepklein en stond zó dicht bij het pad dat het vrijwel zeker gemaaid zou worden, vandaag of morgen. Dus.
Omzichtig keek ik naar links en naar rechts en nog een keer en toog aan het werk.
Ik had mijn boompje nauwelijks los van de grond of ik hoorde een stem achter mij vragen of ik misschien iets aan het zoeken was. Het was me een raadsel waar ze vandaan gekomen was maar daar stond een mevrouw, met een hondje. Een beetje schaapachtig hield ik mijn zakje omhoog. Dat ik een beukje had uitgegraven, voor in de tuin, zei ik zo neutraal mogelijk en hoopte er het beste van. Ach ja, glimlachte de mevrouw al even neutraal, er staan er genoeg. Ze riep haar hondje en liep door.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Algemeenst

Je ziet veel waar je maar weinig van weet, wandelend langs berm en beemd. Zeker als je ogen en oren de kost geeft. Er groeit en bloeit van alles. Er wordt gezongen, gefloten, geroepen, getjilpt en getjirpt en wat al niet. Er vliegt en kruipt en fladdert allerlei voor je uit en om je heen en voor je weg. En maar hoogst zelden weet je waar je mee van doen hebt. Wát je nou zo mooi vindt.
Ik doe mijn best daar verandering in te brengen. Zie ik iets, hoor ik iets of vraag ik me iets af dan zoek ik het op. Leve de mobiele telefoon en het immer toegankelijk internet. En zo leer ik nog eens wat, al is dat meestal niet voor lang want ik vind het nog een hele klus om alles goed te onthouden. Het precieze verschil tussen kleine, middelste en grote bonte specht bijvoorbeeld heb ik wel geweten, maar als ik er nu één in de boom zag zitten zou ik toch weer vreselijk gaan twijfelen. Herten en reeën, ook zoiets. Sprinkhanen en krekels. Laat staan al die vreselijk op elkaar lijkende vogeltjes. Het is een hopeloze missie maar ik geef niet op en blijf onverminderd geïnteresseerd, al ontdek ik iets voor de zevende keer.
Soms denk je ook dat je iets heel bijzonders ontdekt. Tijdens mijn wandeling van vandaag bijvoorbeeld trof ik een knalrode libelle. Schitterend. Heidelibelle, had ik een klok horen luiden. Wát een kleur! Er zwermden er een stuk of drie om me heen. Ik bleef een tijdje staan om er van te genieten, hobbelde er wat achteraan in een poging er één of twee fatsoenlijk op de foto te krijgen, voor het betere determineerwerk thuis. En daar bleek dat onwetendheid ook zo gek nog niet is. Het bleek al gauw inderdaad om een heidelibelle te gaan. De bloedrode heidelibelle. Geweldige naam ook. Maar bijzonder was hij niet, volgens de geraadpleegde site van de vlinderstichting. Zeer algemeen, stond daar. En: de algemeenste heidelibel. En om het nóg duidelijker te maken liet de vlinderstichting daar nog op volgen: een van de algemeenste libellen van Nederland. Algemener kortom, kan het eigenlijk niet. Het moet raar lopen wil je er géén tegenkomen, op je wandeling.
Tja. Nou ja. Wordt het daar minder van? Mij maakt het niet uit. Ik blijf het gewoon bijzonder vinden.


Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Op heringericht bekend terrein

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Katwijk naar Scheveningen, gelopen op zaterdag 20 maart 2021

We worden ’s ochtends afgezet bij Kalla’s toren, in Katwijk. Op de plek waar de Rijn in de Noordzee stroomt en waar ooit de Romeinen de uiterste grens van hun beschaving verdedigden tegen die van onze voorouders. Het is ook de plek waar we de vorige keer gebleven zijn. Aan de einder zien we Scheveningen en Den Haag al liggen, daar willen we naar toe. Het is best weer, een beetje fris misschien, maar zodra we de duinen inlopen zal het luw worden.



Katwijk heeft gezelschap gekregen van een heel nieuw stuk aangeharkt duinachtig gebied, dat tussen het strand en de boulevard is aangelegd. De vorige keer dat ik hier langs liep, met het Nederlands Kustpad, jaren geleden alweer, werd daar druk aan gewerkt, met groot materieel. Herinner ik mij nu. Het strand is een heel eind opgeschoven en de zee heeft een stukje ingeleverd. Vandaag ziet het eruit of het nooit anders geweest is. Onder het nieuwe gebiedje is een parkeergarage weggemoffeld, daar wordt de investering terugverdiend. Op het strand zijn huisjes gebouwd, met een afgehekt voortuintje van zand. De privatisering van het strand, zou je dat kunnen noemen, als je er tegen was, als je dat onwenselijk vond, maar mijn zoon vindt het wel leuk. Die kan zich wel voorstellen dat je zoiets zou willen hebben.
Zo lopen we op een afstandje van Katwijk over een nagelnieuw, slingerend pad richting de oude duinen. Hoog op een top zien we Universel Murad Hassil staan, de soefi-tempel. Zachtgeel, met een oosters aandoende muffinvormige toren op het dak en hermetisch raamloze muren alsof de woestijnhitte moet worden buitengehouden. Het vormt een vreemd contrast met de nogal Hollandse doe-maar-gewoon camping in de vallei eronder, waar nog niet veel gasten zijn deze dagen, maar waar wel bedrijvig van alles in gereedheid wordt gebracht.
Het is zaterdag, we zitten nog midden in de lockdown, het is mooi weer.. Nederland gaat wandelen en fietsen. Het ritselt van de wandelaars in alle soorten en maten. Bijkletsende damesduo’s, gezinnen met onwillige pubers, sportwandelaars in felgekleurd lycra met een tijdschema, mensen met honden, voortsjokkende bejaarden, een in zichzelf pratende zonderling met een hoedje. En wij dus, een vader en zijn jongste zoon, op weg van huis naar huis. Mountainbikers in luidruchtige roedels doen wat er van ze verwacht wordt en eisen de wereld voor zichzelf op, hebben de rem vervangen door de grote bek. Hoe dichter we bij de grote stad komen, valt ons op, hoe minder er wordt teruggegroet, maar we blijven het proberen.



Het is eind maart, de duinen zijn nog kaal zo op het eerste oog, maar bij beter kijken staat er toch ook al wel van alles bescheiden uit te botten zo hier en daar. Op beschuttere plekken is zelfs al bloesem te zien. Sleedoorn bijvoorbeeld. Sowieso betekent kaal niet kleurloos. Voor wie het zien wil is het landschap een rijkgeschakeerde lappendeken van vele kleuren bruin, groen, paars aanlopend zwart, zwart aanlopend paars, oranje, rood en geel. En dan hebben we het blauw van de lucht en het lichtgevend groen van het mos nog niet eens genoemd.
Sinds ik hier in mijn jongensjaren regelmatig doorheen fietste is het duingebied onder Katwijk flink op de schop genomen en heringericht. Was het destijds een vrij ontoegankelijk en met zwarte prikstruiken dichtgegroeid terrein met een fiets- en een voetpad erdoor, nu is het een open en uitnodigend gebied van stuifduinen, bosjes en natte valleitjes. Je hoeft niet meer op een maar doordenderend asfaltpad te lopen. Over zandpaden, wissels en paadjes word je dwars door de natuur gevoerd. Je waant je een eind van de bewoonde wereld en kunt er de avontuurlijkste ideeën bij hebben onderweg.



