Bohemian Rhapsody in het Karstlandschap

Wandeling in de Eifel, van Schönecken naar Ober Hersdorf, gelopen op zaterdag 10 augustus 2019

Gelukkig ben ik een flexibele wandelaar, anders was het vandaag misschien minder goed gelopen dan het nu gelopen is. Op de wandelkaart van onze tijdelijke omgeving was mijn aandacht getrokken door Schönecken. Vanwege de veelbelovende naam allicht, die nog onderstreept werd, letterlijk ook, op de kaart, met een uitgebreid assortiment aan gekleurde, gestippelde, doorgetrokken en geblokte kronkelende lijnen die allen een wandelroute markeerden, met ieder een eigen nummer, symbooltje, pictogrammetje of logootje. Soms voerden er wel vier of vijf tegelijk over hetzelfde bospad. Het Schneifelpad, het Jakobspad, het Nimstalpad, om er maar eens een paar te noemen, plus nog verschillende routes van de Eifelverein.. dat moest wel de moeite waard zijn, had ik gedacht. Daar ging ik heen.

P1060175

Heel even kwam de angstige gedachte bij me op dat dat dan misschien wel heel veel andere wandelaars zou aantrekken ook en ik, bewaar me, terecht zou komen in jolige wandelvierdaagse-taferelen van in file achter elkaar aan lopende prestatiewandelaars met heuptasjes met voldoende water, bezwete koppen onder rare petjes en hoedjes en ook verder in merkwaardige uitdossingen gestoken, maar dat was natuurlijk onzin want tijdens de wandelingen die ik tot nog toe gemaakt heb in Duitsland, ben ik slechts hoogstzelden een tweede wandelaar tegengekomen.
Heel even lijkt het alsnog verkeerd uit te pakken, er staan verdacht veel auto’s op de Wanderparkplatz en bij het informatiebord staat zich zelfs al een berugzakt en bewandelschoend duo te oriënteren, dat ik in het eerste half uur van de tocht overigens met enige moeite uit mijn kielzog  kwijt weet te raken, maar dat blijkt later verder allemaal reuze mee te vallen. De werkelijke moeilijkheid zit hem in de hoeveelheid aangeboden wandelingen. Op de toch behoorlijk gedetailleerde kaart is er, door de samenklonteringen van symbooltjes en nummertjes die soms cruciale splitsingen en kruisingen aan het oog onttrekken, maar moeilijk wijs uit te worden welk pad in te slaan voor de door mij gekozen route en ook ter plekke blijkt: het zijn er teveel. De paaltjes die ervoor bedoeld zijn, zijn te klein voor zo veel pijlen, plaatjes en stickers, soms half over elkaar geplakt en met stift veronduidelijkt met handgeschreven extra pijlen en aanwijzingen. Er is geen touw aan vast te knopen.

P1060152

Enigszins opgejaagd door het duo in mijn nek en, ik zal het eerlijk toegeven, tevens te bekakt om mij zelf ook even kalm en bedaard bij het informatiebord te oriënteren, sla ik lukraak rechtsaf, om er van af te zijn. Dat ik meteen een steil klimmetje moet maken klopt niet met hoe ik de route gepland had, op de overvolle kaart, want ik zou langs een beek, maar die gedachte maakt plaats voor de charmante en fotogenieke aanblik van een omber- en okergele rotspartij die plotseling in al zijn robuuste schoonheid boven mij uittorent. Kalkzandsteen, gok ik. Op het uiterste randje lijkt het laatste rijtje bomen zich krampachtig, huiverend, met al hun wortels vast te houden om te voorkomen dat ze de diepte in storten. Kijk, dit zijn de dingen waarvoor je eropuit trekt, dat hebben we thuis niet, in de polder. Ik neem er even de tijd voor.
Zoveel pijlen en bordjes er net nog stonden, zo weinig staan er nu, nu ik verder wil. Geen enkele aanwijzing over links, rechts of rechtdoor. Het kan alle drie. Ik ben net op weg en nu al verdwaald. Teruglopen is geen optie, op gevoel sla ik linksaf en klim pittig verder over een nogal grofkorrelig okergeel grindpad dat meer weg heeft van een drooggevallen rivierbedding, het heeft gisteren flink geregend en dat is hier nog goed te zien. Het gaat trouwens weer een beetje regenen merk ik, en wat nog erger is, de natuur roept. De natuur dringt aan zelfs. Hoewel ik goed voorbereid op pad ben gegaan, om het zo maar te zeggen, is er geen ontkomen aan, ik moet. En liefst een beetje snel. In de top 2000 van dingen waar ik een pesthekel aan heb is dit de Bohemian Rhapsody: schijten in de natuur, ik draai er maar niet meer om heen. Erover uitweiden ga ik trouwens evenmin, dat hoeft nou ook weer niet, al is het natuurlijk zo menselijk als wat, maar daar zit ik dan, in de bosjes naast het pad, die aan de magere kant zijn, in de regen, zakdoekje paraat, met in mijn achterhoofd het wandelduo achter mij, dat nu niet ver weg meer kan zijn. Mama Mia let me go.

P1060184

Wanneer ik even later, de nood gelenigd, de bui overgewaaid, het wandelduo afgeschud, in een ruime zigzag beweging een dal in meander, herken ik die beweging van de kaart. Dit is mijn terugweg. Dat wil zeggen, dit was mijn terugweg, want nu besluit ik er ook meteen korte metten mee te maken. Ik pak de kaart erbij en bepaal ter plekke een nieuwe route. Zo doen we dat. Het weidse, groen glooiende uitzicht dat ik hier heb bevalt me wel, is eigenlijk precies waar ik op uit was na een eerdere wandeling over voornamelijk bosbouwpaden door geometrisch productiebos, dus ik zou wel gek zijn als ik nu weer op zoek ging naar de juiste pijltjes en nummertjes. Vrijheid blijheid, wie doe me wat.
Het blijkt een goede beslissing want het wordt al met al een schitterende, gevarieerde wandeling door loofbossen, langs steile rotswanden, gouden korenvelden, glinsterende beekjes en glooiende dalen met witte dorpjes en leistenen kerktorentjes in de verte en roofvogels aan de blauwe hemel.
Wandelen is voor mij niet per se alleen maar in een straf tempo met voldoende water van a naar b lopen. Dan kun je beter met de fiets, denk ik dan. Het leuke van wandelen is juist het kalme, het langzame. Het bewuste, zo u wilt. Het onderdeel zijn van het geheel. Wandelen is ook af en toe stilstaan om te zien wat er te zien is, te horen wat er te horen is, te ervaren wat er te ervaren is, en zo het geluksgevoel te laten indalen.
Dus als ik verderop in het bos op tientallen meters even lange als hoge rotsformaties stuit, bizarre stapelingen van enorme, met mos begroeide stenen die, zeker in combinatie met het lieflijk ruisend beekje ter rechterzijde, een feeërieke en voorwereldlijke sfeer van ongereptheid oproepen, laat ik mij graag betoveren. Ik waan mij vanzelf een ontdekkingsreiziger en start de klimtocht tussen en over de rotsblokken naar de top. Een jongensachtige excursie die mij ook doet terugdenken aan de wandelingen die ik vroeger met mijn zonen maakte, die dit destijds helemaal de bom hadden gevonden, maar ik wil ook voorkomen dat het leven alleen nog maar uit nostalgische overwegingen bestaat dus ik ga hier gewoon toegeven dat ik dit geklauter, dit bedwingen van de woeste natuur, hier en nu, in mijn eentje, ook gewoon als een hoogtepunt van de wandeling beschouw.

