Nog één keer terug naar de kust

Eerste etappe van het Groot Frieslandpad, van Bergen aan zee naar Schoorl, gelopen op donderdag 3 januari 2019

Na een noodgedwongen pauze van een jaar in onze wandelpraktijk voelde Bergen aan zee als een logisch en vertrouwd vertrekpunt voor een nieuwe grote tocht, die langs het Groot Frieslandpad. Nog eenmaal een etappe langs de kust, na eerder zo lang het Nederlands Kustpad te hebben gelopen. Nog eenmaal door de duinen en langs het strand, de zeewind in de haren en de neus, om de draad weer op te pakken. Nog één keer terug naar de kust. Een overgangsetappe, als het ware. Afscheid van het oude en opmaat tot het nieuwe.

p1020370

Het is een onverwacht mooie dag vandaag, met volop zon tussen een handvol te verwaarlozen felle buitjes door, en een meestentijds toch blauwe hemel, we konden het beslist slechter treffen. We zitten nog pal op de feestdagen, het jaar is nog vers, het is nog kerstvakantie.. kortom, we zijn niet de enigen die eropuit trekken. De strandtent, waar we ons nieuwe avontuur aanbreken met koffie zonder appeltaart, loopt langzaam maar zeker vol. Gezinnen met kinderen in het Duits, oudere stellen in deftige jassen met shawls en licht verwaaide kapsels, mensen met bodywarmers en trouwe viervoeters en kunstzinnige types met hoeden, we zitten niet voor niets vlakbij Bergen tenslotte, het zelfbenoemd kunstenaarsdorp.
Groot is het niet, Bergen aan zee, en we krijgen er ook niet veel van te zien, wat misschien ook weer niet zó erg is, afgaand op wat we er wel van zien. We omzeilen een heel stuk langs het strand en worden dan via de achteruitgang het duingebied in geleid.

p1020347

Vlak daarvoor, aan het eind van de boulevard, passeren we wel nog een rijtje wat oudere gebouwen, dat, hoewel statig en met de nodige allure, de opzichtige poenerigheid van wat er verder zoal aan deze goudkust staat mist, en dat een stukje van de nog jonge geschiedenis van het dorp vertegenwoordigt. Het Zeehuis, met aanliggende gebouwen, dat in 1908, in het toen nog nagelnieuwe Bergen aan zee werd gebouwd. In opdracht en op kosten van het Amsterdams Burgerweeshuis. En dat tot vlak voor de zestiger jaren van de vorige eeuw als kinderkolonie heeft gediend, waar Amsterdamse bleekneusjes, onder het regime van rust, reinheid en regelmaat, een aantal weken konden genieten van strand, bos en duinen, zon, zee en frisse buitenlucht. In één van de gebouwen ter linkerzijde schijnt later Adriaan van Dis nog te zijn geboren en turbulente jeugdjaren te hebben doorgebracht, altijd leuk om te weten dat soort dingen; het Zeehuis zelf is nu een natuurvriendenhuis van Nivon, waar we even binnenlopen om een kaartje voor het duingebied te kopen, zoals het de goed opgevoede wandelaar betaamt; en de gebouwen ter rechterzijde vertonen alle kenmerken van inmiddels in officiëlere status omgezette bewoning door krakers. Van hoog boven ons worden wij tenslotte nog gadegeslagen door Huize Glory, waarvan we alleen het overal bovenuit stekend torentje zien, dat de hele wandeling zichtbaar zal blijven aan de horizon.

p1020404

Tot aan Schoorl zullen we geen bebouwing meer tegenkomen. We wandelen door een afwisselend duinlandschap, klimmend en dalend over zanderige paden en paadjes, door luchtige eikenbosjes waarvan de boompjes al net zo onbezorgd vrolijk kronkelen als de paden zelf. Maar ook door compacte, bijna donkere naaldbossen, met kaarsrechte stammen in streng geometrisch gelid, die doen denken aan het onheilspellend bos uit De Noorderlingen, van Alex van Warmerdam. Waar je elk moment een postbode verwacht, die bij een vijver heimelijk brieven zit open te stomen, boven een fluitketeltje op het vuur. Of een bijziende jager op een herenfiets, met een geweer op de rug.
We wandelen over open vlaktes, waar wind en zand vrij spel hebben, en over heidevelden waarvan je het jammer vindt dat je te laat bent voor de bloeiperiode. Hoewel de natuur zich blijkbaar niet zo heel strikt meer aan al die opgelegde tijdschema’s houdt want we passeren ook een in volle, felgele bloei staande bremstruik, zodat we ons heel even in een nog wat fris voorjaar kunnen wanen. Verder zijn de kleuren winters. Maar als je goed kijkt zijn ze verre van somber. We zien het helle, bijna oplichtende groen van het mos dat opkruipt tegen wortels en stammen en dode stronken bedekt. Grote vlakken IJslands mos, met de kleur van koperpatina. Het roodbruin tapijt van dennennaalden dat over dalen en duinen glooit en dat, wanneer de zon er opstaat, opwarmt tot bijna vuurrood. En zelfs het zwart van de uitgebloeide en schijnbaar dode heide bestaat uit subtiele schakeringen van donkerbruin en paars.
Op het strand, dat we ook nog even aandoen, zien we een grote groep strandlopertjes schattig op één poot aan de rand van de branding staan, de snavels op de rug tussen de veren gestoken, wat drentelende scholeksters eromheen, met hun knalrode zwaarden recht vooruit. En meeuwen, natuurlijk meeuwen. In de duinen hangen geheel in het zwart gehuld als boze pubers wat grote grazers lusteloos in het rond.