Wandelend langs de Noordzeekust kom je altijd wel een herinnering aan de tweede wereldoorlog tegen. Bij Katwijk treffen we een stuk Atlantikwall. In dit geval is het ook inderdaad een stuk muur, nauwelijks anderhalve meter hoog, van grof beton, dat zich golvend door het landschap slingert. Ook hier is ijverig heringericht, zie ik. De begroeiing eromheen is weggehaald en de muur staat nu los in een min of meer open zandvlakte. Wellicht zoals hij ooit was bedoeld. Het is natuurlijk een negatief bouwwerk uit een lelijk en duister verleden maar die zwarte, geblakerde kronkellijn door en over het landschap heeft los daarvan ook iets fraais. Verderop staat nog een groepje drakentanden, als scheefgezakte grafstenen tussen de kale struiken. Alles bij elkaar een monument voor een geschiedenis waar we hopelijk van blijven leren, al lijken de signalen deze dagen soms anders.
Wanneer we bij de Wassenaarse Slag door het klaphek gaan, lopen we Meyendel binnen. Verderop zal dat de Waalsdorpervlakte worden. Bos en duin uit mijn kindertijd. Met het ouderlijk gezin kwamen we hier vaak, met hond en al. Talloze avonturen beleefde ik hier, al spelend in de bosjes, de bomen en de bunkers. Ik vertel mijn zoon erover maar de bunkers die ik mij herinner zijn nergens meer te vinden.



Bij het verlaten van de Waalsdorpervlakte bezoeken we ook het daar gelegen oorlogsmonument. Daar staat de klok, die ieder jaar op 4 mei wordt geluid, vroeger prominent op televisie, als vandaag de dag de herdenking op de Dam. De eenvoudige bronzen kruizen maken zwijgend en indringend duidelijk waarom ze hier staan. Het is een stil makende plek. Vreemd dat de kleiduivenvereniging juist hier al de hele middag staat te knallen, en waarschijnlijk dus iedere week. We hoorden het al van verre aankomen en hier lijkt het op zijn hardst. Een morbide soundtrack bij het respect dat we gevraagd worden te betonen.
Voor we Scheveningen binnenlopen doorkruisen we nog een merkwaardig stukje niemandsland. Ik herken er helemaal niets. Het is er viezig en afgetrapt, er wordt van allerlei imposants maar geheimzinnigs gebouwd, achter de meest agressieve variant prikkeldraad; er staat een onafzienbare betonnen muur, geblakerd, gebladderd, voorzien van een deprimerende bunker, een overblijfsel alweer van de Atlantikwall. We passeren dan verderop nog het voormalig Oranjehotel, aardig aansluitend bij wat wel het thema van de dag lijkt te zijn geworden. In deze bajes zit geen gajes, ik leerde het van mijn opa, ik vertel het mijn zoon.



Ons voormalig woonadres, het Haags keerpunt van deze wandeltocht, het geboortehuis van mijn zoon, halen we vandaag niet meer. De dag loopt op z’n eind. We zijn moe, het wordt koud en het begint te miezeren, geen fijne combinatie. Bij het Kurhaus worden we weer opgehaald. We staan er net lang genoeg te wachten om andermaal te zien dat het met badplaats Scheveningen in elk geval echt helemaal nooit meer goed komt.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Lees eerdere afleveringen van deze wandeling in het archief.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze etappe.

Hé en ho! En ksst!

Met mijn Haagse vriendin wandelde ik door de Amsterdamse waterleidingduinen. Dat was een soort van primeur. Niet vanwege het wandelen want dat doe ik vaker. Ook niet vanwege de waterleidingduinen want daar was ik eerder, en ook niet vanwege de vriendin want die gaat al een leven mee. Nee, het zat ‘m in de combinatie. Zij houdt namelijk niet van wandelen. En zij is meer een stadsmens.
Normaalgesproken nemen wij elkaars leven met enige regelmaat door aan restauranttafels, op terrassen en in nachtelijke kroegen, eventueel voorafgegaan door bioscoop- of theaterbezoek. Nu daar tot nader order de klad in is gekomen en we de digitale alternatieven toch duidelijk minder leuk vinden besloot mijn vriendin, zoals velen met haar deze maanden, het wandelen dan toch maar te omarmen. Zodoende trokken wij er op een frisse, niet al te mooie dag op uit, met een goedgevulde knapzak, om het leven te bespreken. Dwars door de natuur.
Toen het tegen het middaguur tijd werd voor een pauze zochten wij ons een omgevallen boom langs het pad en stalden de inhoud van de goedgevulde knapzak voor ons uit op de grond. Wat hadden we allemaal niet bij ons. Krentenbollen, koffie, appelsap, handgemaakte sandwiches, zoute stengels, olijven, droge worst, gevulde koeken, ongezonde gezonde repen.. genoeg voor wel drie pauzes. Wie heeft het nog over terrassen?
Ons aldus opmakend voor het aangenaam verpozen meende ik vanuit mijn ooghoek iets te zien bewegen in de achtergrond. Niet iets donkers en iets talrijks, zoals in het lied van Drs P, maar toen ik eenmaal omkeek kwam het een beetje in de buurt want de eerste gedachte die pijlsnel héél even door me heen schoot was: dit ís toch wel een vos? Maar ja hoor, gelukkig, het was een vos.



Een vos! Man! Vossen heb ik tot nog toe alleen maar heel uit de verte in tegenovergestelde richting weg zien rennen, een doodenkele keer bovendien, maar deze stond ons vlakbij een beetje te peilen, met z’n sluwe oogjes. Misschien was ie net zo verrast als wij.
Je moet je héél voorzichtig omdraaien, fluisterde ik mijn vrolijk doorkletsende vriendin toe, héél zachtjes. Misschien hield ik zelfs mijn vinger wel voor mijn lippen, dat zou kunnen, dat weet ik eerlijk gezegd niet meer. Ik was bang dat de vos zich bij een verkeerde beweging uit de voeten zou maken vóór mijn vriendin hem goed gezien had, dat zou jammer zijn geweest.
De vos was echter helemaal niet van plan zich uit de voeten te maken bleek al snel, die kwam juist dichterbij. Helemaal spannend werd het toen hij aan de regenbroek, waar mijn vriendin op was gaan zitten, op de natte boomstam, begon te trekken. En maar nauwelijks onder de indruk was van onze natuurlijke reactie van hé en ho en af! En ksst! Met een kalm boogje liep de vos om onze boomstam heen en bleef toen indringend naar de uitgestalde inhoud van onze knapzak staan kijken. Steeds een klein stapje dichterbij, oogcontact zorgvuldig vermijdend, de blik strak op de etenswaar gericht. Het was duidelijk wat de bedoeling was, de vraag was hoe we daar mee om zouden gaan. We waren niet van plan de vos te gaan voeren uiteraard, we wilden niet meewerken aan de verpatatting van de natuur, nee.. maar we begonnen ons wel een beetje zorgen te maken over hoe de vos daar dan weer mee om zou gaan.
Vallen die beesten je aan, vroeg mijn vriendin bijvoorbeeld zenuwachtig. Waarop ik, als plattelandsmens, zo stellig mogelijk meende van niet maar die wijsheid was niet op kennis gebaseerd, ik had geen idee. En een vos is best groot, eigenlijk, als je zelf ongemakkelijk op een boomstam zit.
Zo zou het zeker geen ontspannen oponthoud worden dus hoe bijzonder de ontmoeting met de wilde natuur ook was, de vos moest weg. En het is vreselijk rolbevestigend natuurlijk, waarvoor bij dezen mijn welgemeende excuses, maar ik ging dat dan proberen voor elkaar te krijgen, als man. Ik wapperde wat met een rode plastic zak, ik zwaaide met mijn armen en sprak de vos gebiedend toe. Toen ik ten slotte opstond en de vos met imponerend gespreide armen wilde verdrijven liep hij inderdaad een tiental meters voor mij uit maar vóór ik terug was op onze boomstam stond de vos alweer naar de zoute stengels te loeren.
Tja. Er zat duidelijk maar één ding op, de natuur moest zijn loop hebben. Wij pakten onze krentenbollen en zoute stengels weer in, haastiger dan strikt noodzakelijk, en kozen het mensenpad, hopend dat de vos ons niet de rest van de dag zou blijven volgen. Wat niet gebeurde. De vos snuffelde nog wat rond bij onze boomstam, in de hoop dat er wat kruimels van de zoute stengels waren blijven liggen, en vertrok toen nuffig in tegenovergestelde richting.
Later werd ons van diverse zijden meewarig medegedeeld dat ‘die vossen in de waterleidingduinen inmiddels een soort schoothondjes zijn geworden’. Goed, dat mag dan misschien zo zijn, aan onze authentieke ervaring verandert dat helemaal niks.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