P1060268

Uiteraard loop ik ook nog een stukje door het ruisend beekje, waarvan mij eerder al was opgevallen, waarvan het mij eerder al had bevreemd dat het hele stukken alleen maar een droge bedding was maar dat er dan plotseling ook weer ergens water door kabbelde. Een informatiebord legt het uit. Het is in het Duits dus ik doorgrond het maar half, met mijn verzakte middelbare school Duits, en bij aardrijkskunde heb ik het misschien ook wel gehad maar dat vond ik toen nog saai, maar ik doe mijn best. Wat ik ervan begrijp is dat het water gedeeltelijk ondergronds loopt. Doordat kalklagen in de bodem zijn opgelost is daar ruimte voor. Plaatselijk, waar minder kalk heeft gezeten neem ik dan maar aan, welt het water naar boven om bovengronds haar weg te zoeken, om waar het kan dan weer weg te zakken, zoals water nou eenmaal graag doet. Bij voldoende aanvoer van hemelwater zal de beek trouwens wel helemaal vollopen als ik die bedding zo bekijk. Het zou leuk zijn, bedenk ik, het dan ook eens te zien. Verder lees ik dat op sommige plekken zulke grote ondergrondse ruimtes met water ontstaan dat de boel instort en er een groot, kratervormig gat in de bosbodem ontstaat. Verderop kom ik daar inderdaad een voorbeeld van tegen, dat ik zonder het bord niet had herkend. Eén en ander zijn kenmerken van het zogenoemde Karstlandschap. Dus dat weet ik nu dan ook weer. Kennis om thuis mee aan te kunnen komen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Advertenties

Ontmoetingen en avonturen in Blôte Bieneland

cropped-p1050562.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Nieuwe Niedorp naar Twisk, gelopen op vrijdag 21 juni 2019

Geparkeerd onder de pittoreske kerktoren van Nieuwe Niedorp hopen we als eerste een kop koffie te kunnen scoren, om de wandeling voor vandaag officieel te openen. Dat blijkt nog niet zo makkelijk. Aan het plein zien we De Roode Eenhoorn, dat met een uitgestald terras weliswaar sterk op een uitspanning lijkt maar het bij navraag niet blijkt te zijn. Ze hebben wel koffie, vertelt de jongedame die ons te woord staat, maar ze zijn geen café. De mededeling blijft wat onduidelijk in de lucht hangen zodat wij beleefd groetend maar weer naar buiten klossen.

de roode eenhoorn
De Roode Eenhoorn in andere tijden

Later op internet blijkt de Roode Eenhoorn nota bene het oudste café van Nederland te zijn geweest, dat in 1530 reeds werd genoemd als rustplaats voor man en paard, maar in 2012 werd omgebouwd tot een woonzorghuis. We zijn gewoon te laat. In de voormalige feestzaal zijn nu negen appartementen gevestigd, waar evenzoveel zorgbehoevenden wonen, het cafégedeelte is de gemeenschappelijke ruimte waar wordt gekookt, gegeten, gespeeld en ontmoet. En koffie gedronken. Maar niet door ons dus.
Wij lopen door naar De Maurits, die op dit uur echter nog gesloten blijkt, behalve uiteraard voor de eigenaar, die genoeglijk met een bakkie en zijn telefoon op zijn eigen terras neerstrijkt. Wij hebben ons geluk dan al beproefd bij de buren, een wat beduimelde snackbar waarvan je je zelfs zou kunnen afvragen of hij ooit betere tijden gehad zal hebben maar waar een vriendelijke jongeman ons twee superieure cappuccino’s brengt. Zo zie je maar. Ook de pittoreske kerktoren blijkt overigens niet helemaal te zijn wat het lijkt want de bijbehorende kerk werd meerdere malen afgebroken en voor het laatst in 1966 vervangen door het zwaar gedateerde, gewilde modern van kerkgebouwen uit die tijd, met de dan weer niet ontoepasselijke naam Fenixkerk.

P1050508

Door de Dorpsstraat wandelen we Nieuwe Niedorp uit, langs grote, fraaie en soms rijk versierde huizen die aan één kant van de straat achter een vaart liggen en vanaf de weg ieder met een eigen brug bereikbaar zijn. De vaart, de beurtvaart, werd in vroeger tijd gebruikt om de oogst naar de groenteveiling te vervoeren maar is nu zo goed als onbegaanbaar doordat de bruggen laag en breed net boven het water hangen ten behoeve van de auto’s des huizes. De zomer begint vandaag, de bomen staan volop in het groen. Een aantal imposante zwarte beuken verleent het dorpsgezicht extra statuur.
Via de n239 lopen we rechtsaf het land in richting Aartswoud, het kolossaal silhouet van het Seminario Redemptoris Mater kijkt ons na. Even zien we in de verte het Kremlin nog door de bomen schemeren. Niet het echte uiteraard maar een plaatselijk bekende, misschien zelfs beroemde tuin waarin de bewoner louter voor zijn eigen plezier een groot aantal fantasierijke bouwsels in Russische stijl heeft neergemetseld. Zogenoemde follies. Ons boekje maakt er geen melding van, maar we komen er ook niet echt langs natuurlijk. We hebben het erover omdat het boekje wel melding maakt van follies in Italiaanse stijl, bij Aartswoud. Daar zouden we dus wel langs komen. Het kan zijn dat we niet verder hebben gekeken dan onze neus lang is, maar ook deze follies gaan aan onze neus voorbij. Ze zijn niet te vinden. Maar ach, we kunnen zonder, er is genoeg te zien.