p1020407

Niet ver van het strand van Schoorl zien we wat wind met het landschap kan doen. De bomen die hier groeien hebben zich goedschiks of kwaadschiks naar haar grillen geschikt: wat hoog is staat zwaar uit het lood geblazen en wat laag is gebleven zoekt het vooral in de breedte, en probeert niet boven het duin uit te steken waarachter het zich angstvallig verschuilt. Het biedt een bijzondere aanblik van weerbarstige meegaandheid.
We zien armzalige restjes bomen en gehavende staketsels eenzaam bij elkaar staan in een verder kale vlakte en vermoeden het gevolg van de grote bosbranden die hier zo’n tien jaar geleden hebben gewoed. Er is zelfs een roetroute uitgezet. We zien ook inderdaad stammen die een zwarte rok dragen, waar het vuur zichtbaar aan gelikt lijkt te hebben maar die de dans verder zijn ontsprongen. Tijdelijk. Want de naaldboom, die hier ruim honderd jaar geleden werd aangeplant om de dorpen erachter te beschermen tegen wegstuivende duinen en sindsdien in toenemende mate in alomtegenwoordigheid de boventoon heeft gevoerd, moet de laatste tijd en de komende jaren ruim baan maken voor nieuwe visies op deze natuur. Staatsbosbeheer, de eigenaar van het gebied, wil een meer afwisselend duingebied creëren, waar ook weer ruimte is voor stuivend zand, open vlaktes en zelfs de zee, zo af en toe. Voor heidevelden en loofbomen, nattere en drogere gebieden, een gezonder grondwaterpeil. Om zo ook uit beeld verdwenen planten- en diersoorten terug te brengen. We overtuigen onszelf ervan dat het ook in dit geval niet goed zal zijn alles altijd maar bij het oude te  houden, dat alles tenslotte altijd in beweging is. Het levert soms de treurig stemmende aanblik van hoge stapels in stukken gezaagde boomstammen op, en tijdelijk kaalgeslagen stukken duin, maar dat moeten we er dan misschien maar voor over hebben.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.
Lees uitgebreider over de wandeling langs het Groot Frieslandpad op het weblog samenuitenthuis.

Advertenties

De vogelen en de dieren des velds

IMG_0591

 

 

De lange wandelingen en dagtochten die ik graag maak, langs ’s Heeren wegen, en waar ik dan graag wijdlopige verslagen van schrijf, alhier, hebben er de afgelopen maanden niet ingezeten. Om gezondheidsredenen, zal ik maar zeggen. Nu gaat het weer de goede kant op. Het leven herneemt zich steeds meer. En omdat het belangrijk is vooruit te blijven denken en kijken, zonder al teveel omzien in wrok, én om weer een beetje op krachten te komen voor het echte werk, maak ik idealiter twee keer per week een ochtendwandeling. Ter revalidatiën ende vermaeck, zogezeid. Steeds zo’n beetje hetzelfde rondje, zodat ik kan bijhouden hoe de zaken er voor staan. En dat lijkt dan saai, maar dat is het dus niet. Je maakt van alles mee onderweg, als je je ogen maar open houdt.
Een groep smienten bijvoorbeeld, die fluitend en knorrend in een brede sloot op het voorjaar ligt te wachten, wanneer ze weer weg mogen, en elkaar ter voorbereiding op wat elders komen gaat hier alvast wat achterna zit, met veel nat misbaar. Ik blijf er telkens even bij staan en begin al aan ze te denken als ‘mijn’ smienten.
Een witte reiger, die veilig op grote afstand blijft maar niet te missen helwit afsteekt, tegen de donkerbruine, leeggetrokken akkers. En verderop nog één. En nog verderop een derde. Hoewel het natuurlijk ook steeds dezelfde kan zijn, bedenk ik hardop bij mezelf, die achter mijn rug steeds snel een nieuw plekje opzoekt. Om míj in de gaten te blijven houden wellicht. Het zal wel niet, maar het is leuk om te denken.
Dat ze me in de gaten hebben, de vogelen en de dieren des velds, is duidelijk: zodra ik stil sta om ze te fotograferen, gaan de koppen en de kopjes waakzaam omhoog, en bij de minste beweging daarna zijn ze gevlogen. Behalve de schapen. Die blijven staan, en kijken me schaapachtig aan. Hoe anders?
De donkerbruine, leeggetrokken akkers ondertussen, bieden ook zo hun eigen uitzicht, met lange rijen blonde stoppels die na de oogst zijn achtergebleven, tussen de kluiten, en nu een vreemd en oneindig ritme aan lijken te geven.
Dan twee eenden die pas op het allerlaatste moment besluiten toch maar op te vliegen, met veel geraas, en daarmee de volle aandacht op zichzelf vestigen, waar ik ze eerder niet eens had gezien. Ik schrik er bijna van. Gelukkig ben ik geen jagerman.
Twee zwanen, het grijze lelijke-eendjes-dons nog niet helemaal verdwenen, die, al wel met de arrogantie hen eigen, gracieus maar argwanend voorbij komen drijven.
Een boom die zijn bladeren lijkt te hebben vervangen door een wolk spreeuwen, genoeglijk kwetterend in het bleke tegenlicht.
Een vlucht ganzen vliegt toeterend over, in traditionele formatie.
Boterbloemen zo hier en daar nog eigenwijs en onverdroten in bloei, al is het nog zo diep in november.
Fietsers en medewandelaars die mijn vriendelijk groeten welwillend beantwoorden en mij verzoenen met de mensheid.
Het is allemaal vlak bij huis en helemaal niks bijzonders. Toch word ik er elke keer heel gelukkig van.