In ûnsjogge liuw by de doar

Kunst onderweg

Het is niet direct het meest aansprekende stukje Workum waar we onverwacht op twee vrij uitbundige leeuwen stuiten. Niet om onaardig te zijn, maar het lijkt een beetje een achterafplekje, waar ze zijn neergezet. Een sullig en afgetrapt grasveldje. Met links een van iedere glamour gespeend jachthaventje, rechts de Gammaschuttingen van de achterburen en eerloos uitlopend op twee overvolle parkeerterreintjes langs het water van de Diepe Dolte, een niet al te breed kanaal. De grandeur moet komen van de St Gertrudiskerk, die daar dan weer net iets te ver weg voor staat. Nee, de leeuwen moeten het hier helemaal op eigen kracht zien te rooien.



En ze doen zeker hun best, dat moet gezegd. Ze zijn erg groot, bijvoorbeeld, ze torenen ruim boven ons uit, en hun vergulde manen fonkelen in de zon. Het zijn twee klassieke, wat kinderlijk gedachte leeuwen, in moderne, platte kleuren, maar wel weer in een klassieke, onnatuurlijke pose: brullend staan ze op hun achterpoten, op een kobaltblauwe vorm die een wolk of een golf of een kussen of nog iets anders kan zijn. De voorpoten hoog in de lucht geheven. Van alletwee de kanten zien we de leeuwen van voren, een achterkant hebben ze niet. Door de misschien wat stuntelige vormgeving van de dieren, in combinatie met de platte kleuren en de gladde uitstraling van het materiaal doen ze ons een beetje denken aan de plastic leeuwtjes waar we vroeger als kinderen mee speelden. Knalrood en helgeel waren die, met soms nog zo’n plastic fliebeltje aan de gietnaad dat je er nooit helemaal afgepulkt kreeg. Als we er zo mijmerend wat langer bij stilstaan spuit er trouwens plotseling water uit de nagels van die voorpoten, de gebogen stralen spatten op de betegelde vloer tussen de leeuwen uiteen.


De woeste leeuwen van Workum, een mengvorm van fontein en bedriegertjes: als je niet oplet word je nat.

Aha! Het is dus een fontein, waar we naar kijken. En dan gaat ons heel langzaam een lichtje op. Fonteinen in Friesland.. was dat niet iets met Europa? En cultuur? Thuis zoeken we het na en inderdaad, het klopt, de Leeuwen van Workum zijn één van de eleven fountains, een internationaal kunstprojekt voor Leeuwarden Fryslân 2018 culturele hoofdstad van Europa. Elf fonteinen, door elf kunstenaars, uit elf landen, in, jawel, de elf steden van Friesland. Als het om originele invalshoeken gaat, is Friesland wel een beetje de elfde provincie, maar goed, it hindert neat.
Het behoeft misschien ook geen verbazing dat het projekt heel wat voeten in de aarde heeft gehad, zo gaat dat wel vaker met kunst. In geen van de elf steden werd de fontein met unaniem gejuich ontvangen. Op randstedelijke fratsen zat men niet te wachten. Wy wolle dat hjir net. Fonteinen horen in Zuid Europa, niet in Friesland, werd gesteld. Onze steden zijn goed zoals ze zijn, daar hoeft geen fontein bij. En wat kost dat allemaal wel niet. En waarom moet dat door kunstartiesten van buiten worden gemaakt, en niet door onze eigen Friese kunstenaars. Niet bepaald uitingen van de Grote Europese Gedachte inderdaad.
In Workum, lezen wij, was het verzet nog het felst. Ik wil geen lelijke leeuw voor mijn deur, werd er geschreeuwd op een informatieavond voor de bewoners, maar dan in het Fries waarschijnlijk. Men voelde zich gepasseerd, genegeerd en overdonderd door de hoge heren van buiten. Er ontstond zelfs een tegenbeweging, met een eigen ontwerp voor de fontein, bedacht én uitgevoerd door een Workums kunstenaar: de Piemelfontein. Tja. Een achteneenhalve meter hoge verzameling van 230 water spuitende piemels, stuk voor stuk betaald door evenzovele sympathiserende bewoners, die hun eigen piemel nu, nu het allemaal achter de rug is, waarschijnlijk als pronkstuk in de achtertuin hebben staan. In de Piemelfontein – die officieel overigens Pauperfontein heette – was een openbaar toilet gehuisvest, een dames en een heren, omdat, volgens de maker, er meer behoefte was aan een openbaar toilet dan aan een fontein. Je voelt de kloof, in dit verhaal. Wie er meer over wil lezen raden wij aan hier even door te klikken, en het zeer gedetailleerd en smakelijk geschreven verslag van Jitske Kramer te lezen.


Workums kunstenaar Henk de Boer poseert voor zijn piemelfontein, die een protest is tegen het prestigieuze, elitair geachte eleven fountains projekt.

Alle verzet en protest ten spijt kwamen de leeuwen er toch, want zo gaan die dingen dan ook weer. Al is het verleidelijk te denken dat ze misschien niet helemaal voor niks een beetje op een achterafplekkie staan. Dat men de weerstand al aan heeft voelen komen en bij voorbaat maar alvast niet voor locaties prominent in het centrum heeft gekozen. Ontmoetingsplekken, zouden het moeten worden, de elf fonteinen, lezen wij. Misschien zijn dagen van pandemie en lockdown niet de beste tijd dit te beoordelen, maar het lijkt ons moeilijk worden in Workum wanneer er geen moeite gedaan wordt er ook verder een aantrekkelijke plek van te maken. Een beetje groen, een paar bankjes. Het is maar een idee.



Cornelia Parker (1956) is de Britse kunstenares die, in opdracht dus van Fryslân Culturele Hoofdstad, de leeuwenfontein bedacht voor Workum. Parker staat bekend om haar conceptuele benadering. Ze schildert of beeldhouwt of boetseert niet zelf, maar ontwikkelt een idee en zorgt ervoor dat dat wordt uitgevoerd. En dat kan dus alle kanten op. Conceptuele kunstenaars maken vaak het werk waarvan op geringschattende toon gevraagd wordt of dát nou óók al kunst is tegenwoordig. Zo liet Parker eens een schuurtje opblazen, door het Britse leger, en hing de brokstukken daarna zó aan het plafond van de galerie dat het leek alsof de explosie in volle gang was stilgezet. Op het dak van het Metropolitan Museum of Art in New York liet ze een huis bouwen van het hout van gesloopte, karakteristiek Amerikaanse schuren, zogenoemde red barns. Het huis was een kopie van het huis dat Hitchcock in zijn film Psycho (1960) had gebruikt, waarvoor hij zich op zijn beurt weer had laten inspireren door een schilderij  van Edward Hopper, The house by the railroad (1925). Net als in de film, en in feite ook op het schilderij, bestond van dit huis alleen de voorkant en was het alleen vanuit een bepaalde hoek als ‘echt’ waar te nemen, een decorstuk, aan de achterkant overeind gehouden door steigers en steunberen.