P1050545

We ondergaan uitgestrekte groene landschappen met frisblauwe luchten erboven die schilderachtig zijn opgemaakt met helderwitte, zonbeschenen wolken. We zien eenden met pullen zwemmen, een tweede leg, kun je vermoeden, in deze tijd van het jaar. Jonge fuutjes ook, met nog een gestreepte kop maar te groot al voor op mama’s rug. We passeren een loods waar schapenwol te koop wordt aangeboden, waar het rafelig schaap dat kreupel in het weitje aan de weg staat te rochelen en te steunen geen aanbeveling voor is. Tot hoog boven de horizon wordt in de verte met een aantal windmolens aan het nieuwe Nederland gebouwd. Dichterbij steken de oranje pannendaakjes van het oude Nederland boven het groen uit, een volle waslijn ernaast, bollend in de wind. Een tractor rijdt heen en weer door het hooi om het te keren en werpt daarbij grote stofwolken op. Het is een nostalgisch beeld, met een nostalgische geur.
Even buiten Aartswoud ontmoeten we een dame met een fiets, een zonneklep en een blijde lach. De fiets staat geparkeerd bij een kippenbruggetje over de Veersloot en het lijkt of de dame ons op staat te wachten. Wat niet zo is uiteraard, maar zo komt het al snel tot een praatje. Als het even kan zit ze op de fiets, vertelt de dame. Tentje achterop en gaan. En maar zien waar ze uitkomt. Naar België en Frankrijk ook wel, maar ook veel in eigen land. Moet ze ergens met de trein heen, gaat de fiets mee. Voor de verloren uurtjes. Rieta heet ze, met i e, en fotografe is ze. Te Monnickendam. Portretten. Trouw- en rouwreportages. Geen nieuwsfoto’s, dat moeten anderen maar doen, dat is niks voor haar. Ze geeft ons haar kaartje mee. De fiets is een verhaal apart, vertelt ze, en zo ziet ie er ook uit. Als een studentikoos vehikel. Het is een peperdure kwaliteitsfiets, verklapt ze ons, maar ter voorkoming van diefstal heeft ze hem eerst wat nonchalant in de matte witte verf gezet, waarna de kleinkinderen hielpen met versieren en ze aldus op het fleurige idee kwam om iedereen met wie ze onderweg een praatje maakte zijn of haar naam op de fiets te laten schrijven. Ze heeft er speciaal een handvol gekleurde stiften voor in het stuurtasje zitten. Ook wij mogen een plekje uitzoeken, op het volgeschreven frame. Van veel namen weet Rieta nog uitgebreid te vertellen wie en waar het was. Wij vleien ons daarom met de gedachte dat wij nu ook in haar repertoire zijn opgenomen en besluiten dat de wereld enorm opknapt van mensen als Rieta.

P1050606

We lopen verder over ‘t Blôte Bienepad, wat Westfries is voor blote benenpad. Waarom het zo heet wordt niet duidelijk, een blote voetenpad is het in elk geval niet. Het schijnt dat de streek rond Aartswoud Blôte Bieneland genoemd wordt, door de Westfries, en dat zou er dan weer mee te maken kunnen hebben dat Aartswoud in vroeger tijden aan de woeste Zuiderzee lag en dat haar bewoners in die tijd bekend stonden als laten we zeggen nogal ondernemende en proactieve strandjutters. De stompe kerktoren zou in die dagen ook dienst hebben gedaan als soms wat misleidende vuurtoren, lezen wij. Maar goed, deze historische duiding speculeren we hier ter plekke bij elkaar, zie maar wat u ervan gelooft.
Voor we bij Lambertschaag opnieuw op de Westfriese Omringdijk stuiten gaat ’t Blôte Bienepad over in het Pannepad. Over de oorsprong van die naam heeft ons routeboekje gelukkig iets te melden. Hier werden vroeger stieren gefokt die van een zo hoge kwaliteit waren dat ze wereldwijd werden verkocht. En al deze stieren heetten Pan, om één of andere reden. Het pad is naar hen genoemd.
Of het een nazaat van zo’n beroemde Pan is weten we natuurlijk niet zeker maar het zou zomaar kunnen want feit is dat we juist hier een pink aan de verkeerde kant van het hek treffen. Hoe ze er gekomen is, is ons een raadsel, al horen we later van iemand die het weten kan dat pinken ‘achterlijk hoog’ kunnen springen. Daar staat ze, midden op het pad. Haar soortgenoten staan nieuwsgierig tegen het hek gedromd om maar niets te missen van wat komen gaat en dat er wat komen gaat is onvermijdelijk, wij besluiten namelijk dat we iets moeten doen. Zo zijn wij dan weer. Al weten we niet precies wat wijsheid is, want zo zijn we ook. We knopen het hek, dat met boerentouw is dichtgebonden, los en zetten het op een kiertje, niet te groot want we zijn als de dood dat de andere pinken straks ook de benen nemen en we met een veel groter probleem zitten opgescheept. Dan proberen we met strategische danspassen en armbewegingen de wegloper terug het weiland in te krijgen, maar die houdt zich niet aan ons rommelig plan en dreigt paniekerig steeds verder af te dwalen. Gelukkig krijgen we hulp van twee fietsers die toevalligerwijs ieder van de andere kant aan komen rijden en zo het smalle pad in beide richtingen afsluiten. Een tijdje kijken ze ons geklungel welwillend aan, dan neemt één van hen de leiding over. Hij is opgegroeid op een boerderij, vertelt hij, en weet dus hoe te handelen. En inderdaad is de kudde in een vloek en een zucht herenigd, aan de goede kant van het hek. Onze redder in nood blijkt juist op weg te zijn naar de eigenaar van deze pinken en hij neemt afscheid met de belofte een goed woordje voor ons te doen.