Specht

IMG_7357

 

Vanochtend vroeg wandelde ik dan weer eens mijn vaste rondje om de dag mee te beginnen. Ik zeg vanochtend vroeg, maar dat klinkt eigenlijk wel erg opgewekt zonnegroeterig en zo was het nou ook weer niet. Het was niet bij het krieken van de dag in elk geval want daarvoor zit er alweer bijna teveel voorjaar in de lucht. Daarvoor moet je alweer bijna té vroeg je bed uit, voor het krieken van de dag. Het was vóór achten, okay? Dat is vroeg genoeg. En mijn vaste rondje was het ook niet helemaal want ik had er een stukje aan vastgeplakt. Maar verder wandelde ik vanochtend vroeg dus weer eens mijn vaste rondje. Om de dag mee te beginnen.
En ergens in dat stukje dat ik eraan had vastgeplakt hoorde ik dat typisch spechtengeluid, een roffelend trrr waar ik altijd erg blij van word, om één of andere reden. Al moet ik er bij toegeven dat ik te weinig een kenner ben om niet af en toe te twijfelen of ik nou een specht hoor, of hout dat door de wind langs elkaar beweegt. Ook omdat de bijbehorende specht zich maar zo zelden laat zien. Ook nu twijfelde ik in eerste instantie, het geluid klonk raar hard en had iets van een kunstmatige galm. Ik speurde vergeefs de bomen af, hoorde het geluid nog een paar keer en zag toen vlakbij de specht zitten. Gemakshalve schatte ik hem in als de grote bonte, de Dendrocopos Major, omdat dat geloof ik de meest algemene is, in deze contreien. Maar als gezegd, een kenner ben ik niet en ik weet niet precies hoe groot de grote en hoe klein de kleine is, laat staan dat ik op dat moment al wist dat er ook nog een middelste bestaat. En een witrugspecht bovendien. Enfin. Deze specht zat niet tegen een boom maar op het dakje van een lantaarnpaal. Speciaal voor mij gaf hij nog een roffel weg. Dat klonk lekker door, zo’n hardplastic dakje met een klankkast eronder.
Dus dan denk je: zo’n specht is niet achterlijk. Die weet heus wel dat er niets te halen valt in zo’n door mensenhanden geschapen plastic geval. Dat het ook geen handige nestplaats is, zo midden op straat. Dus als hij er dan toch zo enthousiast op zit te tikken, dan moet dat haast wel zijn omdat hij het zelf ook wel lekker vindt klinken, zo’n versterkte beat. Wel zo effectief. Hij zit daar natuurlijk zijn territorium af te bakenen, de lente hangt behoorlijk in de lucht tenslotte, en zo kunnen ze van verre al horen dat híj hier zit. Dat ze uit de buurt moeten blijven. En wie weet wat er nog aan vrouwtjes op af komt.
Ik kon het hem niet vragen, jammer genoeg, of ik gelijk had, want zodra hij mij in de gaten kreeg, ging hij er snel vandoor. Dus misschien is het onzin. Maar ik vind het wel leuk om te denken van niet.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Meeuw

IMG_6006

 

Bij mijn dagelijks bedoelde ochtendwandeling werd ik vandaag ingehaald door een meeuw. Wat voor meeuw het precies was, daar waag ik me niet aan want het was waarschijnlijk een andere, maar ik vermoed de Larus Canus. Het beest vloog laag over me heen, maakte een capriool en landde een tiental meters verderop op het asfalt. Daar bleef hij zitten. Toen ik te dicht bij kwam naar zijn smaak trippelde hij een stukje voor me uit, vloog dan toch maar op om nauwelijks twintig meter verder opnieuw te landen. Dit herhaalde zich een aantal keer. Opvliegen, landen, wegtrippelen, opvliegen en weer landen.
Je bent dan geneigd zo’n beest een beetje onbenullig te vinden. Waarom steeds zo’n klein stukje vooruit vliegen? Waarom niet links of rechtsaf de oneindige weilanden in? Veilig achter een sloot. Waar je geen wandelaar tegenkomt, waar je steeds zo lastig voor op moet vliegen. Of als je misschien per se op het asfalt wilt zitten, waarom dan niet de andere kant op gevlogen? Waar de wandelaar al geweest is. Je zou verwachten dat een meeuw dat vanuit de hoogte wel een beetje kan overzien. Dat het gevaar op de grond wel een beetje wordt ingeschat.
Tot je je na een tijdje plotseling afvraagt of het misschien niet zo zou kunnen zijn dat die meeuw nieuwsgierig is naar jou. Dat ie wel op zekere afstand wil blijven, maar je toch eens wat beter wil bekijken. Wat jij er voor eentje bent.
En ik geloof verdomd dat dat het was.
Na vier of vijf keer besloot ik zelf ook eens stil te houden, op precies de kritieke afstand, net vóór het moment van opvliegen. Ik bleef staan. De meeuw bleef zitten. Een tijdje stonden we elkaar zo stilletjes te bekijken. Een tijdje stonden we elkaar áán te kijken, de meeuw en ik. Zo had ik een meeuw nog nooit gezien. Zo had ik een meeuw nog nooit bekeken.
Na deze korte ontmoeting vervolgden we ieder ons eigen weg. Van de meeuw weet ik het niet, maar ik had iets bijzonders meegemaakt.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Graanrepubliek in winterslaap

cropped-20171229-nk-kost-bad-2.jpg

Laatste etappe van het Nederlands Kustpad, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans, gelopen op vrijdag 29 december 2017

Het wordt een bijzondere dag vandaag. Daar hoeft al niets bijzonders meer voor te gebeuren. Vandaag lopen we het laatste stukje van het Nederlands Kustpad. Een staartje rest ons slechts, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans. Vier jaar geleden stapten we in Hoek van Holland uit de trein voor het eerste stuk naar Den Haag – Zeeland sloegen we over, dat viel niet te bereizen – en meanderend door het leven en de seizoenen liepen we vervolgens in zo’n dertig etappes langs de kusten van Zuid- en Noord Holland, Friesland en Groningen. Met de kop in de wind en de zon op de bol welgemoed langs de rand van het land. Een prachtige wandeling, elke keer weer. Een weblog vol. En vandaag bereiken we dan wat al die tijd onze eindbestemming is geweest. Daar zouden we trots op kunnen zijn, zou dat in onze aard hebben gelegen. Maar goed. Vandaag komt een periode ten einde. Zo voelt het ook. Laten we er maar geen drama van maken, er valt nog genoeg te wandelen.