De leeuwen zoals ze al sinds 1650 het Workums wapenschild tonen.

Voor de fontein in Workum was Parker gevraagd zich te laten inspireren door de rijke historie van de stad en haar bevolking, en de typische Friese gemeenschapszin, het thema van de culturele hoofdstad. Zij koos ervoor de heraldische leeuwen die sinds 1650 op een gevelsteen op de Waag het wapen van Workum omhoog staan te houden te bevrijden. Enorm uitvergroot en losgezongen van hun gevelsteen staan zij nu, in plaats van het wapenschild, de levende stad zelf te presenteren, zo is het idee. De antieke leeuwen op de gevel van de Waag zijn eeuwen geleden gebeeldhouwd door een Workums ambachtsman die waarschijnlijk nog nooit een leeuw gezien had, en zich moest baseren op andermans beschrijvingen van dit vreemde, exotische dier. Het is grappig om te bedenken wat hij ervan zou vinden dat zijn schepping nu meer dan levensgroot in de stad staat. Of.. meer dan levensgroot.. misschien heeft de man ze zich in 1650 wel precies zo groot voorgesteld.



Cold dark matter :: an exploded view, een werk uit 1991 van Cornelia Parker. De brokstukken van een opgeblazen schuurtje zijn zó opgehangen dat de explosie in volle gang is stilgezet. Een in het midden geplaatste lamp versterkt het idee van een explosie en zorgt voor dramatische schaduwen.


Transitional object (Psycho barn), een werk uit 2016 van Cornelia Parker. Op het dak van het New Yorkse Metropolitan bouwde ze van sloophout van Amerikaanse schuren een decorhuis (rechts) geïnspireerd op het huis uit de film Psycho van Alfred Hitchcock (midden), die zich op zijn beurt had laten inspireren door een schilderij van Edward Hopper (links).


Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief

Dit artikel wordt ook gepubliceerd op Samen Uit En Thuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad

Ouwe jongens krentenbrood

Een wandeling rond Aartswoud, gelopen op zaterdag  20 februari 2021

Een goede voorbereiding is het halve werk. Maar als je half werk maakt van je voorbereiding, kom je bedrogen uit. Ik pluk mijn wandelingen meestal van internet, de wandelzoekpagina, om precies te zijn. Een aanrader want dat gaat eigenlijk altijd goed. Voor vandaag zocht ik iets in de buurt en kwam uit bij een wandeling rond Aartswoud. Niet te gek lang en volgens het bijgeleverde kaartje ook behoorlijk weg van het asfalt. Had ik ook de routebeschrijving vast gelezen dan had ik waarschijnlijk een andere keuze gemaakt, maar daar gunde ik mij de tijd niet voor. Welnee, in het volste vertrouwen printte ik de boel uit en ging op pad.



Bij het klooster in Nieuwe Niedorp laat ik mij afzetten en loop met de zon op mijn bol de eerste voorjaarsdag tegemoet, al is het pas februari. Heerlijk. Langs de Langereis gaat het, een afwateringskanaal dat de naam dankt aan de rivier de Reis die het kanaal was voordat de rivier tot kanaal werd rechtgetrokken. Dat ik over een doodlopende weg wandel baart mij geen zorgen, dat zal alleen voor het rijdend verkeer gelden, neem ik volautomatisch aan. Tot ik voor het toegangshek van een riante stolpboerderij sta waarop duidelijk leesbaar staat vermeld dat het vanaf hier een eigen weg betreft. Geen wandelaarstrappetje over een hek, geen achterommetje of olifantenpaadje. Bedremmeld bestudeer ik de routebeschrijving maar die bezweert me dat ik hier over het erf van de familie Modder mijn weg langs de Langereis moet vervolgen. Zelfs zou Cees Modder mij ontvangen in zijn schuren en stallen, waar ik zijn bedrijfs- en cultuurhistorische collectie zou kunnen bekijken, zie ik nu.
Terwijl ik daar wat besluiteloos sta te dralen komt een meneer uit de stolp tevoorschijn, het lange, beginnend grijzende haar in een slordig knotje. Hij bevestigt mijn vermoeden dat ik hier niet verder kan wandelen, al zegt mijn routebeschrijving van wel. Op mijn vraag of hij misschien deel uitmaakt van de familie Modder veronderstelt hij dat mijn wandeling waarschijnlijk al wat ouder is omdat Cees Modder een paar jaar terug is overleden, en hij sinds vijf jaar de nieuwe eigenaar van boerderij en erf is. Samen met zijn vrouw is hij van plan er een bed & breakfast te beginnen, maar voor het zover is moet er nog heel wat geklust worden, vertelt hij gemoedelijk. En als ik dat nou zo leuk vind heeft hij er geen bezwaar tegen dat ik over zijn hekjes klim en over zijn land mijn wandeling vervolg, een aanbod dat ik graag accepteer. Het levert me een bescheiden avontuurlijk gevoel op, ik heb weinig nodig.
Wanneer ik wat later terug klim naar de openbare weg gaat het meteen weer fout. Hier stuurt de beschrijving mij over een hek linksaf de wei in waardoor ik omringd door schapen, pinken en ganzen door de Weelpolder naar de Westfriesedijk zal lopen. Ook hier heeft de tijd niet stilgestaan. Inmiddels is de wei aangemerkt als vogelrustgebied en kwetsbare natuur en dus verboden toegang. Daar kan mijn avontuurlijk gevoel niet tegenop. Bovendien, dat bordje staat er niet voor niks, zó veel burgerlijke ongehoorzaamheid past mij niet. Er zit niks anders op dan langs een andere weg op de bedoelde route terug te komen, een hele uitdaging voor iemand met mijn richtingsgevoel en alleen een gebrekkig kaartje.



Langs een nog gedeeltelijk bevroren sloot loop ik richting Aartswoud. Inderdaad zie ik wat ganzen aan de overkant, in het verboden gebied, en inderdaad doen ze het rustig aan. Een stel hazen vermomt zich, zodra ze mij in de gaten hebben, redelijk succesvol als graspol, de oren plat, doodstil ineengedoken tegen de grond. Als ik ze wil fotograferen moet ik ze warempel weer even zoeken. Wat wel moeiteloos ononderbroken in het oog blijft springen zijn de enorme, spierwitte windmolens die hier nog niet zo lang geleden in de Wieringermeerpolder zijn neergezet. Zo groot zijn ze dat bomen, huizen en boerderijen, die toch een stuk dichterbij staan, er nietig bij lijken. Het is het nieuw Hollands landschap. Daar kun je van alles van vinden, al vind ik het best ingewikkeld te bedenken wat dan precies, maar daar verandert het niet van. Het feit dat de opgewekte stroom op geen enkele manier ten goede komt aan de mensen die er hier wel tegenaan moeten kijken maakt ze in elk geval niet per se sympathieker.
De geïmproviseerde route brengt mij ook door een buurtschapje vlak voor Aartswoud. Een wat losgezongen verzameling huizen, schuren, erven, boetjes en bouwsels zoals je die wel meer ziet in West Friesland. Een vrijgevochten minidorpje met eigen wetten en regels, lijkt het. Ik raak aan de praat met een meneer op de fiets die het een bedoeninkje noemt en verdomd, dat is precies het goede woord. Een bedoeninkje. Een uitstervend verschijnsel, volgens de meneer op de fiets, omdat jonge mensen hier niets meer te zoeken hebben, en wegtrekken naar de grote stad, terwijl yuppen uit de stad, met geld maar zonder dorpsgevoel, de boel opkopen. Zo kan een eenvoudige wandeling toch aan grote thema’s raken.