P1050624

Vanaf Lambertschaag maken we ons op de A7 over te steken. We lopen er op af over een fantasieloos stuk van de Westfriese Dijk met rechts van ons een druk bereden n239. Een ononderbroken stroom vrachtverkeer trekt voorbij. De schoorstenen van Hartog dierenvoeders stoten verschillende merkwaardige kleuren rook uit. We rapen enorm veel plastic en blikjes uit de berm, de meegebrachte boodschappentas is ook vandaag weer te klein. Veel is door de maaier al tot scherpe en voor dieren levensgevaarlijke snippers gemalen, je mag hopen dat het gedroogde gras dat hier ligt niet als hooi gebruikt gaat worden.
Dan gaat het naar Twisk, langs een dichtbevolkt vogelgebied. We lopen langs de natuurlijke oever van de Oostermare, lezen we, een oude veenstroom, nu in gebruik als waterberging en broedgebied voor allerlei vogels. De roerdomp, de slobeend, de tureluur, de grutto.. ze komen hier allemaal voor. Wij herkennen de kluut en het visdiefje. Aan de overzijde van het water is een oeverzwaluwwand geplaatst waarvan het meer dan tachtig paartjes geen bal uitmaakt of dat van beton is of niet.
In Twisk verlaten we de voorgeschreven route en slaan rechts- in plaats van linksaf, omdat daar de auto nou eenmaal staat geparkeerd. Zo zien we dan weer wel een gedeelte van Twisk dat anders voor ons verborgen zou zijn gebleven. Het lintdorp ziet eruit als een openluchtmuseum. Links en rechts van de klinkerweg staan lange rijen goed onderhouden en rijkversierde stolpboerderijen en rijksmonumenten in de middagzon te glimmen. Het zal geen straf zijn hier de volgende etappe in omgekeerde richting weer te beginnen.
We sluiten de dag af zoals we hem begonnen, met een zoektocht naar koffie. Een enorme uitspanning die met grote parasols en protserige witte beelden nogal de aandacht op zich vestigt blijkt niettemin gesloten en zo eindigen we ook in Twisk bij de buren: een uit de kringloop ingerichte koffiehoek die onwillig deel uitmaakt van een dorpse winkel van sinkel annex bouwmachineverhuur die tevens dienst doet als postagentschap en waar een nurkse meneer die alles al een keer gezien heeft en zich nergens meer over verbaast de scepter zwaait. Zonder zich te haasten verdeelt hij zijn karige aandacht over ons en de talrijke klanten die zich in zijn winkel aandienen. Bij de balie staat een molen met kromgetrokken ansichtkaarten uit de begintijd van de fotografie, met straatbeelden van het Twisk van toen. Het hondje van de zaak loopt zich regelmatig vast tussen de stoelpoten rond onze voeten, aan zijn touw van dertig meter waarmee hij ook het terras bestrijkt, in de hoop dat er een stukje appeltaart zal vallen. Warme appeltaart, dat dan weer wel.

Dit verslag werd ook gepubliceerd op Samen Uit En Thuis, weblog van een wandeling langs het Groot Frieslandpad, met ook nog tal van rubrieken.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Een kakikleurige meneer met handige zakken

cropped-p1050286.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis, van Castricum naar Beverwijk, gelopen op donderdag 23 mei 2019

Hoe we het doen weten we zelf ook niet precies, maar we pikken er telkens een schitterende dag voor uit om op pad te gaan. Terwijl het in deze moderne tijden toch echt ook lang van tevoren geplande evenementen zijn, agenda tegen agenda. We wandelen onder een ons goedgezind gesternte blijkbaar. Tot nog toe, in elk geval. In het verleden behaalde resultaten zullen ook in dit geval geen garantie voor de toekomst bieden. Maar goed. We lopen van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, onze geboorteplaats, en weer terug, mijn jongste zoon en ik. Van thuis naar thuis en omgekeerd als het ware. Vandaar dat we onze zelfverzonnen langeafstandswandeling De Lange Weg Naar Huis hebben genoemd.

P1050197

We verzamelen op station Castricum vandaag, want mijn zoon moet eerst nog even een uurtje naar school. Hij heeft een zwaar leven. Langs nagelnieuwe en ruim gedachte villa’s voor de beter gesitueerden lopen we Castricum uit. Het is nog voorjaar, de bomen staan nog fris in het groen, maar de bloemen die beregend worden op het bollenveld dat we passeren zijn al geen tulpen of narcissen meer, daar is het dan toch alweer te laat voor. Wat er wel in bloei staat weten we niet maar het biedt een kleurige aanblik.
Over vriendelijke bospaadjes, tussen kronkelende heksenboompjes door, komen we in een uitgestrekt duingebied. Daar stuiten we om te beginnen op een geheel door aalscholvers in bezit genomen bosje. Dat biedt nogal een aanblik. Eerder waren we al eens tot het besluit gekomen dat de aalscholver van dichtbij eigenlijk wel een soort schoonheid bezit, maar dit is geen gezicht. We tellen tientallen nesten, wat niet moeilijk is want het zijn grote vogels die grote nesten bouwen maar bovendien alles doodschijten waar ze bij in de buurt komen. In het volle zicht manoeuvreren ze log en onhandig wat heen en weer, met die grote zwemvliesvoeten, op hun slordige bossen hout tussen de kale, witte, afgestorven takken die in een gestolde wanhoopskreet tegen het zwerk afsteken.
Blijkbaar hebben we ons laten afleiden door dit prehistorisch tafereel want korte tijd later komen we erachter dat we verkeerd lopen. Dankzij de boompjes. Tanige, weerspannige boompjes die hier en daar al jarenlang dapper maar vruchteloos weerstand hebben staan bieden aan de wind. De wind van zee, die ze met haar lange adem hardnekkig slechts één groeirichting toestaat. Als oude mannetjes staan ze voorover gebukt, gekromd, gebocheld. Allemaal naar rechts, valt ons op. Wat ons na een tijdje op de gedachte brengt dat de zee dan links van ons zal liggen. En dat we dus de verkeerde kant op lopen. Reuze trots zijn we dat we het landschap zo doeltreffend hebben kunnen lezen. Dat we nu een klein stukje op onze schreden moeten terugkeren nemen we op de koop toe.