DSC01534

Het is 29 december. Ook het jaar is bijna af, de kerst zit er al op. Het is koud maar onbewolkt. De zon staat laag en werpt lange, lange schaduwen. Wanneer we in Kostverloren van de weg af landinwaarts buigen, strekt zich een oneindig niets voor ons uit. Kale akkers, lege velden. Door geen huis, geen schuur, geen boom of struik onderbroken leegte tot aan de in koude nevelen gehulde einder. De graanrepubliek in winterslaap. Lange rechte stukken, door een modderig weiland langs een sloot. Onder de blauwe hemel. In de zilveren zon.
Goed, de graanrepubliek mag in winterslaap zijn, ter sprake komt hij toch, wanneer we Nieuwe Beerta bereiken. Beiden lazen we het boek van Frank Westerman, over de soms grimmige geschiedenis van deze streek. Over de enorme tegenstellingen en verschillen tussen landeigenaar en landarbeider. Tussen arm en rijk. Een geschiedenis die zich niet afspeelde in een duister, ver verleden maar gewoon in de twintigste eeuw. Gisteren. Recente, vaderlandse geschiedenis. Zo recent dat het lijkt of we er hier, in Nieuwe Beerta, de nog verse sporen van kunnen zien.

DSC01562

We lopen binnen door een verzameling nogal verwaarloosde, verveloze huizen, barakken bijna, dichtgetimmerd hier en daar, met rommelige, onverzorgde erven waar een wat armoeiig, vrijbuiterig sfeertje omheen hangt. Op de grens van die bebouwing, aan de hoofdweg, tegen de achtergrond van nog meer lege graanvelden, staat een kerkje op zijn wierde zich van geen kwaad bewust te zijn. Links en rechts de hoofdweg afkijkend zien we dan, zover het oog reikt, op riante afstand van elkaar, kastelen van huizen staan. Paleizen met torentjes, balkons en erkers en serres, gelegen in onafzienbare tuinen. Hier hebben ze dus gewoond, de herenboeren. Temidden van hun rijk bezit, onder het goedkeurend oog van dominee en de Heere. Rijk geworden van het graan, de vruchtbare bodem, de stijgende graanprijzen en de laag gehouden lonen.
Op een informatiebord lezen we van de landarbeidersstaking van 1929, met als inzet een eerlijker loon. Een staking die door het gezag als communistische opstand werd gezien en met harde hand werd neergeslagen. Arbeiders die om hun goed recht ontslagen werden, hun huis uit werden gezet en in het gevang belandden. Landeigenaren die zich onverzettelijk toonden, geen dubbeltje méér wensten te betalen en kerk en staat behaaglijk achter zich wisten. Zelfs op de verderop gelegen begraafplaats zijn achter de fraaie toegangshekken de verschillen te zien, menen wij. Zeer eenvoudige stenen van cementbeton en sobere graven steken karig af tegen rijkversierde, gebeeldhouwde en ruim opgezette zwart natuurstenen familiemonumenten. Hoe het er in het hiernamaals inmiddels voor staat, dat weten we niet. Maar we maken ons geen illusies.
We lopen nog een eindje verder door het barre land, volgen even een spoorlijntje zonder bovenleiding en staan dan, na vier jaar wandelen, vrij plotseling in Bad Nieuweschans. Voorheen heette dat gewoon Nieuweschans – denk maar aan Jans Pomerans, die er vandaan komt – maar omdat men heeft besloten zichzelf in de wellnessbusiness op de kaart te zetten is er een jaar of tien geleden het Duits te interpreteren Bad aan toegevoegd. In de hoop dat de toeristen daar in groten getale op af zouden komen.

DSC01641

Om onze wandeling ook echt en wel zo leuk tot het allerlaatste eind te volbrengen, lopen we door tot aan de Duitse grens. Dat pakt onderweg heel aardig uit want zo komen we ook terecht op een ruim, wat ovaalvormig plein dat enige historie doet vermoeden, met statige oude gevels en een piepklein met leisteen afgewerkt torentje, uitgestald rond een zeer langgerekt grasveld. Terwijl we wat rondkijken en fotograferen en ons afvragen of dat grasveld misschien ooit water is geweest dat werd gedempt, een haventje zelfs misschien, en of dat torentje nou wel of niet van een kerkje is, stopt er een meneer op de fiets die zich niet zonder trots bekend maakt als journalist, redacteur én uitgever van de plaatselijke online nieuwsdienst en ons genoeglijk voortbabbelend wegwijs maakt in Nieuweschans. Zo weet hij te vertellen dat het plein waar we staan in vervlogen tijden een exercitieterrein is geweest, we spreken dan van begin 17e eeuw, het staartje van de Tachtigjarige Oorlog. Nieuweschans was toen een juist opgeleverd vestingstadje als Bourtange en huisvestte in de bebouwing om ons heen enige compagnieën soldaten en kanonniers, zijstraten van het plein heten nog altijd eerste en tweede kanonnierstraat. Het torentje is van 1631 en hoort niet bij een kerkje maar completeert de Hoofdwacht, het gebouw waarvoor ieder uur ceremonieel de wacht werd gewisseld.
Verder is er, in tegenstelling tot wat wij in de gauwigheid menen te hebben gezien, geen sprake van leegstand in Nieuweschans, vertelt de man. Eerder van woningnood. Jongeren trekken weg uit het dorp omdat er niet voldoende geschikte woonruimte is. Werk is er genoeg, bij de bronnen van Fontana en de strokartonfabriek. Probleem is dat er wegens verordeningen ook niet echt gebouwd mag worden, aldus nog altijd onze correspondent, maar, weet hij ook, daar gaat verandering in komen. Er wordt gewerkt, aan Nieuweschans. Economische prikkels staan op stapel. Ook de oude locomotievenremise, waar we bij binnenkomst langs zijn gelopen, wordt straks heringericht en zal als Centrum van de Graanrepubliek ruimte gaan bieden aan allerlei hippe initiatieven rond het thema graan, zoals een bierbrouwerij, een bakkerij en restaurants waar gekookt wordt met lokale producten. Nieuweschans, nogmaals, wordt op de kaart gezet. Op het randje ervan misschien, maar niettemin.