Via het Blote Bienepad slinger ik tussen weilanden en langs bevroren sloten, boerenerven en kassen aan de horizon, windmolens in de rug, en kom dan terecht in Tropweere. Opnieuw een buurtschap, een voorbode van De Weere. Een bedoeninkje. En hier meen ik te zien waar de meneer op de fiets het over had. Rommelige erven met oude auto’s, scheve boetjes en houtje touwtje onderhouden huizen en stolpjes wisselen af met glimmend gerestaureerde panden met hippe zwarte carports en strakgetrokken tuinen. Ik mag aannemen dat we hier dan het verschil zien tussen de authentieke bewoner en de rijke import uit de stad.
Even buiten De Weere word ik opnieuw het weiland in gestuurd, over een boerenweg van stelconplaten die duidelijk niet openbaar bedoeld is. In de routebeschrijving gaat het er gezellig van ouwe jongens krentenbrood aan toe, lopen we over het weiland van boer Piet, het lelieland van boer Hans en het erf van de familie Langedijk naar De Gouwe, maar ik heb mijn bedenkingen. Misschien is boer Piet ook wel dood, inmiddels. Misschien is boer Hans wel een ontzettend vervelende vent geworden, met een valse herdershond. Misschien is het erf van de familie Langedijk ondertussen het aangeharkt domein van een geborneerde vastgoedmiljardair die niet op wandelaars over zijn oprijlaan zit te wachten, voor je het weet zit er een kras op één van de Tesla’s tenslotte.
Een langswandelende mevrouw die misschien haar coronaommetje maakt en mij een beetje ziet mokken langs de kant van de weg, wijst mij op de Driestedenweg, die een stukje terug ook naar links gaat, door De Weere heen. En dat je zo met een flinke omweg toch in De Gouwe komt. Ik besluit dat dat dan maar moet gebeuren maar ik voel aan mijn water dat het niet meer echt goed gaat komen met deze wandeling. De Weere is niet per se vervelend om doorheen te wandelen maar daarna wordt het afzien langs lange, rechte en drukbereden asfaltwegen. Strontvervelend. Ter hoogte van Hoogwoud word ik tijdelijk gered door een grasdijk door het weiland, waardoor de stemming weer even opfleurt maar als ik vanuit Hoogwoud geen andere uitvalsweg vind dan nog meer lange rechte en drukke wegen verklaar ik de wandeling voor beëindigd en laat mij voortijdig ophalen.



Eenmaal weer thuis lees ik in de disclaimer van de routebeschrijving dat deze wandeling, dankzij de bereidwillige medewerking van de verschillende agrariërs, slechts één speciaal weekend gelopen kon worden. In 2005. Waarom hij dan nog steeds op internet wordt aangeboden is natuurlijk een ondoorgrondelijk raadsel, maar goed, ik had gewoon beter moeten opletten. Een goede voorbereiding is het halve werk.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Een kniediep ravijn



Mijn vaste ochtendwandeling gaat door de sneeuw vandaag. Voor het eerst in jaren ligt er al twee dagen een dik pak, het vriest, er wordt straks geschaatst en iedereen is blij. En al hoeft het geen weken te duren voor mij, ben ik ook niet dol op het nostalgisch patriotterig Hollanders-onder-elkaar sfeertje dat er al snel omheen komt hangen, ik vind het eigenlijk ook wel mooi.
Nou zeg ik wel: er ligt een dik pak, maar dat verschilt nogal van plek tot plek. De wind heeft onbehoorlijk huisgehouden. Alleen bij ons in de straat al zijn er buren die de sneeuwschuiver en schop gewoon in het boetje hebben kunnen laten staan en toch een keurig schoon straatje voor de deur hebben liggen, terwijl anderen, een huis verderop, zich een weg door een kniehoog sneeuwduin moesten banen om nog een beetje als fatsoenlijk burger voor de dag te komen. Nee, eerlijk waren de lasten weer niet verdeeld. Dat was niet netjes van de wind. Al had zij in menige hoek, tegen tal van muurtjes en heggen ook verrassende, verbazingwekkende sculpturen geblazen, opgeworpen en uitgewaaid, met wonderlijke lijnen, onverklaarbare vormen en tedere contouren.
Eenmaal buiten de bebouwde kom werden de opgebouwde hoge verwachtingen dan weer niet waargemaakt. Hier leek het op het eerste oog maar nauwelijks gesneeuwd te hebben. Een zeer karig buitje, leek hier gevallen, dat de weilanden niet eens kon bedekken, het vruchtbaar zwart en groen stak er overal ruim doorheen. Tot bleek dat dit wat chagrijnige landschap werd doorsneden door hagelwitte sloten die tot de rand toe waren gevuld met sneeuw, alsof ook hier iemand met een reusachtige sneeuwschuiver en bezem zijn stoepje vrij had gemaakt, voor de vogels en de dieren des velds, en de sneeuw in de goot bij elkaar had geveegd.
De bebouwde kom verlaat ik op mijn vaste route langs een smal wandelpaadje dat zich tussen het hek om de atletiekbaan en de waterpartij rond de voorlopig laatste nieuwbouwwijk wurmt. Vanaf het bruggetje dat ernaartoe leidt zie ik dat dat paadje meer dan kniehoog is ondergesneeuwd, en in één moeite door zie ik dat daar een meneer staat, met een schop, die over de hele lengte van het paadje een dus kniediep ravijn heeft gegraven, net breed genoeg voor een wandelaar.
Ik ben misschien wel de eerste die van zijn welwillende service gebruik gaat maken en wil de meneer dus niet met een achteloze groet passeren. Ik complimenteer hem van harte met zijn goede werk en bedank hem vast bij voorbaat. De meneer lacht bescheiden en zegt er niet langer dan een uurtje mee bezig te zijn geweest. Hij knikt naar zijn schop en verklaart dat híj nog weet hoe hij daar mee om moet gaan. Ik weet niet zeker of hij hier alleen zijn vaardigheid bedoelt, maar dat laat ik voor de loop van het gesprek liever in het midden.
Als ik stel dat hij niet van de gemeente is omdat hij immers geen fluorescerend hesje draagt, beaamt hij dat gretig. Nee, als dat zo was, volgt hij licht smalend mijn spoor, dan hadden er roodwitte linten gehangen. Dan had er een hek op het bruggetje gestaan, en een bord. En dan waren er twee verkeersregelaars aan te pas gekomen.
En dan had u nu, meen ik zijn verhaal in stijl verder af te maken, dan had u nu uitgebreid uw derde rookpauze. Maar nee, daar wil de meneer niet aan. Ik rook niet, verklaart hij bokkig.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Sporen