P1050229

Zoals inmiddels gebruikelijk rapen we onderweg blikjes en plastic afval dat schijnbaar achteloos in berm en beemd wordt achtergelaten. Het doet mij deugd dat mijn negentienjarige zoon zich hier net zo fanatiek in toont als zijn oude vader, en hetzelfde verontwaardigde onbegrip ventileert over mensen die blijkbaar de rust en de schoonheid van de natuur opzoeken maar dan evengoed een spoor van verontreiniging achterlaten. Het valt niet te rijmen inderdaad. We komen thuis met een flinke boodschappentas vol. Dat er bijna de hele wandeling elke vijf minuten een passagiersvliegtuig over komt geeft onze opbrengst, onze hele missie, uiteraard de schijn van volslagen zinloosheid, van vechten tegen de bierkaai en paarlen voor de zwijnen, maar daar laten we ons niet door van de wijs brengen. Wat moeten we anders?
Dan duikt een kakikleurige meneer met handige zakken op uit de bosjes. Met onder zijn arm wat provisorische vlaggetjes en in zijn hand een geel apparaat. Nieuwsgierig vragen wij hem wat hij doet, en dat wil hij graag vertellen. Hij gaat er zelfs eens goed voor staan. Hij is bioloog, vertelt hij, plantkundige, om precies te zijn. Gepensioneerd inmiddels weliswaar, maar naar eigen beleving nog niet oud genoeg voor de permanente vakantie en vandaar als zelfstandige nog regelmatig in opdracht aan de slag. Zoals nu een onderzoek naar de vegetatie in dit gebied. Steekproefsgewijs, op verschillende van te voren willekeurig bepaalde plekken, legt hij uit, inventariseert hij wat er zoal groeit of bloeit. Met enige trots toont hij zijn gps, het gele apparaat, dat achtduizend euro gekost heeft maar hem dan ook tot op tien centimeter nauwkeurig brengt waar hij moet wezen. Wij tonen ons onder de indruk.
Met de provisorische vlaggetjes zet hij een cirkelvormig lapje grond af van vier, tien of honderd vierkante meter, afhankelijk van de hoogte van de begroeiing. Hoe hoger de begroeiing, hoe minder planten per vierkante meter, hoe groter het lapje grond. De door de steekproef opgegeven coördinaten dienen als middelpunt, en het is natuurlijk handig te weten dat de oppervlakte van een cirkel pi maal de straal in het kwadraat is. Goed. Binnen die cirkel telt en benoemt hij ieder plantje, bloempje en grasje dat er groeit, of het nu een boom, korstmos, helmgras of moeraswespenorchis is. En alles wat er zou kúnnen groeien kent de meneer – uit zijn hoofd – bij naam. En komt hij toch iets tegen dat hij niet kent, neemt hij een foto om het thuis te determineren. Vooral bij campings komt hij wel eens iets tegen dat hier eigenlijk niet hoort, in de Noordhollandse duinen. Dat is dan als pluisje of zaadje aan tentzeilen en in slaapzakken meegereisd uit andere delen van het land en de wereld en heeft het aangedurfd hier te ontkiemen en wortel te schieten. Als ware journalisten vragen wij dóór naar wat het bijzonderste is dat hij vandaag heeft gevonden, en dat is een dode buizerd. Dat valt dus feitelijk buiten het onderzoek maar wordt evengoed wel doorgegeven, zodat gekeken kan worden naar de doodsoorzaak. Wij vinden het schokkend om vervolgens te horen dat er blijkbaar ook mensen bestaan die deze vogels vergiftigen. Net waren we nog verrukt er één te zien vliegen.
Op onze beurt vertellen wij de meneer over onze tocht naar Den Haag, de meneer blijkt daar ook te zijn geboren en opgegroeid en zo wordt het een hartelijk afscheid. Hij stapt in zijn elektrische auto en laat zich door zijn dure gps het volgende coördinatenpaar wijzen. Even later komen we hem opnieuw tegen, in de andere richting. Met de zelfspot die Hagenaars eigen is bekent hij door het open raam dat hij verkeerd is gereden. Vrolijk zwaaien we hem na.

P1050298

Het is moeilijk de vinger er precies op te leggen maar we constateren dat de duinen er hier, richting Wijk aan Zee, wat anders uitzien dan rond Bergen en Schoorl. Het lijkt wat weerbarstiger, wat stekeliger, en beduidend minder deftig.
We treffen ook veel bomen en struiken die volledig zijn ingepakt door de spinselmot. De meidoornspinselmot, aan de restanten van de bomen te zien. De Yponomenta Padella. Het biedt een macabere aanblik. Spookachtig en ook een beetje viezig, die grote, wriemelende kluiten rups, maar het heeft dan eigenlijk ook wel weer iets. De getroffen bomen worden van top tot teen kaalgevreten door het krioelend gespuis, maar ik begrijp dat wanneer de vlinders gevlogen zijn de boom met nieuwe moed aan een tweede gebladerte begint. De natuur laat zich niet snel ontmoedigen.
De heckrunderen op ons pad kuieren wat door het bos. Ze zoeken de schaduw op. Er is er niet één die lekker in het zonnetje gaat staan, terwijl dat ook zou kunnen. Dat geeft enigszins te denken, denken wij, over het romantisch beeld van de Hollandsche koetjes in de wei. Die staan met dit weer waarschijnlijk toch ook liever in de luwte van de stal.
En zo voeren we onze gesprekken onderweg, over wat we zien en tegenkomen en wat daarvan te denken en te vinden. De Europese verkiezingen zijn vandaag, daar praten we wat over. Als we straks uitstappen op station Schagen zullen we daar gezamenlijk onze stem uitbrengen. We hebben fijne en serieuze vader zoon gesprekken, over de streken van het leven, het verleden, de toekomst, de liefde. Thuis in het dagelijks leven komen we daar niet altijd aan toe, maar al wandelend komt er veel aan de orde.

P1050314

Het Julianaplein in Wijk aan Zee doet er alles aan om een levendige indruk te wekken. Herberg de Posthoorn, Restaurant Klein Zwitserland, Club Star Aan Zee. Snack Corner, Super Kibbeling, Döner Combi. Tip Tourist Information en een Kunstontmoetingsplek. Maar het meeste lijkt dicht en Wijk aan Zee zo goed als uitgestorven. Zelfs het kerkhof naast de bakstenen kerk is maar matig bezet.
We kopen een ijsje bij de Snack Corner en vragen de dame die onze bolletjes schept of het druk is in Wijk aan Zee vandaag. We vragen naar de bekende weg. Maar het valt wel mee, zegt de dame. Wij nemen plaats op een bankje bij de kerk en eten ons ijsje. En wachten af.
Een zilvergrijze auto rijdt het plein op. Een man en een vrouw stappen uit. De man is kaal geschoren, is klein maar breed, breed maar klein, en heeft een stoer en gehaast loopje. De vrouw is blond, maar niet van zichzelf. Ze heeft diverse tattoos en streeft tevergeefs iets meisjesachtigs na. Uit de achterbak komt iets tevoorschijn dat wij na enig overleg thuisbrengen als een kooi voor een papegaai. De man brengt de onderdelen één voor één van de auto naar binnen. Ze wonen boven de Snack Corner. De voordeur valt telkens dicht, er zit waarschijnlijk een veer op, wat nu onhandig uitpakt. Als de man de laatste stapel ongeregeld naar huis loopt moet hij een paar keer terug om iets op te rapen wat onderweg van de stapel viel. Hij legt dat dan weer terug op de stapel. Ook de laatste keer werkt de deur niet mee. De vrouw brengt ondertussen de auto weg, want op het plein mag niet worden geparkeerd.
Dan komt een bejaarde met bretels en een olijk hoedje het plein op lopen. Met zijn handen in zijn zij roept hij een paar keer hard naar een man die, ondanks de warmte, zijn dakgoot staat te schuren. De olijke bejaarde komt niet boven het lawaai uit en moet zijn kreet een aantal keer herhalen voordat de schilder zijn schuurmachine uitzet, zijn oordoppen afdoet. Dan heeft de olijke bejaarde alle aandacht van heel Wijk aan Zee op zich gevestigd. Volgt de grap dat hij ook nog wel iets te schuren heeft.
Ons ijsje is op, wij vervolgen onze weg naar Beverwijk. De uitbater van Döner Combi zit moedeloos in zijn deuropening en kijkt ons niet na.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze etappe.

Ben + Tim

P1050885

Wandelend over de heuvelrug genaamd Der Schwarze Mann, in de Eifel, plaatselijk bekend als één van de hoogste, werd ik door meerdere bordjes uitnodigend gewezen op een bijzonder uitzichtpunt. Eifelblick, heette de route die ik liep, geloof ik. Een Aussichtanlage was het, met uitzicht op drie landen. Duitsland, uiteraard, België en Luxemburg. En dan ben ik toerist genoeg om even een kijkje te nemen.
In de berm was een iets verhoogd podium gebouwd dat ruimte bood aan minstens veertig belangstellenden. Met een stevig hek eromheen voor de veiligheid, een bank om op te zitten voor de ouderen en de corpulenten, en een informatiebord om op te lezen waar je welk land kon zien en waarom.
Ik zag het niet, maar dat vond ik niet erg. In een hoekje namelijk stond iets dat alles goed maakte.
Het was een bescheiden, eenvoudig maar vooral zelfgetimmerd bankje. Een restje schuttinghout, met twee handenvol ferme spijkers op evenveel aan de haard ontkomen stammetjes vastgenageld. Aan één kant volgens een min of meer symmetrisch systeem, aan de andere kant met een wat lossere aanpak. Aan beide kanten was goed te zien dat er flink getimmerd was.
Een rugleuning had het bankje niet nodig, dat was te ingewikkeld, maar op de zitting was een bordje gespijkerd waarop je kon lezen wie dit bankje gemaakt had. Dat waren Ben + Tim. Het stond er met zwarte stift geschreven, in onbeholpen letters en met zo’n verdraaide N.
Tim het oudere broertje, vulde ik ter plekke in, die al aan elkaar heeft leren schrijven, en Ben de jongste, die vooral zijn eigen naam heeft geoefend. De N blijft lastig. Papa heeft de datum erbij gezet. 25 4 19. Tim timmerde de rechterkant, Ben de linker. Papa trots het bordje. Samen hebben ze het naar hier gebracht, als geschenk aan de wereld. Met een beetje pijn in het hart achtergelaten misschien, zo’n mooi werkstuk.
Ik besloot even op dit bankje te gaan zitten. Ik had toch net trek in een appeltje. En een slokje water. Ik wilde toch net even rusten, om even wat te mijmeren.
Het uitzicht over drie landen kon mij verder gestolen worden, ik genoot dankzij dit bankje van een veel mooier uitzicht. Op de dagen namelijk dat deze papa zelf zijn dochter meenam naar het atelier, en later ook zijn zonen, gedrieën zijn eigen Tim en Ben, zo kort geleden nog maar, zo lang geleden alweer, om een dagje te zagen en te timmeren. Iets moois te maken, op eigen kracht, met een beetje hulp van papa, die toen nog alles wist en alles kon.
Uitzicht op de rijkdom van je bestaan. Het beste inzicht dat je kunt hebben. En geen bordje dat je er op wijst. Daar heb je een bankje als dit voor nodig.

Waxinelichtjes in aluminium cupjes

cropped-p1050848.jpg

Wandeling rond Sellerich-Hontheim, gelopen op maandag 5 augustus 2019

Vanuit ons vakantieverblijf in de Eifel maak ik vanmiddag een eerste verkennende wandeling. We logeren wat onderaan in een dal, dus waar ik ook besluit heen te lopen, het begint met klimmen. Flink klimmen, ook nog. Ik vind dat een soort van spannend, laat ik het nu maar bekennen, want sinds mijn hier tot nu toe verzwegen operatie vorig jaar is het voor het eerst dat ik dat weer doe. Wandelingen bergop leverden mij voorheen steevast de bekende pijn op de borst, waardoor ik elke klim in behapbare stukken of stukjes moest verdelen en telkens op adem moest komen. Waar ik in de loop der jaren behoorlijk behendig in was geworden. Overigens was ik er in de loop der jaren ook buitengewoon handig in geworden dit soort noodzakelijke pauzes te maskeren met een meer of minder uitgebreid fotomoment, een sanitaire stop, een slok water of het raadplegen van kaart of mobiel. Niet alleen voor eventuele medewandelaars, ook, of misschien wel vooral, voor mezelf.
Goed.
Van wandelingen thuis weet ik inmiddels wel dat, wat het me verder ook allemaal aan al of niet blijvende nasleep heeft opgeleverd, de pijn op de borst is verdwenen. In elk geval voorlopig, houd ik immer op mijn hoede een slag om de arm.

P1050845

Desondanks begin ik niet helemáál onbevangen aan de weg naar de top van dienst, der Schwarze Mann, wat trouwens een tikje onheilspellend klinkt, maar dat heb je wel vaker in het Duits. Het wordt zo’n klim waarvan je bij elke bocht of wending denkt dat je er wel zo’n beetje bent maar die dan telkens een nieuw stuk in petto heeft. Aanvankelijk moet ik een beetje zoeken naar een geschikt tempo, veel lager dan ik hoogmoedig heb ingezet, zoeken ook naar rust en vertrouwen in mijn lijf, maar zonder kleerscheuren of ademnood geraak ik boven. Hetgeen mij tot bescheiden tevredenheid stemt.
Onderweg hoop ik altijd wild te treffen. Een ree, of twee, een koppeltje wilde zwijnen.. ze moeten er zijn, in deze uitgestrekte bossen, er staat niet voor niets elke tweehonderd meter een Jagdstuhl – zo’n op stelten van multiplex en asfaltpapier in elkaar geflanste schiethut van waaruit de sportieve jager zijn prooi op zijn gemakje, zonder al te veel arbeidsintensief sluipen en achtervolgen, af kan knallen – maar ze laten zich niet zien. Niet aan mij. Het is niet de juiste tijd van de dag, weet ik natuurlijk ook wel, veel te warm, veel te vroeg. En een rammelende rugzak en dat eeuwig knerpende grind onder de wandelschoenen helpen ook niet echt. Ik moet het doen met een lui opvliegende blonde Greifvogel en het nodige klein grut waar ik de namen ook niet van weet.
Zoals mij wandelend in Duitsland al wel eens eerder gebeurde, kom ik ook vanmiddag de oorlog tegen. Halverwege de klim naar boven stuit ik op een monument dat oproept in de Here Jezus te geloven. Het monument is neergezet, lees ik, ter nagedachtenis aan drie mannen die hier, de eerste maand na de oorlog, bij herstelwerkzaamheden aan de waterleiding, op een landmijn stuitten. Of het een geallieerde of een Duitse mijn was vermeldt het verhaal niet. Ik vraag me een tijdje af of dat verschil zou maken, voor de tragiek ervan, maar kom er niet uit. De Here Jezus zat er verder niet mee in elk geval.

P1050863

Bovenop de heuvelrug tref ik een bunker. De resten van een bunker, met een door de tand des tijds aangevreten hek er nauwelijks nog omheen. Het lijkt mij een vreemde plek voor een bunker, zo lukraak midden in het bos, tot ik bedenk dat ik hier natuurlijk langs de Westwall loop. En dat dat bos er destijds waarschijnlijk niet stond en men vanaf dit hoge punt een riant uitzicht en vrij schootsveld over het aanpalende dal gehad zal hebben. Bunker, vermeldt een vervaagd opschrift in gothische letters, om misverstanden uit te sluiten. Het is een wanordelijke stapel grove brokstukken zwart en grijs beton waar de bewapening aan alle kanten roestig uit steekt. Alsof er met een enorme hamer op is geslagen hangt de tientallen centimeters dikke dakplaat aan zijn betonijzer in stukken naar binnen. Het lijkt er niet op dat dit ook het werk van de tand des tijds is. Het lijkt er meer op dat deze bunker met het nodige geweld aan zijn einde is gekomen. Dat zou dan dus oorlogsgeweld geweest kunnen zijn, ben ik geneigd te denken, want als het een naoorlogse opruimactie is geweest, waarom de brokstukken dan niet ook afgevoerd? De ellendige omstandigheden waarin mensen elkaar hier naar het leven hebben gestaan, ben ik geneigd er in gepaste stilte bij te denken.
Alweer op de terugweg bezoek ik nog een kleine, witte Mariakapel die we eerder al hadden zien afsteken tegen de groene verte. Het is opmerkelijk hoeveel kapelletjes, Maria’s en kruisbeelden je op de vreemdste en meest afgelegen plekken tegenkomt, waar ook vaak nog een kaarsje in brandt, of verse bloemetjes bij zijn gezet, in een vaasje.
Aan de rand van de weg ernaartoe staan eerst nog twee grote, klassiekerig uit brokken geel steen opgemetselde pilaren, in het niets. Restanten van een toegangshek, schat ik zo in. Nu slechts toegang biedend aan een lege weide, en het glooiend landschap erachter, maar eerder misschien aan de oprijlaan van een inmiddels verdwenen landhuis of burcht.
Een te romantische gedachte. Volgens een bijgeleverd bord gaat het om de Eingangstor zum ehemaligen Reichsarbeitsdienstlager Hontheim. Internet leert dat dit van 1933 tot 1945 dienst heeft gedaan als opvoedings- en werkkamp voor Duitse jonge mannen, die hier zes maanden verplicht te werk werden gesteld in de oorlogsindustrie. Er zou bijvoorbeeld gewerkt zijn aan benodigdheden en onderdelen voor de Westwall. Later, toen de jonge mannen op begonnen te raken, werden er ook vrouwen aan het werk gezet.

P1050925

Het kapelletje ten slotte, want daar kom ik voor, blijkt in 1948 te zijn opgericht ter ere van de heilige maagd Maria, als dank voor het feit dat Zij de plaatselijke bevolking zou hebben gered bij het passeren van de geallieerde frontlijn, 21 september 1944, in de nadagen van de oorlog. Maria geeft geen krimp, aan de muur van haar witte kapel. Zij laat het zich gewoon maar aanleunen.
Het is stil en vredig in het kapelletje. En warm. Op twee tafeltjes branden kaarsjes, waxinelichtjes in aluminium cupjes, op een eenvoudig altaar staan bloemen. Aan de muren zijn tal van bordjes geschroefd waarmee Maria dank wordt gezegd voor allerlei andere, niet nader benoemde verleende diensten – in marmer gebeiteld, geëmailleerd of aandoenlijk met naïeve hand in dito vrolijke kleuren geschilderd. Er hangt ook een geplastificeerd verzoek niet uit eigen beweging schildjes op de muur te bevestigen. Maria, nogmaals, ziet het allemaal onbewogen aan.
Als ik de gewijde stilte van het kapelletje weer verlaat, parkeert er juist een auto op het grindpad. Dat zal de koster wezen, denk ik, die de boel komt afsluiten. Als niet-religieus begin ik mij alvast schuldig te voelen voor mijn ironische, louter toeristische belangstelling voor deze verheerlijking, maar het blijkt al gauw dat de vermeende koster, geheel in het groen gekleed, met een heel ander oogmerk aan de rand van het bos komt parkeren. Dure groene tassen komen er uit de kofferbak tevoorschijn, onderdelen worden aan elkaar geschroefd. Mijn groet wordt niet beantwoord. Met plotseling enige huiver passeer ik de resterende Jagdstuhlen op weg naar ons tijdelijk huis.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Ei

ei

 

 

De ganzen hebben het niet slecht voor elkaar, zie ik bij mijn ochtendwandeling. Hun pullen zijn in een paar dagen tijd enorm groot geworden en nog altijd even talrijk als ik ze me van de vorige keer herinner, toen ze nog klein en hulpeloos waren. Ook nu worden ze nog fanatiek in een groep bij elkaar gehouden door de achterdochtige volwassenen, zijn ze nog pluizig en kunnen ze nog niet vliegen maar de puberleeftijd lijken ze al wel te hebben bereikt en het ziet er naar uit dat de plaatselijke ganzenpopulatie zich ook dit jaar weer succesvol heeft vertienvoudigd. De boeren schijnen daar niet blij mee te zijn en daar zullen ze hun redenen voor hebben maar ik vind het een mooi en bemoedigend gezicht, al dat jonge nieuwe leven. De eendenpullen van vorige keer zijn van de aardbodem verdwenen, zijn waarschijnlijk omgezet in andere diersoorten, en ook de kleine meerkoetjes zijn gedecimeerd. Boven mij zie ik mijn kiekendief zijn inspectierondjes draaien.
Uit de omringende bomen hoor ik een aantal koekoeks gestadig over en weer naar elkaar roepen, met de bekende kreet. Een gezellig geluid wel, al weten we natuurlijk allemaal dat schijn hier bedriegt. Telkens als ik denk er één zo dicht te zijn genaderd dat ik hem straks waarschijnlijk zie zitten, vliegt ie er snel vandoor en zie ik niets anders dan een vage flits. Ze zien mij een stuk eerder dan ik hen, zoveel is duidelijk, en aan pottenkijkers hebben ze geen behoefte.
Aan de kant van de weg zie ik een flinke kraai die een kapot gevallen ei staat leeg te vreten. Met zijn kop schuin gebruikt hij zijn snavel als lepel. Slim inderdaad, maar wat zijn het toch klotebeesten, kan ik niet na laten te denken. Ik weet wel, het is de natuur en kraaien moeten ook eten en hun jongen ook, en ik weet niet wat voor ei het is maar als er nooit eens iets wordt opgegeten worden het er ook gewoon wel weer teveel misschien, maar sneu vind ik het ook.
Ergens hoop ik dan maar dat het het ei van een koekoek is, want het is natuurlijk gewoon asociaal zoals die hun enorme ei bij een klein vogeltje in het nest dumpen, er zelf verder hun vleugels van aftrekken om in de volgende boom de hele lente lang een beetje gezellig koekoek naar elkaar te gaan zitten roepen. Dat die kraai nu op het randje van datzelfde nest heeft gezeten en heeft gedacht: ik pak lekker de grootste, die kleintjes laat ik liggen. Maar ja, wat kan zo’n ei daar dan weer aan doen?

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Mits

mits

 

 

Bij een genoeglijke wandeling langs bos en hei passeren mijn vrouw en ik een bordje waarop staat dat in het achter het bordje gelegen gebied honden los mogen lopen, mits zij geen overlast veroorzaken. Wij barsten altijd in lachen uit bij dat soort bordjes, al is het ook als een boer met kiespijn. Dat soort bordjes gelden meestal namelijk alleen voor de mensen zónder hond. Het mag inmiddels duidelijk zijn dat wij tot die groep behoren. Nergens tref je zoveel loslopende honden op je pad als na een bordje waarop staat dat de hond moet worden aangelijnd. Hondenbezitters laten zich niet graag de wet voorschrijven. Dat maakt het bordje waar wij nu langs wandelen ook tot een ingewikkeld bordje. Want wie bepaalt wanneer de hond overlast veroorzaakt? En wie gaat het baasje of het bazinnetje daar dan op aanspreken? En heeft u dat wel eens geprobeerd? Een hondenbezitter aanspreken op zijn gedrag? Of dat van zijn hond? Wij raden dat niet aan. Dat kan uw dag goed verpesten. Daar houden hondenbezitters nog minder van dan van bordjes. Dat blijkt ook nu weer, uiteraard, anders zou ik er niet over beginnen.
Het leuke van wandelen, vinden wij, is dat je onderweg van alles ziet. Niet alleen weidse landschappen, wolkenluchten en vergezichten, maar ook een specht die wegschiet, een bloemetje waar je de naam niet van kent of een mestkever die de grootste moeite heeft met de klus die hij moet klaren. De ingang van een hol, en de vraag die dat oproept van welk dier dat zou kunnen zijn. Dingen waar je bij stil blijft staan. Om er even wat langer naar te kijken, elkaar er op te wijzen, het er even over te hebben. Dingen waarvoor je dan wel eens door de knieën gaat, omdat het zo klein is. Iets waar je even bij gaat zitten, omdat het zich op de grond afspeelt. En als er dan plotseling een vrij grote hond uit het niets de hoek om komt draven en in je gezicht gaat staan blaffen, dan ervaar je dat als overlast. Wij wel tenminste. Dus daar gaan we.
Inmiddels hebben zich nog twee honden gemeld die weliswaar niet blaffen maar het wel duidelijk met hun soortgenoot eens zijn. Dan pas komen de baasjes de hoek om, waarvan er één nogal bars roept dat ‘er niks aan de hand is’. We hopen dat dat tegen de hond is, maar omdat we zelf net iets snauwerigs tegen de hond zeggen weten we dat niet zeker. Het lijkt ons wel een mooi moment om de baasjes er, het bordje van daarnet indachtig, op te attenderen dat wij het niet erg prettig vinden om zo intimiderend te worden toegeblaft. Dom natuurlijk, dat weten we zelf ook wel, maar je flapt er wel eens iets uit. Wat hadden we verwacht? Dat de baasjes ons gelijk zouden geven? Begrip zouden tonen? Zich zouden verontschuldigen en de honden bij de halsband zouden nemen? Nee, zo gaat dat niet. De baasjes vinden het maar flauwekul want wie gaat er nou op de grond zitten? Daar schrikt de hond toch van? Dan weet de hond toch ook niet meer waar hij aan toe is? Zeikerds, zijn we.
En dan zijn wij natuurlijk uitgepraat, want wat moet je daar nou nog tegenin brengen?

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.