DSC01632

Aan de grens met Duitsland dan, ons eindpunt, worden we verwelkomd door een dame met twee honden. Met enige bewondering in haar stem en blik constateert ze dat wij Het Pad lopen. Daar heeft zij diep respect voor, laat zij ons weten. We nemen haar compliment met gepaste bescheidenheid in ontvangst al vinden we diep respect wat overdreven, we hebben tenslotte niet eens echt het héle pad gelopen maar zijn in Hoek van Holland gestart. Als we even later een bord bestuderen waarop onze wandeling in lijnen en stippen op een kaart staat afgebeeld, zien we dat het Nederlands Kustpad deel uitmaakt van een veel groter geheel, een wandelroute namelijk die zich uitstrekt van zuidelijk Spanje tot aan St Petersburg toe. We vragen ons voorzichtig af of de dame ons niet verkeerd heeft begrepen. Hoe dan ook blijkt eens te meer dat, al staan we hier aan het eind van deze tocht, er nog voldoende te wandelen over blijft. Waarvan akte.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Carel Coenraads Zwelpasta

cropped-header-kostverloren.jpg

Van Termunterzijl naar Kostverloren, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 16 december 2017

In het visrestaurant in Termunterzijl, waar wij onze toevlucht hebben gezocht, maakt men zich op voor een lange, drukke dag. Er wordt gesjouwd met emmers ijs, de vis wordt in de vitrine uitgestald en ondertussen wordt de loodgieter gebeld voor een dakgeute die slim lekt. Buiten regent het nog hard genoeg voor een tweede cappuccino. Net als de eerste wordt die geserveerd met twéé koekjes én een hartje in het schuim. Dat blijkt zelfs genoeg om de lucht wat op te klaren en de rest van de dag zullen we het bijna helemaal droog houden, al zien we ook duidelijk dat dat niet voor de wijde omgeving geldt. Langs de horizon, die hier rondom ons is, zien we vele donkere luchten voorbij trekken en hun zware lading lozen. Soms krijgen we er een afgewaaide vlaag van mee, maar het deert ons niet. Sterker nog, met mooi en zomers strakblauw weer zou het wel eens saai kunnen zijn geworden op deze kilometers lange, kaarsrechte grasdijk met links de zee en rechts de polder, beiden schier oneindig uitgestrekt. Maar vandaag, met ieder moment een andere lucht, en nieuwe dreigende, of minder dreigende maar altijd schilderachtig voortgejaagde wolkenpartijen, in vele kleuren grijs en blauw, tot bruin en zwart aan toe, met regenbogen, of flarden daarvan, of aanzetten daartoe, en telkens ander licht dat het landschap van kleur en sfeer doet veranderen.. vandaag verveelt het geen moment. Het is een fascinerend schouwspel dat we krijgen voorgeschoteld. En als het aan het eind van de dag dan toch even recht boven ons losgaat en de regen ons koud en scherp in de ogen striemt, nou ja.. dan moet dat maar. Dan is het het waard geweest.

DSC01470

In Termunten lopen we rond de Ursuskerk. We hebben er al veel gezien in Groningen, van deze kleine, middeleeuwse, bakstenen kerkjes die op hun wierde boven het dorpje uit staan te steken, maar we krijgen er niet snel genoeg van. Ook dit kerkje is ronduit schitterend, met siermetselwerk en smalle hoge ramen in een gotisch aandoende gevel. In de zij- en achtergevel zit een hele rij laaggeplaatste bloemvormige vensters. In Oldenzijl werd van een dergelijk venster gezegd dat het een hagioscoop zou zijn, een gat in de muur waardoor mensen die de kerk niet mochten betreden buiten toch de mis konden volgen. Dat dat hier ook het geval is geweest lijkt onwaarschijnlijk, daar zijn het er toch teveel voor. Er zouden meer mensen buiten staan dan binnen zitten. Zó hardvochtig kan de Heer toch niet zijn.
Eenmaal op de dijk en op weg zien we de toren nog lange tijd als een baken aan de horizon. Natuurlijk zijn de windmolens hoger, de fabriekssilhouetten en de rook brakende schoorstenen groter, toch heeft het kerkje, vinden wij, meer gezag. Dat komt door de ouderdom, filosoferen wij. Het idee dat mensen dit torentje al honderden jaren geleden boven hun vlakke, lege land zagen uitsteken ontroert ons op één of andere manier. Later blijkt dat we hier iets te romantisch door de bocht gaan omdat de toren die ons nakijkt pas in 1951 werd aangebouwd. Maar goed, het ging om het idee. En in de Middeleeuwen stond er een andere, een losse toren naast de kerk, dus helemaal flauwekul is het ook niet.
Even boven Termunten stuiten we, niet verwonderlijk langs het Kustpad, niet voor het eerst op de Atlantikwall. Rechts in het land zien we wat lage, bakstenen barakken staan, een verlopen bunker, links aan het water een betonnen geschutssokkel. Een en ander maakt onderdeel uit van de voormalige Batterie Fiemel, die bedoeld was om de haven van Emden, aan de overkant, te verdedigen tegen geallieerde luchtaanvallen. Het blijkt dat hier in de laatste dagen van de oorlog nog zwaar is gevochten en dat dit stukje Groningen het laatst bevrijdde stukje Nederland is geweest.


DSC01556

Bij de punt van Reid maken we een scherpe bocht naar rechts om onze weg te vervolgen langs de Carel Coenraadpolder, een naam die tot de verbeelding spreekt en ons vrolijk terug doet denken aan Koenraads Kleefpasta, uit de verhalen van Pippi Langkous, hoewel hij genoemd is naar de toenmalige commissaris van de Koningin, Carel Coenraad Geertsema. De polder ligt in de zogenaamde graanrepubliek, waarover wij het gelijknamige boek van Frank Westerman lazen. Ons wandelboekje rept van een Amerikaans aandoende grootschaligheid: een gebied van grote en weidse akkers, zonder verstedelijking en alleen hier en daar een boerderij. We zien wat er bedoeld wordt, de sky is big inderdaad, maar we lopen op een dijk, links is de zee en rechts wordt het land ook weer in vakken opgedeeld door een netwerk van binnendijkjes, dus het is wel Amerikaans op zijn Hollands. Waar verder niks mis mee is trouwens. Deze Groningse polders waren meteen zó vruchtbaar dat de toch waarschijnlijk niet onaanzienlijke kosten van de landaanwinning er met de eerste de beste oogst al uit waren. We vermoeden dat het plaatsje Kostverloren, waarvan we ons dat al afvroegen, daar zijn naam aan te danken heeft. En van intrigerende namen gesproken, vlak ernaast ligt Hongerige Wolf. Waarom dát zo heet wordt uitgelegd op  het weblog Groninganus. Wat latijn is voor ‘hij die van Groningen komt’. We zeggen het er maar even bij.

DSC01537

Op de dijk ondertussen treffen we een bijzondere paddenstoel. Een wat pokdalige fallus is het, die zich licht gekromd zo’n vijftien centimeter uit het gras verheft, wit en slijmerig. Een echte hoed heeft hij niet, hij is hooguit wat afgeplat van boven. We hebben geen idee wat het is, maar dat hebben we eigenlijk nooit. Bij exemplaren die we verderop tegenkomen zien we een soort gelobde steel, maar dat helpt niet. We nemen wat foto’s om de zaak thuis te determineren. Dan begint het ons op te vallen dat deze paddenstoel altijd alleen staat. En altijd precies bovenop de dijk. In het midden, ook nog. En, nu we de boel eenmaal zijn gaan wantrouwen, eigenlijk ook steeds ongeveer op dezelfde afstand van elkaar. Dit zijn geen paddenstoelen besluiten we dan, en recalcitrant trappen we er één omver voor nader onderzoek. Het blijkt een soort klei te zijn die op gezette afstanden in een gat in de dijk is gespoten. We vermoeden dat er grondmonsters zijn genomen en dat de gaten zijn afgedicht met klei. Een lezing die later wordt bevestigd door het waterschap Hunze en Aa’s, dat we met de vraag benaderen. Het gaat om een onderzoek naar de veiligheid van de dijk. En de klei die is gebruikt blijkt zwelklei te heten. Zwelklei. Dat moet wel bijzondere klei zijn, die onze dijken zo heldhaftig waterdicht houdt. Onze verbeelding dwaalt dan toch weer af naar de wonderbaarlijke Kleefpasta van Koenraad. Zwelklei. Carel Coenraads Zwelpasta.

DSC01577

Dan komen we bij het Ambonezenbosje, zoals het in de volksmond heet, want officieel schijnt het naamloos te zijn, al rept wikipedia dan weer van Dollard Süd en staat het op de bordjes weldegelijk aangegeven als Ambonezenbosje. Goed, als bos mag het inderdaad geen naam hebben, dit plukje bomen, maar het staat er niet voor niets. Het is ooit neergezet om de herinnering aan wat er was uit te wissen. Die het nu, door er te zijn, juist in leven houdt, zou je kunnen zeggen. Een stukje vaderlandse geschiedenis dat in 1923 begint, het geboortejaar van deze polder. Voor de arbeiders – te werk gestelde werklozen – die het zware werk van de landaanwinning verrichtten, werd hier een handvol barakken neergezet waarin zij onder waarschijnlijk niet al te florissante omstandigheden konden verblijven. Na de oorlog werden dezelfde barakken gebruikt om NSB’ers in op te sluiten, naar verluidt onder een schrikbewind waar de gemiddelde Duitse kampleiding zich eerder niet voor zou hebben geschaamd. Tussen 1953 en 1961 tenslotte deed het kamp dienst als huisvesting voor driehonderd Ambonezen die in onze koloniale oorlog, pardon, politionele acties als KNIL-militairen aan Nederlandse zijde hadden gevochten. Dat geeft toch te denken, dat je mensen die voor jouw land gevochten hebben wegstopt in dezelfde barakken waarin je landverraders hebt opgesloten gehouden. Barakken die in 1923 effe snel werden neergezet om uitgebuite arbeiders in op te hokken. Dat de Ambonezen in de allerverste, meest verlaten uithoek van ons land werden opgevangen geeft ook te denken. Temeer daar ze er in 1961 met politiegeweld weer werden verdreven met het argument dat ze moesten integreren. Er wordt in dit koninkrijk vaak nogal hoog van de toren geblazen over normen en waarden, en het eigen blazoen wordt liefst als brandschoon gezien, maar het zou ook wel eens kunnen dat we hier niet zo heel veel beter zijn dan de rest van de wereld. Dat zou best in herinnering mogen worden gehouden. Het is goed dat het bosje dat doet.

DSC01636

Aan het eind van de polder, waar we landinwaarts trekken, bij de laatste boerderij van het laatste stukje Nederland, wordt ook iets in herinnering gehouden. Ter gelegenheid van de dijkverzwaring werd hier in 1987 een kunstwerk geplaatst van Arie Berkulin. De titel van het beeld is Hongerige Wolf, naar het aanpalende plaatsje waarschijnlijk, al kan natuurlijk ook de zee worden bedoeld. Het bestaat uit een tiental rechtop in een patroon in de grond gezette zandzuigerbuizen die, mag je aannemen, gebruikt zijn bij de herdachte dijkverzwaring. Door er al lopend naar te blijven kijken verandert voortdurend de aanblik en het aantal buizen dat je ziet doordat ze zich voor het oog telkens achter elkaar verschuilen en weer tevoorschijn springen, al naar gelang. De kunstenaar wil hiermee constante beweging suggereren, lezen wij. Omdat de zee ook voortdurend in beweging is, kun je denken. En het land uiteindelijk ook. Het hele leven. Doordat het beeld op een aarden wal staat, een terp als het ware, refereert het naar ons idee ook aan de kleine Groningse kerkjes die overal dapper stand houden, tegen alle beweging in. Of de kunstenaar dat óók bedoeld heeft weten we niet, maar dat is het leuke van kunst: je mag het helemaal zelf weten, wat je erin ziet en wat je ervan vindt. Wij vinden het een mooi en krachtig beeld.
De hele dag dat wij hier wandelen hebben we om ons heen knallen gehoord die we na verloop van tijd in verband zijn gaan brengen met de links en rechts voor ons wegschietende hazen. Hier worden voorbereidingen getroffen voor een zalig kerstfeest. Het zal wel schijnheilig en weekhartig zijn, maar we beklagen de hazen. Het komt ons voor dat ze geen schijn van kans hebben in dit lege, lege knollenknollenland, al proberen we ze wel te waarschuwen. Vlak voor Kostverloren zien we tenslotte twee jagermannen die hun auto in het doorweekte gras hadden geparkeerd en hem nu niet meer uit de blubber krijgen, al is het slechts een eenvoudig Berlingootje. Daar moet een toevallige voorbijganger met een burgermans suv aan te pas komen, om dat weer op het droge te krijgen. Tja, denken wij.. wel op onschuldige haasjes schieten, maar niet je eigen auto uit de prut kunnen duwen.
Verderop blijkt onze auto ook vast te zitten in de prut.
Maar wij wandelaars, wij staan ons mannetje.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

 

Industriële vergezichten

cropped-header-20171209-21.jpg

Van Tjamsweer naar Termunterzijl, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 1 december 2017

Logistiek is het gekkenwerk natuurlijk, maar we hebben het in ons hoofd gezet dat we het Nederlands Kustpad nog dit jaar willen afronden. Een race tegen de klok. Niet zozeer omdat het jaar bijna is afgelopen, we schrijven december, maar vooral omdat het laatste stukje Groningen met een reistijd van ruim twee-en-een-half uur nou niet direct naast onze respectievelijke deuren ligt en het ’s middags vóór vijven al donker is. We schrijven niet voor niets december. Niettemin starten we de dag optimistisch onder de kerktoren van Tjamsweer. Het is koud, er ligt zelfs een vliesje ijs op de sloot rond het kerkhof, maar de zon schijnt ook, het is een kraakheldere, veelbelovende dag.

DSC02962

Tjamsweer lijkt niet heel veel meer dan haar kerk te zijn want zodra we de weg zijn overgestoken lopen we Appingedam binnen. Een plaatsnaam die, we durven het bijna niet te zeggen in deze tijden van tweedracht en kloofdenken, bij ons voormalig randstedelingen geen grootse beelden oproept. Dat blijkt ten onrechte. Appingedam heeft een schitterend historisch stadsgezicht, met krommende straatjes en stokoude huisjes, karakteristieke geveltjes, de grootste kerk uit de Groningse ommelanden naast een raadhuis uit 1638 op het plein, een eigen museum en hangende keukens boven de gracht. Een plaatje.
Bij de koffie krijgen we aanspraak van de bediening, die ons met toenemende verbetenheid uit de doeken doet hoe de andere kant van de medaille eruitziet, in mooi Groningen. Huizen die permanent in de stutten staan, telkens opnieuw scheuren en langzaamaan onverkoopbaar zijn geworden. De frustratie daarover, over hoe daarmee om wordt gegaan, is zeer voelbaar. Onze machteloosheid moet ook te merken zijn want na enige tijd wordt overgeschakeld op het weer, dat heerlijk is, en kunnen we veilig de aftocht blazen.