Maagdelijk en ongerept, nee, dat is het niet meer, de sneeuw, bij mijn koude ochtendwandeling. Het ligt er al anderhalve dag en dat heeft zijn sporen achtergelaten. Van andere wandelaars. En van mensen die hun stoepje hebben schoongeveegd, met de auto zijn vertrokken of hun hond hebben uitgelaten.
Buiten de bebouwde kom volg ik de onwennige sporen van de dieren des velds. Hazepoten, ongemakkelijk diep weggezakt in een dik pak sneeuw. Drietenige sleepsporen van vogels die hun poten niet hoog genoeg op hebben kunnen tillen om boven de sneeuw uit te komen. Een vermoedelijke eend die een schuivende landing maakte op het besneeuwd ijsoppervlak, en vervolgens met een haakse hoek in tegenovergestelde richting de hele sloot maar afwaggelde, op zijn koude poten. Een haas die halverwege de vaart, waar de sneeuw ophield, blijkbaar niet verder durfde, van gedachten veranderde en rechtsomkeert maakte. Het is grappig om een beetje te staan fantaseren over wat zo’n dier hier dan bij heeft gedacht. Niks waarschijnlijk, maar je weet het niet.
De dieren zelf zijn er ook trouwens, al is het mondjesmaat. Smienten en eenden liggen rillerig bij elkaar te fluiten en te snateren in de laatste stukken open water. Twee kleumende hazen in het wit, wit, wit, wit knollenknollenland doen zelfs geen poging om weg te rennen. Eerder mismoedig dan parmant kijken ze me na. Maar ja, wat kan ik eraan doen?  In een bosje verderop ontdek ik een aantal spechten, die zich verraden met dat heerlijke trrr geluid, waarna het nog even zoeken is voor ik ze ook zie. Of in elk geval één van de twee want het is me te koud om al te lang stil te blijven staan. Op de volkstuin, die ik ook even bezoek, verraden de afdrukken in de sneeuw dat een haas zich trefzeker tegoed heeft gedaan aan de laatste blaadjes palmkool die er nog stonden, en in één moeite door de resterende broccoliplanten en de snijbiet. Enfin, een haas moet ook eten.
Op het industrieterrein staan op verschillende plekken mensen hun oprijlaan schoon te bikken, voor de klanten van vandaag, met ouderwetse, niet ongezellige geluiden van deugdzame arbeid, van ijzer op steen. Alleen de McDonalds heeft er een lawaaiapparaat op benzine voor.

Dit bericht werd ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Omdat Uffing er vandaan kwam

Kunst onderweg

Je ziet ze niet vaak meer, monniken, maar in Workum staat er nog een. Voor de Waag, onder het gemeentewapen. Op een sokkel. Maar goed, die is dan ook van brons. Een bronzen monnik op een hardstenen sokkel.
Het is een zeer gestileerde gestalte die daar staat. Een strak, bijna geometrisch gevormd en rimpelloos habijt verbergt de meeste details, en toch heeft het beeld precies de wat verheven en tegelijk bescheiden houding waaraan je de betere monnik herkent. De schematische armen verdwijnen onder het habijt, waar de handen vermoedelijk vroom voor de buik zijn gevouwen.



Het gezicht, dat sereen uit de zware, puntige capuchon opdoemt, is het meest uitgewerkte gedeelte van het beeld. Het trekt daardoor ook meteen de aandacht, de monnik vangt je blik. Toch zijn deze ogen, deze neus, deze mond geen portret, daarvoor zijn de trekken te regelmatig, te symmetrisch, te algemeen. Dat kan ook niet anders omdat de monnik die hier wordt uitgebeeld leefde van 945 tot 1025, toen hadden ze nog geen profielfoto’s. Alleen in geschrift werd hij overgeleverd. Als Uffing van Workum. En dat is meteen ook de reden waarom hij hier herdacht staat te worden. Vanwege zijn naam.


De heilige Odulphus aan het werk, op een 17e eeuwse gravure van ene Frederik Bloemaert.

Als jongen, zo luidt de gereconstrueerde geschiedenis, kwam deze Uffing in aanraking met de monniken uit het klooster in Hemelum, dat gesticht was door ene priester Odulphus, met het oogmerk uiteraard de Friezen hun eigen goden uit het hoofd te praten en te bekeren tot zíjn ware geloof. Zo gaan die dingen. De monniken zullen al prekend en mooie verhalen vertellend door de omgeving zijn getrokken en kwamen zo ook in Workum terecht, waar ze in de jonge Uffing dus een aandachtig luisteraar troffen. Zó aandachtig zelfs dat de jongen als monnik intrad in het klooster, om er te leren lezen en schrijven en later zelf bekerend de wereld in te trekken. Uiteindelijk vestigde hij zich in een door een Fries apostel gesticht klooster in Werden, in het huidige Duitsland, waar hij werd ingeschreven als: Uffing van Workum. Het is daardoor dat men nu weet dat Workum dus in de tiende eeuw al onder die naam bestond. Omdat Uffing er vandaan kwam, en dat liet noteren. En in Workum zijn ze daar blij mee. Terecht uiteraard. Vandaar een beeld.
Het staat er sinds 1997 en werd gemaakt door Sofie Hupkens, in opdracht vanzelfsprekend van de stad Workum. Sofie Hupkens (1952) werd geboren in Sao Paulo, Brazilië, studeerde cum laude af aan de St Joost Academie in Breda in 1974, studeerde verder aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht en de universiteit van Rio de Janeiro. Sinds 1991 is ze neergestreken in Bakhuizen in Friesland alwaar ze een atelier deelt met haar man.


Sofie Hupkens aan het werk bij het inrichten van een tentoonstelling van haar beelden.

De menselijke figuur staat centraal in haar werk, zonder dat ze daarbij per se individuen uitbeeldt. Het gaat haar meer om de gestalte in zijn algemeenheid, de uitdrukking van de mens. Gezichten, zo haar beelden die hebben, zijn vaak eerder maskers dan expressieve, persoonlijke portretten.
Behalve in Workum is haar werk op meer plekken te zien in de openbare ruimte. In Amsterdam bijvoorbeeld staat het monument ter herdenking van het Jordaan-oproer, in Delft een oorlogsmonument en in Enkhuizen een beeld voor de cartografen Wagenaar en van Linschoten. Bij die laatste wordt ergens opgemerkt dat Van Linschoten feitelijk geen cartograaf zou zijn geweest, maar dat is een ander verhaal.


Het Jordaanoproer, van Sofie Hupkens, te zien in Amsterdam.

Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief.

Dit artikel wordt ook gepubliceerd op samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad.

Voluptueuze wulpsheid op de schaats

Kunst onderweg

Dat ze in Friesland dol zijn op schaatsen in het algemeen en de Elfstedentocht in het bijzonder, ja, dat weten we nou wel eens een keer, zou je zeggen. Gaaaap. Als we in Hindeloopen een bronzen beeldje van een schaatsende mevrouw tegenkomen zijn we dan ook niet heel verrast. Nee, dat ligt wel in de lijn der verwachtingen. Eerder speelt een lichte irritatie op over dat eeuwig gedweep met de tocht der tochten. Mensen, het is bijna 25 jaar geleden dat er eentje werd verreden. En dat hebben we op moeten zoeken. Er lopen jongvolwassenen rond die geen idee hebben waar je over praat. Âlde skiednis, neat oars.



Aan de andere kant, denken we dan ook weer, met de klimaatopwarming onbelemmerd in volle gang lijken de kansen de eerste eeuwen ook wel verkeken en is het misschien niet zo’n gek idee een monument op te richten voor wat ooit was. Dus vooruit maar. Bovendien zit er een aardige geschiedenis aan het beeldje, dat trouwens Aukje blijkt te heten.
Aukje is niet direct het model sportvrouw, met haar wat voluptueuze wulpsheid. En met haar pronte borstjes recht vooruit lijkt ze ook niet echt haar best te doen de wedstrijd te winnen. Met haar armen ontspannen op haar rug schaatst ze eerder vooral voor haar plezier, hoog op haar sokkel van cortenstaal. Toch rijdt Aukje weldegelijk de Elfstedentocht want bij ieder van de elf beroemde steden staat een beeld van haar langs de officiële route, de route der routes, in telkens een andere pose, allen even wulps. En telkens op zo’n hoge zuil van cortenstaal.
Waarom zo hoog, vragen wij ons wel een beetje af. Het is flauw om te zeggen, maar we doen het toch: het zou kunnen dat de hoogte van de zuil zo is uitgekiend dat wanneer de verwachte zeespiegelstijging bereikt is, Aukje precies op het wateroppervlak schaatst. Dat zou leuk zijn. Dan zouden de elf Aukjes, ontspannen rondschaatsend tussen de her en der boven het water uitstekende  kerktorentjes, ook een monument zijn voor onze achteloze omgang met de klimaatcrisis.


Waar de aandacht altijd alleen maar uitgaat naar de heroïsche mannelijke winnaar van de tocht der tochten, brengt Evert van Hemert met de Aukjes een ode aan de vrouwelijke schaatsers van de Elfstedentocht. Zijn buurvrouw, die bij de laatst gereden tocht in ochtendjas de schaatsers in het donker stond bij te lichten, stond model.

Goed, nu de aardige geschiedenis. Je zou verwachten dat zo’n serie beelden gemaakt en geplaatst wordt in opdracht van de provincie, het Elfstedencomité of één of andere andere instantie, met subsidie van het Rijk desnoods, of een Europees cultuurfonds of zo en na een lange reeks vergaderingen en klankbordgesprekken en zuks. Normaalgesproken zou dat zo gaan. Maar niet bij Aukje. Wat Aukje in elfvoud bijzonder maakt is dat zij elf keer, inclusief al haar zuilen van cortenstaal, aan de elf steden der steden is geschonken door haar schepper, de kunstenaar, Evert van Hemert uit Kolderwolde. Het lijkt een figuur uit de wereld van Tom Poes en Olie B Bommel, als je het zo leest, of een lang ironisch gedicht van Annie MG Schmidt, maar hij is echt. En híj vond het een goed idee dat deze beelden er op deze plekken kwamen en heeft er eigenhandig voor gezorgd dat het gebeurde. Zulke mensen bestaan. Gelukkig. Ze zijn zeldzaam, maar ze bestaan. Mensen die belangeloos en zonder er om gevraagd te zijn iets aan de wereld toevoegen met als enig oogmerk haar een beetje mooier te maken. En de wereld, lieve mensen, kan dat heel goed gebruiken.


Evert van Hemert, beeldhouwer en schilder te Kolderwolde. Mag zijn werk graag weggeven. En altijd Running against the wind, volgens eigen zeggen.

Nou is de kunstenaar zelf de eerste om te vermelden dat er ook enige recalcitrantie bij de gulle gave om de hoek kwam kijken, maar dat maakt het verhaal misschien alleen maar mooier. Al eerder had Van Hemert een beeldenroute van eigen werk bedacht, de Famkes fan Kolderwolde, waarbij een aantal beelden door hem werden geschonken en een aantal door de gemeente aangekocht. Pas na veel aandringen wilde de gemeente aan haar financiële verplichting voldoen en uit dwarsheid had Van Hemert toen bedacht dat geld dan te gebruiken voor een gratis tweede beeldenroute, de Aukjes. Om ze geplaatst te krijgen moest er evengoed twee jaar vergaderd worden met negen gemeenten dus dat ze er nu staan zegt iets over het doorzettingsvermogen van de kunstenaar.
Evert van Hemert (1952) werd geboren in Haarlem, werkte aanvankelijk in de reclame maar stortte zich op 23 jarige leeftijd op de kunst. Als beeldhouwer en schilder. Autodidact, zijn opleiding aan de Rietveldacademie duurde slechts tien minuten. Dat zegt óók iets over hem natuurlijk. Net zoals het feit dat hij dat zelf op zijn website vermeldt iets over hem zegt. Maar wij zeggen daar niets over. Waarom zouden we? Een beetje zout in de pap kan geen kwaad.


Drie beelden van Evert van Hemert, allen te zien in en om Kolderwolde, standplaats van de kunstenaar. Vlnr: Annelies, een fontein, zoals te zien is; Sietske; Prima Donna met ballen.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.samenuitenthuis.wordpress.com, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad.

Lees andere afleveringen van Kunst onderweg in het archief.

Een ram met een schort voor

Een etappe van het Grootfrieslandpad, van Stavoren naar Workum, gelopen op zaterdag 22 augustus 2020

Voor het mooi hadden we natuurlijk de boot van Enkhuizen naar Stavoren moeten nemen, om van daaruit verder te wandelen, op ons pad. In een ononderbroken lijn van West- naar Ostfriesland. Maar dat had ons voor grote logistieke problemen geplaatst van uren extra reistijd, en daar doe je het allemaal niet voor. We hadden de tocht al eens gevaren, ter afronding van het Zuiderzeepad, en één keer is ook wel mooi zat, dachten wij. Bovendien hadden we geen zin in al te veel gedoe met mondkapjes. Helemaal ontkwamen we daar dan weer niet aan want om niet bij elkaar in de auto te hoeven zitten hadden we bedacht in Workum te verzamelen en vandaar met de trein naar Stavoren te reizen. U ziet, het is niet dat we het niet serieus nemen. Anders dan bij de NS is in het Arriva treintje trouwens nog steeds maar één stoel per vierzitter beschikbaar en zo zitten we diagonaal op maximale afstand een beetje onwennig om elkaars mondkapjes te gnuiven. Zo kenden we elkaar nog niet.



Eenmaal in Stavoren bezoeken we als eerste de geteisterde horeca, voor een kop koffie. Van de recentelijk weer aangescherpte coronamaatregelen is hier niet veel te merken, we hoeven ons niet te melden, krijgen geen formuliertje aangereikt en binnen is het oudetijds druk. Te druk voor ons, wij nemen plaats op het min of meer verlaten terras. Een verantwoordelijke beslissing die beantwoord wordt met een ferme plensbui zodat we uiteindelijk met parapluutjes op aan de cappuccino zitten. Het biedt ongetwijfeld een sneue aanblik, ons deert het niet. En een kwartier later staan we ons voor de zekerheid toch maar even in te smeren tegen de prikkende zon.
We brengen een saluut aan de Vrouwe van Stavoren, vaak wat denigrerend als vrouwtje aangeduid, en starten de wandeling langs de haven. Nog even omkijkend zien we een driemaster het zeegat uit varen, langs het rode vuurtorentje. Op de motor weliswaar, maar zeker onder de schilderachtige wolkenluchten die het wisselvallige weer met zich brengt, is het een plaatje met oudHollandsche allure.  
Links van ons de IJsselmeerdijk, als een groene streep tegen het zwerk in een verder al even groen en zo goed als leeg en volkomen vlak landschap. Boerennatuur. Een handvol koeien kijkt ons na. Grote zwermen vogels vliegen op en strijken weer neer. De lucht is geen twee minuten hetzelfde. Er staat de hele dag een straffe wind, die we gelukkig in de rug hebben zodat we er alleen profijt van ondervinden, en we elkaar gewoon kunnen blijven verstaan. Dat is fijn want we hebben elkaar altijd veel te vertellen onderweg.