DSC03005

Voordat Delfzijl het overnam was Appingedam, in een economische bloeitijd, een stad van enige industriële betekenis, lezen wij later op internet. Met onder meer een steenfabriek, een strokartonindustrie en een kalkoven. Even buiten de oude stad, aan het Damsterdiep, komen we daarvan een overblijfsel tegen. Industrieel erfgoed, mogen we aannemen. Een witgepleisterd kantoorgebouw, dakpannen, een rood bakstenen fabriekshal met zo’n iconisch zaagtanddak, een bakstenen schoorsteenpijp, een trapgeveltje en eenvoudig, wat hoekig siermetselwerk. Honderd jaar geleden zal het een indrukwekkend groot complex geweest zijn. Vandaag, afgezet tegen wat we verderop rondom Delfzijl nog te zien krijgen, valt vooral de menselijk maat op. Hier werd, leert internet ons, tussen 1907 en 2004 de zogenaamde Bronsmotor geproduceerd, een vinding van de Groningse bouwvakker Jan Brons. Een zuinige maar krachtiger variatie op de dieselmotor, begrijpen we ervan. Zware motoren, toegepast onder meer in de scheepvaart en in gemalen.
In Delfzijl zien we dan voor het eerst weer de zee, dat wil zeggen, de Eems. Het is eb. Het kost enige moeite de zeedijk te bereiken, omdat Delfzijl zich opmaakt voor de toekomst, blijkens een metershoog banier, wat in het heden de gebruikelijke rommel geeft. Her en der rijdt zwaar materieel, overal liggen hopen zand en steen en staan bouwhekken en borden die de vrije doorgang ontmoedigen. Rechts wordt een jaren zeventig flat duurzaam afgebroken. Esthetisch gezien lijkt het ons geen groot verlies, maar in de Volkskrant lezen we later in de week een reportage over de laatste bewoners, die er veertig jaar met veel plezier hebben gewoond. Zijn we toch weer elitair bezig verdorie. Belangrijk argument voor sloop was trouwens, dixit de Volkskrant, dat het gebouw niet voldoende aardbevingsbestendig was. Waarmee de nieuwe Groningse werkelijkheid dus andermaal om de hoek komt kijken.

IMG_3800

Over de kruin van de zeekering, een smal betonnen pad met aan weerszijden een borstwering, lopen we in ganzenpas om Delfzijl heen, een fantasieloze omgevallen blokkendoos met veel geparkeerd blik. Voor de charme van Delfzijl moeten we toch echt aan de andere kant zijn. Daar zien we de Eems in het blauw oplossen, één wordend met de rookpluimen van Eemshaven in de verte, in monochrome aquarellen. En daarna windmolens, kranen en ander havengeweld dat scherp en kleurrijk afsteekt tegen de blauwe hemel. Aan de overkant ligt Duitsland. We passeren een aantal zijlen, kolkende verbindingen tussen de zee en het land, lopen langs de scheepswerven van Farmsum, via de groene zeedijk onder een rechtlijnig netwerk van glimmende pijpleidingen door, langs vreemde bouwsels op poten en een doods pekelbassin richting de industriële vergezichten die Groningen Seaport verder nog in petto heeft. De chemische industrie, de aluminiumfabriek, de vuilverbranding. Natuurschoon komt er weinig aan te pas, deze etappe, maar goed, dat hoeft van ons ook niet altijd. Wij zijn de beroerdsten niet en ook zeker in staat te genieten van het schouwspel dat ons wel geboden wordt. De laaghangende zon deelt zachtmakende, sepia-oranje-achtige kleuren uit aan al die grote en vreemde gebouwen, al dat ingewikkelde en dampende en stomende technisch vernuft, aan de inmiddels dreigende wolkenluchten erboven en zet deze hele onheilspellende wereld ondanks alles in een romantische gloed. Torenhoge windmolens en dikke rookpluimen worden mysterieus aangelicht. Als we omkijken zien we de vuilverbranding afsteken tegen een lucht die veranderd is in een vuurzee. Het is een spectaculaire aanblik. Wat we allemaal inademen, daar denken we dan maar liever even niet aan.

IMG_3760

Een keerzijde is er ook, aan al deze futuristische schoonheid. De industriële vergezichten die Delfzijl het Rotterdam van het Noorden zagen worden, hebben ook slachtoffers gemaakt. Drie complete dorpen die hier eeuwen hebben gelegen zijn aan de vooruitgang opgeofferd. Van Heveskes zien we alleen het kerkje nog staan, aan de overzijde van de Oosterhornhaven. Een eenzaam overblijfsel van een oud verleden. Een anachronisme, nietig en reddeloos verloren tussen de boven haar uit torenende kathedralen van de chemische industrie. Van Oterdum zijn alleen de grafstenen bewaard gebleven. Het dorp zelf is, met kerk en kerkhof en al, afgebroken om plaats te maken voor verzwaring van de zeewering en uitbreiding van het industriegebied. De grafstenen zijn op de dijk geplaatst, als een laatste groet aan het dorp dat hier ooit lag maar door het land werd verzwolgen, om te voorkomen dat het land door de zee werd verzwolgen. Van Weiwerd tenslotte is niet veel méér over dan de wierde waarop het ooit lag. Een wat verwaarloosd kerkhof en een dichtgetimmerde boerderij contrasteren onaangenaam met de intimiderende machinerieën en buizencomplexen die letterlijk tot aan de rand van het dorp zijn opgerukt. Over de wierde ligt een plattegrond van klinkerweggetjes en beukenhaagjes die er zó nieuw en onderhouden uitzien dat ze bijna wel vooruit moeten lopen op de herinrichting van Weiwerd, die op een groot bord aan de weg wordt aangekondigd. Een herinrichtingsplan dat het dorp opnieuw in authentieke stijl wil opbouwen, op de fundamenten die er nog liggen, om er vervolgens kleinschalige high-tech bedrijvigheid in te vestigen. Een brainwierde, moet het worden, waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de omringende chemische- en metaalindustrie, die het plan ook initieerden. Klinkt mooi, en idealistisch. Maar wij lezen ook dat er weinig met de grond gedaan kan worden vanwege de archeologische waarde, met bijbehorende regelgeving. We lezen ook dat de bevolking van Weiwerd jarenlang behoorlijk is gepiepeld, door overheid en ondernemingen. Misleid en aan het lijntje gehouden met valse beloften en niet nagekomen afspraken en uiteindelijk toch verjaagd van de grond waar ze generaties lang woonden. Waar ze ondanks alles niet weg wilden. Grond waar nu, tientallen jaren later, eigenlijk nog steeds niets mee gedaan is. Geschiedenis, is het. Maar het klinkt ons ook razend actueel in de oren.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.