Als we straks na Molkwerum de dijk op klimmen kijken we tot Stavoren uit over het IJsselmeer en zien we op verschillende plaatsen grote groepen windsurfers en kitesurfers en andere varianten op het genre kriskras heen en weer schieten over het water, met zó veel kleurige zeilen en vliegers aan touwtjes in de lucht dat je je afvraagt hoe het kan dat dat niet allemaal ontzettend in de knoop raakt. Er zijn helden bij die metershoog de lucht in springen. Het biedt een vrolijke en levendige aanblik en levert een wonderlijk contrast op met bijvoorbeeld het lieve, geknakte torentje van Hindeloopen, dat wat hulpeloos en ouderwetsig aan de horizon staat te staan. Het valt op dat de meeste surfers Duits zijn, door de gunstige wind blijkbaar in groten getale naar het IJsselmeer gelokt. Wat ook opvalt is dat het er, behalve de veelkleurigheid van de zeilen en de vliegers, nogal eenvormig uitziet allemaal. Iedereen heeft precies dezelfde spullen en tassen, kleding en tattoos. Iedereen is precies even cool.
Maar goed, we waren in Molkwerum. Dat blijkt een zeer charmant en pittoresk plaatsje dat, blijkens de her en der geplaatste toeristische informatieborden, kan bogen op een welvarend verleden vanwege de nauwe handelsbetrekkingen die het onderhield met het ooit rijke en belangrijke Amsterdam. Dat die Hollandse koopmansgeest nog altijd niet terug in de Friese fles is, blijkt uit zo’n typisch huis tuin en keuken te-koop-stalletje aan de weg, waar normaalgesproken zelfgemaakte jam of courgettes uit eigen tuin worden aangeboden. Hier en nu zijn dat handgemaakte, 100% katoenen en op 60 graden wasbare mondkapjes met opening voor het plaatsen van een extra filter. Drie euro per stuk.



Middenin het dorp staat, op een eigenlijk iets te klein plekje, omgeven door een kerkhof, de Lebuïnuskerk. Genoemd naar een heilig verklaarde Angelsaksische missionaris uit de achtste eeuw, zo luidt onze wikiwijsheid. Die Godt vertrowt had wol gebowt, staat er op een blauw bord stichtelijk te lezen boven een zwart schild met een witte zwaan, het wapen van Molkwerum. Net als veel andere oude kerkjes staat ook de Lebuïnuskerk garant voor een waterval aan jaartallen. De kerk werd gebouwd omstreeks 1850, als vervanging van een eerdere versie uit 1799. De toren zou ook van 1799 zijn, volgens de één, maar is 17e eeuws volgens de ander. De klokken stammen uit 1649, ook 17e eeuws dus, en het blauwe bord boven de ingang vermeldt het jaartal 1597.
Op een informatiebord lezen we verder dat Molkwerum, zo klein als het is, in vroeger tijden, op een paar honderd inwoners, drie verschillende richtingen van het gereformeerd geloof huisvestte. Zwaar, zwaarder, zwaarst, vermoedelijk. Zet twee Nederlanders bij elkaar en je hebt een kerk, voeg er een derde aan toe en je hebt een kerkscheuring. Wordt wel eens beweerd. Voor Friezen geldt dat blijkbaar ook.
Het toeristisch bakkerswinkeltje is vanwege de coronacrisis nog altijd tot nader order gesloten. Of dat veel verschil maakt weten we niet. Rondom het bankje waar wij onze krentenbol eten, buitelen de zwaluwen rakelings langs ons heen.



Hier beklimmen we de IJsselmeerdijk en hebben onze verdere wandeling uitzicht over het water dat door het onstuimig spel van wind, wolken en zon steeds van kleur verandert. Soms grijs, dan zilver of met een lichtgroene gloed die mysterieus over het golvend oppervlak glijdt. Hollands licht, Hollandse luchten. Een fascinerend schouwspel waar je niet snel genoeg van krijgt. Wij niet in elk geval. Aan de horizon zien we Hindeloopen de vinger al opsteken.
Dan klimmen plotseling twee stoere mannen over het hek en leggen daadkrachtig een schaap op de rug, met een routine die verraadt dat ze dat vaker hebben gedaan. Het schaap heeft geen schijn van kans. Het beest draagt een soort leren voorschoot, zien we. Nieuwsgierig en uit op een praatje vragen we de mannen wat er met het schaap gaat gebeuren. We worden meteen als stadsmensen weggezet met de mededeling dat dit geen schaap is, maar een ram, wat we, nu het schort is afgenomen, zelf ook duidelijk kunnen zien. Geen twijfel mogelijk. Terwijl de mannen trefzeker doorgaan met hun werk krijgen we het uitgelegd. De ram heeft de afgelopen tijd, met dat schort voor de edele delen en een geel verfblok op de borst, een aantal proefdekkingen gedaan. Zo kunnen de mannen zien hoeveel schapen er bronstig zijn, aan de gele vlek op de rug. Nu dat er genoeg zijn kan het schort eraf en mag de ram er op. Zo worden alle schapen binnen een korte periode drachtig en zullen ze straks ook allemaal in een periode van vier weken lammeren. Een vorm van geboorteregulering. Broodnodig, volgens de mannen, want dat wordt dan vier weken dag en nacht bokhard doorwerken en wanneer dat langer dan vier weken zou duren, zouden de mannen van vermoeidheid narrig tegen elkaar gaan worden. Dat is niet de bedoeling, aldus de man, want het is mooi werk. Hij zegt er nog bij dat hij dat nog meent ook, maar dat hadden we al gezien. Inmiddels is het gele verfblok vervangen door een groen, het zit met een soort tuigje tussen de voorpoten. Zo kan worden bijgehouden welke schapen hun beurt hebben gehad. Ik maak nog de onbenullige opmerking dat het voor de ram wel zielig is dat hij er al die tijd met een schort voor op moest, maar de mannen glunderen mij toe dat ik zelf immers ook zo ben begonnen? En dat was toch ook niet zielig? Tja. De mannen klimmen zwaaiend een hek verder, op naar de volgende ram.



Hindeloopen is een mooi stadje, druk bezocht door toeristen. In de krant lazen we onlangs dat ook de autochtone Hindelooper, de Hylper, er langzamerhand een beetje van begint te balen dat zijn stad als openluchtmuseum wordt gezien en behandeld, en dat er geen betaalbare woonruimte meer te vinden is omdat het meeste veel lucratiever aan toeristen wordt verhuurd. Moderne problemen tegen een nostalgisch decor. Als om dat te illustreren nemen twee motorrijders ronkend en brullend en met gevaar voor andermans leven een smal en steil houten voetgangersbruggetje.



Verder over de dijk maken we de wandeling af tot Workum. De route is deze tweede helft gelijk aan die van het Nederlands Kustpad, dat we eerder liepen, en we herkennen zo het één en ander. Het voormalig waterschapsgebouw Schuilenburg, dat ons dit keer genadeloos van de dijk afstuurt omdat ze geen wandelaars meer over hun stukje aarde willen hebben lopen, het badpaviljoen Hindeloopen, dat nog altijd onterecht leeg staat te verkommeren, en het witte toarntje bij Workum, een voormalige vuurtoren, thans bewoond door een kunstzinnige figuur met hart voor de Fryske tradysjes. Nieuw in het uitzicht is een stolpboerderij in aanbouw, waarvan de bijzonderheid moet zijn dat hij op zijn kop wordt gebouwd. De nok op de grond, het woongedeelte hoog in de lucht, waar normaal dus de nok zit. Een particulier initiatief, lezen wij later, dat inmiddels het gevreesde predikaat landmark heeft verworven. Het zal wel weer elitair zijn maar wij schatten het in als een erg dun grapje dat de tand des tijds niet zal doorstaan; net als dat hotel van gestapelde Zaanse geveltjes in Zaandam inmiddels stomvervelend is geworden.
In Workum eindigen we zoals we begonnen, bij de geteisterde horeca. Op de markt, aan de voet van de grote kerk, die zijn naam veel eer aandoet, en naast het oude raadhuis, op een terras in de zon. Waar ons engelengeduld enorm op de proef wordt gesteld. Als deze zaak failliet gaat, besluiten wij, zal het niet aan corona liggen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Lees meer over deze wandeling op samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad.