Historiën ende geschiedenis

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Twisk naar Wervershoof, gelopen op donderdag 20 februari 2020

Het is 20 februari dat wij de etappe Twisk Wervershoof lopen, het lijkt vandaag een eeuwigheid geleden. Het coronavirus is nog iets buitenlands, iets ver van onze veilige warme bedjes dat bovendien ook wel weer zal overwaaien, of met een sisser af zal lopen. Ik kan het me niet precies herinneren, maar ik geloof niet eens dat het in onze gesprekken onderweg aan bod is gekomen, hoewel we de actualiteit zeker niet schuwen. Wel hadden we het over repetities, voorstellingen, concerten en tournees voor onze bands en toneelgezelschappen. Plannen voor een groots verjaardagsfeest. Overbodig hier nog het roet te vermelden dat niet veel later met handenvol in het eten werd gegooid, de geschiedenis is genoegzaam bekend.
Ook het gezamenlijk wandelen werd er al snel voorlopig aangegeven. De lange autoritten vielen niet per se onder het kopje noodzakelijk reizen en met z’n tweeën in de auto was in ons geval al niet eens meer toegestaan. De moed om dan nog eens een wandelweblog bij te gaan zitten houden zonk ons daarmee ook behoorlijk in de schoenen. Wij zijn blijkbaar niet van die montere types die van de nood meteen een deugd maken. Onze zolders zijn niet opgeruimd, onze buitenboelen niet opnieuw geschilderd. En nu zitten we met de gebakken peren want nu de Grote Versoepeling is ingetreden staat de eerste afspraak toch maar weer gepland en lopen wij straks hopeloos achter. Om het verhaal toch compleet te houden duiken we dus nu alsnog de herinnering in. Kijken wat er is blijven hangen.

P1080127

In Twisk, waren we gebleven. Een glanzend lintdorp van twee kerken, een handvol Westfriese woonhuizen en vele, vele goed onderhouden en rijkversierde, oude stolpboerderijen die waarschijnlijk stuk voor stuk op de monumentenlijst staan. Het laat zich aanzien dat Twisk altijd een op zijn minst welvarend dorp is geweest. En nog steeds is. Het is bepaald geen straf er voor een tweede keer doorheen te lopen, we wijzen elkaar op fraaie details, daklijsten als kanten kragen, rond metselwerk en gebeeldhouwde voordeuren. En omdat er nauwelijks ruimte is om auto’s te parkeren komt het allemaal goed tot zijn nostalgisch oudHollandsch recht.
Even buiten het dorp staat bescheiden het station, als monument voor de inmiddels ook al weer ouderwets geworden moderne tijd van toen. Twisk, staat er fier te lezen. Zwarte kapitalen op een witgeschilderd vlak op de gevel. Vandaag alleen nog een halte voor de toeristische stoomtram, maar in vroeger tijden een serieus plattelandsstation langs de spoorlijn Hoorn Medemblik van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Met dienstwoning en al. Gebouwd in 1887. Tot 1936 was de spoorlijn in gebruik voor passagiersvervoer en nog tot 1972 voor goederenvervoer.

P1080134

Via buurtschap ‘t Westeinde gaat Twisk naadloos over in Opperdoes, bekend uiteraard van de Ronde, de aardappel die alleen zo mag heten wanneer hij binnen een straal van een kilometer rond de Opperdoezer kerk van de zavelgrond wordt gerooid. En vanwege het kenmerkende delicate schilletje gaat dat nog traditioneel met de hand ook, lezen wij, zodat het ons misschien niet eens echt erg lijkt dat het om een niet al te uitgestrekt gebied gaat. Maar goed, voor de mythevorming kan het geen kwaad: het schijnt dat voor het eerste kistje Opperdoezer Ronde dat op de markt komt, gelijk het eerste vaatje nieuwe haring, goud geld wordt betaald. Maar wij schrijven februari. Het is nog te vroeg.
Als we de buitenwijken van Opperdoes binnentrekken treffen we een postbode op de fiets, fluitend doet hij zijn ronde. Als hij ons ziet, met onze rugzakken en camera’s, roept hij ons toe wat een mooi dorp het toch is. Op ons vragen bevestigt hij wat wij al vermoeden: hij is geboren en getogen in Opperdoes en nooit meer weggegaan. U bent een echte Opperdoezer, roepen wij. Het flauwe Ronde slikken we net op tijd in.

P1080153

Zodra we de buitenwijk achter ons laten en het oude Opperdoes betreden krijgt de postbode trouwens wel gelijk, het is inderdaad een mooi en oerHollandsch dorp. En met die vaart in het midden, met voor ieder huis een brug erover, roept het associaties op met Fanfare, de film, zoals u weet, van Bert Haanstra. Er wordt, zo lezen wij, dan ook wel gesproken over het Giethoorn van Noord Holland. Als je dan bedenkt dat Giethoorn op zijn beurt het Venetië van het Noorden wordt genoemd, dan moet Venetië toch eigenlijk wel weer het Opperdoes van Italië zijn.
Langs wat ooit de Zuiderzee was schampen we Medemblik. We passeren kasteel Radboud, rond 1288 gebouwd door Floris de Vijfde, die destijds een ring van dwangburchten rond het zojuist door hem onderworpen West Friesland liet aanleggen om de rebelse Westfries eronder te houden en de oostelijke Fries te weren. Het mocht hem niet baten, in 1296 werd hij zoals we weten door de edelen vermoord en kwamen de Westfriezen, opgejut door de bisschop van Utrecht, opnieuw in opstand. Een geschiedenis waar we eerder in Krabbendam al langs liepen. Het kasteel dankt zijn naam aan het verhaal dat het gebouwd zou zijn op de fundamenten van het kasteel van Koning Radboud der Friezen, die ergens in de achtste eeuw zijn troon in Medemblik zou hebben staan. Enfin, historie te over in Medemblik.

P1080240

Wat te denken in dat kader van het Nederlands stoommachinemuseum. Omdat we toch een korte etappe lopen en de wind op zijn Noordhollandst is besluiten we tot een bezoekje. Het museum is gevestigd in het stoomgemaal Vier Noorder Koggen, dat vanaf 1869 een steeds groter wordende rol speelde in het drooghouden van de polders rond Medemblik. Aanvankelijk ter ondersteuning van de 24 poldermolens, die het karwei tot dan toe alleen hadden geklaard. Het gemaal spuide het door de molens opgevoerde water op de Zuiderzee. Na een uitbreiding van het gemaal werden de molens overbodig en op de toppen van zijn kunnen verplaatste het tot 800.000 liter water per minuut. We lezen het op internet. In 1975 werd een elektrisch gemaal in gebruik genomen en kon het stoomgemaal met pensioen. Vrijwilligers redden het van verval en ondergang en houden het tot op de dag van vandaag gaande. Het is zelfs wel voorgekomen, in 1998, in extreme weersomstandigheden, dat het oude stoomgemaal moest bijspringen om de boel droog te houden, een verhaal dat niet geheel ontriomfantelijk wordt gememoreerd door de vrijwilligers die wij in het ketelhuis spreken. En terecht natuurlijk. We zijn het uitvoerig met elkaar eens dat het schitterend is allemaal, al deze onverwoestbare machines, van meer dan honderd jaar oud soms, die nog altijd tevreden puffend en snorrend zonder problemen hun werk staan te doen. Draaien, pompen, trekken, duwen. Kom er nog eens om, in onze verdorven Action wegwerp maatschappij, waar de spullen al kapot zijn voor je ze goed en wel uit de milieuonvriendelijke verpakking hebt. Het enige dat aan deze machines ooit kapot is gegaan, pochen de vrijwilligers nu een beetje, is de fabrikant ervan. Die maakte de spullen te goed. Van dat enkele onderdeel dat soms nog geleverd moest worden viel niet meer rond te komen. En kijk ook eens naar het gebouw zelf, roepen we elkaar toe. Een industrieel gebouw nota bene, dat duidelijk met liefde en aandacht voor schoonheid en detail is ontworpen. Gebouwd voor de eeuwigheid. Wel even wat anders dan de liefdeloze, fantasieloze golfplaatwoestenij die vandaag de dag rond onze dorpen en steden woekert.

P1080278

Als we klaar zijn met onze ouwe mensen praatjes gaan we opgewarmd weer op weg, langs het IJsselmeer, richting Wervershoof. Het is overal erg nat, we soppen over het graspad, tot we niet verder kunnen zonder een vrij grote en enkeldiepe plas te doorwaden. Een weg eromheen is er niet. Heel even overwegen we de overtocht op blote voeten te maken maar besluiten, na enige aarzeling voor de vorm, dat het daarvoor te koud is. Als doorgewinterde Hollanders proberen we een soort van dijk te bouwen, met wat flinke takken van een verderop gesnoeide wilg maar uiteindelijk lopen we terug en maken een omweg, om het probleem heen. We zijn moderne Hollanders tenslotte. In Wervershoof trekken we de wandelschoenen uit en rijden terug naar onze huizen. De coronacrisis en de lockdown tegemoet. Maar dat weten we dan nog niet.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

De dunne grenzen van het fatsoen

cropped-p1070905.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Santpoort Noord naar Zandvoort, gelopen op vrijdag 22 november 2019

Omwille van het klimaat en andere praktische overwegingen bereizen wij de etappes van onze lange wandeling naar huis met het openbaar vervoer. Dat is niet altijd even comfortabel. Vooral op de terugweg, die zich na een dag wandelen uiteraard door de avondspits beweegt, moeten we vaak tot boven Alkmaar genoegen nemen met een krappe staanplaats in een afgeladen halletje, of, als we geluk hebben, met een plakkerige zitplaats op een smerig trappetje. Het is niet anders. Wie het klimaat wil dienen moet offers brengen. Vanuit dat perspectief bezien zou je het ook als bemoedigend kunnen ervaren dat de trein zo goedgevuld is, al is het dan met gratis reizende studenten. Ik wil daar niet meteen een oordeel over hebben.

P1070778

Waar ik wel meteen een oordeel over heb, is de jongeman die we in onze eerste trein op de heenweg aantreffen. Lang- en breeduit uitgestrekt neemt hij samen met zijn rugzak een hele vierzitter in beslag, in een verder behoorlijk gevulde coupé. Hij houdt zich slapend en reageert niet op onze afwachtende aanwezigheid naast zijn koninkrijk. Zijn kapsel zit onberispelijk in model gekamd en geboetseerd, maar voor de rest ziet hij er wat smoezelig uit. Er zitten vlekken in zijn shirt, er liggen croissantkruimels op zijn jas en er hangt een meer dan vage dranklucht om hem heen. Mijn zoon wurmt zich mild en toegeeflijk tussen verschillende ledematen door naar de moeilijk bereikbare restanten van een zitplaats, maar ik heb het opeens wel even gehad met dat hedonistische, verwende, onverschillige en egocentrische millennialgedrag. Okay, dan maar een boomer. Ik duw wat tegen zijn schouder en roep iets over zitten, en plaats maken, wat dan uiteindelijk met gepaste onwilligheid gebeurt. Zolang we tegenover elkaar zitten blijft hij gedrogeerd knikkebollen. Niettemin lijkt hij op weg te zijn naar school, gezien het tijdstip op de dag, de rugzak en het station waar hij uitstapt. Ik heb ernstig medelijden met degene die zuks in de klas heeft zitten.
In de sprinter naar Santpoort Noord zijn we zelf de aso’s, al is het per ongeluk. Zo dun is die scheidslijn nou eenmaal en daarom moeten we er ook zo voorzichtig mee omgaan. Om de reistijd aangenaam te vullen hebben mijn zoon en ik, in de veilige beslotenheid van onze tweezitter, een gesprek over de thema’s van de tijd en zo komt, het is eind november, ook Sinterklaas langs, met zijn omstreden knecht. Zelf hebben wij daar nogal randstedelijke ideeën over, die in onze nieuwe woonomgeving echter maar nauwelijks worden gedeeld, zodat het fijn is het daar nu toch eens over te kunnen hebben, zonder op eieren te lopen. Zonder het gevaar ruzie te krijgen met iemand waar je helemaal geen ruzie mee wilt hebben. Als we zo een tijdje gemoedelijk in onze eigen bubbel hebben zitten schimpen en smalen, blijken we toch niet alleen te zijn geweest. Tussen de banken door wordt ons een verstoorde blik toegeworpen door een vrouw die voor ons zit, zo blijkt. Met, zo blijkt meteen daarna, een zoontje in de gelovige leeftijd. Snel en beschaamd veranderen we van onderwerp, al zal het te laat geweest zijn. Maar goed, ter onzer verdediging zij opgemerkt: wie rekent er heden ten dage nou nog op dat er kinderen in de trein zitten zónder witte oordopjes en hypnotiserende beeldschermpjes.

P1070798

In Santpoort pakken we met horten en stoten de draad van het Nederlands Kustpad weer op. Dat zal ons ons naar Den Haag brengen, onze geboortestad. Er wordt hier bepaald niet scheutig omgesprongen met de vertrouwde roodwitte markeringen en we rommelen wat heen en weer, slaan op goed geluk wat links- of rechtsaf hier en daar, maar vlak voordat het mopperen wordt komt het goed. Zoals altijd, het komt altijd goed. We lopen door en over de Duin en Kruidberg richting de zee, richting het strand. Het eerste stuk, de Heerenduinen, is een bebost gebied. De bomen zijn overwegend kaal, het bos doet grijzig aan, hoewel de zon er doorheen schijnt en het zwerk blauw is.
Aan de rand heeft zich een kuddetje konikpaarden opgesteld. Schijnbaar onbewogen staan ze dwars over het wandelpad hun ziel in lijdzaamheid te bezitten. Ik kan het niet laten wat foto’s te maken en ik ben niet de enige, ik moet de nodige moeite doen de paarden er zonder felgekleurde medewandelaars op te krijgen. De paarden zal dat allemaal worst wezen, zolang het geen paardenworst is natuurlijk. Er gaan er wat op hun rug liggen rollen, wat een leuk, aandoenlijk gezicht is. Taalkundig wikiweetje dat ik tegenkwam toen ik voor de zekerheid even checkte of dit inderdaad konikpaarden waren: dat zijn het dus niet. Het zijn koniks. Konik is het Poolse woord voor paardje, kon is paard. Het is een Pools ras oorspronkelijk, vandaar. Als we het over konikpaarden hebben, mensen, hebben we het dus eigenlijk over paardjepaarden, wat natuurlijk geen gezicht is, als woord. Weer iets geleerd.

P1070826

Verderop stuiten we op een boom die onze aandacht trekt. Het is een flinke wilg, zwaar toegetakeld door het bestaan en de elementen. Geblakerd, ingestort, afgebroken, hol, zonder schors en uitgebeten, maar wonderbaarlijk genoeg gedeeltelijk ook nog levend. Nieuwe twijgen wachten geduldig op de lente, die zeker weer komen gaat. We bestuderen het wrak een tijdje en vragen ons af of de bliksem hier misschien is ingeslagen, of dat er fikkie in is gestookt. We gaan even uit van het eerste. We zien de restanten van zo’n knoest waar heel veel kleine takjes aan hebben gezeten. Wat we zien moet het bewateringssysteem geweest zijn, een verzameling afgebroken houten buisjes. Maar weer eens onder de indruk van de natuur en haar veerkracht lopen we door. Misschien, denken we, dat als wij mensen de boel definitief voor onszelf hebben verpest, de natuur, opgelucht allicht, er wel weer bovenop komt. Aan de horizon achter ons, als om deze gedachte te illustreren, steekt nog regelmatig de dampende en rokende skyline van IJmuiden boven de duintoppen uit.
Door een meer open gebied, lichtgevend groen bemost met grijze doornenstruiken en naar de wind gevormde, mismaakte boompjes, knoestig, weerbarstig, zwart afstekend tegen de blauwe lucht, naderen we de zee, we horen haar al ruisen. Steeds meer paden blijken onder water te staan en ook flinke stukken duin lijken te zijn ondergelopen. De aanhoudende regen van de afgelopen tijd, nemen wij aan. Het is moeilijk voor te stellen dat er nog een probleem met een te laag grondwaterpeil zou zijn, bij deze aanblik, maar we weten het niet.
Dan draaien we het strand op, lopen een stukje langs die goeie ouwe branding, met de lage zon in de ogen en Zandvoort opdoemend uit de heiigheid in de verte. Druk is het niet. Een enkele wandelaar, een misplaatst ogende kraai en een groepje kantoormannen waarvan we bij het verlaten van het strand concluderen dat ze met ov fietsen zijn gekomen. Een teamuitje dus, waarschijnlijk. Een heisessie op het strand. Al wandelend langs de branding nieuwe ideeën opdoen, een verfrissende kijk op de zaken. Een beetje sparren, of zoiets. Wij spelen even met de gedachte een aantal van die identieke ov fietsen om te ruilen en zo de hernieuwde teamgeest op de proef te stellen. We verkneukelen ons bij voorbaat in het gedoe dat zal ontstaan, maar we doen het niet natuurlijk. De pret van de gedachte volstaat.
Bij Parnassia aan zee trekken we weer landinwaarts richting Haarlem, door de Kennemerduinen, grijsgroene glooiingen rond een aantal grote waterplassen en gelardeerd met het eeuwig donkergroen van naaldbossen. We klimmen en dalen over mulle zandpaden maar moeten elders ook regelmatig op zoek naar een alternatieve strook grond waar we de voeten droog neer kunnen zetten.

P1070898

In de berm vinden we een libelle, een rode libelle. Op sterven na dood, dat behoeft geen verwondering deze tijd van het jaar. Door hem op te pakken verstoren wij zijn sterfbed hoogstwaarschijnlijk, wat misschien niet kies is van ons, maar goed, het was al gebeurd voor we er bij nadachten. Hij valt bijna uit elkaar en heeft geen puf meer om te vliegen, met de laatste kracht klemt hij zich dan maar aan deze vreemde vinger vast, berustend in ieder lot. Is dat zielig, bij een libelle, vragen wij ons af. Moeten we ingrijpen, hem uit zijn lijden verlossen? Is er sprake van lijden? We weten het niet. We bekijken het beestje een tijdje en zetten het dan terug in de berm, waar de natuur dan haar loop maar moet hebben. Weer thuis lees ik in het tijdschrift van Landschap Noord Holland iets over de zeldzame vuurlibelle die onlangs weer rond de Noordhollandse duinwateren zou zijn gesignaleerd. Meer waarschijnlijk hebben we hier te doen met de steenrode heidelibelle. Die is algemeen voorkomend, lees ik, en vliegt nog net in november. Dus dat zou kloppen. De bloedrode heidelibelle, die ook nog bestaat dus, vliegt slechts tot oktober. Dan zou dit wel heel erg een latertje zijn. Uiterlijk kunnen we op de bijgeleverde plaatjes trouwens maar nauwelijks verschillen tussen deze drie types ontwaren. Geen eigenlijk.
Verder richting Haarlem passeren we een roze granieten steen met moeilijk leesbaar opschrift. Het blijkt te gaan om een oorlogsmonument en het is één steen uit een serie van acht die hier in de duinen is neergezet ter nagedachtenis aan de vele gijzelaars en verzetsmensen die hier in de oorlog gefusilleerd zijn. In 45 anonieme en ongemarkeerde massagraven is een gedeelte van de lichamen na de oorlog teruggevonden, de meesten daarvan zijn inmiddels herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Op elk van de stenen staat vermeld hoeveel mensen er rond die plek lagen begraven. Nog veel meer mensen zijn nooit teruggevonden omdat zij na hun executie gecremeerd werden, de bezetter wilde met dit alles voorkomen dat haar slachtoffers een eervol graf zouden krijgen. Dat de oorlog nog altijd leeft blijkt uit de grote hoeveelheid steentjes, gekleurde scherfjes en dennenappels die op het monument zijn gelegd, klaarblijkelijk als eerbetoontjes, weten we sinds Daan Roosegaarde met dit idee aan de haal ging.

P1070919

Bij Overveen, vlak voor Haarlem, kiezen we voor de routeverkorting van het Kustpad. De rondwandeling door Haarlem hoeven we niet per se te maken, vinden we eensgezind, we zijn tenslotte op weg naar Den Haag en hoewel dat nou ook weer niet helemaal kaarsrechttoe rechtaan hoeft natuurlijk, kun je ook overdrijven. Door het Brouwerskolkpark, langs een afwateringskanaal, lopen we richting Kraantje Lek, waar volgens de berichten 17e eeuwse vissersvrouwen, zeulend met emmers verse vis van Zandvoort naar de markt in Haarlem, het water in hun emmers verversten. Zich verfristen met een slok.
Met het zicht op een klein, wat lager gelegen parkeerterrein horen we een knal, het onmiskenbare geluid van blikschade en sneuvelende no claim kortingen. We zien het onder onze neus gebeuren ook nog. Een kek tweepersoons sport bmwtje parkeert achteruit uit en boort zijn achterwerk voortvarend in de achterbumper van een robuust bedoelde bmw suv. We bevinden ons onder de openhaardrook van Haarlem, het is een deftig parkeerterrein. Hoewel je daar meteen je aantekeningen bij kunt zetten want hoewel het een tamelijk bruuske en luidruchtige botsing was, verlaat het kekke sportautootje de plaats des onheils zonder omkijken of pardon. De schade aan de getroffen bumper is niet onaanzienlijk zien wij bij nadere inspectie, wat ook te denken geeft voor een suv natuurlijk, maar laten we die weg niet inslaan. Wij besluiten dat we dit niet zomaar kunnen laten passeren. We noteren het kenteken van het kekke sportautootje en schrijven een briefje met ons telefoonnummer voor onder de ruitenwisser. Nog vóór Zandvoort worden we gebeld en brengen we verslag uit van wat we gezien en gehoord hebben. Op een bomvol perron 4 van Sloterdijk worden we dan nogmaals gebeld en krijgt het verhaal een wat onwaarschijnlijke wending. De eigenaar van de suv had bij toeval op een parkeerterrein van een restaurant de sport bmw met ons kenteken zien staan, had de bestuurder ervan binnen aan de koffie getroffen en haar aangesproken op het gebeurde. Waarop die dat, deftig en al, in alle toonaarden ontkende, getuigen of niet. Truth is stranger than fiction, Mark Twain schreef het al. Hoe het afgelopen is weten we niet, maar het geval, en de slechtheid van de mens, heeft ons nog geruime tijd bezig gehouden.

P1070936

We komen langs het landgoed Elswout, waarvan ik weet dat daar de geweldige kinderserie Loenatik werd opgenomen, waar ik altijd met veel plezier naar keek, met mijn kinderen, maar waar mijn zoon dan weer geen enkele herinnering aan blijkt te hebben zodat ik me moet gaan afvragen of ik dat dan met mijn dochter keek, en hoe oud die serie dan eigenlijk alweer is en, niet in de laatste plaats, hoe oud ik zelf dan in godsnaam ben. En of ik dat nog wel wil weten.
Door de duinen gaat het dan langs het spoor naar Zandvoort. Het begint al wat te schemeren en wanneer we langs hetzelfde spoor met de trein Zandvoort weer uit rijden is het buiten nacht. En half vijf ‘s middags. Het veelbesproken circuit, waar we om die reden een kijkje wilden nemen, laten we voor de volgende keer.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Met die boten en die kranen en dat water

cropped-p1070696.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Beverwijk naar Santpoort Noord, gelopen op vrijdag 25 oktober 2019

We doen een korte etappe vandaag, het is niet anders. De eerste mogelijkheid om met het openbaar vervoer weer thuis te komen, na ons startpunt in Beverwijk, zou Overveen zijn en dat is, gelijk Omsk, net iets te ver weg. Daarnaast moet mijn zoon op tijd thuis zijn voor het één of ander en wordt het ook nog eens steeds vroeger donker want we zijn al aardig in de herfst terechtgekomen, kortom.. we besluiten tot Santpoort Noord te gaan en er daar, omdat dat dan wel weer een beetje erg weinig is, een extra rondje over landgoed Duin en Kruidberg aan vast te breien. Dat is ook geen straf.

P1070661

Vanaf station Beverwijk volgen we een plaatselijke route die ons door een park en weg van de weg helemaal niet slecht bij het Nederlands Kustpad terugbrengt, tot Den Haag is dat namelijk de route die we volgen. Dat we dat nu precies de verkeerde kant op doen is ons eigen gebrek aan oriëntatievermogen en richtinggevoel, een erfelijk dingetje. De schade blijft beperkt tot hooguit een kwartiertje, door een waarschuwingsbord dat ik mij herinner van mijn eerdere wandeling langs het Kustpad, jaren geleden alweer. Een bord dat waarschuwt voor de mogelijke aanwezigheid van munitie, met het verzoek melding te maken van eventuele vondsten van dien aard. Dat wil je wel onthouden. Het Kustpad liep ik jaren geleden de andere kant op dan vandaag, toen had ik geen andere keuze dan dit levensgevaarlijk terrein doorkruisen, nu kunnen we met een gerust hart omdraaien.
Langs de immense fabriekscomplexen en schoorstenen van het op een paar huizen na onaantrekkelijke Velsen Noord lopen we dan in de goede richting van het Noordzeekanaal en de overtocht met de pont, een tweede associatie met de onvolprezen Drs P.

P1070694

Vanaf het water zien we de lucht behoorlijk betrekken. Vieze, donkergrijze wolken pakken samen, verduisteren de lucht en dreigen ons er straks eens even flink van te laten lusten. Geen prettig vooruitzicht. Maar het kleurt wel aardig bij wat we aan de einder zien staan aan rook uitbrakende ingewikkelde installaties van pijpleidingen, hijskranen, vaalwitte blokkendozen, windmolens en silo’s. De geïndustrialiseerde samenleving luid en duidelijk in beeld. Een charmant klein, rond wachtershuisje met een windvaantje op zijn oranje koepeltje staat daar tegen af te steken als lief klein monument voor hoe het ooit begon. Een binnenvaartschip neemt met veel waterverplaatsing de bocht en vaart uit beeld naar het noorden, twee personenauto’s op het achterdek.
Je zou kunnen denken dat wij dit dan lelijk vinden allemaal, maar dat is niet zo. Zo zitten wij niet in elkaar. We lopen door Noord-Holland en dit hoort daar dus ook bij. Het kan niet allemaal ongerepte natuur zijn tenslotte, voor zover dat in ons land bestaat dan want de natuur krijgt hier de tijd niet om ongerept te zijn, denken wij wel eens. Er ligt altijd wel weer een nieuwe visie klaar. Maar goed. Hier aanschouwen wij dan het industrieel landschap en dat heeft in al haar onsmakelijke lelijkheid toch ook weer iets moois. Alles is puur functioneel, nergens is moeite gedaan het mooier te maken dan dat. Het is wat het is. Het heeft iets stoers ook, met die boten en die kranen en dat water. Het roestige, het bonkige.. het heeft iets romantisch ruwe bolster blanke pitterigs. Al stemt het ook droevig uiteraard dat het onderhouden van onze beschaving, onze eeuwige honger naar groter en meer, blijkbaar zoveel vuiligheid moet veroorzaken.

P1070717

Aan de overzijde lopen we een klein stukje landinwaarts met het Noordzeekanaal op en komen dan in Velsen Zuid. Een zeer charmant en nostalgisch authentiek ogend plaatsje van oude, meest bakstenen huizen en huisjes die stuk voor stuk een bordje dragen waarmee ze tot rijksmonument zijn verheven, plus zo’n gezellig bruin anwb bordje met toeristische informatie over het hoe en wat. Zo komen we langs het bepaald niet onriante witgepleisterde huis van de dorpstimmerman, het cachot, de woning van de vroedvrouw, het diaconessenhuis, het huis van de metselaar en nog zo het een en ander. Mede door het witte hek dat toegang biedt aan het plaatsje lijkt het of we door een openluchtmuseum wandelen. Maar ook Velsen Zuid blijkt niet zo ongerept als het er in eerste instantie uitziet. Op een groot informatiebord bij de kerk lezen we dat de helft van het dorp in de loop der afgelopen jaren is verzwolgen door het kanaal, dat sinds de opening in 1876 steeds breder moest worden. Iedere uitbreiding, de laatste en grootste in 1969, ging ten koste van een stukje Velsen Zuid. Onder meer de kweekschool, twee dokterswoningen, de smederij, de bakkerij, de slagerij en het postkantoor werden het slachtoffer van de groei-economie. Het stukje dat vandaag nog gespaard is gebleven is tot beschermd stadsgezicht uitgeroepen. Dus nu is het veilig. Zou je kunnen denken.
Aan de overkant zien we nog een monument staan, een moderner monument, maar een monument. Vier hoge en vier lage grijze achthoekige torens in formatie bijeen steken rank omhoog, naar boven iets taps uitlopend, met ieder bovenin rondom vijf rijen witte vierkante venstertjes. Het geheel biedt een licht geheimzinnige, ietwat oosterse aanblik. Maar het zijn gewoon de noordelijke schoorstenen van de ondergrondse ventilatieschachten van de Velsertunnel, aan de zuidkant staat nog zo’n complex. Gebouwd in de vijftiger jaren, tegelijk met een van reeds genoemde verbredingen van het kanaal.

beeckestijn

Met een tunneltje steken we de weg over en lopen dan landgoed Beeckestijn binnen. Een deftige bedoening met lange herfstige bomenlanen, een geschulpte vijver, een zichtlaan naar een wit landhuis, koetshuizen, een fraaie slangenmuur om de groentetuin en wat kitscherige witte beelden die de zaken een extra klassiek tintje moeten geven. Het landhuis ziet er puik uit en is smetteloos wit maar heeft er een lange geschiedenis opzitten. Begonnen in de 15e eeuw als versterkt landhuis in het bezit van de naamgevende familie Beeckestijn, in de 18e eeuw overgenomen door de familie Trip die er het landgoed omheen aanlegde en enige tientallen jaren later in bezit gekomen van de diplomaat Boreel die er de zijvleugels aan bouwde, de koetshuizen erbij zette en de eerste Engelse tuin in Nederland aanlegde, verderop komen we nog een folly tegen uit deze periode, een tuinmanswoning die er uitziet als een neogotisch kapelletje, maar het geen van beiden is. Tot in de 19e eeuw lag het landgoed direct aan het water en kon er over het Wijkermeer naar Amsterdam worden gezeild. Van dat meer is nu alleen de streep van het Noordzeekanaal nog overgebleven. Wij pikken even een deftig terrasje bij één van de koetshuizen, het zonnetje prikt inmiddels door de verkleurende bomen, de donkere luchten zijn overgedreven.
Door het onbijzondere Driehuis tenslotte buigen wij van het Kustpad af en klimmen over een hekje dat niet open wil landgoed Duin en Kruidberg binnen, voor ons toetje. We treffen er veel medewandelaars die met camera’s op paddenstoelenjacht zijn, wat geen heksentoer is want het is een prima paddenstoelenjaar, al lijkt ons de mooiste tijd daarvoor eigenlijk alweer zo’n beetje achter de rug. Met ons kleine extra rondje doen we het landgoed natuurlijk geen recht, maar dat is een mooie reden er binnenkort nog eens speciaal voor terug te komen.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Territoriumdrift

territoriumdrift

 

Bij een vaste ochtendwandeling heb je dikke kans op vaste ontmoetingen. Iemand die dezelfde wandeling loopt bijvoorbeeld, zoals de meneer met de kleurige sportschoenen en de grote koptelefoon, die altijd met een brede lach en enig volume hallooo! roept wanneer ik hem tegenkom. Iemand die langs de route woont, zoals het oudere echtpaar dat wel eens net in de tuin staat te grutten als ik langskom en mij dan licht argwanend teruggroet. Of de boer die mij regelmatig ziet fotograferen en zich meer dan licht argwanend af komt vragen wat dat moet, wat dat te betekenen heeft. Dan zijn er de schapen die er steevast staan, in hun weiland. De eenden, de ganzen, de smienten, de witte reiger. De kiekendief die zich in het seizoen nog wel eens even laat zien. Allemaal leuke ontmoetingen, al zijn ze nog zo vluchtig en nog zo af en toe.
En er is de ontmoeting die zich bijna iedere keer voordoet, en dat is de ontmoeting met de hond. Een grote, zwarte hond. Een waakhond. Steeds wanneer ik een zekere bocht om ga vraag ik mij af of hij er weer zal zijn. Negen van de tien keer is dat het geval. Negen van de tien keer stuift het beest luid blaffend en grommend op mij af en wordt maar nauwelijks tegengehouden door zo’n gezellig, wiebelig kastanjehouten tuinhekje van de praxis. Blaffend en grommend en tegen het hek opspringend loopt hij met me mee naar de andere kant van de tuin waar hij achter het hekje net zo lang blijft staan schelden en tieren tot ik uit beeld ben verdwenen.
Wat is dat, vraag ik mij af. Waarom? Waarom moet ik als man van goede wil bij een doodnormale, onschuldige wandeling op de openbare weg worden geïntimideerd door een valse hond? Waarom moet ik er maar op vertrouwen dat dat beest niet dwars door of over dat lullige hekje heen naar mijn strot springt? Wat heb je te verbergen met zo’n hond in de tuin, dat ook.
De hond verdedigt zijn territorium hoor ik u zeggen, daarvoor is het een waakhond. Ja.. goed verhaal natuurlijk, maar liep ik niet op de openbare weg? En als ík bij iedere langslopende voetganger roodaangelopen en schuimbekkend mijn tuinpad af zou rennen, tegen mijn hekje zou trappen, schreeuwend van klootzak klootzak teringlijer, keukenmes in de aanslag, om mijn onbedreigd territorium te verdedigen, dan zou de stem des volks het geloof ik wel op prijs stellen dat ik zo snel mogelijk als verward persoon veilig werd opgeborgen, voor de rest van mijn leven. En terecht hoor, houd me ten goede.. zulke dingen doe je niet. Maar als je het door je hond laat doen, dan is het wel okay, blijkbaar. Dan behoort het kennelijk tot het algemeen beschaafd Hollandsch fatsoen.
Niet dat ik me er door van mijn wandeling laat weerhouden, niet dat ik mijn route aanpas, nee zeg.. wij zwichten niet voor terreur tenslotte. En het is de openbare weg, zeg ik nog maar eens. Dus zet ik mij iedere keer dapper schrap, bij de bewuste bocht. En als het monster dan weer grauwend met ontblote tanden tegen het hek aanvliegt begroet ik hem met een welgemeend driewerf: je bent een vuile gore kuthond! En voor zijn baasje steek ik er mijn middelvinger bij in de lucht. Iedere keer weer.
En zo begint het zelfs al te wennen. Ik vertrouw er inmiddels dan maar op dat het beest achter zijn hekje blijft en de laatste keer leek het er zelfs op dat ook bij de hond een zekere herkenning begint te spelen want toen ik hem mijn gebruikelijke begroeting had toegesist liet hij het er verder maar zo’n beetje half bij zitten.

Een eenvoudige wandeling op een mooie dag

cropped-p1070459-scaled-2560.jpg

Helderse Duinen, een wandeling van Landschap Noord-Holland, gelopen op donderdag 17 oktober 2019

In een lange, grijze reeks van hopeloos verregende dagen wordt voor deze donderdag aardig weer voorspeld dus ik besluit de boel de boel te laten en de gelegenheid te baat te nemen er op uit te trekken, met een wandeling van Landschap Noord Holland door de duinen bij Den Helder. Den Helder, daar wordt vaak van alles over beweerd, ik beweer er zelf ook wel eens iets over, het is niet al te ver van huis, geen totaal onbekend terrein dus ook, maar dat maakt allemaal niet uit.
Ik reis met de trein naar Den Helder Zuid en vandaar loop ik naar het beginpunt van de wandeling, het bezoekerscentrum van de Donkere Duinen. Het is niet het meest aantrekkelijke stuk van de wandeling, langs een ogenschijnlijk hermetisch dichtgemetseld azc, een levenloos bedrijventerreintje en een lange rechte asfaltweg met uitzicht op gifgroen grasland zover het oog reikt, en ik moet het aan het eind van de dag ook weer terug lopen, maar goed.. Ik had natuurlijk de auto kunnen nemen, of de bus vanaf het station, maar ik wilde het een beetje klimaatneutraal houden vandaag dus dan moet er wat water bij de wijn.

P1070251

Direct naast het station ligt overigens dan weer wel het Nollenprojekt van beeldend kunstenaar Rudi van de Wint. Hij nam het duingebiedje vanaf 1980 in bezit en veranderde het eigenhandig in een totaalkunstwerk waarin robuuste en tegelijk sierlijke beelden, geheimzinnige gebouwtjes, schilderingen, overblijfselen van militaire bebouwing, onderaardse gangen en de geregisseerde natuur betoverend samenkomen. Ik heb het projekt een aantal keer bezocht en ben er telkens weer enthousiast over. Vandaag loop ik er alleen maar langs, met een spijtig gevoel.. omdat er nu eenmaal keuzes gemaakt moeten worden.. vang ik alleen een glimp op, en bedenk dat het hoog tijd wordt er weer eens binnen te lopen ook.
Door een parkachtig terrein met speeltuin, terras, fietspad en uitzichttoren beland ik in Mariëndal. Hier kan het wandelen dan echt beginnen. Het is een waterig duingebiedje zonder paden, waar je vrij bent wat rond te struinen, gelijk de Schotse Hooglanders, die hier met een handvol kalfjes staan te grazen. De volwassen dieren hebben nogal vervaarlijke, puntige horens maar ze trekken zich geheel volgens verwachting bijzonder weinig van mij aan. Een nat gebiedje is het, zompig hier en daar, zonder hoge begroeiing, rond een duinmeertje. Aan de einder ligt wat bedrijvigheid zo te zien, aan de andere kant zitten we pal op de duinen, met daarachter de Noordzee.

P1070286

Al struinend tref ik enorme hoeveelheden paddenstoelen, in alle soorten en maten, met hoeden als ontbijtbordjes zo groot soms. Van geen enkele weet ik de naam, want een vliegenzwam zit er niet tussen, maar ik vind ze allemaal even mooi. Ik fotografeer me een slag in de rondte. Weinig origineel natuurlijk, facebook en twitter staan bol van de paddenstoelenreportages deze tijd van het jaar, maar het kan me niet schelen. Dat is altijd nog beter dan stemmingmakerige zeurverhalen over wie er het meeste gelijk heeft over van alles. En paddenstoelen blijven nou eenmaal fotogenieke en mysterieuze verschijningen die tot de verbeelding spreken.
Dan loop ik de Donkere Duinen in. Langs kronkelende schelpenpaadjes doorkruis ik een nurks, grijzig en stekelig landschap, al bijna in winterkleed zou je zeggen, met hier en daar hel in de zon oplichtend groen mos. Aan de horizon piept Lange Jaap kenmerkend rood boven de naaldbomen uit, de gietijzeren vuurtoren bij Huisduinen, bouwjaar 1878.
Halverwege daal ik even af naar het strand en de zee, voor een korte begroeting. Dat moet. Aan de zee kun je niet zomaar voorbij lopen. Een oranje met blauw bootje vaart langs, in een streepje van wit schuim. Aan de horizon lonkt Texel, maar bij de horizon kun je niet komen.

P1070358

Dan gaat het verder noordwaarts langs de Grafelijkheidsduinen. De bij de wandeling geleverde informatie vertelt dat deze duinen in vroeger tijden eigendom waren van de opeenvolgende Graven van Egmond. Vandaar waarschijnlijk de naam. In 1586 werd de Graaf van dienst echter in Brussel onthoofd – zo werden de zaken in boreale tijden opgelost – en moesten vanwege de financiële nood die daarmee ontstond bezittingen van de hand worden gedaan. De Grafelijkheidsduinen kwamen zo in handen van ene Isaac Le Maire, een Antwerpse ondernemer die eerst rijk geworden was in de VOC maar later een fortuin besteedde aan het traineren en dwarszitten van diezelfde VOC, wat dan uit pure nijd weer leidde tot de ontdekking van Kaap Hoorn. Wat je al niet meekrijgt tijdens een eenvoudige wandeling op een mooie dag. In de meer recente geschiedenis, lees ik nog, is het landschap nader gevormd door de talrijke – en voornamelijk geallieerde – bombardementen waar Den Helder tijdens de bezetting het doelwit van is geweest: naast de grote Harmplas zijn er dertig kleinere poelen ontstaan door inslagen van bommen.

P1070407

Aan de horizon zie ik al een tijdje drie vreselijk hoge stellages staan waarvan ik me afvraag wat het zou kunnen zijn. Het lijken steigers maar dat zijn het niet, ze komen zeer ruim boven de kerktoren uit. Ook voor een kermisattractie of een circustent is het veel te hoog. Ik vraag het een langs wandelend echtpaar, dat echter niet uit de buurt blijkt te komen, zoals ik voor het gemak had aangenomen, maar uit Breda. De vrouw zegt dat het in elk geval geen kunst is, wat ik leuk vind om te horen vanwege mijn al jaren lopende fotorubriek GeenKunst, op internet, waarin ik een collectie aanleg van zaken die weliswaar niet als kunst bedoeld zijn, maar het met een andere blik eigenlijk net zo goed wel kunnen zijn. De drie stellages zouden prima in die verzameling kunnen worden opgenomen, dat had de mevrouw goed gezien, al wist ze van het bestaan niet af uiteraard. De meneer meent te weten dat het een booreiland is dat voor onderhoud in de haven ligt, en dat kwartje valt wel bij mij. Een booreiland.. natuurlijk! Deze lezing wordt een eindje verderop nog eens bevestigd door een Helderse fotografe, die vanachter het hek een portret probeert te maken van een Schotse Hooglander. Met lokkende geluidjes tracht ze het beest zover te krijgen dat het wat dichterbij komt en in de lens kijkt. Het portret moet dienen, vertelt ze, als wandversiering in het verzorgingshuis waar ze werkt. Een tijdloos beeld, was het uitgangspunt. Het dier blijft stoïcijns onder haar verleidingstechnieken en ik maak haar attent op de Hooglanders die ik vanochtend in Mariëndal gewoon los rond zag lopen. Een tip die in dank wordt aanvaard, dus ik ben benieuwd of het tijdloos beeld inmiddels aan de wand hangt. Ik hoop het.
Ondertussen betrekt de lucht behoorlijk en zie ik aan het zwerk precies de wolkenpartijen oprukken die me op buienradar al waren voorspeld en die ik gehoopt had net te ontlopen. Het ziet er indrukwekkend dreigend uit, tot bijna zwart aan toe, maar ik vang alleen wat afwaaiend vocht, de paraplu noch de poncho hoeft er aan te pas te komen, de bui drijft over.
Fort Kijkduin, waar ik dan langsloop, werd gebouwd rond 1813, in opdracht van Napoleon. Die wilde van Den Helder het Gibraltar van het noorden maken. Of Gibraltar dan ook het Den Helder van het zuiden zou worden blijft de vraag. Nu is er onder meer een zeeaquarium in gevestigd. Er slenteren wat uitgebluste toeristen rond, ik besluit het voor een volgende keer te bewaren.

P1070449

Op het randje van Huisduinen, zo goed als in de zee, in de schaduw van Lange Jaap, staat nog een kleiner, bakstenen torentje dat ook sterk doet denken aan een vuurtorentje. Ik lees later op internet dat dit een kustwachttorentje is, gebouwd in 1948 ter vervanging van een ijzeren uitkijktoren. Dit nieuwe torentje droeg ook een licht en vormde zo, samen met Lange Jaap een lichtlijn om het scheepvaartverkeer veilig door het Schulpengat te leiden. Dat gaat er tegenwoordig moderner aan toe en nu is het torentje een éénkamerhotel waar je flink voor in de buidel moet tasten, maar dan slaap je dus wel zo goed als in zee.
Net onder Huisduinen gaat het dan landinwaarts de duinen in. Links steekt dan al snel de zogenoemde Kroontjesbunker boven het landschap uit, een overblijfsel van de Atlantikwall. Een betonnen bunker, flink bewerkt met de onvermijdelijke graffiti en met inderdaad iets van een kroon op het hoofd. Een doornenkroon, zou je bijna zeggen, als dat niet iets oneerbiedigs zou hebben. Met de ook op taalgebied kenmerkende Deutsche Gründlichkeit heet dit gebouw eigenlijk Flugabwehrgruppenkommandostand, maar krijg dat maar eens uit je mond zonder erbij te gaan blaffen. Kroontjesbunker klinkt liever. De bunker is het topje van de ijsberg want ondergronds schijnt het een enorm complex te zijn dat als hoofdkwartier en commandocentrum voor de Duitse luchtafweer werd gebruikt. Een handgeschreven bordje meldt dat de bunker is te bezoeken op 4 en 5 mei, tijdens open monumentendag en, minder voor de hand liggend, eerste kerstdag.
Weer naar het zuiden afbuigend, terug naar het begin, vraag ik me een tijdje af of er nou geen leukere route te verzinnen valt dan dit wat saaie fietspad achterlangs wat sportvelden. Door de Grafelijkheidsduinen bijvoorbeeld, die daar rechts aanlokkelijk liggen te zijn, met hun Harmplas, hun dertig kleine poelen en hun rijke geschiedenis, maar misschien zijn die nog altijd in adellijke handen. Het laatste stukje, langs het Refugium en door de Donkere Duinen maakt dan weer veel goed. Dat is een verrassend leuk stuk, met bospaden en al en als je niet beter wist zou je je hier makkelijk in de omgeving van Bergen of Schoorl kunnen wanen. Eind goed al goed, zoals het cliché al zegt. Met Den Helder is veel minder mis dan wel eens wordt beweerd.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Met mijn poten in de modder

TECO3385In een zo langzamerhand onafgebroken lijkende reeks van volgeregende en natgeplensde dagen stond de hemel er vanochtend opeens even strakblauw bij, een mooie gelegenheid er weer eens op uit te trekken voor mijn regelmatig bedoelde ochtendwandeling. En dat kwam mooi uit want ik kon wel een frisse neus en een verzetje gebruiken. En een leeg hoofd, want man man man, daar hoopte de kommer en de kwel en het oud zeer zich ook maar weer huizenhoog op. Bovendien had ik veel teveel tijd in de krant en op internet doorgebracht, waar het klimaat er de afgelopen dagen ook niet beter op was geworden. Er werd wat af gepolariseerd. De één sloeg de ander nog parmantiger met zijn haastig bij elkaar gesprokkelde wereldbeeld om de oren dan de ander een volgende. En iedereen wist de absolute waarheid wel op één of andere manier voor het eigen karretje te spannen. Strontchagrijnig was ik er van geworden. Al dat ijdele gekift had een niet ter zake doende negatieve uitwerking op mijn toch al wankele humeur. Hoog tijd voor wat tegenwicht, dus daar ging ik, op pad. Neus in de wind, wind in de haren, zon op de bol.
Om mijzelf te motiveren ook inderdaad regelmatig de deur uit te gaan, zoals de gezonde bedoeling is, heb ik van die ochtendwandelingen dan meteen een soort fotoprojekt gemaakt. Ik loop telkens hetzelfde rondje, maak onderweg steeds foto’s van onvermijdelijk zo ongeveer dezelfde plekken, door de seizoenen heen, en hoop aldus na verloop van tijd een aardige reeks te hebben die een divers beeld oplevert van dit kleine stukje omgeving. Ach, ik ga er verder niet ingewikkeld of kunstzinnig over doen, ik vind het leuk en we zien wel wat het wordt. Het krijgt me in elk geval in beweging en daar was het om begonnen.
Zo kom ik halverwege de wandeling bijvoorbeeld steeds langs een vriendelijk ogende boerderij die eigenlijk iedere keer mijn aandacht wel trekt en die ik al vanuit vele hoeken met allerlei licht- en weersomstandigheden heb gefotografeerd. Gelegen aan een wat bochtende weg met dito sloot, een beetje verscholen tussen hoge bomen staat hij daar zeer authentiek en rustiek te zijn.
Ook vandaag maakte ik er wat portretten van. De weg lag bezaaid met platgereden modderkluiten, hier werd gewerkt. In de berm stond een tractor geparkeerd met een bekooide aanhanger vol vers geoogste witte kolen. Verderop reed een tweede tractor heen en weer. In de bomen was de herfst voorzichtig vast wat begonnen
Juist toen ik de tractor met kolen wilde passeren, wilde ook de tweede tractor daarlangs. Voor de zekerheid stapte ik opzij de modderige berm in, het was een brede tractor op een smalle weg. Maar in plaats van door te rijden, zoals ik had verwacht, hield de tractor stil, pal naast mij. Het bevreemdde mij een beetje eerlijk gezegd. Waarom precies hier, vroeg ik mij af, maar goed, hij moest hier zeker zijn.
Toen ik mijn wandeling dan maar met een groetend gebaar wilde vervolgen sprong de berijder huts van zijn tractor en hield mij staande. Het was de derde dag van de boerenopstand, het tweede beleg van Den Haag was op hetzelfde moment in volle gang.. ik was het gespin, het gescheld, het gestook en de stemmingmakerij nou juist ontvlucht, met mijn kop in de wind, en nu stond ik hier verdorie oog in oog met een boer die mij zo’n beetje had klemgereden met zijn tractor. Trekker, moet je geloof ik zeggen, anders ben je meteen al een elitaire linkse randstedeling. Het was een echte boer, met een blauwe, zeer verwassen overall maar niet op klompen. Hij stak een kop boven mij uit en was een paar dagen geleden in kennelijke haast geschoren.
Misschien wil hij de weg naar Den Haag vragen, bedacht ik grappig, maar ik liet het wel uit mijn hoofd dat ook hardop te zeggen want vriendelijk keek hij niet.
Waarom liep ik hem te filmen?, werd mij dan zonder te groeten, op barse toon gevraagd.
Vorige week liep ik hem ook al te filmen, had hij mij heus wel gezien, en nu dus weer. Waar dat voor was, wilde hij nu wel eens weten.
De handen gingen in de zakken, de voeten wat uit elkaar. Hier stond een boer die niet meer met zich liet sollen, zoveel was duidelijk. Een nieuw, assertief elan was over hem neergedaald.
Er schoten mij een aantal bijdehante antwoorden door het hoofd die ook bepaald assertief waren en waar de actualiteit ook toepasselijk doorheen schemerde maar ik besloot toch liever de-escalerend te werk te gaan. Dat paste beter bij mij. Ik vertelde dus van mijn ochtendwandelingen en het kunstzinnig fotoprojekt dat ik daar bij verzonnen had. Weidde kort uit over een portret van het landschap en de omgeving, het licht en de seizoenen. Alles met mijn charmantste glimlach.
Waarna de boer ook niet meer wist wat hij nog moest zeggen, wat hij zo te zien jammer vond. Met toch nog een groet beklom hij zijn tractor en reed achteruit terug naar waar hij vandaan kwam.
En ik maakte mijn wandeling af. Kwam thuis met een frisse neus, maar zonder leeg hoofd. Want ja.. Ik kon de actualiteit natuurlijk proberen te ontvluchten, het platteland was daar deze dagen misschien niet de beste plek voor.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Wie, wie, wie?

Om even uit te rusten, iets te eten en van het zonnetje te genieten streek ik neer op de eerste de beste picknicktafel die ik tegenkwam, zo halverwege mijn wandeling. Ik zag hem al van verre staan. Het was zo’n typische, robuuste picknicktafel van balken en bouten en moeren, met bankjes aan weerszijden waar je eerst ongemakkelijk overheen moet klimmen om er op aan tafel te kunnen zitten, en waar je met minimaal drie echtparen aan terecht kunt, met je thermosflessen en je tupperware broodtrommeltjes. Ze staan door het hele land, in bossen en duinen, op heide en parkeerplaatsen langs de snelweg. En hier stond er ook één, in de polder, speciaal voor mij.
Het tafelblad was niet standaard trouwens. Normaal zijn dat zeven of acht brede balken met steeds een centimeter tussenruimte, waar je je opgefrommelde boterhamzakjes en snoepwikkels handig zolang even tussen kunt stoppen, om te voorkomen dat ze wegwaaien; bij deze picknicktafel was het blad uit één stuk en had het een tweede functie als kleurig informatiebord. Met ditjes en datjes over de omgeving en getekende plaatjes van de verschillende weidevogels die hier met meer geluk te zien kunnen zijn.
Met brede viltstiften en een mespunt hier en daar was er in de loop der tijd nog het nodige aan deze lezenswaardigheden toegevoegd, we leven in een beschaafd land tenslotte, het vrije woord, u begrijpt. De meeste van deze uitingen kan ik hier met een gerust hart onbesproken laten maar één regel trok toch mijn aandacht. Op de hoek van de tafel stond in een goed leesbaar handschrift geschreven: Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?

lou bandy

Voor wie het niet weet: dat is de titel van een nogal flauw en wat rommelig lied dat werd geschreven door Jacques van Tol en in 1937 voor het eerst op de plaat werd gezet door Lou Bandy, die ook de muziek schreef. Boze tongen beweren dat Ringo Starr zijn oor hier later nog te luisteren heeft gelegd bij het componeren van Yellow Submarine. Maar goed, er zijn ook mensen die beweren dat de aarde plat is. Yellow Submarine werd in 1966 dan trouwens weer van een Nederlandse tekst voorzien door Wim Kan, Jelle zal wel zien, werd dat, waarna onder andere Johnny Hoes er in 1967 een hit mee scoorde. Dus mocht het waar zijn, van Ringo, dan is er wel erg zoete wraak genomen.
Jacques van Tol dus, die in de oorlog voor de Duitsers heeft gewerkt en daarna, op z’n Hollandsch, alleen nog onder valse naam als populair tekstschrijver werd gedoogd. Vader bovendien van Hans van Tol Tol Hansse, in 1977 bekend geworden met het lied Big City. Een appel die qua schrijfstijl dus in elk geval niet heel ver van de boom is gevallen, en ook alweer jaren dood.

Lou Bandy was in de dertiger en veertiger jaren van de vorige eeuw een buitengewoon populair revue-artiest, werkte in zijn nadagen nog mee aan het radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein en vierde successen met onder meer Louise zit niet op je nagels te bijten en Zoek de zon op, liedjes die waarschijnlijk alleen bij het alleroubolligste programma van Omroep Max nog ergens een vaag belletje doen rinkelen.
Ik bedoel maar.. wat is hier gebeurd? Wat moeten we hier van denken? Is hier een krasse negentigjarige op pad gegaan, met een viltstift, opgejut in een programma van Omroep Max wellicht, om de jeugd van tegenwoordig nog eens wat echte, Hollandsche cultuur bij te brengen? Met een écht liedje, in plaats van al dat onverstaanbare rare praten? Of heeft de Jeugd van Tegenwoordig deze vooroorlogsche klassieker soms gecovered, in een nieuw jasje gestoken, in een programma van Ali B? En is het, zonder dat ik er weet van heb, inmiddels opnieuw razend populair.. Het kan allebei, het zijn verwarrende tijden tenslotte, maar dat laatste hoop ik eigenlijk het meest van niet.

Het nadeel van buienradar

het nadeel van buienradar

Vandaag zou ik wandelen, met mijn jongste zoon. Zelf ben ik al jaren een enthousiast wandelaar, en tot mijn grote vreugde is mijn jongste zoon dat nu ook. Zodoende bedachten we een gezamenlijke langeafstandswandeling – van onze woonplaats op het platteland van Noord Holland naar onze geboorteplaats Den Haag, en weer terug – en lopen we daar met enige regelmaat een etappe van. Een stevige dagmars. Fijne, gemoedelijke dagen zijn dat altijd, met wat uitgebreidere vader en zoon gesprekken dan het gebruikelijke ‘zijn er geen krentenbollen’ en ‘zou jij je kamer niet eens stofzuigen’.
Beiden hebben we een goedgevulde agenda dus om de enige regelmaat er in te houden moeten die dagen ruim van tevoren worden afgesproken. Wat als nadeel heeft dat je geen rekening kunt houden met weersvoorspellingen, buienradar heeft ook zo zijn grenzen, en dat je dus maar moet afwachten wat het weer gaat doen, de afgesproken dag. Tot nu toe heeft dat allemaal reuze goed uitgepakt, we mogen daar niet over mopperen en dat doen we dan ook niet, maar voor vandaag hebben we de verwachtingen de hele week steeds somberder zien worden. Tot er gisteravond sprake was van 70% kans op regen en 10 mm neerslag. Daar zagen we geen van tweeën de lol nog van in en met enige tegenzin besloten we dat het verstandiger was de boel dan maar af te blazen deze keer.
Toch blijft het dan altijd de vraag of je jezelf daar nou een plezier mee doet. Want evengoed loop je de hele dag naar buiten te kijken of het nou al eens een keertje regent, of dat het nou nog steeds wel meevalt allemaal. Word je zelfs ronduit chagrijnig als de hemel nu en dan blauw kleurt, de zon er af en toe door komt. Loop je je heel je vrijgehouden dag wat spijtig af te vragen of je nou niet beter toch had kunnen gaan. Waarmee het dus inderdaad de vraag wordt of je niet beter toch had kunnen gaan.

Schoonwandelen in het recreatiegebied

cropped-p1070141-1.jpg

Van Zaanse Schans naar Landsmeer, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op woensdag 18 september 2019

Het is vier jaar geleden dat ik de vorige etappe van het Trekvogelpad liep. Vier jaar. Man! Ik geloof het zelf bijna niet. En ik heb het net nog even nagekeken, de eerste, van Bergen aan zee naar Alkmaar, liep ik in de herfst van 2012. Als ik in dit tempo doorga zal het nog wel even duren voor ik Usselo binnenwandel. Maar goed, zo erg is het ook weer niet, het pad loopt niet weg, en, om met DoeMaar te spreken, er is tijd genoeg.

P1070046

Ik stap van de trein in Zaanse Schans en meteen hangt de chocoladegeur zwaar in de lucht. Vergezeld door groepjes toeristen in het Spaans en iets Aziatisch loop ik over een dramatisch lelijke brug naar het Holland van weleer. Zaanse Schans. Er wonen wel mensen, maar het bestaat eigenlijk niet echt. Tenminste.. het is niet het authentieke Zaanse dorpje dat de tand des tijds dapper heeft weerstaan, al die eeuwen, waar je het ook voor zou kunnen houden, als je niet beter wist. In werkelijkheid is het een openluchtmuseum. In 1961 is men begonnen oude houten Zaanse huisjes en schuren en molens, waarvoor elders vanwege de oprukkende moderne tijd geen ruimte meer was, naar deze plek aan de overkant van de Zaan te verplaatsen. Waar ze niet zo in de weg stonden. En om ze te behouden voor de toekomst. Het heeft de plaatselijke economie geen windeieren gelegd want zelfs op een doordeweekse septemberdag buiten het seizoen als vandaag is het er een drukte van belang.
Het is een boeiend fenomeen, al die toeristen die hier in grote groepen en lange rijen doorheen lopen te slenteren, van klompenmaker naar oudHollandsch snoepwinkeltje, in de nergens tegengesproken veronderstelling dat ze een stukje authentiek Nederland beleven. Een stukje Nederland waar ook in eigen land zo smartelijk naar wordt verlangd. Het land waar Zwarte Piet nooit wordt afgeschaft en waar de Gouden Eeuw altijd van Goud blijft. Waar de tijd genadig is stil blijven staan in een achteraf glimmend opgepoetst verleden. Een nostalgische illusie.

P1070067

Eén industriegebiedje en tien minuten lopen verder ligt Haaldersbroek. Een typisch Zaans dorpje, maar dan wel echt. Hier geen souvenirwinkeltjes of klompen op reuzenformaat. Geen toeristen met selfiesticks. Alleen ik, wat besmuikt fotograferend. En een enkele bewoner die zijn buitenboel staat te schilderen, of in zijn tuin staat te grutten en de passerende wandelaar argwanend in de gaten houdt. Het is dan ook een doodlopend straatje dat niet bij de route hoort waar ik in ben gelopen. Hooguit een meter breed. Kleine bruggetjes over smalle vaarten, glimmend groene huisjes met spiralende makelaars aan de nok en hortensia’s in de tuin. Kippen op het erf. En waar het kan de middenklasser op de oprijlaan. Hier is, in een behouden verleden, de tijd gewoon doorgegaan.

P1070077

Langs de Zaan, met aan de overzijde de nodige industrie, loop ik met een grote boog om het Kalf heen, via een desolaat parkeerterrein rechts en sportvelden links het Jagersveld in. Een recreatieterrein met tekentafelpaden en kunstmatige strandjes rond de Jagersplas, een plaatselijk zeer diep meer dat ontstond door het weggraven van de enorme hoeveelheid zand die nodig was voor het aanleggen van de A8, die hier langzaamaan steeds dichterbij komt. Er staan goedbedoelde trimtoestellen en toiletgebouwen, met zelfs douches erin. Op een paal in het water zit een aalscholver de veren te poetsen. Het recreëren bestaat vandaag voornamelijk uit het uitlaten van de hond. En een enkele rood aangelopen hardloopster. Met witte pluggen in de oren, een telefoon aan de bovenarm gegord en de lege blik strak naar voren lijkt ze een op afstand bestuurbare robot. Het groeten nog niet ingeprogrammeerd.
Dan moeten, eenmaal onder de A7 door, een spoorbaan en een vaart worden overgestoken. Volgens mijn routeboekje kunnen daar trappen voor worden gebruikt. Trots vermeldt de Nivon dat deze op haar verzoek zijn aangelegd, door de gemeente Zaanstad en Rijkswaterstaat. Misschien zijn de trappen direct na het drukken van het boekje net zo hard weer wegbezuinigd, of ik heb stront in mijn ogen gehad, dat kan ook, in elk geval, ik heb ze niet gevonden. Wel waren er twee misschien wel honderd meter lange asfaltlussen naar boven en weer naar beneden waarmee je zeker twintig minuten pal langs de snelweg loopt te zigzaggen om aan de goede kant van het spoor en aan de goede kant van het water landinwaarts de tocht te kunnen voortzetten. Eerlijkheidshalve zal ik bekennen dat ik bij de afdaling gebruik heb gemaakt van het olifantenpaadje dat zich inmiddels, buiten medeweten van de overheden om, heeft ontwikkeld; waarschijnlijk precies op de plek waar ooit de trap bedacht was.

P1070114

Langs spoor en vaart gaat het dan recht zo die gaat, dwars door de polder Oostzaan. Authentiek veenweidegebied, vertelt mijn boekje. Een uitgestrekte archipel van rafelige, onregelmatig gevormde eilanden in een grote plas bruinig water, voedselbron voor weidevogels. Ze laten zich niet zien vandaag maar ze zullen er vast nog geweest zijn, het is nog zomer tenslotte.
Door De Haal Het Twiske in. Een laagveenmoeras dat in 1942 werd drooggelegd maar ongeschikt bleek voor landbouw, wat blijkbaar in eerste instantie de bedoeling was geweest. Middenin het gebied ligt de Stootersplas, ook weer ontstaan door het weggraven van zand voor de Coentunnelweg, de A8. In de jaren zeventig werd Het Twiske ingericht als natuur- en recreatiegebied. Het eerste gedeelte waar ik doorheen loop zal daarbij als natuurgebied zijn bedoeld en het heeft ook zeker charme, al kan ik me voorstellen dat ik er niet in de gunstigste tijd van het jaar loop. Het is redelijk kaal terrein met hier en daar een berkenbosje en wat eenzame grote bomen. Kale skeletten van dode en omgewaaide bomen onderstrepen de woeste en ledige sfeer. Dicht langs de grillige uitlopers van het riviertje Het Twiske, dat uitstroomt in de Stootersplas, meander ik over graspaden die zich bijna angstvallig steeds opnieuw van het naastgelegen fietspad afkeren.
Een uitgebreid gezelschap van koeien met hun kalfjes kruist mijn pad. Hier en daar staat een kalf bij zijn moeder te drinken, een bijna vergeten beeld. Het is mooi om te zien hoe één van de koeien zich losmaakt uit de groep en wat argwanend poolshoogte komt nemen bij mij, de wandelaar. Op enige afstand blijft ze staan, scherpe hoorns boven een waarschuwende blik in de ogen.

P1070145

Wanneer ik vanaf vogelkijkhut Het Drijfsijsje – we zitten niet al te ver van die goeie ouwe Amsterdamse humor vandaan – aan de overkant van het riviertje terugloop in de richting van Landsmeer betreed ik het gedeelte dat als recreatieterrein is ingericht. Speeltuinen, strandjes, wandelsteigers, informatieborden en parkeerterreinen. Hier begint het meanderen me een beetje te irriteren. Het lijkt of er gedacht is: we gaan dit gebied optimaal gebruiken en slingeren de route er zo onlogisch mogelijk doorheen. Mountainbikers vinden dat leuk. Die maakt het geen reet uit waar ze fietsen, als er maar lekker veel scherpe bochten en rare hobbels in het parcours zitten. Voor mij had het niet gehoeven. Ik maak een bocht van een kwartier, langs nou helemaal niet van die speciale stukken of vergezichten, om tien meter van het startpunt van deze omweg weer uit te komen. Het wordt een soort schoonwandelen, op deze manier; het gaat om de krullen. Als de markering me dan ook nog in de steek laat word ik ronduit chagrijnig, ik kan er niks aan doen. Met behulp van de kaart in het boekje zoek ik mopperend verder mijn eigen weg wel, en dat bevalt al meteen weer een stuk beter.
De aanlooproute naar Landsmeer, eindpunt voor vandaag, is dan ook weer een gladgeschoren en -gestreken recreatiegebied met parkeergelegenheid en tot slot de fietsroute achterlangs de sportvelden, dus eerlijk gezegd, als ik in de bus naar Sloterdijk zit, vind ik het niet heel erg dat deze etappe erop zit. Maar misschien waren mijn verwachtingen na vier jaar wel te hooggespannen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Lees ook eerdere verslagen van het Trekvogelpad in het archief.

Bereik in de Prehistorie

cropped-p1060558.jpg

Een kleine rondwandeling in Naturschutzgebiet Walbert, in de Eifel, gelopen op dinsdag 13 augustus 2019

Bij mijn wandelingen op vakantie vind ik het altijd moeilijk niet teveel in nostalgie te vervallen. Dat gaat eigenlijk vanzelf. Ik loop langs een beekje en zie mijn jongens er uren lang stenen in verleggen, dammen in bouwen, stokken in gooien.. jaren geleden alweer. Ik zie zo’n typisch Duitse Jagdstuhl – een vaak maar nauwelijks gecamoufleerde schiethut op hoge poten – en klim in gedachten de ladder met ze op, om te kijken of er kogelhulzen liggen, of iets anders spannends. Soms niet eens alleen in gedachten trouwens. Maar goed.
Is het erg, al die nostalgie? Ach welnee, dat ook weer niet. Ik heb soms het gevoel dat ik de dag van vandaag er tekort mee doe, maar verder doe ik er niemand kwaad mee, niemand wordt gekwetst. Het zijn mooie herinneringen aan een rijk recent verleden die nou eenmaal graag nog eens worden afgespeeld. Ik geniet ervan.

P1060578

Ook nu weer. Al wandelend ben ik in een spectaculair, sprookjesachtig, betoverend stukje Eifel terechtgekomen – drie bijvoeglijke naamwoorden zijn hier volkomen op hun plaats. Walbert heet het, volgens de kaart, een Naturschutzgebiet. Onderdeel van wat wel de Schönecker Schweiz wordt genoemd. En ik weet zeker dat mijn jongens dit in die jaren ook fantastisch hadden gevonden. Die hadden hier zo een halve dag in het rond kunnen klimmen en klauteren en de mooiste avonturen beleven.
Volgens een informatiebord ter plekke is het een landschap dat honderden miljoenen jaren geleden ontstond, toen de oercontinenten Laurazië en Gondwana tegen elkaar aan botsten en de tussenliggende zeebodem als een tafellaken werd bijeengeveegd en opgevouwen. De imposante, tientallen meters hoge rotsformaties waar ik hier zo opeens tussen loop zijn de rechtop gezette brokstukken daarvan. De oplettende toeschouwer zou er talloze fossiele resten en afdrukken van zeeleven in moeten kunnen vinden, het leven waar het leven mee begon. Ik vind het meteen een buitengewoon fascinerend idee dat deze rotsen, waar ik nu mijn handen op leg, dus ook het dekor zijn geweest van de dinosauriërs. Dat ze onze verre, verre, verre betovergrootvaderen nog langs hebben zien komen, gewapend met speren en vuistbijlen. Nu zien ze mij hier ademloos staan kijken, maar het doet ze niks. En terecht. Voor hun is het zó weer voorbij. Een oogwenk in een eeuwigheid. Wat zullen ze over duizend jaar zien? Over honderdduizend jaar? Misschien dat ze dan weer deel uitmaken van de zeebodem.
Ik ben zo lyrisch enthousiast over deze ontdekking dat ik besluit er later in de week nog eens terug te keren, met mijn vrouw en mijn oudste zoon, die ook mee is op vakantie, om het ze te laten zien. Om het ze te laten voelen. En ik hoop natuurlijk dat bij mijn zoon nog een keer hetzelfde lichtje op gaat als bij mij.

P1060594

Nou. Goed. Hij gaat gewillig met ons mee, dat moet gezegd, hij klautert niet onwelwillend achter ons aan, of voor ons uit en desgevraagd is het ook best wel mooi allemaal, maar ja, het zijn stenen, vindt hij. Grote stenen, maar stenen. We lopen hier in de prehistorie maar belangrijker is de vraag of er bereik is of niet. 4G of geen 4G. Voortdurend wordt het gecheckt en als het er is moet er gebruik van worden gemaakt. Voor het één of ander, ik heb geen idee. Het is de moderne tijd, kun je denken, al zal de gemiddelde Neanderthaler ook niet direct bezig zijn geweest met de schoonheid van dit alles, dus.. ja..
Ben ik nu teleurgesteld? Nee, welnee, dat niet. Wat geweest is is geweest, en het gaat, zoals het gaan moet.. voorbij. En voor nostalgie is die jongen nog niet oud genoeg.
Ik vind nog wel een kaakbeen, van een zwijn, of een ander dier. Er zit nog een heel rijtje gave kiezen in. Vroeger zouden we die onder luid gejuich meegenomen hebben, in de leeggegeten broodtrommel, in een zakdoekje gewikkeld, om thuis toe te voegen aan onze verzameling van dingen uit de natuur. Nu houd ik het bij een foto, want ja..
Maar daar heb ik later dan wel weer spijt van gekregen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Bohemian Rhapsody in het Karstlandschap

cropped-p1060461.jpg

Wandeling in de Eifel, van Schönecken naar Ober Hersdorf, gelopen op zaterdag 10 augustus 2019

Gelukkig ben ik een flexibele wandelaar, anders was het vandaag misschien minder goed gelopen dan het nu gelopen is. Op de wandelkaart van onze tijdelijke omgeving was mijn aandacht getrokken door Schönecken. Vanwege de veelbelovende naam allicht, die nog onderstreept werd, letterlijk ook, op de kaart, met een uitgebreid assortiment aan gekleurde, gestippelde, doorgetrokken en geblokte kronkelende lijnen die allen een wandelroute markeerden, met ieder een eigen nummer, symbooltje, pictogrammetje of logootje. Soms voerden er wel vier of vijf tegelijk over hetzelfde bospad. Het Schneifelpad, het Jakobspad, het Nimstalpad, om er maar eens een paar te noemen, plus nog verschillende routes van de Eifelverein.. dat moest wel de moeite waard zijn, had ik gedacht. Daar ging ik heen.

P1060175

Heel even kwam de angstige gedachte bij me op dat dat dan misschien wel heel veel andere wandelaars zou aantrekken ook en ik, bewaar me, terecht zou komen in jolige wandelvierdaagse-taferelen van in file achter elkaar aan lopende prestatiewandelaars met heuptasjes met voldoende water, bezwete koppen onder rare petjes en hoedjes en ook verder in merkwaardige uitdossingen gestoken, maar dat was natuurlijk onzin want tijdens de wandelingen die ik tot nog toe gemaakt heb in Duitsland, ben ik slechts hoogstzelden een tweede wandelaar tegengekomen.
Heel even lijkt het alsnog verkeerd uit te pakken, er staan verdacht veel auto’s op de Wanderparkplatz en bij het informatiebord staat zich zelfs al een berugzakt en bewandelschoend duo te oriënteren, dat ik in het eerste half uur van de tocht overigens met enige moeite uit mijn kielzog  kwijt weet te raken, maar dat blijkt later verder allemaal reuze mee te vallen. De werkelijke moeilijkheid zit hem in de hoeveelheid aangeboden wandelingen. Op de toch behoorlijk gedetailleerde kaart is er, door de samenklonteringen van symbooltjes en nummertjes die soms cruciale splitsingen en kruisingen aan het oog onttrekken, maar moeilijk wijs uit te worden welk pad in te slaan voor de door mij gekozen route en ook ter plekke blijkt: het zijn er teveel. De paaltjes die ervoor bedoeld zijn, zijn te klein voor zo veel pijlen, plaatjes en stickers, soms half over elkaar geplakt en met stift veronduidelijkt met handgeschreven extra pijlen en aanwijzingen. Er is geen touw aan vast te knopen.

P1060152

Enigszins opgejaagd door het duo in mijn nek en, ik zal het eerlijk toegeven, tevens te bekakt om mij zelf ook even kalm en bedaard bij het informatiebord te oriënteren, sla ik lukraak rechtsaf, om er van af te zijn. Dat ik meteen een steil klimmetje moet maken klopt niet met hoe ik de route gepland had, op de overvolle kaart, want ik zou langs een beek, maar die gedachte maakt plaats voor de charmante en fotogenieke aanblik van een omber- en okergele rotspartij die plotseling in al zijn robuuste schoonheid boven mij uittorent. Kalkzandsteen, gok ik. Op het uiterste randje lijkt het laatste rijtje bomen zich krampachtig, huiverend, met al hun wortels vast te houden om te voorkomen dat ze de diepte in storten. Kijk, dit zijn de dingen waarvoor je eropuit trekt, dat hebben we thuis niet, in de polder. Ik neem er even de tijd voor.
Zoveel pijlen en bordjes er net nog stonden, zo weinig staan er nu, nu ik verder wil. Geen enkele aanwijzing over links, rechts of rechtdoor. Het kan alle drie. Ik ben net op weg en nu al verdwaald. Teruglopen is geen optie, op gevoel sla ik linksaf en klim pittig verder over een nogal grofkorrelig okergeel grindpad dat meer weg heeft van een drooggevallen rivierbedding, het heeft gisteren flink geregend en dat is hier nog goed te zien. Het gaat trouwens weer een beetje regenen merk ik, en wat nog erger is, de natuur roept. De natuur dringt aan zelfs. Hoewel ik goed voorbereid op pad ben gegaan, om het zo maar te zeggen, is er geen ontkomen aan, ik moet. En liefst een beetje snel. In de top 2000 van dingen waar ik een pesthekel aan heb is dit de Bohemian Rhapsody: schijten in de natuur, ik draai er maar niet meer om heen. Erover uitweiden ga ik trouwens evenmin, dat hoeft nou ook weer niet, al is het natuurlijk zo menselijk als wat, maar daar zit ik dan, in de bosjes naast het pad, die aan de magere kant zijn, in de regen, zakdoekje paraat, met in mijn achterhoofd het wandelduo achter mij, dat nu niet ver weg meer kan zijn. Mama Mia let me go.

P1060184

Wanneer ik even later, de nood gelenigd, de bui overgewaaid, het wandelduo afgeschud, in een ruime zigzag beweging een dal in meander, herken ik die beweging van de kaart. Dit is mijn terugweg. Dat wil zeggen, dit was mijn terugweg, want nu besluit ik er ook meteen korte metten mee te maken. Ik pak de kaart erbij en bepaal ter plekke een nieuwe route. Zo doen we dat. Het weidse, groen glooiende uitzicht dat ik hier heb bevalt me wel, is eigenlijk precies waar ik op uit was na een eerdere wandeling over voornamelijk bosbouwpaden door geometrisch productiebos, dus ik zou wel gek zijn als ik nu weer op zoek ging naar de juiste pijltjes en nummertjes. Vrijheid blijheid, wie doe me wat.
Het blijkt een goede beslissing want het wordt al met al een schitterende, gevarieerde wandeling door loofbossen, langs steile rotswanden, gouden korenvelden, glinsterende beekjes en glooiende dalen met witte dorpjes en leistenen kerktorentjes in de verte en roofvogels aan de blauwe hemel.
Wandelen is voor mij niet per se alleen maar in een straf tempo met voldoende water van a naar b lopen. Dan kun je beter met de fiets, denk ik dan. Het leuke van wandelen is juist het kalme, het langzame. Het bewuste, zo u wilt. Het onderdeel zijn van het geheel. Wandelen is ook af en toe stilstaan om te zien wat er te zien is, te horen wat er te horen is, te ervaren wat er te ervaren is, en zo het geluksgevoel te laten indalen.
Dus als ik verderop in het bos op tientallen meters even lange als hoge rotsformaties stuit, bizarre stapelingen van enorme, met mos begroeide stenen die, zeker in combinatie met het lieflijk ruisend beekje ter rechterzijde, een feeërieke en voorwereldlijke sfeer van ongereptheid oproepen, laat ik mij graag betoveren. Ik waan mij vanzelf een ontdekkingsreiziger en start de klimtocht tussen en over de rotsblokken naar de top. Een jongensachtige excursie die mij ook doet terugdenken aan de wandelingen die ik vroeger met mijn zonen maakte, die dit destijds helemaal de bom hadden gevonden, maar ik wil ook voorkomen dat het leven alleen nog maar uit nostalgische overwegingen bestaat dus ik ga hier gewoon toegeven dat ik dit geklauter, dit bedwingen van de woeste natuur, hier en nu, in mijn eentje, ook gewoon als een hoogtepunt van de wandeling beschouw.

P1060268

Uiteraard loop ik ook nog een stukje door het ruisend beekje, waarvan mij eerder al was opgevallen, waarvan het mij eerder al had bevreemd dat het hele stukken alleen maar een droge bedding was maar dat er dan plotseling ook weer ergens water door kabbelde. Een informatiebord legt het uit. Het is in het Duits dus ik doorgrond het maar half, met mijn verzakte middelbare school Duits, en bij aardrijkskunde heb ik het misschien ook wel gehad maar dat vond ik toen nog saai, maar ik doe mijn best. Wat ik ervan begrijp is dat het water gedeeltelijk ondergronds loopt. Doordat kalklagen in de bodem zijn opgelost is daar ruimte voor. Plaatselijk, waar minder kalk heeft gezeten neem ik dan maar aan, welt het water naar boven om bovengronds haar weg te zoeken, om waar het kan dan weer weg te zakken, zoals water nou eenmaal graag doet. Bij voldoende aanvoer van hemelwater zal de beek trouwens wel helemaal vollopen als ik die bedding zo bekijk. Het zou leuk zijn, bedenk ik, het dan ook eens te zien. Verder lees ik dat op sommige plekken zulke grote ondergrondse ruimtes met water ontstaan dat de boel instort en er een groot, kratervormig gat in de bosbodem ontstaat. Verderop kom ik daar inderdaad een voorbeeld van tegen, dat ik zonder het bord niet had herkend. Eén en ander zijn kenmerken van het zogenoemde Karstlandschap. Dus dat weet ik nu dan ook weer. Kennis om thuis mee aan te kunnen komen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Ontmoetingen en avonturen in Blôte Bieneland

cropped-p1050562.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Nieuwe Niedorp naar Twisk, gelopen op vrijdag 21 juni 2019

Geparkeerd onder de pittoreske kerktoren van Nieuwe Niedorp hopen we als eerste een kop koffie te kunnen scoren, om de wandeling voor vandaag officieel te openen. Dat blijkt nog niet zo makkelijk. Aan het plein zien we De Roode Eenhoorn, dat met een uitgestald terras weliswaar sterk op een uitspanning lijkt maar het bij navraag niet blijkt te zijn. Ze hebben wel koffie, vertelt de jongedame die ons te woord staat, maar ze zijn geen café. De mededeling blijft wat onduidelijk in de lucht hangen zodat wij beleefd groetend maar weer naar buiten klossen.

de roode eenhoorn
De Roode Eenhoorn in andere tijden

Later op internet blijkt de Roode Eenhoorn nota bene het oudste café van Nederland te zijn geweest, dat in 1530 reeds werd genoemd als rustplaats voor man en paard, maar in 2012 werd omgebouwd tot een woonzorghuis. We zijn gewoon te laat. In de voormalige feestzaal zijn nu negen appartementen gevestigd, waar evenzoveel zorgbehoevenden wonen, het cafégedeelte is de gemeenschappelijke ruimte waar wordt gekookt, gegeten, gespeeld en ontmoet. En koffie gedronken. Maar niet door ons dus.
Wij lopen door naar De Maurits, die op dit uur echter nog gesloten blijkt, behalve uiteraard voor de eigenaar, die genoeglijk met een bakkie en zijn telefoon op zijn eigen terras neerstrijkt. Wij hebben ons geluk dan al beproefd bij de buren, een wat beduimelde snackbar waarvan je je zelfs zou kunnen afvragen of hij ooit betere tijden gehad zal hebben maar waar een vriendelijke jongeman ons twee superieure cappuccino’s brengt. Zo zie je maar. Ook de pittoreske kerktoren blijkt overigens niet helemaal te zijn wat het lijkt want de bijbehorende kerk werd meerdere malen afgebroken en voor het laatst in 1966 vervangen door het zwaar gedateerde, gewilde modern van kerkgebouwen uit die tijd, met de dan weer niet ontoepasselijke naam Fenixkerk.

P1050508

Door de Dorpsstraat wandelen we Nieuwe Niedorp uit, langs grote, fraaie en soms rijk versierde huizen die aan één kant van de straat achter een vaart liggen en vanaf de weg ieder met een eigen brug bereikbaar zijn. De vaart, de beurtvaart, werd in vroeger tijd gebruikt om de oogst naar de groenteveiling te vervoeren maar is nu zo goed als onbegaanbaar doordat de bruggen laag en breed net boven het water hangen ten behoeve van de auto’s des huizes. De zomer begint vandaag, de bomen staan volop in het groen. Een aantal imposante zwarte beuken verleent het dorpsgezicht extra statuur.
Via de n239 lopen we rechtsaf het land in richting Aartswoud, het kolossaal silhouet van het Seminario Redemptoris Mater kijkt ons na. Even zien we in de verte het Kremlin nog door de bomen schemeren. Niet het echte uiteraard maar een plaatselijk bekende, misschien zelfs beroemde tuin waarin de bewoner louter voor zijn eigen plezier een groot aantal fantasierijke bouwsels in Russische stijl heeft neergemetseld. Zogenoemde follies. Ons boekje maakt er geen melding van, maar we komen er ook niet echt langs natuurlijk. We hebben het erover omdat het boekje wel melding maakt van follies in Italiaanse stijl, bij Aartswoud. Daar zouden we dus wel langs komen. Het kan zijn dat we niet verder hebben gekeken dan onze neus lang is, maar ook deze follies gaan aan onze neus voorbij. Ze zijn niet te vinden. Maar ach, we kunnen zonder, er is genoeg te zien.

P1050545

We ondergaan uitgestrekte groene landschappen met frisblauwe luchten erboven die schilderachtig zijn opgemaakt met helderwitte, zonbeschenen wolken. We zien eenden met pullen zwemmen, een tweede leg, kun je vermoeden, in deze tijd van het jaar. Jonge fuutjes ook, met nog een gestreepte kop maar te groot al voor op mama’s rug. We passeren een loods waar schapenwol te koop wordt aangeboden, waar het rafelig schaap dat kreupel in het weitje aan de weg staat te rochelen en te steunen geen aanbeveling voor is. Tot hoog boven de horizon wordt in de verte met een aantal windmolens aan het nieuwe Nederland gebouwd. Dichterbij steken de oranje pannendaakjes van het oude Nederland boven het groen uit, een volle waslijn ernaast, bollend in de wind. Een tractor rijdt heen en weer door het hooi om het te keren en werpt daarbij grote stofwolken op. Het is een nostalgisch beeld, met een nostalgische geur.
Even buiten Aartswoud ontmoeten we een dame met een fiets, een zonneklep en een blijde lach. De fiets staat geparkeerd bij een kippenbruggetje over de Veersloot en het lijkt of de dame ons op staat te wachten. Wat niet zo is uiteraard, maar zo komt het al snel tot een praatje. Als het even kan zit ze op de fiets, vertelt de dame. Tentje achterop en gaan. En maar zien waar ze uitkomt. Naar België en Frankrijk ook wel, maar ook veel in eigen land. Moet ze ergens met de trein heen, gaat de fiets mee. Voor de verloren uurtjes. Rieta heet ze, met i e, en fotografe is ze. Te Monnickendam. Portretten. Trouw- en rouwreportages. Geen nieuwsfoto’s, dat moeten anderen maar doen, dat is niks voor haar. Ze geeft ons haar kaartje mee. De fiets is een verhaal apart, vertelt ze, en zo ziet ie er ook uit. Als een studentikoos vehikel. Het is een peperdure kwaliteitsfiets, verklapt ze ons, maar ter voorkoming van diefstal heeft ze hem eerst wat nonchalant in de matte witte verf gezet, waarna de kleinkinderen hielpen met versieren en ze aldus op het fleurige idee kwam om iedereen met wie ze onderweg een praatje maakte zijn of haar naam op de fiets te laten schrijven. Ze heeft er speciaal een handvol gekleurde stiften voor in het stuurtasje zitten. Ook wij mogen een plekje uitzoeken, op het volgeschreven frame. Van veel namen weet Rieta nog uitgebreid te vertellen wie en waar het was. Wij vleien ons daarom met de gedachte dat wij nu ook in haar repertoire zijn opgenomen en besluiten dat de wereld enorm opknapt van mensen als Rieta.

P1050606

We lopen verder over ‘t Blôte Bienepad, wat Westfries is voor blote benenpad. Waarom het zo heet wordt niet duidelijk, een blote voetenpad is het in elk geval niet. Het schijnt dat de streek rond Aartswoud Blôte Bieneland genoemd wordt, door de Westfries, en dat zou er dan weer mee te maken kunnen hebben dat Aartswoud in vroeger tijden aan de woeste Zuiderzee lag en dat haar bewoners in die tijd bekend stonden als laten we zeggen nogal ondernemende en proactieve strandjutters. De stompe kerktoren zou in die dagen ook dienst hebben gedaan als soms wat misleidende vuurtoren, lezen wij. Maar goed, deze historische duiding speculeren we hier ter plekke bij elkaar, zie maar wat u ervan gelooft.
Voor we bij Lambertschaag opnieuw op de Westfriese Omringdijk stuiten gaat ’t Blôte Bienepad over in het Pannepad. Over de oorsprong van die naam heeft ons routeboekje gelukkig iets te melden. Hier werden vroeger stieren gefokt die van een zo hoge kwaliteit waren dat ze wereldwijd werden verkocht. En al deze stieren heetten Pan, om één of andere reden. Het pad is naar hen genoemd.
Of het een nazaat van zo’n beroemde Pan is weten we natuurlijk niet zeker maar het zou zomaar kunnen want feit is dat we juist hier een pink aan de verkeerde kant van het hek treffen. Hoe ze er gekomen is, is ons een raadsel, al horen we later van iemand die het weten kan dat pinken ‘achterlijk hoog’ kunnen springen. Daar staat ze, midden op het pad. Haar soortgenoten staan nieuwsgierig tegen het hek gedromd om maar niets te missen van wat komen gaat en dat er wat komen gaat is onvermijdelijk, wij besluiten namelijk dat we iets moeten doen. Zo zijn wij dan weer. Al weten we niet precies wat wijsheid is, want zo zijn we ook. We knopen het hek, dat met boerentouw is dichtgebonden, los en zetten het op een kiertje, niet te groot want we zijn als de dood dat de andere pinken straks ook de benen nemen en we met een veel groter probleem zitten opgescheept. Dan proberen we met strategische danspassen en armbewegingen de wegloper terug het weiland in te krijgen, maar die houdt zich niet aan ons rommelig plan en dreigt paniekerig steeds verder af te dwalen. Gelukkig krijgen we hulp van twee fietsers die toevalligerwijs ieder van de andere kant aan komen rijden en zo het smalle pad in beide richtingen afsluiten. Een tijdje kijken ze ons geklungel welwillend aan, dan neemt één van hen de leiding over. Hij is opgegroeid op een boerderij, vertelt hij, en weet dus hoe te handelen. En inderdaad is de kudde in een vloek en een zucht herenigd, aan de goede kant van het hek. Onze redder in nood blijkt juist op weg te zijn naar de eigenaar van deze pinken en hij neemt afscheid met de belofte een goed woordje voor ons te doen.

P1050624

Vanaf Lambertschaag maken we ons op de A7 over te steken. We lopen er op af over een fantasieloos stuk van de Westfriese Dijk met rechts van ons een druk bereden n239. Een ononderbroken stroom vrachtverkeer trekt voorbij. De schoorstenen van Hartog dierenvoeders stoten verschillende merkwaardige kleuren rook uit. We rapen enorm veel plastic en blikjes uit de berm, de meegebrachte boodschappentas is ook vandaag weer te klein. Veel is door de maaier al tot scherpe en voor dieren levensgevaarlijke snippers gemalen, je mag hopen dat het gedroogde gras dat hier ligt niet als hooi gebruikt gaat worden.
Dan gaat het naar Twisk, langs een dichtbevolkt vogelgebied. We lopen langs de natuurlijke oever van de Oostermare, lezen we, een oude veenstroom, nu in gebruik als waterberging en broedgebied voor allerlei vogels. De roerdomp, de slobeend, de tureluur, de grutto.. ze komen hier allemaal voor. Wij herkennen de kluut en het visdiefje. Aan de overzijde van het water is een oeverzwaluwwand geplaatst waarvan het meer dan tachtig paartjes geen bal uitmaakt of dat van beton is of niet.
In Twisk verlaten we de voorgeschreven route en slaan rechts- in plaats van linksaf, omdat daar de auto nou eenmaal staat geparkeerd. Zo zien we dan weer wel een gedeelte van Twisk dat anders voor ons verborgen zou zijn gebleven. Het lintdorp ziet eruit als een openluchtmuseum. Links en rechts van de klinkerweg staan lange rijen goed onderhouden en rijkversierde stolpboerderijen en rijksmonumenten in de middagzon te glimmen. Het zal geen straf zijn hier de volgende etappe in omgekeerde richting weer te beginnen.
We sluiten de dag af zoals we hem begonnen, met een zoektocht naar koffie. Een enorme uitspanning die met grote parasols en protserige witte beelden nogal de aandacht op zich vestigt blijkt niettemin gesloten en zo eindigen we ook in Twisk bij de buren: een uit de kringloop ingerichte koffiehoek die onwillig deel uitmaakt van een dorpse winkel van sinkel annex bouwmachineverhuur die tevens dienst doet als postagentschap en waar een nurkse meneer die alles al een keer gezien heeft en zich nergens meer over verbaast de scepter zwaait. Zonder zich te haasten verdeelt hij zijn karige aandacht over ons en de talrijke klanten die zich in zijn winkel aandienen. Bij de balie staat een molen met kromgetrokken ansichtkaarten uit de begintijd van de fotografie, met straatbeelden van het Twisk van toen. Het hondje van de zaak loopt zich regelmatig vast tussen de stoelpoten rond onze voeten, aan zijn touw van dertig meter waarmee hij ook het terras bestrijkt, in de hoop dat er een stukje appeltaart zal vallen. Warme appeltaart, dat dan weer wel.

Dit verslag werd ook gepubliceerd op Samen Uit En Thuis, weblog van een wandeling langs het Groot Frieslandpad, met ook nog tal van rubrieken.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Een kakikleurige meneer met handige zakken

cropped-p1050286.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis, van Castricum naar Beverwijk, gelopen op donderdag 23 mei 2019

Hoe we het doen weten we zelf ook niet precies, maar we pikken er telkens een schitterende dag voor uit om op pad te gaan. Terwijl het in deze moderne tijden toch echt ook lang van tevoren geplande evenementen zijn, agenda tegen agenda. We wandelen onder een ons goedgezind gesternte blijkbaar. Tot nog toe, in elk geval. In het verleden behaalde resultaten zullen ook in dit geval geen garantie voor de toekomst bieden. Maar goed. We lopen van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, onze geboorteplaats, en weer terug, mijn jongste zoon en ik. Van thuis naar thuis en omgekeerd als het ware. Vandaar dat we onze zelfverzonnen langeafstandswandeling De Lange Weg Naar Huis hebben genoemd.

P1050197

We verzamelen op station Castricum vandaag, want mijn zoon moet eerst nog even een uurtje naar school. Hij heeft een zwaar leven. Langs nagelnieuwe en ruim gedachte villa’s voor de beter gesitueerden lopen we Castricum uit. Het is nog voorjaar, de bomen staan nog fris in het groen, maar de bloemen die beregend worden op het bollenveld dat we passeren zijn al geen tulpen of narcissen meer, daar is het dan toch alweer te laat voor. Wat er wel in bloei staat weten we niet maar het biedt een kleurige aanblik.
Over vriendelijke bospaadjes, tussen kronkelende heksenboompjes door, komen we in een uitgestrekt duingebied. Daar stuiten we om te beginnen op een geheel door aalscholvers in bezit genomen bosje. Dat biedt nogal een aanblik. Eerder waren we al eens tot het besluit gekomen dat de aalscholver van dichtbij eigenlijk wel een soort schoonheid bezit, maar dit is geen gezicht. We tellen tientallen nesten, wat niet moeilijk is want het zijn grote vogels die grote nesten bouwen maar bovendien alles doodschijten waar ze bij in de buurt komen. In het volle zicht manoeuvreren ze log en onhandig wat heen en weer, met die grote zwemvliesvoeten, op hun slordige bossen hout tussen de kale, witte, afgestorven takken die in een gestolde wanhoopskreet tegen het zwerk afsteken.
Blijkbaar hebben we ons laten afleiden door dit prehistorisch tafereel want korte tijd later komen we erachter dat we verkeerd lopen. Dankzij de boompjes. Tanige, weerspannige boompjes die hier en daar al jarenlang dapper maar vruchteloos weerstand hebben staan bieden aan de wind. De wind van zee, die ze met haar lange adem hardnekkig slechts één groeirichting toestaat. Als oude mannetjes staan ze voorover gebukt, gekromd, gebocheld. Allemaal naar rechts, valt ons op. Wat ons na een tijdje op de gedachte brengt dat de zee dan links van ons zal liggen. En dat we dus de verkeerde kant op lopen. Reuze trots zijn we dat we het landschap zo doeltreffend hebben kunnen lezen. Dat we nu een klein stukje op onze schreden moeten terugkeren nemen we op de koop toe.

P1050229

Zoals inmiddels gebruikelijk rapen we onderweg blikjes en plastic afval dat schijnbaar achteloos in berm en beemd wordt achtergelaten. Het doet mij deugd dat mijn negentienjarige zoon zich hier net zo fanatiek in toont als zijn oude vader, en hetzelfde verontwaardigde onbegrip ventileert over mensen die blijkbaar de rust en de schoonheid van de natuur opzoeken maar dan evengoed een spoor van verontreiniging achterlaten. Het valt niet te rijmen inderdaad. We komen thuis met een flinke boodschappentas vol. Dat er bijna de hele wandeling elke vijf minuten een passagiersvliegtuig over komt geeft onze opbrengst, onze hele missie, uiteraard de schijn van volslagen zinloosheid, van vechten tegen de bierkaai en paarlen voor de zwijnen, maar daar laten we ons niet door van de wijs brengen. Wat moeten we anders?
Dan duikt een kakikleurige meneer met handige zakken op uit de bosjes. Met onder zijn arm wat provisorische vlaggetjes en in zijn hand een geel apparaat. Nieuwsgierig vragen wij hem wat hij doet, en dat wil hij graag vertellen. Hij gaat er zelfs eens goed voor staan. Hij is bioloog, vertelt hij, plantkundige, om precies te zijn. Gepensioneerd inmiddels weliswaar, maar naar eigen beleving nog niet oud genoeg voor de permanente vakantie en vandaar als zelfstandige nog regelmatig in opdracht aan de slag. Zoals nu een onderzoek naar de vegetatie in dit gebied. Steekproefsgewijs, op verschillende van te voren willekeurig bepaalde plekken, legt hij uit, inventariseert hij wat er zoal groeit of bloeit. Met enige trots toont hij zijn gps, het gele apparaat, dat achtduizend euro gekost heeft maar hem dan ook tot op tien centimeter nauwkeurig brengt waar hij moet wezen. Wij tonen ons onder de indruk.
Met de provisorische vlaggetjes zet hij een cirkelvormig lapje grond af van vier, tien of honderd vierkante meter, afhankelijk van de hoogte van de begroeiing. Hoe hoger de begroeiing, hoe minder planten per vierkante meter, hoe groter het lapje grond. De door de steekproef opgegeven coördinaten dienen als middelpunt, en het is natuurlijk handig te weten dat de oppervlakte van een cirkel pi maal de straal in het kwadraat is. Goed. Binnen die cirkel telt en benoemt hij ieder plantje, bloempje en grasje dat er groeit, of het nu een boom, korstmos, helmgras of moeraswespenorchis is. En alles wat er zou kúnnen groeien kent de meneer – uit zijn hoofd – bij naam. En komt hij toch iets tegen dat hij niet kent, neemt hij een foto om het thuis te determineren. Vooral bij campings komt hij wel eens iets tegen dat hier eigenlijk niet hoort, in de Noordhollandse duinen. Dat is dan als pluisje of zaadje aan tentzeilen en in slaapzakken meegereisd uit andere delen van het land en de wereld en heeft het aangedurfd hier te ontkiemen en wortel te schieten. Als ware journalisten vragen wij dóór naar wat het bijzonderste is dat hij vandaag heeft gevonden, en dat is een dode buizerd. Dat valt dus feitelijk buiten het onderzoek maar wordt evengoed wel doorgegeven, zodat gekeken kan worden naar de doodsoorzaak. Wij vinden het schokkend om vervolgens te horen dat er blijkbaar ook mensen bestaan die deze vogels vergiftigen. Net waren we nog verrukt er één te zien vliegen.
Op onze beurt vertellen wij de meneer over onze tocht naar Den Haag, de meneer blijkt daar ook te zijn geboren en opgegroeid en zo wordt het een hartelijk afscheid. Hij stapt in zijn elektrische auto en laat zich door zijn dure gps het volgende coördinatenpaar wijzen. Even later komen we hem opnieuw tegen, in de andere richting. Met de zelfspot die Hagenaars eigen is bekent hij door het open raam dat hij verkeerd is gereden. Vrolijk zwaaien we hem na.

P1050298

Het is moeilijk de vinger er precies op te leggen maar we constateren dat de duinen er hier, richting Wijk aan Zee, wat anders uitzien dan rond Bergen en Schoorl. Het lijkt wat weerbarstiger, wat stekeliger, en beduidend minder deftig.
We treffen ook veel bomen en struiken die volledig zijn ingepakt door de spinselmot. De meidoornspinselmot, aan de restanten van de bomen te zien. De Yponomenta Padella. Het biedt een macabere aanblik. Spookachtig en ook een beetje viezig, die grote, wriemelende kluiten rups, maar het heeft dan eigenlijk ook wel weer iets. De getroffen bomen worden van top tot teen kaalgevreten door het krioelend gespuis, maar ik begrijp dat wanneer de vlinders gevlogen zijn de boom met nieuwe moed aan een tweede gebladerte begint. De natuur laat zich niet snel ontmoedigen.
De heckrunderen op ons pad kuieren wat door het bos. Ze zoeken de schaduw op. Er is er niet één die lekker in het zonnetje gaat staan, terwijl dat ook zou kunnen. Dat geeft enigszins te denken, denken wij, over het romantisch beeld van de Hollandsche koetjes in de wei. Die staan met dit weer waarschijnlijk toch ook liever in de luwte van de stal.
En zo voeren we onze gesprekken onderweg, over wat we zien en tegenkomen en wat daarvan te denken en te vinden. De Europese verkiezingen zijn vandaag, daar praten we wat over. Als we straks uitstappen op station Schagen zullen we daar gezamenlijk onze stem uitbrengen. We hebben fijne en serieuze vader zoon gesprekken, over de streken van het leven, het verleden, de toekomst, de liefde. Thuis in het dagelijks leven komen we daar niet altijd aan toe, maar al wandelend komt er veel aan de orde.

P1050314

Het Julianaplein in Wijk aan Zee doet er alles aan om een levendige indruk te wekken. Herberg de Posthoorn, Restaurant Klein Zwitserland, Club Star Aan Zee. Snack Corner, Super Kibbeling, Döner Combi. Tip Tourist Information en een Kunstontmoetingsplek. Maar het meeste lijkt dicht en Wijk aan Zee zo goed als uitgestorven. Zelfs het kerkhof naast de bakstenen kerk is maar matig bezet.
We kopen een ijsje bij de Snack Corner en vragen de dame die onze bolletjes schept of het druk is in Wijk aan Zee vandaag. We vragen naar de bekende weg. Maar het valt wel mee, zegt de dame. Wij nemen plaats op een bankje bij de kerk en eten ons ijsje. En wachten af.
Een zilvergrijze auto rijdt het plein op. Een man en een vrouw stappen uit. De man is kaal geschoren, is klein maar breed, breed maar klein, en heeft een stoer en gehaast loopje. De vrouw is blond, maar niet van zichzelf. Ze heeft diverse tattoos en streeft tevergeefs iets meisjesachtigs na. Uit de achterbak komt iets tevoorschijn dat wij na enig overleg thuisbrengen als een kooi voor een papegaai. De man brengt de onderdelen één voor één van de auto naar binnen. Ze wonen boven de Snack Corner. De voordeur valt telkens dicht, er zit waarschijnlijk een veer op, wat nu onhandig uitpakt. Als de man de laatste stapel ongeregeld naar huis loopt moet hij een paar keer terug om iets op te rapen wat onderweg van de stapel viel. Hij legt dat dan weer terug op de stapel. Ook de laatste keer werkt de deur niet mee. De vrouw brengt ondertussen de auto weg, want op het plein mag niet worden geparkeerd.
Dan komt een bejaarde met bretels en een olijk hoedje het plein op lopen. Met zijn handen in zijn zij roept hij een paar keer hard naar een man die, ondanks de warmte, zijn dakgoot staat te schuren. De olijke bejaarde komt niet boven het lawaai uit en moet zijn kreet een aantal keer herhalen voordat de schilder zijn schuurmachine uitzet, zijn oordoppen afdoet. Dan heeft de olijke bejaarde alle aandacht van heel Wijk aan Zee op zich gevestigd. Volgt de grap dat hij ook nog wel iets te schuren heeft.
Ons ijsje is op, wij vervolgen onze weg naar Beverwijk. De uitbater van Döner Combi zit moedeloos in zijn deuropening en kijkt ons niet na.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze etappe.

Ben + Tim

P1050885

Wandelend over de heuvelrug genaamd Der Schwarze Mann, in de Eifel, plaatselijk bekend als één van de hoogste, werd ik door meerdere bordjes uitnodigend gewezen op een bijzonder uitzichtpunt. Eifelblick, heette de route die ik liep, geloof ik. Een Aussichtanlage was het, met uitzicht op drie landen. Duitsland, uiteraard, België en Luxemburg. En dan ben ik toerist genoeg om even een kijkje te nemen.
In de berm was een iets verhoogd podium gebouwd dat ruimte bood aan minstens veertig belangstellenden. Met een stevig hek eromheen voor de veiligheid, een bank om op te zitten voor de ouderen en de corpulenten, en een informatiebord om op te lezen waar je welk land kon zien en waarom.
Ik zag het niet, maar dat vond ik niet erg. In een hoekje namelijk stond iets dat alles goed maakte.
Het was een bescheiden, eenvoudig maar vooral zelfgetimmerd bankje. Een restje schuttinghout, met twee handenvol ferme spijkers op evenveel aan de haard ontkomen stammetjes vastgenageld. Aan één kant volgens een min of meer symmetrisch systeem, aan de andere kant met een wat lossere aanpak. Aan beide kanten was goed te zien dat er flink getimmerd was.
Een rugleuning had het bankje niet nodig, dat was te ingewikkeld, maar op de zitting was een bordje gespijkerd waarop je kon lezen wie dit bankje gemaakt had. Dat waren Ben + Tim. Het stond er met zwarte stift geschreven, in onbeholpen letters en met zo’n verdraaide N.
Tim het oudere broertje, vulde ik ter plekke in, die al aan elkaar heeft leren schrijven, en Ben de jongste, die vooral zijn eigen naam heeft geoefend. De N blijft lastig. Papa heeft de datum erbij gezet. 25 4 19. Tim timmerde de rechterkant, Ben de linker. Papa trots het bordje. Samen hebben ze het naar hier gebracht, als geschenk aan de wereld. Met een beetje pijn in het hart achtergelaten misschien, zo’n mooi werkstuk.
Ik besloot even op dit bankje te gaan zitten. Ik had toch net trek in een appeltje. En een slokje water. Ik wilde toch net even rusten, om even wat te mijmeren.
Het uitzicht over drie landen kon mij verder gestolen worden, ik genoot dankzij dit bankje van een veel mooier uitzicht. Op de dagen namelijk dat deze papa zelf zijn dochter meenam naar het atelier, en later ook zijn zonen, gedrieën zijn eigen Tim en Ben, zo kort geleden nog maar, zo lang geleden alweer, om een dagje te zagen en te timmeren. Iets moois te maken, op eigen kracht, met een beetje hulp van papa, die toen nog alles wist en alles kon.
Uitzicht op de rijkdom van je bestaan. Het beste inzicht dat je kunt hebben. En geen bordje dat je er op wijst. Daar heb je een bankje als dit voor nodig.

Waxinelichtjes in aluminium cupjes

cropped-p1050848.jpg

Wandeling rond Sellerich-Hontheim, gelopen op maandag 5 augustus 2019

Vanuit ons vakantieverblijf in de Eifel maak ik vanmiddag een eerste verkennende wandeling. We logeren wat onderaan in een dal, dus waar ik ook besluit heen te lopen, het begint met klimmen. Flink klimmen, ook nog. Ik vind dat een soort van spannend, laat ik het nu maar bekennen, want sinds mijn hier tot nu toe verzwegen operatie vorig jaar is het voor het eerst dat ik dat weer doe. Wandelingen bergop leverden mij voorheen steevast de bekende pijn op de borst, waardoor ik elke klim in behapbare stukken of stukjes moest verdelen en telkens op adem moest komen. Waar ik in de loop der jaren behoorlijk behendig in was geworden. Overigens was ik er in de loop der jaren ook buitengewoon handig in geworden dit soort noodzakelijke pauzes te maskeren met een meer of minder uitgebreid fotomoment, een sanitaire stop, een slok water of het raadplegen van kaart of mobiel. Niet alleen voor eventuele medewandelaars, ook, of misschien wel vooral, voor mezelf.
Goed.
Van wandelingen thuis weet ik inmiddels wel dat, wat het me verder ook allemaal aan al of niet blijvende nasleep heeft opgeleverd, de pijn op de borst is verdwenen. In elk geval voorlopig, houd ik immer op mijn hoede een slag om de arm.

P1050845

Desondanks begin ik niet helemáál onbevangen aan de weg naar de top van dienst, der Schwarze Mann, wat trouwens een tikje onheilspellend klinkt, maar dat heb je wel vaker in het Duits. Het wordt zo’n klim waarvan je bij elke bocht of wending denkt dat je er wel zo’n beetje bent maar die dan telkens een nieuw stuk in petto heeft. Aanvankelijk moet ik een beetje zoeken naar een geschikt tempo, veel lager dan ik hoogmoedig heb ingezet, zoeken ook naar rust en vertrouwen in mijn lijf, maar zonder kleerscheuren of ademnood geraak ik boven. Hetgeen mij tot bescheiden tevredenheid stemt.
Onderweg hoop ik altijd wild te treffen. Een ree, of twee, een koppeltje wilde zwijnen.. ze moeten er zijn, in deze uitgestrekte bossen, er staat niet voor niets elke tweehonderd meter een Jagdstuhl – zo’n op stelten van multiplex en asfaltpapier in elkaar geflanste schiethut van waaruit de sportieve jager zijn prooi op zijn gemakje, zonder al te veel arbeidsintensief sluipen en achtervolgen, af kan knallen – maar ze laten zich niet zien. Niet aan mij. Het is niet de juiste tijd van de dag, weet ik natuurlijk ook wel, veel te warm, veel te vroeg. En een rammelende rugzak en dat eeuwig knerpende grind onder de wandelschoenen helpen ook niet echt. Ik moet het doen met een lui opvliegende blonde Greifvogel en het nodige klein grut waar ik de namen ook niet van weet.
Zoals mij wandelend in Duitsland al wel eens eerder gebeurde, kom ik ook vanmiddag de oorlog tegen. Halverwege de klim naar boven stuit ik op een monument dat oproept in de Here Jezus te geloven. Het monument is neergezet, lees ik, ter nagedachtenis aan drie mannen die hier, de eerste maand na de oorlog, bij herstelwerkzaamheden aan de waterleiding, op een landmijn stuitten. Of het een geallieerde of een Duitse mijn was vermeldt het verhaal niet. Ik vraag me een tijdje af of dat verschil zou maken, voor de tragiek ervan, maar kom er niet uit. De Here Jezus zat er verder niet mee in elk geval.

P1050863

Bovenop de heuvelrug tref ik een bunker. De resten van een bunker, met een door de tand des tijds aangevreten hek er nauwelijks nog omheen. Het lijkt mij een vreemde plek voor een bunker, zo lukraak midden in het bos, tot ik bedenk dat ik hier natuurlijk langs de Westwall loop. En dat dat bos er destijds waarschijnlijk niet stond en men vanaf dit hoge punt een riant uitzicht en vrij schootsveld over het aanpalende dal gehad zal hebben. Bunker, vermeldt een vervaagd opschrift in gothische letters, om misverstanden uit te sluiten. Het is een wanordelijke stapel grove brokstukken zwart en grijs beton waar de bewapening aan alle kanten roestig uit steekt. Alsof er met een enorme hamer op is geslagen hangt de tientallen centimeters dikke dakplaat aan zijn betonijzer in stukken naar binnen. Het lijkt er niet op dat dit ook het werk van de tand des tijds is. Het lijkt er meer op dat deze bunker met het nodige geweld aan zijn einde is gekomen. Dat zou dan dus oorlogsgeweld geweest kunnen zijn, ben ik geneigd te denken, want als het een naoorlogse opruimactie is geweest, waarom de brokstukken dan niet ook afgevoerd? De ellendige omstandigheden waarin mensen elkaar hier naar het leven hebben gestaan, ben ik geneigd er in gepaste stilte bij te denken.
Alweer op de terugweg bezoek ik nog een kleine, witte Mariakapel die we eerder al hadden zien afsteken tegen de groene verte. Het is opmerkelijk hoeveel kapelletjes, Maria’s en kruisbeelden je op de vreemdste en meest afgelegen plekken tegenkomt, waar ook vaak nog een kaarsje in brandt, of verse bloemetjes bij zijn gezet, in een vaasje.
Aan de rand van de weg ernaartoe staan eerst nog twee grote, klassiekerig uit brokken geel steen opgemetselde pilaren, in het niets. Restanten van een toegangshek, schat ik zo in. Nu slechts toegang biedend aan een lege weide, en het glooiend landschap erachter, maar eerder misschien aan de oprijlaan van een inmiddels verdwenen landhuis of burcht.
Een te romantische gedachte. Volgens een bijgeleverd bord gaat het om de Eingangstor zum ehemaligen Reichsarbeitsdienstlager Hontheim. Internet leert dat dit van 1933 tot 1945 dienst heeft gedaan als opvoedings- en werkkamp voor Duitse jonge mannen, die hier zes maanden verplicht te werk werden gesteld in de oorlogsindustrie. Er zou bijvoorbeeld gewerkt zijn aan benodigdheden en onderdelen voor de Westwall. Later, toen de jonge mannen op begonnen te raken, werden er ook vrouwen aan het werk gezet.

P1050925

Het kapelletje ten slotte, want daar kom ik voor, blijkt in 1948 te zijn opgericht ter ere van de heilige maagd Maria, als dank voor het feit dat Zij de plaatselijke bevolking zou hebben gered bij het passeren van de geallieerde frontlijn, 21 september 1944, in de nadagen van de oorlog. Maria geeft geen krimp, aan de muur van haar witte kapel. Zij laat het zich gewoon maar aanleunen.
Het is stil en vredig in het kapelletje. En warm. Op twee tafeltjes branden kaarsjes, waxinelichtjes in aluminium cupjes, op een eenvoudig altaar staan bloemen. Aan de muren zijn tal van bordjes geschroefd waarmee Maria dank wordt gezegd voor allerlei andere, niet nader benoemde verleende diensten – in marmer gebeiteld, geëmailleerd of aandoenlijk met naïeve hand in dito vrolijke kleuren geschilderd. Er hangt ook een geplastificeerd verzoek niet uit eigen beweging schildjes op de muur te bevestigen. Maria, nogmaals, ziet het allemaal onbewogen aan.
Als ik de gewijde stilte van het kapelletje weer verlaat, parkeert er juist een auto op het grindpad. Dat zal de koster wezen, denk ik, die de boel komt afsluiten. Als niet-religieus begin ik mij alvast schuldig te voelen voor mijn ironische, louter toeristische belangstelling voor deze verheerlijking, maar het blijkt al gauw dat de vermeende koster, geheel in het groen gekleed, met een heel ander oogmerk aan de rand van het bos komt parkeren. Dure groene tassen komen er uit de kofferbak tevoorschijn, onderdelen worden aan elkaar geschroefd. Mijn groet wordt niet beantwoord. Met plotseling enige huiver passeer ik de resterende Jagdstuhlen op weg naar ons tijdelijk huis.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Ei

ei

 

 

De ganzen hebben het niet slecht voor elkaar, zie ik bij mijn ochtendwandeling. Hun pullen zijn in een paar dagen tijd enorm groot geworden en nog altijd even talrijk als ik ze me van de vorige keer herinner, toen ze nog klein en hulpeloos waren. Ook nu worden ze nog fanatiek in een groep bij elkaar gehouden door de achterdochtige volwassenen, zijn ze nog pluizig en kunnen ze nog niet vliegen maar de puberleeftijd lijken ze al wel te hebben bereikt en het ziet er naar uit dat de plaatselijke ganzenpopulatie zich ook dit jaar weer succesvol heeft vertienvoudigd. De boeren schijnen daar niet blij mee te zijn en daar zullen ze hun redenen voor hebben maar ik vind het een mooi en bemoedigend gezicht, al dat jonge nieuwe leven. De eendenpullen van vorige keer zijn van de aardbodem verdwenen, zijn waarschijnlijk omgezet in andere diersoorten, en ook de kleine meerkoetjes zijn gedecimeerd. Boven mij zie ik mijn kiekendief zijn inspectierondjes draaien.
Uit de omringende bomen hoor ik een aantal koekoeks gestadig over en weer naar elkaar roepen, met de bekende kreet. Een gezellig geluid wel, al weten we natuurlijk allemaal dat schijn hier bedriegt. Telkens als ik denk er één zo dicht te zijn genaderd dat ik hem straks waarschijnlijk zie zitten, vliegt ie er snel vandoor en zie ik niets anders dan een vage flits. Ze zien mij een stuk eerder dan ik hen, zoveel is duidelijk, en aan pottenkijkers hebben ze geen behoefte.
Aan de kant van de weg zie ik een flinke kraai die een kapot gevallen ei staat leeg te vreten. Met zijn kop schuin gebruikt hij zijn snavel als lepel. Slim inderdaad, maar wat zijn het toch klotebeesten, kan ik niet na laten te denken. Ik weet wel, het is de natuur en kraaien moeten ook eten en hun jongen ook, en ik weet niet wat voor ei het is maar als er nooit eens iets wordt opgegeten worden het er ook gewoon wel weer teveel misschien, maar sneu vind ik het ook.
Ergens hoop ik dan maar dat het het ei van een koekoek is, want het is natuurlijk gewoon asociaal zoals die hun enorme ei bij een klein vogeltje in het nest dumpen, er zelf verder hun vleugels van aftrekken om in de volgende boom de hele lente lang een beetje gezellig koekoek naar elkaar te gaan zitten roepen. Dat die kraai nu op het randje van datzelfde nest heeft gezeten en heeft gedacht: ik pak lekker de grootste, die kleintjes laat ik liggen. Maar ja, wat kan zo’n ei daar dan weer aan doen?

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Mits

mits

 

 

Bij een genoeglijke wandeling langs bos en hei passeren mijn vrouw en ik een bordje waarop staat dat in het achter het bordje gelegen gebied honden los mogen lopen, mits zij geen overlast veroorzaken. Wij barsten altijd in lachen uit bij dat soort bordjes, al is het ook als een boer met kiespijn. Dat soort bordjes gelden meestal namelijk alleen voor de mensen zónder hond. Het mag inmiddels duidelijk zijn dat wij tot die groep behoren. Nergens tref je zoveel loslopende honden op je pad als na een bordje waarop staat dat de hond moet worden aangelijnd. Hondenbezitters laten zich niet graag de wet voorschrijven. Dat maakt het bordje waar wij nu langs wandelen ook tot een ingewikkeld bordje. Want wie bepaalt wanneer de hond overlast veroorzaakt? En wie gaat het baasje of het bazinnetje daar dan op aanspreken? En heeft u dat wel eens geprobeerd? Een hondenbezitter aanspreken op zijn gedrag? Of dat van zijn hond? Wij raden dat niet aan. Dat kan uw dag goed verpesten. Daar houden hondenbezitters nog minder van dan van bordjes. Dat blijkt ook nu weer, uiteraard, anders zou ik er niet over beginnen.
Het leuke van wandelen, vinden wij, is dat je onderweg van alles ziet. Niet alleen weidse landschappen, wolkenluchten en vergezichten, maar ook een specht die wegschiet, een bloemetje waar je de naam niet van kent of een mestkever die de grootste moeite heeft met de klus die hij moet klaren. De ingang van een hol, en de vraag die dat oproept van welk dier dat zou kunnen zijn. Dingen waar je bij stil blijft staan. Om er even wat langer naar te kijken, elkaar er op te wijzen, het er even over te hebben. Dingen waarvoor je dan wel eens door de knieën gaat, omdat het zo klein is. Iets waar je even bij gaat zitten, omdat het zich op de grond afspeelt. En als er dan plotseling een vrij grote hond uit het niets de hoek om komt draven en in je gezicht gaat staan blaffen, dan ervaar je dat als overlast. Wij wel tenminste. Dus daar gaan we.
Inmiddels hebben zich nog twee honden gemeld die weliswaar niet blaffen maar het wel duidelijk met hun soortgenoot eens zijn. Dan pas komen de baasjes de hoek om, waarvan er één nogal bars roept dat ‘er niks aan de hand is’. We hopen dat dat tegen de hond is, maar omdat we zelf net iets snauwerigs tegen de hond zeggen weten we dat niet zeker. Het lijkt ons wel een mooi moment om de baasjes er, het bordje van daarnet indachtig, op te attenderen dat wij het niet erg prettig vinden om zo intimiderend te worden toegeblaft. Dom natuurlijk, dat weten we zelf ook wel, maar je flapt er wel eens iets uit. Wat hadden we verwacht? Dat de baasjes ons gelijk zouden geven? Begrip zouden tonen? Zich zouden verontschuldigen en de honden bij de halsband zouden nemen? Nee, zo gaat dat niet. De baasjes vinden het maar flauwekul want wie gaat er nou op de grond zitten? Daar schrikt de hond toch van? Dan weet de hond toch ook niet meer waar hij aan toe is? Zeikerds, zijn we.
En dan zijn wij natuurlijk uitgepraat, want wat moet je daar nou nog tegenin brengen?

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Een oude bekende

IMG_2507

 

 

 

Voor het eerst in toch alweer iets te lange tijd maak ik mijn vaste ochtendwandeling. Het is niet dat ik daar geen zin meer in heb, of dat ik het niet meer nodig zou hebben, verre van dat. Er staan gewoon steeds andere dingen op het programma. Het leven raast ook maar gewoon door nietwaar. Tja, wat doe je eraan.
In elk geval, ik ben weer op ochtendwandeling en er is nogal wat veranderd sinds de laatste keer, merk ik op. Uiteraard is er nogal wat veranderd, dat haalt je de koekoek. Er is een volle maand lente overheen gegaan, dat wil wel. Waar de vorige keer alles nog kaal, woest en ledig was, springt het nieuwe leven me vandaag overal vandaan tegemoet. Een wellustig fris, jong groen kleurt bomen en struiken waar je kijkt. Bermen staan botergeil in bloei met enorme bossen fluitekruid en koolzaad, boterbloemen, pinksterbloemen, paardebloemen en allerhande anders dat ik zonder boekje niet weet te benoemen. De meidoorn bezwijkt zo hier en daar bijna onder de bloemenvracht. Nieuw riet schiet op in de boerensloot. Waar ik trouwens nog veel meer nieuw leven in zie. Een moeder eend paradeert trots met een sliert pulletjes in haar kielzog, een meerkoet duikt onduidelijk voedsel op voor twee kleintjes, die ondanks hun pluizigheid eigenlijk weinig aandoenlijks hebben, valt mij altijd op. Ik zie een weide vol ganzen die al hun pullen in een soort kinderopvangsysteem bij elkaar hebben gedreven. Zij voeden hun kinderen op volgens het Afrikaans spreekwoord: It takes a village to raise a child. Als ze mij zien aankomen, met mijn camera, maken ze zich groepsgewijs waggelend en gakkend uit de buurt, de kinderschare veilig in het midden. Opvliegen, wat ze normaalgesproken doen, is er voorlopig even niet bij. Opvallend genoeg blijven vijf ganzen achter, die zich gezamenlijk met één jong bezig staan te houden. Er worden hartige woorden gesproken, die ik jammer genoeg niet kan verstaan. Al kan ik me er, door de wol geverfd als vader van drie en opa van twee, wel iets bij voorstellen.
Verderop kom ik drie eendenpullen tegen waar geen enkele volwassen eend zich om lijkt te bekommeren, ik zie er niet één tenminste. Moederziel alleen klitten ze piepend bij elkaar in de sloot. Braaf vluchten ze steeds een eindje voor me uit, zoals ze dat van moeder geleerd hebben waarschijnlijk, maar na een tijdje geven ze dat op en blijven ze maar wat liggen. Het kan mijn vaderhart zijn natuurlijk, maar het lijkt er zelfs een beetje op dat ze hoopvol naar me op kijken. Of ik misschien weet waar hun moeder is. Of ik ze misschien kan helpen. Maar ja.. nee.. wat moet ik doen? Wat kan ik doen? Niks natuurlijk. Zo gaan die dingen. Met bezwaard gemoed loop ik door.
Mijn humeur klaart weer wat op als ik plotseling een oude bekende zijn rondjes door het luchtruim zie zweven. Het is de bruine kiekendief die ik vorig jaar al regelmatig rond zag vliegen en waarvan ik geheel zelfstandig had geconcludeerd dat het een bruine kiekendief was. Daar was ik toen best trots op en sindsdien ben ik hem als oude bekende gaan beschouwen. Hij mij niet, uiteraard. Al liet hij zich vrij regelmatig zien. Nu was hij dus weer terug van blijkbaar weggeweest, want dat het een trekvogel was wist ik dan weer niet. Ik weet heel veel niet. Ik ben blij met het weerzien en hoop hem dit jaar nog beter en van dichterbij te zien te krijgen. Nu kijk ik hem na, hoe hij in glijvlucht zijn koers verlegt. Schitterend, vind ik het. Dan dringt het opeens tot mij door dat hij in de richting van mijn drie eendjes glijdt. En dat hij niet voor niets kiekendief heet. Ik houd mijn hart vast. Gelukkig heb ik geen verrekijker bij me.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Langs de verloren beek

Trage Tocht Wisselse Veen, gelopen op vrijdag 3 mei 2019

P1050095

Op een onbezorgde, overwegend zonnige vrijdag in de meivakantie wandelden wij rond het Wisselse Veen, bij Epe. Over zandwegen en paden en onder fraaie wolkenluchten liepen wij door natuur en cultuurlandschap. En langs de verloren beek. Die niet zo heet omdat hij kwijt was geraakt maar omdat hij nimmer is gebruikt als energiebron, in tijden dat beken dat waren.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Alles wat groeit en bloeit

cropped-p1040545.jpg

Van Bergen aan zee naar Castricum, een etappe van De lange weg naar huis, gelopen zondag 21 april 2019, eerste paasdag

Voor de laatste keer laten we ons volledig verzorgd met de auto op ons startpunt afzetten, mijn jongste zoon en ik. Bergen aan zee. Vanaf hier zullen we met het openbaar vervoer moeten heen en weren. Zo ver zijn we al van huis, op onze tocht naar Den Haag en weer terug. Het is eerste Paasdag, het weer is ons welgezind. De temperaturen zijn zomers, we zullen licht verbrand terugkeren vanavond, al weten we dat nog niet. Wel heb ik als voorzorg mijn hoedje opgezet. Eerste keer dit jaar.

P1040408

Bij de Zeeweg duiken we meteen de duinen in, een schitterend gebied. Meanderende zandwegen door glooiend en open terrein, met plukjes bomen hier en daar die zich ondanks protest uiteindelijk toch telkens opnieuw, grillig en krullend, naar de wind hebben moeten voegen. Bij een poeltje staan wat paardjes loom en fotogeniek te wezen. Ze kijken ook naar ons. Er wordt bedachtzaam wat gedronken. We staan er een tijdje bij stil en zien dan plotseling een gele kwikstaart. En nog één, en nog één. Op het laatst zijn het er vijf. Het staat mij vagelijk bij dat dit een bijzondere waarneming is, maar dat kan net zo goed onzin zijn. Wel ben ik erg tevreden met mezelf dat ik deze vogeltjes zonder pardon en haperen weet te benoemen. Al is dat ook weer niet zó moeilijk want als ik er zelf een naam voor zou moeten verzinnen zou het waarschijnlijk ook gele kwikstaart worden. Het is een vogel die zijn naam eer aan doet. Ze lijken een beetje bij de paarden rond te blijven darren. Vermoedelijk omdat daar lekker veel insecten op af komen, vertel ik mijn zoon iets voor de hand liggends.
Verderop buigen we ons gezamenlijk over wat sporen in het zand. Vragen ons en elkaar af wat hier gelopen zou kunnen hebben. We menen kussenpootjes met nageltjes te zien, te klein voor een vos, volgens ons. Niet de lange achterpootafdrukken van een konijn. Een wezel of een hermelijn misschien. Als die hier voorkomen tenminste, daar hebben we hier en nu geen idee van maar later blijkt op internet dat dat inderdaad tot de mogelijkheden behoort. Het tweede spoor is meer een soort bandenspoor. Ik houd het op een hazelworm, of een slangetje. Een flinke rups, zou ook nog kunnen, bedenk ik me nu ik dit schrijf.

P1040428

Halverwege Egmond nemen we een stukje strand, het is niet voor niets strandweer tenslotte. Erg veel mensen zien we nog niet, het is nog vroeg en we zitten ver van beide badplaatsen. Wat wandelaars. Twee vissers zitten hun tijd te beiden. Een rijtje joggers. Naarmate we Egmond naderen wordt het wat drukker met badgasten. Er worden kuilen gegraven, dammen opgeworpen en balletjes overgegooid.
Langs de duinrand staat een lange rij stacaravans als strandhuisjes opgesteld. Mooi is anders, vind ik persoonlijk, en ik stoor me graag aan het idee dat mensen zich op deze manier een stuk strand toe-eigenen, als een soort privégebied, waar het strand natuurlijk van iedereen is. Hoewel dit dan wel weer beter is dan de onder architectuur gebouwde patserige eenheidsworst waar de gemiddelde projektontwikkelaar het liefst heel de kust mee wil verpesten, als hij de kans krijgt.

P1040452

Het gebouw dat als eerste oprijst op een duintop, als voorbode van Egmond, doet wat denken aan het Zeehuis in Bergen aan zee. Ondanks de lelijke glazen aanbouw heeft het een zekere grandeur. Helaas zegt de lelijke glazen aanbouw meer over Egmond dan de rest van het gebouw want grandeur komen we verder niet tegen. Egmond is gewoon lelijk, sorry dat we het zeggen. Wat er eventueel nog aan authentiek vissersdorperigs zou kunnen staan is aan het oog onttrokken door stompzinnig lelijke appartementenflats met uitzicht op zee en andere toeristenmeuk. Op de boulevard staat vergeefs een treurige kermis opgesteld. De vuurtoren JCJ van Speijk staat van top tot teen in de steigers maar is zelfs zo nog verreweg het mooiste meisje van Egmond. Toeristen hebben daar geen boodschap aan, blijkt. Over de boulevard sjokken Duitse families en gezinnen goedgemutst richting het strand, bepakt en bezakt met parasols, klapstoelen, boodschappentassen met diversen en kratten en koelboxen vol etenswaren. Fraai is het allemaal niet, maar goed. De zomer lijkt begonnen.
Na Egmond mogen we gelukkig de duinen weer in, al is het tegen betaling. We horen heel de dag al, en ook hier weer, enorm veel vogelgeluiden. Alleen van de koekoek in de verte weten we zeker wat het is. Het gemauw van een buizerd gaat ook nog. Het lukt me een paar kleine vogeltjes min of meer scherp op de foto te krijgen zodat ik thuis kan uitvissen wat we gezien hebben. Dat blijkt dan ook wel weer lastiger dan ik dacht omdat je als vogelaar eigenlijk ook het geluid erbij moet kunnen onthouden. Alleen zo zijn tjiftjaf en fitis van elkaar te onderscheiden. En dan kan het ook nog een fluiter zijn. Een tweede vogeltje lijkt mij een nachtegaal toe, maar dat durf ik hier nauwelijks op te schrijven. Een derde lijkt zoveel op de roodborsttapuit dat ik dat wel met zekerheid durf te stellen.

P1040466

Waarom het nou zo leuk is om dat allemaal dan weer precies te willen weten, weet ik eigenlijk niet en dat is natuurlijk ook helemaal niet interessant. Als je iets leuk vindt moet je je vooral niet af gaan zitten vragen waarom. Vandaar dat we ook nog even een vogelkijkhut in sluipen. We kijken uit over een meertje met daarin alleen een meerkoet. Tja, die hebben we thuis ook. Sterker nog, in het slootje aan onze achtertuin zit een stel pal onder onze neuzen stoïcijns te broeden. We willen alweer rechtsomkeert maken als er plotseling toch nog iets anders langs zwemt. Het is klein, het duikt onder water maar ik zie wel dat het geen kuifeendje of koet is. Ik poch met mijn niet bestaande kennis tegen mijn zoon dat het wel eens een dodaars zou kunnen zijn. Ik weet zelf niet waar ik het vandaan haal, maar thuis blijkt het wel zo te zijn. Kleinste fuut van Europa, of de wereld zelfs. En uitermate schuw. Pakken we toch maar weer even mee.
Tegen Castricum aan lopen we langs een stuk nieuwe natuur. Dat wil zeggen, dat moet het misschien nog worden. Nu is het een tamelijk troosteloze zandvlakte waar alles wat groeit en bloeit met wortel en tak is uitgeroeid. Er staan alleen nog wat skeletten van bomen, die er misschien voor de insecten of het verrottingsproces zijn blijven staan. Of voor de apocalyptische sfeer. Er is geen informatie over wat de plannen zijn, welk nobel doel gediend wordt, en dat is jammer want na een dag wandelen door een schitterend natuurgebied ziet dit er toch tamelijk vijandig en destructief uit.

P1040537

Terwijl ik er wat kunstzinnige foto’s van maak, want zo ben ik dan ook wel weer, blijven twee dames in zeer onflatteuze korte broeken angstvallig buiten beeld staan wachten. Ze willen niet op social media, roepen ze ter verklaring. Ach ja, het gevaar loert overal. Daarna blijven ze wel nog vrij lang in ons uitzicht voor ons uit wandelen.
Op het zandpad verdiepen we ons in een vrij groot insect dat steeds een stukje voor ons uit lijkt te vliegen en gravende bewegingen maakt in het rulle zand. Het lijkt mij een soort wesp, en dat is het ook, lees ik later. Een langsteelgraafwesp. Jaja. En daarvan de duinaardrupsendoder, om precies te zijn. Waarop ik wel eens wilde weten hoe de duinaardrups er uit zou zien, maar zo zit het niet. Er bestaat geen duinaardrups. De duinaardrupsendoder doodt elke rups die hem voor de voeten komt, om hem in te graven als voedsel voor één van zijn larven. En naast de duinaardrupsendoder bestaan dan ook nog andere soorten rupsendoders. De kleine rupsendoder, bijvoorbeeld. Terwijl er dus ook een paddenstoel blijkt te zijn die rupsendoder heet. Ja, je leert best veel op een wandeling. Als je je ogen maar open houdt, en niet te veel haast hebt.
Dan lopen we het verkoelende bos in richting het station van Castricum. Het klinkt ondankbaar op zo’n vroege mooie dag, maar de zon is best warm. We zijn bovendien aangekomen bij het moment waarop we merken dat we licht verbrand zijn.
Het bos heeft die typische lichtgroene kleur van de lente. Berkjes die net zijn uitgelopen, abelen die licht lijken te geven met hun witbehaarde blaadjes, kastanjes al vol in het blad, eiken die nog moeten beginnen. Een en al belofte van leven en geluk.
De trein missen we op drie seconden, hooguit vier, maar dat laten we ons de dag niet bederven.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Sprengen en Renderklippen

Trage Tocht Renderklippen, gelopen op woensdag 1 mei 2019

P1050016

In de meivakantie maakten we een genoeglijke en zonbeschenen wandeling door bos en over heide, langs sprengen en vennen, rond de Renderklippen, gelegen bij Heerde in Gelderland. Eén van de onvolprezen Trage Tochten.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Iga

iga kunicka

 

 

We wandelen vanaf Dirkshorn. Van het oude raadhuis en de kerk lopen we langs het haventje het dorp uit, steken onderlangs de N245 over en door een sluis van robuust hekwerk dat het ergste doet vermoeden komen we op de grasdijk langs het meer. Het meer van Dirkshorn. Heel groot is het niet, maar dat zegt niks.
Halverwege treffen we een kruis tegen de rietkraag. Een herdenkingskruis. Zelf in elkaar geknutseld van in de fabriek al witgespoten hardhouten balkjes en een door de elementen verweerd plankje waarop met zwarte stift een naam, twee data en een onleesbare zin in het Pools staan geschreven. We nemen tenminste aan dat het Pools is, geen vreemde veronderstelling in deze contreien.
Iga Kunicka.
SP, staat er nog voor. De Poolse versie van RIP, vermoeden wij. Spoczywaj w Pokoju. Zoek het maar op, op internet. Een halfvergaan en kleurloos geworden kransje van nepbloemen ligt even verderop in het riet. Voor het kruis staat nog een latje in de grond geprikt met daaraan een wat knullig geplastificeerd stukje multomappapier waarop dezelfde naam, de tweede datum en daaronder RIP. De tweede datum, dat zal een sterfdatum zijn, is 26 juli 2014. Toch is de tekst op het papier vandaag nog goed te lezen, al is het wat uitgelopen door het vocht. Je mag dus aannemen dat dit extra bordje er later nog bij is gezet. Naar het waarom daarvan kunnen we natuurlijk alleen maar raden, maar het lijkt er alles bij elkaar op dat Iga Kunicka na vijf jaar nog niet vergeten is, in Dirkshorn.
Op internet vinden wij nieuwsberichten uit Poolse kranten die haar tragisch einde beschrijven, in krakkemikkig Google Translate Nederlands. 21 jaar was ze, een seizoenskracht in de bollenteelt. Geliefd bij de mensen met wie ze werkte, een gangmaakster, lezen we in het Noordhollands Dagblad. In haar schooltijd deed ze mee aan schaaktoernooien, in een ander Pools artikel. Tijdens een feestelijk, zomers boottochtje met haar veelal Poolse collega’s raakte ze te water en verdronk.
In de commentaren onder de Poolse artikelen schrijven mensen die haar blijkbaar gekend hebben dat ze goed kon zwemmen. Dat ze geduwd werd. Verder wordt er al even naargeestig en respectloos heen en weer gevit en gescholden als hier onder willekeurig welk Volkskrantbericht op facebook, daar wensen wij verder geen wijs uit te worden.
Is ze zelf gesprongen? Verleid tot een verkoelende duik? Het was een warme dag. Werd ze tijdens een stoeipartijtje geduwd? Zo’n typisch verkennend stoeipartijtje met een jongen misschien, die haar leuk vond. Die zij leuk vond. Kon ze toch niet zo goed zwemmen? Misschien had ze gedronken.. we weten het niet. Het meer van Dirkshorn is diep, en koud. En zwijgzaam.
Het Noordhollands Dagblad meldt een week later dat de toedracht rond haar dood alsnog nader wordt onderzocht. Een bericht dat geen vervolg krijgt.
Wij denken dus maar aan Iga Kunicka, niet ouder geworden dan 21. En aan haar ouders, in Hrubieszów, in Polen, aan de grens met Oekraïne. Meer kunnen we niet doen.
Het halfvergane bloemenkransje, dat we al bijna als plastic zwerfafval hadden meegenomen, hangen wij terug aan het kruis.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Het vriendelijk uitbottend landschap

cropped-p1040225.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Dirkshorn naar Nieuwe Niedorp, gelopen op vrijdag 29 maart 2019

In Dirkshorn raak ik, nog vóór we goed en wel vertrokken zijn, mijn wandelgenoot kwijt. Voor een foto van het kleitablet naast de deur was ik het trappetje van het oude raadhuis opgeklommen en na gedane zaken weer op de begane grond bleek zij mij spoorloos. De over een boekje gebogen gestalte waarvan ik bij tegenlicht met een half oog veronderstelde dat zij het was, die zich daar op de route oriënteerde, bleek de helft van een duo Jehova’s Getuigen te zijn. Jehova’s Getuigen zijn altijd met z’n tweeën, om één of andere reden. Het kan niet anders of er is per regio altijd een even aantal Jehova’s Getuigen. In elk geval, zij stonden zich op iets heel anders te oriënteren, namelijk de bekering van Dirkshorn, maar waren, na mijn wat verwarde uitleg, niet te beroerd met mij in het rond te kijken. En inderdaad, daar stond mijn wandelgenoot één en ander met stijgende verbazing te bezien.

P1040116

Langs het haventje verlaten wij Dirkshorn, steken onderlangs de N245 over en bereiken via een sluis van robuust hekwerk de grasdijk langs het meer. Het meer van Dirkshorn. Langs de ringvaart van de polder die vroeger het Woudmeer was lopen we verder. Een meneer met een Adidasbroek zit op een hekje, de zonnebril in de grijze krullen gestoken, het gezicht idolaat naar de zon gekeerd. Beter kan het haast niet, roept hij ons toe over het water. Wij beamen het grif, het is schitterend weer. De lente is amper een week oud of we lopen nu al zonder jas.

P1040160

Links, aan de overkant van de vaart, staat een gemaal. Industriële uitstraling. Robuust, maar ook met een oog voor schoonheid opgemetseld uit rode baksteen.
Rechts zien we een groot, knaloranje weiland liggen, een smet op het vriendelijk uitbottend landschap. Doodgespoten met glyfosaat, beter berucht als Roundup. Wij mopperen dat het een schande is en dat we beter zouden moeten weten. Dat er in Amerika al hoge schadevergoedingen aan kankerpatiënten worden toegekend, maar dat we dat hier natuurlijk allemaal overdreven Amerikaanse malligheid vinden. Dat we hier wel even democratisch zullen besluiten dat dat hele glycofaatverhaal een hoax van linkse gekkies is, net als de klimaatverandering, en dat je er hier dus heus geen kanker van krijgt. Fakenews, om onze hardwerkende boeren dwars te zitten. Ja, de recente politieke ontwikkelingen in ons mooie vaderland zitten ons nog behoorlijk hoog, deze heerlijke dag vlak na de verkiezingen. Maar wat doe je eraan?
De lucht weerspiegelt blauw in het water, de zon verandert het riet in goud, in de berm bloeien dotterbloem, klein hoefblad en narcis. Dat dan weer wel.

P1040207

De lange, monumentale dorpsstraat van Oudkarspel leidt ons tot bij de Allemanskerk. Die zo heet omdat hij, na in 1969 tijdens dakreparaties bijna volledig door brand te zijn verwoest, vanaf 1970 werd herbouwd met geld dat grotendeels door de bevolking van Oudkarspel bijeen werd gebracht. Met vereende krachten, zogezegd. Daarvóór had de kerk trouwens ook al het nodige meegemaakt. De oudste resten zijn nog van de 11e eeuw, toen de kerk nog Aldenkercha heette. De oorspronkelijke toren stamt uit de 12e eeuw. In de 14e eeuw werd daar dan weer een nieuwe kerk aan gebouwd, die in de 15e eeuw werd uitgebreid met een koor. Tweemaal werd de toren getroffen door de bliksem, tweemaal werd hij herbouwd. In 1868 werd de aanvankelijk sobere kerk uitbundig gepimpt tot een neogotisch exemplaar, waarbij de toren een spits kreeg. Bij de laatste herbouw is die spits weer weggelaten, op zeer uitdrukkelijk verzoek van de Rijksmonumentendienst, die de kerk terug wilde zien in de originele staat, zoals hij bekend was van oude afbeeldingen, zonder spits. Hoewel de toren die in 1621 door de bliksem werd verwoest toch ook een spits gehad schijnt te hebben. Ook een originele staat, zou je zeggen. Maar goed, daar waren misschien geen plaatjes van.

P1040226

Dan gaat het richting Nieuwe Niedorp, over hier en daar door schapen begraasde grasdijken langs het kanaal Alkmaar Kolhorn, de Omval. We lopen langs akkers met frisse, jonge aanplant – we gokken op boerenkool, maar weten het niet zeker. Een sleedoorn in zeer uitbundige bloei. Kieviten buitelen door de lucht, zwanen zitten op hun nest, kraaien begeven zich op rooftocht. Hier en daar zien we een lege eierschaal liggen waarvan je rond deze tijd toch waarschijnlijk nog moet vermoeden dat de kraai met succes heeft toegeslagen.
In een verder verlaten uitloper van het Waartje ligt een ongeregeld rijtje boten, in diverse staten van onderhoud en min of meer bewoond. Het doet aan als een verzamelplaats voor vrijbuiterige types die hier zo’n beetje hun gang kunnen gaan zonder dat de buren komen zeuren. We raken in gesprek met een man die aan die omschrijving voldoet. Hij vertelt over zijn herdershond, die gedurig enthousiast om ons heen dart en die hij telkens goedmoedig tot de orde roept. Hij was met de hond op politietraining gegaan, vertelt hij, maar dat had hij niet lang volgehouden. Hij had het zielig gevonden voor de hond, omdat die er altijd maar agressief moest zijn. Dat leek hem zo veel stress opleveren. Hij had zijn hond liever zoals hij nu was, vrolijk en speels. Werd hij waarschijnlijk nog ouder ook.

p1040332.jpg

We lopen verder door vlak groen land, grijze akkers die omgeploegd liggen te wachten op wat onvermijdelijk komen gaat: maïs of kool. Hier en daar een betonnen brug over het kanaal, in de verte lange rijen hoge bomen langs de weg. Vanuit hun weiland kijken twee alpaca’s ons dommig na. Oude poldermolens en moderne windmolens doorbreken eensgezind de einder. Ook die enorme, witte molens beginnen al zo’n vertrouwd beeld te vormen dat je ze eigenlijk ook wel gewoon weer mooi zou kunnen gaan vinden. Waarom niet? Die oude poldermolens werden in hun tijd ook verguisd als horizonvervuiling, wanstaltige bouwsels die, zodra het stoomgemaal zijn intrede deed, maar beter snel konden worden afgebroken. Nu zijn ze zo’n beetje het oerHollandsch symbool geworden van nostalgiegekkies die altijd maar bang zijn dat er eens iets zou veranderen.
Met de volgende brug steken we het kanaal over en dalen af naar Nieuwe Niedorp, waar de auto onder de kerktoren staat geparkeerd. Terwijl we de schoenen verwisselen en ons opmaken voor de thuisreis klinkt er saxofoonmuziek uit een raam. Het was een mooie dag.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Reigers en aalscholvers

cropped-p1030977.jpg

Van Schoorldam naar Bergen aan zee, een etappe van De Lange Weg Naar Huis, gelopen op zondag 17 maart 2019

We zijn onderweg naar Den Haag, mijn jongste zoon en ik. In etappes wandelen we van onze woon- naar onze geboorteplaats. En weer terug. Een maand geleden uit Schagen vertrokken staan we hier, op de Westfriese dijk, vlak voor Schoorldam, waar we vorige week gebleven waren en waar we ons vandaag weer af hebben laten zetten, dus nog maar aan het begin van onze lange weg naar huis. Vol goede moed uiteraard, want we doen het voor de lol. Bovendien is het weer eens prachtig weer, de zon komt telkens opnieuw achter de haastig voortjagende wolken tevoorschijn.. we hebben ja niks te klagen, dus dat doen we dan ook niet.
Via de helwitte Schoorldammerbrug steken we het in tegenlicht blikkerend Noordhollands kanaal over, duiken met het fiets- en voetgangerstunneltje onder de N9 door, langs het Betoverde Bos van kunstenaarsduo BlokLugthart, met de zeven gitzwarte merels die refereren aan het wapen van Schoorl, en door de lommerrijke buitenwijken van Schoorl lopen we richting de kust, die we pas in Bergen aan zee echt zullen bereiken.

P1030955

In die lommerrijke buitenwijken treffen we ook een klein maar fijn stukje bos waarin wat naaldbomen staan die hun kroon als een enorm parapluscherm hoog over het pad uitspreiden. Als zwarte gaten in het takkenpatroon ligt daarop een aantal flinke reigernesten verspreid. Dat het reigernesten zijn weten we zeker wanneer we een reiger net zo nieuwsgierig naar beneden zien kijken wie er daar onder zijn huis staat te dralen als wij naar boven of we een teken van leven ontwaren. Het is een koddig gezicht, die toch echt verbaasde vogelblik boven die eigenwijze puntsnavel. Wat de reiger van ons denkt wordt duidelijk wanneer een ferme straal dunne vogelpoep vlak naast ons in de berm fluimt. Dat had heel anders af kunnen lopen.

P1030966

Het centrum van Schoorl kondigt zich aan met een kerk en daarnaast het piepkleine oude raadhuisje. Omdat ik hier ter gelegenheid van een eerdere wandeling al eens wat over had opgezocht, kan ik nu ook aan mijn zoon vertellen dat dit schattige raadhuisje van 1601 is. Dadsplaining zou je dit kunnen noemen, omdat die wijsheid ook met grote, gouden letters op de gevel staat genoteerd. Het raadhuisje, lepel ik de rest van mijn internetkennis op, bestaat uit slechts één ruimte, de raadszaal. Met, okay, nog een portaaltje. Niettemin is het in gebruik geweest tot 1901 voordat het door inmiddels ook allang weer verlaten nieuwbouw werd vervangen. Over duurzaam bouwen gesproken. In 1931 kwam het gebouwtje in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich het behoud van architectonisch of historisch waardevolle gebouwen ten doel heeft gesteld. Aan het Schoorlse raadhuis hebben ze een hele kluif gehad omdat de gemeente destijds bij de overdracht de voorwaarde had gesteld dat het gebouwtje een paar meter naar achter zou worden verplaatst, zodat, toen al, de weg verbreed kon worden, ten behoeve van het oprukkend autoverkeer. Het raadhuisje is toen baksteen voor baksteen afgebroken en iets naar achteren weer opgebouwd.
In het perkje voor raadhuis en kerk wordt één van Schoorls grootheden, schilder en tekenaar Jan van Scorel (1495 – 1562), geëerd, met twee bronzen beelden. Voor het raadhuis staat de kunstenaar zelf, ten voeten uit; voor de kerk een ruimtelijke opvatting van één van zijn schilderijen, de Jeruzalemvaarders. Daarover schreef ik al in de rubriek Kunst Onderweg op het weblog van de wandeling langs het Groot Frieslandpad.

P1030977

Bij het bezoekerscentrum beklimmen we de trap naar wat het hoogste duin van Nederland genoemd wordt, we spreken graag in de overtreffendste trap in ons landje aan de Zuiderzee. Eenmaal boven is het uitzicht echter zeker weids te noemen. Aan onze voeten ligt de landkaart van de kop van Noordholland. We zien de karakteristieke twee kerktorens van Schagen, waar we vandaan komen, dichterbij de kerktorens van Warmenhuizen en Dirkshorn, de windmolens langs de N242 en aan de horizon de flatgebouwen van Hoorn. Achter ons laat de zee zich al zien, tussen de Schoorlse duinen.
Vanaf hier volgen we de roodwitte stickers en pijlen van het Nederlands Kustpad richting Bergen aan zee. Al snel passeren we onafzienbaar lange rijen hoog opgetaste boomstammen die langs de weg liggen te wachten op verder transport. Hier wordt aan de natuur gewerkt. Natuurbeheer. Er is de laatste tijd veel over te doen.

P1030984

Natuurbeheerders claimen meer variatie in het landschap te willen aanbrengen door stukken bos te kappen: stuifduinen, verschraalde gebieden, heide, een hoger grondwaterpeil, waardoor ook verdwenen plant- en diersoorten hun herintrede zouden kunnen doen. Boze tongen beweren dat al dat gekapte bos de organisaties goed geld oplevert als biomassa voor het opwekken van groene energie, die daarmee uiteraard opeens een stuk minder groen wordt. En hoe lang kun je daarmee doorgaan voordat de bomen op zijn? Wij weten niet zo goed wie we moeten geloven. Maar een rotgezicht is het wel, zo’n muur van gerooide bomen. Verderop komen we inderdaad wat drassige stukken tegen, maar weten dan weer niet of dit nu al het resultaat kan zijn van al dat natuurbeheer. Verder vinden we het gebied waar we doorheen wandelen eigenlijk al behoorlijk afwisselend. We lopen door stoïcijnse naaldbossen waar de stammen kaarsrecht in het gelid staan en maar weinig verdere begroeiing onder zich gedogen, door zilverwit oplichtende, ijle berkenbosjes, door krullerige heksenbosjes waarvan de stammen en takken zich kermend en in grote radeloosheid ten hemel lijken te kronkelen. We doorkruisen heidevelden en passeren vennetjes en poeltjes, we stijgen en dalen en glooien tevreden met de zandpaden en klinkerweggetjes mee. Van ons zou het ook wel zo mogen blijven, mocht iemand het willen weten.

P1040057

Bij een klein meertje, gedeeltelijk omzoomd door grillige, zwart afgekloven skeletten van bomen treffen we twee aalscholvers die op een boomstronk vlak boven het water zitten te zitten. Het geheel biedt een licht prehistorische aanblik. Dat heb je met aalscholvers, daar is niet veel meer aan het basisontwerp gerommeld, sinds de schepping. Deze twee zitten niet in de karakteristieke houding met de vleugels wijd te drogen. Blijkbaar zijn ze al droog, en wachten ze tot het tijd wordt voor een nieuwe duik. Ze lijken niet erg onder de indruk van onze aanwezigheid en zelfs wanneer we steeds iets dichterbij sluipen, blijven ze onverveerd op hun boomstammetje zitten, al houden ze ons duidelijk zichtbaar wel scherp in de gaten. Ze zullen niet veel zin hebben om net opgedroogd als ze zijn meteen weer te water te moeten en stellen dat paniekmoment zo lang mogelijk uit. Het stelt ons in de gelegenheid de vogels een tijdje rustig van dichtbij te bekijken, wat wij als bijzonder ervaren. We zien dat ze veel mooier zijn dan je van een afstandje zou zeggen. Niet egaal dominee-zwart maar met een schitterend, subtiel schubbenpatroon op de vleugels, wufte witte pluimpjes die daaronder uit piepen en een staart als een gesteven plooirokje tot net iets boven de knie. Een fikse punk-hanekam op het hoofd. Ons oordeel over de aalscholver is bij dezen bijgesteld.
Als eerste teken dat we Bergen naderen zien we het torentje van Huize Glory boven de bomen uitsteken. Lang geleden beklommen we dat enigszins in verval zijnde torentje, langs wenteltrappen en trappenhuizen, om boven op de glazen omgang met meegebrachte verrekijkers de omgeving af te speuren. We weten het allebei nog. Langs het Zeehuis tenslotte lopen we Bergen aan zee binnen. Het laatste stukje doen we over het strand, om de zee even gedag te zeggen. Het waait stevig, het zand stuift op, we worden verwelkomd en uitgezwaaid door een woeste branding.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

De lange weg naar huis

cropped-p1030696.jpg

Van Schagen naar Schoorldam, de eerste etappe van De Lange Weg Naar Huis, gelopen op zondag 17 februari 2019

Het was een vaste gewoonte, tijdens onze gezinsvakanties, dat ik met ieder van onze twee zonen een dagtocht ondernam. Leuke avonturen waren dat altijd, waarbij we elke Jagdstuhl beklommen die we tegenkwamen, van het pad af gingen om beekjes te volgen tot aan de bron, mysterieuze vijvers vol vis ontdekten en alles opraapten wat te mooi was om te laten liggen. Nog altijd heb ik ergens dozen vol botjes, schedeltjes, stenen, schelpen, gedroogde kikkerlijkjes en wat al niet. Met mijn oudste zoon heb ik dat het langst vol kunnen houden, die wilde zelfs buiten de vakanties om nog wel eens mee op stap, de jongste liet op een goed moment weten dat wandelen ‘niet echt meer zijn ding was’. Ach ja, zo gaat dat dan. Maar sinds hij afgelopen zomer een zogenoemde hike heeft ondernomen in Frankrijk, met zijn maat, is hij opeens wel weer te porren voor een serieuze wandeltocht met zijn oude vader. En om daar enige continuïteit, een doel en een soort van betekenis aan te geven hebben we bedacht vanuit huis naar Den Haag te lopen, ons beider geboortestad, en vandaar weer terug naar Schagen, waar we nu alweer meer dan tien jaar wonen. Zo lopen we in beide richtingen naar huis en dat vinden we alletwee wel een mooi idee. Het plan heeft een tijdje op de plank liggen wachten tot de oude vader weer voldoende hersteld was van zijn operatie, dat duurde even, maar vandaag is het zover en zetten wij de eerste stappen op de lange weg naar huis.

P1030671

Het is half februari maar de lente is een paar dagen geleden al in volle glorie losgebarsten en we kunnen luchtig gekleed op pad. Onderweg zien we zeeën van bloeiende krokusjes, narcissen hier en daar, we spotten wat kieviten die blijkbaar alweer terug zijn, of misschien wel helemaal niet eens zijn vertrokken want een echte winter hebben we ook niet gehad, we zien bomen en struiken aarzelend wat eerste groene puntjes op verkenning sturen, we zien mensen uit hun huizen komen en in de tuin aan het werk gaan, koffie drinken in de zon of anderszins van het weer en het leven genieten. Eenden zitten elkaar luidruchtig achterna in sloten waar twee weken terug nog een laagje ijs overheen lag.
Langs vertrouwde wegen en paden verlaten we Schagen, het eerste stuk komt overeen met mijn vaste ochtendwandeling, daarna gebruiken we tot St Maarten de Groene Wissel Schagen. Via de Tolkedijk steken we onder de provinciale weg door richting Groenveld. We lopen over smalle en vrij rustige landweggetjes maar ook over grasdijkjes en dwars door weilanden. Aan de horizon zien we tal van kerktorentjes die we nu eens, nu we nog vlak bij huis zijn, allemaal herkennen. Valkkoog, Dirkshorn en de dubbele torens van Schagen.

P1030684

In Groenveld lopen we langs de Groenvelder, een poldermolen die op het woongedeelte na is afgewerkt met riet en die volgens het jaartal op de kap van 1560 is. Wij hebben geen reden daaraan te twijfelen en dat doen we ook niet, maar later lezen we op internet dat over dat bouwjaar wel het nodige te doen is geweest. Omdat het molenwiel boven in de molen volgens een inscriptie van 1716 is, werd lang aangenomen dat dat ook het bouwjaar van de molen zelf was. In 1981 komt men, op basis van een oude landkaart waarop de molen staat vermeld, tot het nieuwe inzicht dat die er in 1572 al heeft gestaan. In 2007 blijkt hij dan ook op een landmeterskaart van Laurens Pietersz uit 1560 al voor te komen. Dit jaartal staat nu weliswaar op de kap maar bleek in 2016 toch ook weer niet helemaal te kloppen want op initiatief van de molenaar en het Hoogheemraadschap werden dat jaar verschillende houtmonsters genomen die er op wezen dat de molen zeer waarschijnlijk in 1529 al werd gebouwd. Daarmee is het dan meteen één van de oudste poldermolens in Nederland geworden. De kap werd gedateerd op 1751. Blijkbaar heeft de molen het een en ander meegemaakt aan storm of brand of tegenspoed, waardoor eerst het molenwiel en korte tijd later de kap moest worden vervangen. De Groenvelder stond er om de Valkkoger polder te bemalen en heeft dienst gedaan tot 1990, vanaf 1955 met hulp van een elektrisch gemaal. Ook nu draait de molen nog af en toe. Soms, op afroep,  nog steeds om de polder te bemalen en soms voor het soepel houden van het gestel. Draaien voor de prins, schijnt daarvoor een oude molenaarsuitdrukking te zijn. Die is vandaag de dag extra toepasselijk omdat de molenaar van de Groenvelder Prins heet, lezen wij.

P1030719

Zigzaggend door de weilanden, langs boerensloten en langs het automatisch gemaal Valkkoog dat de taak van de Groenvelder heeft overgenomen, bereiken we St Maarten. Op een picknicktafel bij het ijsbaantje stillen we de eerste trek. Er zal niet meer op vorst gerekend worden maar de kluunmatten liggen er nog en op een briefje achter een raampje staat te lezen dat het verboden is het ijs te betreden. Mocht de boel toch nog een keer dichtvriezen, is het wel een heel leuk ijsbaantje, denken wij. Met klifachtige graswallen rondom waarop je kun zitten om je veters aan te halen, je snapchat te checken of een glas glühwein te drinken.
Dan klimmen we de Westfriese omringdijk op om de tocht te vervolgen. Een dijk van 126 km lang die heel Westfriesland omarmt, zoals de naam al doet vermoeden, maar hier tussen St Maarten en Eenigenburg moet wel één van de mooiste stukken zijn. Het weidse uitzicht over de akkers en de velden met recht vooruit in de heiigheid de duinen van Schoorl al in zicht, rechts een glimp van de kerncentrale bij Petten, links het kerkje van Eenigenburg dat op zijn terp bescheiden boven de einder staat uit te steken. Maar vooral ook de dijk zelf, die op dit stuk buitengewoon pittoresk in bijna driekwart cirkels als een enorme slang om een aantal zogenoemde wielen heen kronkelt. In barre tijden is de dijk op deze plaatsen doorgebroken en kolkte de zee ongehinderd en opgezweept door stormwind naar binnen, een groot rond uitgeslepen meer achterlatend dat zó diep was dat het bij het herstel makkelijker was de dijk er maar gewoon links of rechtsom omheen te leggen. Wielen, worden deze meertjes genoemd. Ze liggen er vandaag de dag van riet omzoomd vredig en zeer fotogeniek bij te liggen, pleisterplaats voor allerlei vogels. Het kronkelen biedt de wandelaar bovendien een fraai uitzicht op de dijk zelf, die je in de verte al gauw weer een nieuwe bocht ziet maken waardoor je hem onder weer een andere hoek ziet en waardoor je je ook begint te realiseren wat een enorm bouwwerk dit is, zeker wanneer je bedenkt dat hier in de 13e eeuw al aan gewerkt werd. Ik kom er graag. En ik niet alleen. Het is zondag vandaag en één van de eerste lentedagen, voor het eerst in lange tijd is het heerlijk weer.. het is stervensdruk op de dijk. Iedereen is er op uit getrokken om dit unieke en rustieke stukje Noordholland vandaag te bezoeken. Felgekleurde fietsers die ons met een luid achterop komen suizen, er van uitgaand dat wij wel opzij zullen springen voor het te laat is; lange colonnes glimmende en ronkende motoren die in kuddeverband hun individuele vrijheid aan het botvieren zijn en die je een kwartier later, wanneer ze Alkmaar binnen rijden, nog altijd kunt horen, als er tenminste niet net een tweede of derde cohort langs komt razen; en tip top gerestaureerde oldtimers, met open daken en al even goed geconserveerde oldtimers achter het stuur, waarvan je goed kunt ruiken dat ze nog heel authentiek 1:2 rijden. Maar goed.. we ergeren ons niet, de zon schijnt en het is en blijft een prachtig stukje dijk.

P1030757

Bij Eenigenburg dalen we weer even de polder in om door dit kalme en door de tijd vergeten lijkend dorpje te wandelen, en een bezoekje te brengen aan het schattige kleine kerkje dat van 1792 is. De terp waar het op staat moet al van de 14e eeuw zijn en herbergt nog de resten van de wegens ouderdom gesloopte, grotere voorganger van het huidige kerkje. Eenigenburg telt 170 inwoners maar beschikt niettemin over een eigen museum, waar een piepklein daglonershuisje deel van uitmaakt. Om het te bezoeken zullen we later nog eens terug moeten komen, buiten het hoogseizoen is het gesloten.
Het Huys te Nuwendoorn, dat een eindje verderop tegen de dijk aanligt, is een moderne reconstructie van de restanten van een dwangburcht die Floris de vijfde hier in de 13e eeuw zou hebben laten neerzetten als uitvalsbasis in zijn strijd tegen de weerspannige West-Friezen. Over het succes valt te twijfelen want in dezelfde 13e eeuw werd de burcht verwoest en weer opnieuw opgebouwd, om in de 14e eeuw alweer van de aardbodem te verdwijnen. Niet helemaal overigens want in de tweede helft van de 20e eeuw werden resten van fundamenten gevonden, in de aardbodem, en om een en ander te behouden en te accentueren is er op de teruggevonden fundamenten een soort van nepruïne gebouwd, met een stalen skelet dat de toren van weleer suggereert. De toren valt te beklimmen, maar ook daarvoor is het nog niet het seizoen.

P1030765

Wanneer we vervolgens weer terug willen naar de dijk moeten we een hekje over waaraan een bordje hangt met de universeel verontrustende waarschuwing: pas op voor de stier. De kans dat je in deze barre tijden nog een stier in een weiland rond ziet lopen lijkt mij eerlijk gezegd zo goed als nihil, dus waarschijnlijk hangt het er voornamelijk voor de authentieke sfeer, al lopen er wel een aantal schapen achter het hek met vervaarlijk uitziende horens. Zodra we over het hekje zijn, drommen de beesten om ons heen. Mijn zoon vindt dit een tikkeltje verontrustend, in combinatie met de vervaarlijke horens en misschien ook wel het bordje. Ik ben hier toevallig deze week al eerder geweest, tijdens een andere wandeling, en ik meen vrij zeker te weten dat dit welvaartsschapen zijn, die bij mensen met rugzakjes al meteen de conclusie trekken dat er wat te vreten valt. Ik doe dus een beetje laconiek. Ik wil zelfs niet uitsluiten dat ik een beetje stoer doe, voor mijn huiverige jongste zoon. Dat krijg je, als je zonen boven je uit beginnen te steken. En baarden gaan dragen. Maar ik moet toch ook bekennen dat ik inderdaad bijna op de vervaarlijke horens wordt genomen door een schaap met een kort lontje. En dat ik daarna ook snel maak dat ik over het hekje kom.
Het laatste stuk, van Krabbendam tot Schoorldam, lopen we weer over de omringdijk, die hier beduidend lager is, vanwege de hoge duinen van Schoorl. Er rijden ook beduidend meer auto’s, die niet altijd evenveel zin hebben om af te remmen of uit te wijken voor een stelletje wandelaars, wat op het laatst ronduit irritant wordt. Gelukkig kunnen we dan al gauw naar beneden om langs het Noordhollands kanaal in alle rust de brug bij Schoorldam te bereiken. De kop is er af. Op naar Den Haag.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Welkom in Westfriesland

cropped-p1030565.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Schoorl naar Dirkshorn, gelopen op vrijdag 15 februari 2019

We zijn er een jaartje tussenuit geweest, dus misschien dat het daaraan ligt, maar in Schoorl lopen we als een stelletje beginnelingen in het rond te dwalen op zoek naar hoe het nou toch in vredesnaam verder gaat, na de eerste etappe. We volgen wel pijlen maar gaan gaandeweg twijfelen of het de goede zijn, we komen inderdaad op een vijfsprong maar weten niet of het dezelfde is als die het boekje beschrijft, lopen heen en toch maar weer terug en zo plakken we onbedoeld een paar kilometer doelloos rondjes draaien aan de wandeling vast. Maar wat maakt het uit, het weer is prachtig, het lijkt verdorie wel lente geworden, midden in februari. Het wemelt van de jonge gezinnen met kinderen rond het bezoekerscentrum, terwijl het gewoon een vrijdag is en bij ons weten nog geen vakantie. Moeten al die mensen niet werken, vragen wij ons af, moeten al die kinderen niet naar school? Maar goed.. Wij lopen hier immers ook, op dezelfde gewone vrijdag, onder hetzelfde lentezonnetje, terwijl we er toch nog niet uitzien als pensionado’s, hopen we dan maar dat de andere mensen denken.

P1030465

In Schoorl zelf komen we als eerste terecht bij een schattig klein raadhuisje. Volgens het opschrift op de met krullen en consoles versierde topgevel is het van 1601. Het staat naast de hervormde kerk, die van 1783 is. Het raadhuisje, lezen we op internet, bestaat uit slechts één ruimte, de raadszaal, met een portaaltje. Niettemin is het in gebruik geweest tot 1901 voordat het door nieuwbouw werd vervangen. In 1931 kwam het gebouwtje in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich het behoud van architectonisch of historisch waardevolle huizen ten doel heeft gesteld. Aan het Schoorlse raadhuis hebben ze een hele kluif gehad want wij lezen dat de gemeente destijds bij de overdracht de voorwaarde had gesteld dat het gebouwtje een paar meter naar achter zou worden verplaatst, zodat, toen al, de weg verbreed kon worden. Het raadhuisje is toen baksteen voor baksteen afgebroken en iets naar achteren weer opgebouwd. In het perkje voor raadhuis en kerk wordt één van Schoorls grootheden, schilder en tekenaar Jan van Scorel (1495 – 1562), geëerd, met twee bronzen beelden. Voor het raadhuis staat de kunstenaar zelf, ten voeten uit; voor de kerk een ruimtelijke opvatting van één van zijn schilderijen, de Jeruzalemvaarders.

P1030526

Verder lopen we met een boogje om Schoorl heen, steken bij Schoorldam de N9 en het Noordhollandsch Kanaal over en betreden dan via de Westfriese Omringdijk de uitgestrekte platheid van de drie Frieslanden die onze route de komende tijd doorkruist. Hoog bovenop de dijk krijgen we daar een aardig voorproefje van, weidse vergezichten van weilanden, akkers en sloten met om de zoveel tijd een bescheiden kerktorentje aan de einder. We lopen er maar een klein stukje van en zeker niet het interessantste maar de Westfriese Omringdijk is 126 km lang en doet precies wat de naam al zegt, hij omringt heel West Friesland. Van Noordzee naar Zuiderzee en weer terug. Een bijzonder idee. Ook om je voor te stellen dat aan de linkerkant van deze dijk de zee dus eeuwenlang een meer dan serieuze bedreiging is geweest, het ziet er nu zo vredig uit allemaal en de zee lijkt erg ver weg. Maar ook: zó hoog is die dijk nou ook weer niet. Hoe veilig zou je je erachter voelen wanneer de golven er bij storm en tegenweer tegenaan zouden beuken? Het kwam in zijn lange geschiedenis dan ook regelmatig voor dat de omringdijk doorbrak en het binnenkolkend zeewater enorme kraters sloeg in het achterliggend land. De ronde meren die daardoor ontstonden waren zo diep dat het makkelijker was de dijk er bij reparatie maar omheen te leggen. Deze zogenaamde wielen met de zich eromheen kronkelende dijk bieden vandaag een betoverende en schilderachtige aanblik, maar ze getuigen ook van de drama’s die zich er in vroeger tijden hebben afgespeeld.

P1030501

Bij aanvang van het Groot Frieslandpad hebben wij ons een goed voornemen gemaakt: al wandelend ontfermen wij ons over plastic zwerfafval in berm en beemd. We rapen het op, we nemen het mee en gooien het thuis in de plastic bak. Iemand moet het doen anders ligt het er voor eeuwig tenslotte. Dan maar gutmenschen, dan maar klimaatdrammers. Ook vandaag hebben we er speciaal een tasje voor meegenomen en wanneer we de dijk even verlaten om een stukje langs het Noordhollandsch Kanaal te lopen zien we de eerste oogst al liggen. Stukken plastic, bierblikjes, plastic flessen.. welgemoed beginnen we te rapen, maar al gauw slaat de twijfel toe. We lopen hier achter een camping met vaste huisjes langs, waar de grijze mistroostigheid overigens als een natte dweil overheen hangt, en het lijkt erop dat deze grasstrook met bosschage tussen kanaal en camping als hangplek fungeert. Hier kunnen we aan het rapen blijven. Straks lopen we de rest van de wandeling met ieder twee extra tassen vol andermans plastic schillen en dozen. Heel even komen we in gewetensnood maar we besluiten toch dat dit te gek is. Zelfs van gutmenschen kun je dit niet verwachten. We nemen de ergste stukken mee, maar verder moet de camping zelf maar even de handen uit de mouwen steken.

P1030548

Weer terug op de dijk lopen we door Krabbendam, een vriendelijk dorpje dat aan weerszijden tegen het dijklichaam opkruipt, en zien dan dat datzelfde dijklichaam aan de andere kant van Krabbendam opeens een heel stuk hoger is. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de duinen van Schoorl, de hoogste duinen van het land, die verderop gelegen overgaan in de Hondsbossche zeewering, een notoire zwakke plek in de kustverdediging. Hier kon de omringdijk wel een extraatje gebruiken.
Dan staat daar Huis te Nuwendoorn. Of wat er voor door moet gaan. Een voormalige dwangburcht van Floris de Vijfde. Gebouwd, verwoest en weer opgebouwd in de 13e eeuw, en in de 14e eeuw zonder verklaring van de aardbodem verdwenen. Op de fundamenten die in onze eigen tijd werden teruggevonden en hersteld, is een paar jaar geleden een soort van ruïne gebouwd, met nep afgebrokkelde muren van moderne materialen, tot zelfs van die tuincentrum stenen in betonijzerkooien aan toe, hoe treurig wil je het hebben? De toren, het minst erge onderdeel, wordt gesuggereerd door een stalen skelet met dito trappen en fungeert in het seizoen als uitzichttoren. Voor toeristen. Als die eropaf komen tenminste.

P1030568

Terwijl wij dit allemaal zo staan te overwegen en de term Vinex-ruïne uit onze mouw schudden, stopt er een auto op tien meter afstand. Wat een beetje vreemd is omdat we aan het eind van een stoffig en doodlopend landweggetje staan. Het is een donkere auto, met donkere ruiten. Er stapt een jongeman uit, met een koffer. Verborgen achter de auto buigt de jongeman zich over de koffer, de koffer gaat open. Het is niet het soort koffer waar je een weekendje mee gaat logeren bij vrienden. Wat de jongen aan het doen is kunnen we niet zien, maar hij ís iets aan het doen. Misschien kijken we teveel Homeland, maar zo’n koffer is het wel. Het wordt tijd om verder te wandelen, besluiten we conflictvermijdend, al moeten we dan wel langs de auto, en de jongeman. Uiteraard loopt het goed af, de jongeman staat een peperdure drone startklaar te maken en geeft ons maar al te graag een demonstratie. Op zijn schermpje kunnen we zien wat de drone aan beelden doorgeeft. Zo zien we onszelf een beetje sullig omhoog staan te kijken, met onze rugzakjes om. Maar als de drone dan echt het luchtruim kiest en we hem nog slechts als een onhoorbaar stipje aan het zwerk zien staan, zien we Huis te Nuwendoorn op het schermpje vanuit de lucht, we zien de Westfriese Omringdijk door het landschap kronkelen, we zien de wijde omgeving, haarscherp. Het is even verbazingwekkend als verontrustend.

P1030596

De wandeling gaat verder door Eenigenburg, een charmant dorp waar de tijd minder vat op lijkt te hebben. Dat het op een aantal terpen is gebouwd, is vanuit de verte nog goed te zien. Op één ervan staat het kerkje, met een piepklein kerkhofje ernaast. We lopen er even naar toe, al hoeft dat niet van het routeboekje. Het is een schattig kerkje met een houten torentje en het is van 1792. Ene Dirk Pronk legde de eerste steen, op zijn zesde. De lange oprijlaan herinner ik me statig omzoomd van hoge bomen, maar die zijn inmiddels van voor tot achter vervangen door ijle sprietjes waarvan het moeilijk is voor te stellen dat het ooit weer hoge bomen zullen worden.
Als we Eenigenburg weer verlaten biedt het boekje ons twee mogelijke routes. Op de gok kiezen we er één maar voor we goed en wel op weg zijn wordt ons een halt toegeroepen door een meneer die in zijn tuin snoeiafval staat klein te knippen. De meneer is tanig van gestalte, draagt een oorring, een baardje van een week en doet wat denken aan een piraat. Of een kunstenaar. Dat we de andere route moeten nemen, adviseert hij ons vriendelijk doch dringend, omdat die veel leuker is. De route die wij nu gekozen hebben is saai, aldus de meneer. En zo keren wij terug op onze schreden, want ja.. ga daar maar eens tegenin. Spijt hebben we er niet van gekregen trouwens want het was een aardig ommetje langs een zeer onaangeharkt stukje niemandsland, en daar houden wij wel van.
Het laatste stuk voert ons nog door Stroet, een lintdorp dat wij in de breedte passeren, na 357 stappen zijn we er al weer uit. Vlak voor Groenveld, in het zicht van de molen, buigen we naar rechts af om dwars door de weilanden en over grasdijkjes, langs de golfbaan Dirkshorn te bereiken. Vertrekpunt voor de volgende etappe.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.
Voor meer verslagen over deze wandeling kijk je op samenuitenthuis, het weblog van de wandeling langs het Groot Frieslandpad.

Opperdoezer rondje

cropped-p1030364.jpg

Groene Wissel Opperdoes, gelopen op zondag 3 februari 2019

Startpunt voor de wandeling van vandaag is station Opperdoes. Toch ben ik niet met de trein gekomen, daarvoor ben ik te laat. Als ik dat had gewild, had ik mijn dagje tussen 1887 en 1936 moeten plannen. In die jaren werd er een regelmatige stoomtreindienst onderhouden tussen Hoorn en Medemblik, en Opperdoes was aan die spoorlijn een halte. Eind dertiger jaren was deze dienst voor passagiers, met de opkomst van de flexibeler busdiensten, niet rendabel meer. Het goederenvervoer ging wel nog door, tot zelfs 1980 aan toe.
station_opperdoes-2

p1030156.jpg

Het stationsgebouwtje staat er vandaag nog steeds, aan zijn enkel spoor, met kloek opschrift aan voor- en achterzijde, en wordt ook nog steeds gebruikt, al is het nu alleen voor de toeristische stoomtram. Daarvoor ben ik dan weer te vroeg, deze derde februari, hoe stralend blauw die ook mag zijn. Een briefje aan de deur van het station raadt de reiziger overigens voorzichtig af te Opperdoes op of af te stappen. Het mag wel, zo staat er te lezen, maar voor de optimale treinervaring is het beter de hele rit, van Hoorn naar Medemblik of vice versa, te maken.
Op internet lees ik dat Opperdoes een streng calvinistisch eiland is, in een overwegend atheïstisch of op zijn hoogst rooms West Friesland. Ik meen daar iets van mee te krijgen wanneer ik, het dorp doorkruisend, een kerk passeer waaruit een zwaar en vreugdeloos gezang opklinkt dat zich log achter het orgel aan voortsleept. Ik hoor het een tijdje aan, omdat ik er nu toch ben, en waan mij in vroeger tijden. Of in een Nederlandse boekverfilming, waar het er ook graag gereformeerd aan toe mag gaan.

P1030170

Verderop staat trouwens nog een kerkje, zie ik dan. Veel ouder dan het gebouw waar ik naar sta te luisteren. Het staat op een terp, wat niet zo vreemd is aangezien Opperdoes minder dan negentig jaar geleden nog zo’n beetje aan zee lag. De Zuiderzee, wel te verstaan. Beschermd tegen de woeste, onberekenbare baren achter de Westfriese Omringdijk. De dijk ligt er nog steeds, inmiddels verworden tot monument want de woeste baren werden in 1930 het zwijgen opgelegd, toen de Wieringermeer werd drooggemalen en ingepolderd. De naamloze hervormde dorpskerk op de terp werd gebouwd in 1530, ter vervanging van de kort daarvoor door Grote Pier, met zijn Friese en Gelderse troepen, platgebrande kerk.
Ik verlaat Opperdoes langs een lange kaarsrechte weg, aan één kant afgezet met al even lange en kaarsrechte bomen die als silhouetten scherp afsteken tegen de lage, verblindende winterzon, en betreed een leeg en uitgestrekt, functioneel landschap dat wordt gedomineerd door grote, groene loodsen van golfplaat. Landbouwmachines. Een kerktorentje aan de horizon hier en daar en plukjes hoge bomen die de wind wegvangen voor een enkele boerderij. Zwartgrijze moddervelden waar resten kool op liggen te stinken, maar ook keurig in lijnen geploegde akkers die al helemaal klaar lijken te zijn voor de volgende oogst, van misschien wel de vermaarde Opperdoezer Ronde.

P1030243

Op weg naar Oostwoud word ik ingehaald door een medewandelaar in felgekleurde sportkleding. Ik had haar al opgemerkt terwijl ik stond te fotograferen, een activiteit die het tempo er nog wel eens uit wil halen bij mij. Nou heb ik helemaal geen hekel aan medewandelaars, maar als ze gedurig vlak achter me of vlak voor me blijven lopen kan ik dat nog wel eens vergeten. Mede op grond van de felgekleurde sportkleding had ik nu echter al ingeschat dat zij harder ging dan ik. En dat dit dus goed ging aflopen. Had ik gedacht. Maar het loopt anders. De felgekleurde medewandelaar houdt haar pas in en blijft naast me lopen om een praatje te maken. Dat ik zeker de hele dag op pad ben, aan de rugzak te zien. En dat ik wel wat warm gekleed ben, in die leren jas. Ik beaam het allemaal, vooral de leren jas is te warm voor het weer, en veronderstel op mijn beurt dat zij dan waarschijnlijk uit Opperdoes komt gelopen. En van het één komt het ander, we babbelen wat over het weer en wandelperikelen en zo word het zomaar een ontmoeting onderweg. Zie, daar ben ik dan ook weer niet te beroerd voor.
Oostwoud blijkt een charmante mengeling van glimmend onderhouden stolpboerderijen, rijk geornamenteerd en glanzend in de groene en witte lak, en panden die de tijd minder goed hebben doorstaan, met rommelige erfjes en geïmproviseerde boetjes en bouwsels, waar een soort vrijbuitersbestaan lijkt te worden geleid. Door mensen die het zelf wel uitzoeken. Op één of andere manier heb ik dat altijd als iets typisch Noordhollands gezien, wat natuurlijk nergens op slaat want dit soort gezellige rommelerven vind je waarschijnlijk overal wel. Maar goed, laat mij maar.

p1030289.jpg

Heel even denk ik dat ik ook nog iets van een voormalige haven tegenkom: een open gebleven veldje aan het water met een handvol uit de kluiten gewassen dukdalven en meerpalen. Ik meen ook iets van een beschoeiing uit de grond omhoog te zien steken. Het doet me een klein beetje denken aan de gedempte haven op Schokland, vandaar. Maar ook dit zal wel onzin zijn want Oostwoud ligt toch wel erg ver van de zee en ik vind er later ook niks over terug, dus.. Ik heb geen idee waar ik dan wel naar sta te kijken.
Broerdijk, waar ik dan doorheen loop, is een kleine verzameling huizen en huisjes in de bocht van de weg, aan het spoor. Het is wat het is, kun je denken, maar zo is het blijkbaar niet. Er staan maar liefst twéé toeristische informatieborden, die de boel er echter niet per se beter op maken. Het ene is voor een molen uit 1570, de molen van Gerbrandt Jacobsz Van Hoechkerspel namelijk, waarvan meteen maar wordt vermeld dat niemand eigenlijk weet waar die nou precies gestaan heeft, terwijl hij, volgens hetzelfde bord, pas in 1964 werd gesloopt. Het tweede bord brengt een inmiddels verdwenen ‘destructor’ in herinnering. Een slachthuis voor, ik citeer: oud en wrak vee. Het rook niet erg lekker, eufemeert het bord nostalgisch, als de wind verkeerd stond moesten ramen en deuren gesloten blijven. Ach, ach, ach, die goeie ouwe tijd toch. Bij tijd en wijle hangt er in deze regionen overigens wel precies die spruitjeslucht. Dat zijn dan de koolbladeren die na de oogst op het land achterblijven. En dan maakt het niet uit hoe de wind staat. En ook niet of je ramen en deuren gesloten houdt.

P1030372

Langs een fietspad slinger ik door de weilanden terug naar het noorden en beland zo in Twisk. Een lintdorp dat schijnbaar volledig bestaat uit zeer goed onderhouden en glimmend opgepoetste stolpboerderijen vol pracht en praal, en pittoreske Noordhollandse huisjes en geveltjes. Geparkeerde auto’s zijn zo goed als buiten beeld gehouden, en ik krijg al snel het idee door een openluchtmuseum te lopen, al blijft het opletten voor de rijdende exemplaren want die zijn meestal groot, breed en geruisloos, aan een goudkust als deze, en de weg is smal en zonder stoep.
Hierna gaat het terug naar Opperdoes. Ik passeer een ruime waterplas, met veel riet en een broedwand voor oeverzwaluwen. De plas fungeert als opvangbekken voor een teveel aan water in barre tijden. Eens in het jaar gebeurt het dat het gebied onder water komt te staan, lees ik op de site van het Westfries Weekblad. Verder is het een broedgebied en rust- en verblijfplaats voor vele soorten vogels, die het blijkbaar geen punt vinden dat ze pal naast de N239 en de gemeentewerf zijn gepland.
Op het laatste stuk terug naar het begin heb ik de Westfriese Omringdijk aan de linkerhand als horizon. Zou ik die willen beklimmen, om een afsluitende blik op de Wieringermeer te werpen, en me er de Zuiderzee voor te stellen, dan moest ik een breed water en de provinciale weg oversteken, dus dat komt er niet van. En als ik later zelf over de provinciale weg langs de dijk naar huis rijd, bedenk ik pas te laat dat ik de auto even aan de kant had kunnen zetten, om de dag alsnog in zelfbedachte stijl af te ronden, hoewel dat makkelijk had gekund.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

This Guy Was Taking His Morningwalk When He Saw A Canada Goose Wearing A Plastic Necklace. And This Is What Happened Next.

IMG_1564

 

 

Er wordt sneeuw verwacht vandaag, maar zover is het nog niet. Het duurt nog tot de middag, wordt beweerd. De weilanden waarlangs mijn ochtendwandeling loopt, dragen dan ook nog hun alledaags groen. Wel lijken er vanochtend veel meer ganzen te bivakkeren dan anders. Misschien wachten ze de sneeuw af, sla ik maar eens ergens een slag naar. Misschien hebben ze ook een code geel gekregen, en een negatief reisadvies. Een vliegverbod. Ik weet niet hoe hysterisch ganzen daarover doen, over sneeuw. Het zal wel toeval zijn.
Mijn aandacht ondertussen, tussen al dat opgewonden gegak en gehonk, wordt getrokken door een groepje Canadese ganzen. De Branta Canadensis, de grote Canadese gans. Een beetje deftige ganzen vind ik dat, vooral misschien door die lange, slanke, zwarte nek, en de witte bef onder de kop, waardoor ze wat doen denken aan rechters, of officieren van justitie. Er loopt een heel groepje achter elkaar aan te paraderen, links en rechts wat grazend, maar alles buitengewoon waardig.
Eentje springt eruit. Eentje heeft iets groenigs om de nek. Iets groen met wits. Ik zie het wel, maar de afstand is te groot om goed te zien wát het is. Plastic, denk ik direct. Plastic afval, de vloek van onze tijd. De schande van onze beschaving. Het beest heeft argeloos de kop ergens ingestoken en loopt nu met het handvat van een plastic draagtas om de nek, of een verpakking van McDonalds.
Ik zie ook meteen facebook- en twitterfilmpjes voor me, waarin dappere mannen met baarden hulpeloze schildpadden, zwanen of haaien uit iets plastics helpen, met een hoop gedoe, of een schaap weer op de poten zetten, of twee herten uit de knoop, met zo’n Amerikaanse tekstregel eronder waarvan om onduidelijke redenen ieder woord met een hoofdletter begint.
This Guy Was Taking His Morningwalk When He Saw A Canada Goose Wearing A Plastic Necklace. And This Is What Happened Next.
Ik zie het mezelf nog niet doen, maar dat hoeft dan ook niet. Op mijn lekker ingezoomde foto zie ik dat het anders zit. Dit lijkt meer een soort ring zoals je eerder om de poot zou verwachten, maar dan dus om de hals. In witte letters staat er een soort code op. EGK, maak ik ervan. Het is een vrij groot ding en het is natuurlijk geen porum, tjees, ik krijg gewoon medelijden met het beest.
Weer thuis op internet lees ik dat dat helemaal niet nodig is, dat medelijden, want dat de vogel er nauwelijks hinder van ondervindt. Aldus de Sovon, de Stichting Ornithologisch VeldOnderzoek Nederland, dus die zullen het wel weten. De ring is zo groot en zit om de hals zodat hij makkelijk vanaf grote afstand kan worden afgelezen zonder de vogels te verstoren, in tegenstelling vaak tot de pootring. Alleen vrouwtjes worden er mee uitgerust. Waarnemers van over de wereld geven de codes die ze gezien hebben door en zo verzamelt de wetenschap informatie over de eventuele trek, over overlevingskansen en broedsucces.
Wat dat laatste betreft is men dan bijvoorbeeld te weten gekomen dat de gemiddelde gans maar één keer in het leven succesvol jongen grootbrengt, terwijl men dacht dat dat ieder jaar was. Het zou misschien, denk ik dan weer, interessant zijn te onderzoeken in hoeverre zo’n halsring het broedsucces beïnvloedt. Misschien loopt de gemiddelde mannetjesgans liever geen onnodig risico met zíjn kansen op broedsucces en mijdt hij die merkwaardige vrouwtjes met zo’n raar groot, groen ding om de nek met geheimzinnige witte tekens erop. Daar komen rare eieren van, zal hij denken. En geef hem eens ongelijk.

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Passer Domesticus

img_8983

 

 

Omdat mijn afspraak voor de ochtend verstek liet gaan, hield ik vanochtend zomaar een lege ochtend in mijn handen. En dat kwam goed uit want ik had zelf ook al niet zoveel zin in mijn afspraak voor de ochtend, dus ik was blij dat er werd afgemeld. Sterker nog, omdat het zeker niet de eerste keer was dat het zo liep had ik er heimelijk al een beetje op gehoopt. Gerekend misschien zelfs wel. Ik ken mijn pappenheimers.
In elk geval, zo had ik opeens mooi tijd voor een ochtendwandeling en dat kwam ook weer goed uit want het was werkelijk schitterend weer. Er lag een dun laagje ijs over de sloten en de plassen en een zonnetje met lentekwaliteiten liet daar geheel belangeloos haar licht over schijnen. Het kon bijna niet beter. Ach, het was eigenlijk perfect. Ik was warempel gelukkig, zoals ik daar liep, jazeker.
En dat gevoel werd nog eens verder aangewakkerd toen ik langs een manshoge braamstruik liep die bomvol lustig kwetterende musjes zat. Want zo gaat dat met gelukkig zijn, als je het eenmaal bent worden de kleinste, simpelste dingen plotseling wonderen van schoonheid en lijkt het kinderlijk eenvoudig het voor de rest van je leven gewoon maar te blijven. Dat het zo niet werkt gaat genadiglijk aan je voorbij.
De braamstruik was er nog niet voldoende van overtuigd dat zijn tijd voorbij was en zat nog behoorlijk in het weliswaar zwart wordende blad, zodat ik vreemd genoeg geen enkel musje zag. Ze waren alleen te horen. Wat het eigenlijk nog bijzonderder maakte. Want daar stond ik dus, te luisteren naar iets dat vlakbij was, onder handbereik, maar dat ik niet kon zien. Ik stond aandachtig te luisteren naar een kwetterende, tsjielpende struik. Het zal een merkwaardig gezicht zijn geweest, maar wat een heerlijk en vrolijk makend geluid. In mijn oren althans, want misschien zaten de musjes elkaar de huid wel vol te schelden. Zaten ze trillend van woede en blinde haat en met overslaande stemmen de bitterste verwijten en verwensingen door elkaar heen te schreeuwen. Werden er de donkerste bedreigingen geuit. Ik wist het niet, want ik verstond er niks van. Maar ik kon het me eigenlijk niet voorstellen, dat musjes zich daartoe verlaagden. Ze hadden misschien heus wel eens onenigheid, of een verschil van inzicht, maar dat werd dan op een beschaafde manier in der minne geschikt. Zo deden musjes dat namelijk.
En opeens was het afgelopen. Als op een afgesproken signaal waren ze uitgepraat, was het stil.
Ik bedankte de musjes hartelijk, en vervolgde tevreden mijn wandeling.

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Nog één keer terug naar de kust

cropped-p1020428.jpg

Eerste etappe van het Groot Frieslandpad, van Bergen aan zee naar Schoorl, gelopen op donderdag 3 januari 2019

Na een noodgedwongen pauze van een jaar in onze wandelpraktijk voelde Bergen aan zee als een logisch en vertrouwd vertrekpunt voor een nieuwe grote tocht, die langs het Groot Frieslandpad. Nog eenmaal een etappe langs de kust, na eerder zo lang het Nederlands Kustpad te hebben gelopen. Nog eenmaal door de duinen en langs het strand, de zeewind in de haren en de neus, om de draad weer op te pakken. Nog één keer terug naar de kust. Een overgangsetappe, als het ware. Afscheid van het oude en opmaat tot het nieuwe.

p1020370

Het is een onverwacht mooie dag vandaag, met volop zon tussen een handvol te verwaarlozen felle buitjes door, en een meestentijds toch blauwe hemel, we konden het beslist slechter treffen. We zitten nog pal op de feestdagen, het jaar is nog vers, het is nog kerstvakantie.. kortom, we zijn niet de enigen die eropuit trekken. De strandtent, waar we ons nieuwe avontuur aanbreken met koffie zonder appeltaart, loopt langzaam maar zeker vol. Gezinnen met kinderen in het Duits, oudere stellen in deftige jassen met shawls en licht verwaaide kapsels, mensen met bodywarmers en trouwe viervoeters en kunstzinnige types met hoeden, we zitten niet voor niets vlakbij Bergen tenslotte, het zelfbenoemd kunstenaarsdorp.
Groot is het niet, Bergen aan zee, en we krijgen er ook niet veel van te zien, wat misschien ook weer niet zó erg is, afgaand op wat we er wel van zien. We omzeilen een heel stuk langs het strand en worden dan via de achteruitgang het duingebied in geleid.

p1020347

Vlak daarvoor, aan het eind van de boulevard, passeren we wel nog een rijtje wat oudere gebouwen, dat, hoewel statig en met de nodige allure, de opzichtige poenerigheid van wat er verder zoal aan deze goudkust staat mist, en dat een stukje van de nog jonge geschiedenis van het dorp vertegenwoordigt. Het Zeehuis, met aanliggende gebouwen, dat in 1908, in het toen nog nagelnieuwe Bergen aan zee werd gebouwd. In opdracht en op kosten van het Amsterdams Burgerweeshuis. En dat tot vlak voor de zestiger jaren van de vorige eeuw als kinderkolonie heeft gediend, waar Amsterdamse bleekneusjes, onder het regime van rust, reinheid en regelmaat, een aantal weken konden genieten van strand, bos en duinen, zon, zee en frisse buitenlucht. In één van de gebouwen ter linkerzijde schijnt later Adriaan van Dis nog te zijn geboren en turbulente jeugdjaren te hebben doorgebracht, altijd leuk om te weten dat soort dingen; het Zeehuis zelf is nu een natuurvriendenhuis van Nivon, waar we even binnenlopen om een kaartje voor het duingebied te kopen, zoals het de goed opgevoede wandelaar betaamt; en de gebouwen ter rechterzijde vertonen alle kenmerken van inmiddels in officiëlere status omgezette bewoning door krakers. Van hoog boven ons worden wij tenslotte nog gadegeslagen door Huize Glory, waarvan we alleen het overal bovenuit stekend torentje zien, dat de hele wandeling zichtbaar zal blijven aan de horizon.

p1020404

Tot aan Schoorl zullen we geen bebouwing meer tegenkomen. We wandelen door een afwisselend duinlandschap, klimmend en dalend over zanderige paden en paadjes, door luchtige eikenbosjes waarvan de boompjes al net zo onbezorgd vrolijk kronkelen als de paden zelf. Maar ook door compacte, bijna donkere naaldbossen, met kaarsrechte stammen in streng geometrisch gelid, die doen denken aan het onheilspellend bos uit De Noorderlingen, van Alex van Warmerdam. Waar je elk moment een postbode verwacht, die bij een vijver heimelijk brieven zit open te stomen, boven een fluitketeltje op het vuur. Of een bijziende jager op een herenfiets, met een geweer op de rug.
We wandelen over open vlaktes, waar wind en zand vrij spel hebben, en over heidevelden waarvan je het jammer vindt dat je te laat bent voor de bloeiperiode. Hoewel de natuur zich blijkbaar niet zo heel strikt meer aan al die opgelegde tijdschema’s houdt want we passeren ook een in volle, felgele bloei staande bremstruik, zodat we ons heel even in een nog wat fris voorjaar kunnen wanen. Verder zijn de kleuren winters. Maar als je goed kijkt zijn ze verre van somber. We zien het helle, bijna oplichtende groen van het mos dat opkruipt tegen wortels en stammen en dode stronken bedekt. Grote vlakken IJslands mos, met de kleur van koperpatina. Het roodbruin tapijt van dennennaalden dat over dalen en duinen glooit en dat, wanneer de zon er opstaat, opwarmt tot bijna vuurrood. En zelfs het zwart van de uitgebloeide en schijnbaar dode heide bestaat uit subtiele schakeringen van donkerbruin en paars.
Op het strand, dat we ook nog even aandoen, zien we een grote groep strandlopertjes schattig op één poot aan de rand van de branding staan, de snavels op de rug tussen de veren gestoken, wat drentelende scholeksters eromheen, met hun knalrode zwaarden recht vooruit. En meeuwen, natuurlijk meeuwen. In de duinen hangen geheel in het zwart gehuld als boze pubers wat grote grazers lusteloos in het rond.

p1020407

Niet ver van het strand van Schoorl zien we wat wind met het landschap kan doen. De bomen die hier groeien hebben zich goedschiks of kwaadschiks naar haar grillen geschikt: wat hoog is staat zwaar uit het lood geblazen en wat laag is gebleven zoekt het vooral in de breedte, en probeert niet boven het duin uit te steken waarachter het zich angstvallig verschuilt. Het biedt een bijzondere aanblik van weerbarstige meegaandheid.
We zien armzalige restjes bomen en gehavende staketsels eenzaam bij elkaar staan in een verder kale vlakte en vermoeden het gevolg van de grote bosbranden die hier zo’n tien jaar geleden hebben gewoed. Er is zelfs een roetroute uitgezet. We zien ook inderdaad stammen die een zwarte rok dragen, waar het vuur zichtbaar aan gelikt lijkt te hebben maar die de dans verder zijn ontsprongen. Tijdelijk. Want de naaldboom, die hier ruim honderd jaar geleden werd aangeplant om de dorpen erachter te beschermen tegen wegstuivende duinen en sindsdien in toenemende mate in alomtegenwoordigheid de boventoon heeft gevoerd, moet de laatste tijd en de komende jaren ruim baan maken voor nieuwe visies op deze natuur. Staatsbosbeheer, de eigenaar van het gebied, wil een meer afwisselend duingebied creëren, waar ook weer ruimte is voor stuivend zand, open vlaktes en zelfs de zee, zo af en toe. Voor heidevelden en loofbomen, nattere en drogere gebieden, een gezonder grondwaterpeil. Om zo ook uit beeld verdwenen planten- en diersoorten terug te brengen. We overtuigen onszelf ervan dat het ook in dit geval niet goed zal zijn alles altijd maar bij het oude te  houden, dat alles tenslotte altijd in beweging is. Het levert soms de treurig stemmende aanblik van hoge stapels in stukken gezaagde boomstammen op, en tijdelijk kaalgeslagen stukken duin, maar dat moeten we er dan misschien maar voor over hebben.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.
Lees uitgebreider over de wandeling langs het Groot Frieslandpad op het weblog samenuitenthuis.

De vogelen en de dieren des velds

IMG_0591

 

 

De lange wandelingen en dagtochten die ik graag maak, langs ’s Heeren wegen, en waar ik dan graag wijdlopige verslagen van schrijf, alhier, hebben er de afgelopen maanden niet ingezeten. Om gezondheidsredenen, zal ik maar zeggen. Nu gaat het weer de goede kant op. Het leven herneemt zich steeds meer. En omdat het belangrijk is vooruit te blijven denken en kijken, zonder al teveel omzien in wrok, én om weer een beetje op krachten te komen voor het echte werk, maak ik idealiter twee keer per week een ochtendwandeling. Ter revalidatiën ende vermaeck, zogezeid. Steeds zo’n beetje hetzelfde rondje, zodat ik kan bijhouden hoe de zaken er voor staan. En dat lijkt dan saai, maar dat is het dus niet. Je maakt van alles mee onderweg, als je je ogen maar open houdt.
Een groep smienten bijvoorbeeld, die fluitend en knorrend in een brede sloot op het voorjaar ligt te wachten, wanneer ze weer weg mogen, en elkaar ter voorbereiding op wat elders komen gaat hier alvast wat achterna zit, met veel nat misbaar. Ik blijf er telkens even bij staan en begin al aan ze te denken als ‘mijn’ smienten.
Een witte reiger, die veilig op grote afstand blijft maar niet te missen helwit afsteekt, tegen de donkerbruine, leeggetrokken akkers. En verderop nog één. En nog verderop een derde. Hoewel het natuurlijk ook steeds dezelfde kan zijn, bedenk ik hardop bij mezelf, die achter mijn rug steeds snel een nieuw plekje opzoekt. Om míj in de gaten te blijven houden wellicht. Het zal wel niet, maar het is leuk om te denken.
Dat ze me in de gaten hebben, de vogelen en de dieren des velds, is duidelijk: zodra ik stil sta om ze te fotograferen, gaan de koppen en de kopjes waakzaam omhoog, en bij de minste beweging daarna zijn ze gevlogen. Behalve de schapen. Die blijven staan, en kijken me schaapachtig aan. Hoe anders?
De donkerbruine, leeggetrokken akkers ondertussen, bieden ook zo hun eigen uitzicht, met lange rijen blonde stoppels die na de oogst zijn achtergebleven, tussen de kluiten, en nu een vreemd en oneindig ritme aan lijken te geven.
Dan twee eenden die pas op het allerlaatste moment besluiten toch maar op te vliegen, met veel geraas, en daarmee de volle aandacht op zichzelf vestigen, waar ik ze eerder niet eens had gezien. Ik schrik er bijna van. Gelukkig ben ik geen jagerman.
Twee zwanen, het grijze lelijke-eendjes-dons nog niet helemaal verdwenen, die, al wel met de arrogantie hen eigen, gracieus maar argwanend voorbij komen drijven.
Een boom die zijn bladeren lijkt te hebben vervangen door een wolk spreeuwen, genoeglijk kwetterend in het bleke tegenlicht.
Een vlucht ganzen vliegt toeterend over, in traditionele formatie.
Boterbloemen zo hier en daar nog eigenwijs en onverdroten in bloei, al is het nog zo diep in november.
Fietsers en medewandelaars die mijn vriendelijk groeten welwillend beantwoorden en mij verzoenen met de mensheid.
Het is allemaal vlak bij huis en helemaal niks bijzonders. Toch word ik er elke keer heel gelukkig van.

Specht

IMG_7357

 

Vanochtend vroeg wandelde ik dan weer eens mijn vaste rondje om de dag mee te beginnen. Ik zeg vanochtend vroeg, maar dat klinkt eigenlijk wel erg opgewekt zonnegroeterig en zo was het nou ook weer niet. Het was niet bij het krieken van de dag in elk geval want daarvoor zit er alweer bijna teveel voorjaar in de lucht. Daarvoor moet je alweer bijna té vroeg je bed uit, voor het krieken van de dag. Het was vóór achten, okay? Dat is vroeg genoeg. En mijn vaste rondje was het ook niet helemaal want ik had er een stukje aan vastgeplakt. Maar verder wandelde ik vanochtend vroeg dus weer eens mijn vaste rondje. Om de dag mee te beginnen.
En ergens in dat stukje dat ik eraan had vastgeplakt hoorde ik dat typisch spechtengeluid, een roffelend trrr waar ik altijd erg blij van word, om één of andere reden. Al moet ik er bij toegeven dat ik te weinig een kenner ben om niet af en toe te twijfelen of ik nou een specht hoor, of hout dat door de wind langs elkaar beweegt. Ook omdat de bijbehorende specht zich maar zo zelden laat zien. Ook nu twijfelde ik in eerste instantie, het geluid klonk raar hard en had iets van een kunstmatige galm. Ik speurde vergeefs de bomen af, hoorde het geluid nog een paar keer en zag toen vlakbij de specht zitten. Gemakshalve schatte ik hem in als de grote bonte, de Dendrocopos Major, omdat dat geloof ik de meest algemene is, in deze contreien. Maar als gezegd, een kenner ben ik niet en ik weet niet precies hoe groot de grote en hoe klein de kleine is, laat staan dat ik op dat moment al wist dat er ook nog een middelste bestaat. En een witrugspecht bovendien. Enfin. Deze specht zat niet tegen een boom maar op het dakje van een lantaarnpaal. Speciaal voor mij gaf hij nog een roffel weg. Dat klonk lekker door, zo’n hardplastic dakje met een klankkast eronder.
Dus dan denk je: zo’n specht is niet achterlijk. Die weet heus wel dat er niets te halen valt in zo’n door mensenhanden geschapen plastic geval. Dat het ook geen handige nestplaats is, zo midden op straat. Dus als hij er dan toch zo enthousiast op zit te tikken, dan moet dat haast wel zijn omdat hij het zelf ook wel lekker vindt klinken, zo’n versterkte beat. Wel zo effectief. Hij zit daar natuurlijk zijn territorium af te bakenen, de lente hangt behoorlijk in de lucht tenslotte, en zo kunnen ze van verre al horen dat híj hier zit. Dat ze uit de buurt moeten blijven. En wie weet wat er nog aan vrouwtjes op af komt.
Ik kon het hem niet vragen, jammer genoeg, of ik gelijk had, want zodra hij mij in de gaten kreeg, ging hij er snel vandoor. Dus misschien is het onzin. Maar ik vind het wel leuk om te denken van niet.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Meeuw

IMG_6006

 

Bij mijn dagelijks bedoelde ochtendwandeling werd ik vandaag ingehaald door een meeuw. Wat voor meeuw het precies was, daar waag ik me niet aan want het was waarschijnlijk een andere, maar ik vermoed de Larus Canus. Het beest vloog laag over me heen, maakte een capriool en landde een tiental meters verderop op het asfalt. Daar bleef hij zitten. Toen ik te dicht bij kwam naar zijn smaak trippelde hij een stukje voor me uit, vloog dan toch maar op om nauwelijks twintig meter verder opnieuw te landen. Dit herhaalde zich een aantal keer. Opvliegen, landen, wegtrippelen, opvliegen en weer landen.
Je bent dan geneigd zo’n beest een beetje onbenullig te vinden. Waarom steeds zo’n klein stukje vooruit vliegen? Waarom niet links of rechtsaf de oneindige weilanden in? Veilig achter een sloot. Waar je geen wandelaar tegenkomt, waar je steeds zo lastig voor op moet vliegen. Of als je misschien per se op het asfalt wilt zitten, waarom dan niet de andere kant op gevlogen? Waar de wandelaar al geweest is. Je zou verwachten dat een meeuw dat vanuit de hoogte wel een beetje kan overzien. Dat het gevaar op de grond wel een beetje wordt ingeschat.
Tot je je na een tijdje plotseling afvraagt of het misschien niet zo zou kunnen zijn dat die meeuw nieuwsgierig is naar jou. Dat ie wel op zekere afstand wil blijven, maar je toch eens wat beter wil bekijken. Wat jij er voor eentje bent.
En ik geloof verdomd dat dat het was.
Na vier of vijf keer besloot ik zelf ook eens stil te houden, op precies de kritieke afstand, net vóór het moment van opvliegen. Ik bleef staan. De meeuw bleef zitten. Een tijdje stonden we elkaar zo stilletjes te bekijken. Een tijdje stonden we elkaar áán te kijken, de meeuw en ik. Zo had ik een meeuw nog nooit gezien. Zo had ik een meeuw nog nooit bekeken.
Na deze korte ontmoeting vervolgden we ieder ons eigen weg. Van de meeuw weet ik het niet, maar ik had iets bijzonders meegemaakt.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een huisvader.

Graanrepubliek in winterslaap

cropped-20171229-nk-kost-bad-2.jpg

Laatste etappe van het Nederlands Kustpad, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans, gelopen op vrijdag 29 december 2017

Het wordt een bijzondere dag vandaag. Daar hoeft al niets bijzonders meer voor te gebeuren. Vandaag lopen we het laatste stukje van het Nederlands Kustpad. Een staartje rest ons slechts, van Kostverloren naar Bad Nieuweschans. Vier jaar geleden stapten we in Hoek van Holland uit de trein voor het eerste stuk naar Den Haag – Zeeland sloegen we over, dat viel niet te bereizen – en meanderend door het leven en de seizoenen liepen we vervolgens in zo’n dertig etappes langs de kusten van Zuid- en Noord Holland, Friesland en Groningen. Met de kop in de wind en de zon op de bol welgemoed langs de rand van het land. Een prachtige wandeling, elke keer weer. Een weblog vol. En vandaag bereiken we dan wat al die tijd onze eindbestemming is geweest. Daar zouden we trots op kunnen zijn, zou dat in onze aard hebben gelegen. Maar goed. Vandaag komt een periode ten einde. Zo voelt het ook. Laten we er maar geen drama van maken, er valt nog genoeg te wandelen.

DSC01534

Het is 29 december. Ook het jaar is bijna af, de kerst zit er al op. Het is koud maar onbewolkt. De zon staat laag en werpt lange, lange schaduwen. Wanneer we in Kostverloren van de weg af landinwaarts buigen, strekt zich een oneindig niets voor ons uit. Kale akkers, lege velden. Door geen huis, geen schuur, geen boom of struik onderbroken leegte tot aan de in koude nevelen gehulde einder. De graanrepubliek in winterslaap. Lange rechte stukken, door een modderig weiland langs een sloot. Onder de blauwe hemel. In de zilveren zon.
Goed, de graanrepubliek mag in winterslaap zijn, ter sprake komt hij toch, wanneer we Nieuwe Beerta bereiken. Beiden lazen we het boek van Frank Westerman, over de soms grimmige geschiedenis van deze streek. Over de enorme tegenstellingen en verschillen tussen landeigenaar en landarbeider. Tussen arm en rijk. Een geschiedenis die zich niet afspeelde in een duister, ver verleden maar gewoon in de twintigste eeuw. Gisteren. Recente, vaderlandse geschiedenis. Zo recent dat het lijkt of we er hier, in Nieuwe Beerta, de nog verse sporen van kunnen zien.

DSC01562

We lopen binnen door een verzameling nogal verwaarloosde, verveloze huizen, barakken bijna, dichtgetimmerd hier en daar, met rommelige, onverzorgde erven waar een wat armoeiig, vrijbuiterig sfeertje omheen hangt. Op de grens van die bebouwing, aan de hoofdweg, tegen de achtergrond van nog meer lege graanvelden, staat een kerkje op zijn wierde zich van geen kwaad bewust te zijn. Links en rechts de hoofdweg afkijkend zien we dan, zover het oog reikt, op riante afstand van elkaar, kastelen van huizen staan. Paleizen met torentjes, balkons en erkers en serres, gelegen in onafzienbare tuinen. Hier hebben ze dus gewoond, de herenboeren. Temidden van hun rijk bezit, onder het goedkeurend oog van dominee en de Heere. Rijk geworden van het graan, de vruchtbare bodem, de stijgende graanprijzen en de laag gehouden lonen.
Op een informatiebord lezen we van de landarbeidersstaking van 1929, met als inzet een eerlijker loon. Een staking die door het gezag als communistische opstand werd gezien en met harde hand werd neergeslagen. Arbeiders die om hun goed recht ontslagen werden, hun huis uit werden gezet en in het gevang belandden. Landeigenaren die zich onverzettelijk toonden, geen dubbeltje méér wensten te betalen en kerk en staat behaaglijk achter zich wisten. Zelfs op de verderop gelegen begraafplaats zijn achter de fraaie toegangshekken de verschillen te zien, menen wij. Zeer eenvoudige stenen van cementbeton en sobere graven steken karig af tegen rijkversierde, gebeeldhouwde en ruim opgezette zwart natuurstenen familiemonumenten. Hoe het er in het hiernamaals inmiddels voor staat, dat weten we niet. Maar we maken ons geen illusies.
We lopen nog een eindje verder door het barre land, volgen even een spoorlijntje zonder bovenleiding en staan dan, na vier jaar wandelen, vrij plotseling in Bad Nieuweschans. Voorheen heette dat gewoon Nieuweschans – denk maar aan Jans Pomerans, die er vandaan komt – maar omdat men heeft besloten zichzelf in de wellnessbusiness op de kaart te zetten is er een jaar of tien geleden het Duits te interpreteren Bad aan toegevoegd. In de hoop dat de toeristen daar in groten getale op af zouden komen.

DSC01641

Om onze wandeling ook echt en wel zo leuk tot het allerlaatste eind te volbrengen, lopen we door tot aan de Duitse grens. Dat pakt onderweg heel aardig uit want zo komen we ook terecht op een ruim, wat ovaalvormig plein dat enige historie doet vermoeden, met statige oude gevels en een piepklein met leisteen afgewerkt torentje, uitgestald rond een zeer langgerekt grasveld. Terwijl we wat rondkijken en fotograferen en ons afvragen of dat grasveld misschien ooit water is geweest dat werd gedempt, een haventje zelfs misschien, en of dat torentje nou wel of niet van een kerkje is, stopt er een meneer op de fiets die zich niet zonder trots bekend maakt als journalist, redacteur én uitgever van de plaatselijke online nieuwsdienst en ons genoeglijk voortbabbelend wegwijs maakt in Nieuweschans. Zo weet hij te vertellen dat het plein waar we staan in vervlogen tijden een exercitieterrein is geweest, we spreken dan van begin 17e eeuw, het staartje van de Tachtigjarige Oorlog. Nieuweschans was toen een juist opgeleverd vestingstadje als Bourtange en huisvestte in de bebouwing om ons heen enige compagnieën soldaten en kanonniers, zijstraten van het plein heten nog altijd eerste en tweede kanonnierstraat. Het torentje is van 1631 en hoort niet bij een kerkje maar completeert de Hoofdwacht, het gebouw waarvoor ieder uur ceremonieel de wacht werd gewisseld.
Verder is er, in tegenstelling tot wat wij in de gauwigheid menen te hebben gezien, geen sprake van leegstand in Nieuweschans, vertelt de man. Eerder van woningnood. Jongeren trekken weg uit het dorp omdat er niet voldoende geschikte woonruimte is. Werk is er genoeg, bij de bronnen van Fontana en de strokartonfabriek. Probleem is dat er wegens verordeningen ook niet echt gebouwd mag worden, aldus nog altijd onze correspondent, maar, weet hij ook, daar gaat verandering in komen. Er wordt gewerkt, aan Nieuweschans. Economische prikkels staan op stapel. Ook de oude locomotievenremise, waar we bij binnenkomst langs zijn gelopen, wordt straks heringericht en zal als Centrum van de Graanrepubliek ruimte gaan bieden aan allerlei hippe initiatieven rond het thema graan, zoals een bierbrouwerij, een bakkerij en restaurants waar gekookt wordt met lokale producten. Nieuweschans, nogmaals, wordt op de kaart gezet. Op het randje ervan misschien, maar niettemin.

DSC01632

Aan de grens met Duitsland dan, ons eindpunt, worden we verwelkomd door een dame met twee honden. Met enige bewondering in haar stem en blik constateert ze dat wij Het Pad lopen. Daar heeft zij diep respect voor, laat zij ons weten. We nemen haar compliment met gepaste bescheidenheid in ontvangst al vinden we diep respect wat overdreven, we hebben tenslotte niet eens echt het héle pad gelopen maar zijn in Hoek van Holland gestart. Als we even later een bord bestuderen waarop onze wandeling in lijnen en stippen op een kaart staat afgebeeld, zien we dat het Nederlands Kustpad deel uitmaakt van een veel groter geheel, een wandelroute namelijk die zich uitstrekt van zuidelijk Spanje tot aan St Petersburg toe. We vragen ons voorzichtig af of de dame ons niet verkeerd heeft begrepen. Hoe dan ook blijkt eens te meer dat, al staan we hier aan het eind van deze tocht, er nog voldoende te wandelen over blijft. Waarvan akte.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Carel Coenraads Zwelpasta

cropped-header-kostverloren.jpg

Van Termunterzijl naar Kostverloren, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zaterdag 16 december 2017

In het visrestaurant in Termunterzijl, waar wij onze toevlucht hebben gezocht, maakt men zich op voor een lange, drukke dag. Er wordt gesjouwd met emmers ijs, de vis wordt in de vitrine uitgestald en ondertussen wordt de loodgieter gebeld voor een dakgeute die slim lekt. Buiten regent het nog hard genoeg voor een tweede cappuccino. Net als de eerste wordt die geserveerd met twéé koekjes én een hartje in het schuim. Dat blijkt zelfs genoeg om de lucht wat op te klaren en de rest van de dag zullen we het bijna helemaal droog houden, al zien we ook duidelijk dat dat niet voor de wijde omgeving geldt. Langs de horizon, die hier rondom ons is, zien we vele donkere luchten voorbij trekken en hun zware lading lozen. Soms krijgen we er een afgewaaide vlaag van mee, maar het deert ons niet. Sterker nog, met mooi en zomers strakblauw weer zou het wel eens saai kunnen zijn geworden op deze kilometers lange, kaarsrechte grasdijk met links de zee en rechts de polder, beiden schier oneindig uitgestrekt. Maar vandaag, met ieder moment een andere lucht, en nieuwe dreigende, of minder dreigende maar altijd schilderachtig voortgejaagde wolkenpartijen, in vele kleuren grijs en blauw, tot bruin en zwart aan toe, met regenbogen, of flarden daarvan, of aanzetten daartoe, en telkens ander licht dat het landschap van kleur en sfeer doet veranderen.. vandaag verveelt het geen moment. Het is een fascinerend schouwspel dat we krijgen voorgeschoteld. En als het aan het eind van de dag dan toch even recht boven ons losgaat en de regen ons koud en scherp in de ogen striemt, nou ja.. dan moet dat maar. Dan is het het waard geweest.

DSC01470

In Termunten lopen we rond de Ursuskerk. We hebben er al veel gezien in Groningen, van deze kleine, middeleeuwse, bakstenen kerkjes die op hun wierde boven het dorpje uit staan te steken, maar we krijgen er niet snel genoeg van. Ook dit kerkje is ronduit schitterend, met siermetselwerk en smalle hoge ramen in een gotisch aandoende gevel. In de zij- en achtergevel zit een hele rij laaggeplaatste bloemvormige vensters. In Oldenzijl werd van een dergelijk venster gezegd dat het een hagioscoop zou zijn, een gat in de muur waardoor mensen die de kerk niet mochten betreden buiten toch de mis konden volgen. Dat dat hier ook het geval is geweest lijkt onwaarschijnlijk, daar zijn het er toch teveel voor. Er zouden meer mensen buiten staan dan binnen zitten. Zó hardvochtig kan de Heer toch niet zijn.
Eenmaal op de dijk en op weg zien we de toren nog lange tijd als een baken aan de horizon. Natuurlijk zijn de windmolens hoger, de fabriekssilhouetten en de rook brakende schoorstenen groter, toch heeft het kerkje, vinden wij, meer gezag. Dat komt door de ouderdom, filosoferen wij. Het idee dat mensen dit torentje al honderden jaren geleden boven hun vlakke, lege land zagen uitsteken ontroert ons op één of andere manier. Later blijkt dat we hier iets te romantisch door de bocht gaan omdat de toren die ons nakijkt pas in 1951 werd aangebouwd. Maar goed, het ging om het idee. En in de Middeleeuwen stond er een andere, een losse toren naast de kerk, dus helemaal flauwekul is het ook niet.
Even boven Termunten stuiten we, niet verwonderlijk langs het Kustpad, niet voor het eerst op de Atlantikwall. Rechts in het land zien we wat lage, bakstenen barakken staan, een verlopen bunker, links aan het water een betonnen geschutssokkel. Een en ander maakt onderdeel uit van de voormalige Batterie Fiemel, die bedoeld was om de haven van Emden, aan de overkant, te verdedigen tegen geallieerde luchtaanvallen. Het blijkt dat hier in de laatste dagen van de oorlog nog zwaar is gevochten en dat dit stukje Groningen het laatst bevrijdde stukje Nederland is geweest.


DSC01556

Bij de punt van Reid maken we een scherpe bocht naar rechts om onze weg te vervolgen langs de Carel Coenraadpolder, een naam die tot de verbeelding spreekt en ons vrolijk terug doet denken aan Koenraads Kleefpasta, uit de verhalen van Pippi Langkous, hoewel hij genoemd is naar de toenmalige commissaris van de Koningin, Carel Coenraad Geertsema. De polder ligt in de zogenaamde graanrepubliek, waarover wij het gelijknamige boek van Frank Westerman lazen. Ons wandelboekje rept van een Amerikaans aandoende grootschaligheid: een gebied van grote en weidse akkers, zonder verstedelijking en alleen hier en daar een boerderij. We zien wat er bedoeld wordt, de sky is big inderdaad, maar we lopen op een dijk, links is de zee en rechts wordt het land ook weer in vakken opgedeeld door een netwerk van binnendijkjes, dus het is wel Amerikaans op zijn Hollands. Waar verder niks mis mee is trouwens. Deze Groningse polders waren meteen zó vruchtbaar dat de toch waarschijnlijk niet onaanzienlijke kosten van de landaanwinning er met de eerste de beste oogst al uit waren. We vermoeden dat het plaatsje Kostverloren, waarvan we ons dat al afvroegen, daar zijn naam aan te danken heeft. En van intrigerende namen gesproken, vlak ernaast ligt Hongerige Wolf. Waarom dát zo heet wordt uitgelegd op  het weblog Groninganus. Wat latijn is voor ‘hij die van Groningen komt’. We zeggen het er maar even bij.

DSC01537

Op de dijk ondertussen treffen we een bijzondere paddenstoel. Een wat pokdalige fallus is het, die zich licht gekromd zo’n vijftien centimeter uit het gras verheft, wit en slijmerig. Een echte hoed heeft hij niet, hij is hooguit wat afgeplat van boven. We hebben geen idee wat het is, maar dat hebben we eigenlijk nooit. Bij exemplaren die we verderop tegenkomen zien we een soort gelobde steel, maar dat helpt niet. We nemen wat foto’s om de zaak thuis te determineren. Dan begint het ons op te vallen dat deze paddenstoel altijd alleen staat. En altijd precies bovenop de dijk. In het midden, ook nog. En, nu we de boel eenmaal zijn gaan wantrouwen, eigenlijk ook steeds ongeveer op dezelfde afstand van elkaar. Dit zijn geen paddenstoelen besluiten we dan, en recalcitrant trappen we er één omver voor nader onderzoek. Het blijkt een soort klei te zijn die op gezette afstanden in een gat in de dijk is gespoten. We vermoeden dat er grondmonsters zijn genomen en dat de gaten zijn afgedicht met klei. Een lezing die later wordt bevestigd door het waterschap Hunze en Aa’s, dat we met de vraag benaderen. Het gaat om een onderzoek naar de veiligheid van de dijk. En de klei die is gebruikt blijkt zwelklei te heten. Zwelklei. Dat moet wel bijzondere klei zijn, die onze dijken zo heldhaftig waterdicht houdt. Onze verbeelding dwaalt dan toch weer af naar de wonderbaarlijke Kleefpasta van Koenraad. Zwelklei. Carel Coenraads Zwelpasta.

DSC01577

Dan komen we bij het Ambonezenbosje, zoals het in de volksmond heet, want officieel schijnt het naamloos te zijn, al rept wikipedia dan weer van Dollard Süd en staat het op de bordjes weldegelijk aangegeven als Ambonezenbosje. Goed, als bos mag het inderdaad geen naam hebben, dit plukje bomen, maar het staat er niet voor niets. Het is ooit neergezet om de herinnering aan wat er was uit te wissen. Die het nu, door er te zijn, juist in leven houdt, zou je kunnen zeggen. Een stukje vaderlandse geschiedenis dat in 1923 begint, het geboortejaar van deze polder. Voor de arbeiders – te werk gestelde werklozen – die het zware werk van de landaanwinning verrichtten, werd hier een handvol barakken neergezet waarin zij onder waarschijnlijk niet al te florissante omstandigheden konden verblijven. Na de oorlog werden dezelfde barakken gebruikt om NSB’ers in op te sluiten, naar verluidt onder een schrikbewind waar de gemiddelde Duitse kampleiding zich eerder niet voor zou hebben geschaamd. Tussen 1953 en 1961 tenslotte deed het kamp dienst als huisvesting voor driehonderd Ambonezen die in onze koloniale oorlog, pardon, politionele acties als KNIL-militairen aan Nederlandse zijde hadden gevochten. Dat geeft toch te denken, dat je mensen die voor jouw land gevochten hebben wegstopt in dezelfde barakken waarin je landverraders hebt opgesloten gehouden. Barakken die in 1923 effe snel werden neergezet om uitgebuite arbeiders in op te hokken. Dat de Ambonezen in de allerverste, meest verlaten uithoek van ons land werden opgevangen geeft ook te denken. Temeer daar ze er in 1961 met politiegeweld weer werden verdreven met het argument dat ze moesten integreren. Er wordt in dit koninkrijk vaak nogal hoog van de toren geblazen over normen en waarden, en het eigen blazoen wordt liefst als brandschoon gezien, maar het zou ook wel eens kunnen dat we hier niet zo heel veel beter zijn dan de rest van de wereld. Dat zou best in herinnering mogen worden gehouden. Het is goed dat het bosje dat doet.

DSC01636

Aan het eind van de polder, waar we landinwaarts trekken, bij de laatste boerderij van het laatste stukje Nederland, wordt ook iets in herinnering gehouden. Ter gelegenheid van de dijkverzwaring werd hier in 1987 een kunstwerk geplaatst van Arie Berkulin. De titel van het beeld is Hongerige Wolf, naar het aanpalende plaatsje waarschijnlijk, al kan natuurlijk ook de zee worden bedoeld. Het bestaat uit een tiental rechtop in een patroon in de grond gezette zandzuigerbuizen die, mag je aannemen, gebruikt zijn bij de herdachte dijkverzwaring. Door er al lopend naar te blijven kijken verandert voortdurend de aanblik en het aantal buizen dat je ziet doordat ze zich voor het oog telkens achter elkaar verschuilen en weer tevoorschijn springen, al naar gelang. De kunstenaar wil hiermee constante beweging suggereren, lezen wij. Omdat de zee ook voortdurend in beweging is, kun je denken. En het land uiteindelijk ook. Het hele leven. Doordat het beeld op een aarden wal staat, een terp als het ware, refereert het naar ons idee ook aan de kleine Groningse kerkjes die overal dapper stand houden, tegen alle beweging in. Of de kunstenaar dat óók bedoeld heeft weten we niet, maar dat is het leuke van kunst: je mag het helemaal zelf weten, wat je erin ziet en wat je ervan vindt. Wij vinden het een mooi en krachtig beeld.
De hele dag dat wij hier wandelen hebben we om ons heen knallen gehoord die we na verloop van tijd in verband zijn gaan brengen met de links en rechts voor ons wegschietende hazen. Hier worden voorbereidingen getroffen voor een zalig kerstfeest. Het zal wel schijnheilig en weekhartig zijn, maar we beklagen de hazen. Het komt ons voor dat ze geen schijn van kans hebben in dit lege, lege knollenknollenland, al proberen we ze wel te waarschuwen. Vlak voor Kostverloren zien we tenslotte twee jagermannen die hun auto in het doorweekte gras hadden geparkeerd en hem nu niet meer uit de blubber krijgen, al is het slechts een eenvoudig Berlingootje. Daar moet een toevallige voorbijganger met een burgermans suv aan te pas komen, om dat weer op het droge te krijgen. Tja, denken wij.. wel op onschuldige haasjes schieten, maar niet je eigen auto uit de prut kunnen duwen.
Verderop blijkt onze auto ook vast te zitten in de prut.
Maar wij wandelaars, wij staan ons mannetje.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

 

Industriële vergezichten

cropped-header-20171209-21.jpg

Van Tjamsweer naar Termunterzijl, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op vrijdag 1 december 2017

Logistiek is het gekkenwerk natuurlijk, maar we hebben het in ons hoofd gezet dat we het Nederlands Kustpad nog dit jaar willen afronden. Een race tegen de klok. Niet zozeer omdat het jaar bijna is afgelopen, we schrijven december, maar vooral omdat het laatste stukje Groningen met een reistijd van ruim twee-en-een-half uur nou niet direct naast onze respectievelijke deuren ligt en het ’s middags vóór vijven al donker is. We schrijven niet voor niets december. Niettemin starten we de dag optimistisch onder de kerktoren van Tjamsweer. Het is koud, er ligt zelfs een vliesje ijs op de sloot rond het kerkhof, maar de zon schijnt ook, het is een kraakheldere, veelbelovende dag.

DSC02962

Tjamsweer lijkt niet heel veel meer dan haar kerk te zijn want zodra we de weg zijn overgestoken lopen we Appingedam binnen. Een plaatsnaam die, we durven het bijna niet te zeggen in deze tijden van tweedracht en kloofdenken, bij ons voormalig randstedelingen geen grootse beelden oproept. Dat blijkt ten onrechte. Appingedam heeft een schitterend historisch stadsgezicht, met krommende straatjes en stokoude huisjes, karakteristieke geveltjes, de grootste kerk uit de Groningse ommelanden naast een raadhuis uit 1638 op het plein, een eigen museum en hangende keukens boven de gracht. Een plaatje.
Bij de koffie krijgen we aanspraak van de bediening, die ons met toenemende verbetenheid uit de doeken doet hoe de andere kant van de medaille eruitziet, in mooi Groningen. Huizen die permanent in de stutten staan, telkens opnieuw scheuren en langzaamaan onverkoopbaar zijn geworden. De frustratie daarover, over hoe daarmee om wordt gegaan, is zeer voelbaar. Onze machteloosheid moet ook te merken zijn want na enige tijd wordt overgeschakeld op het weer, dat heerlijk is, en kunnen we veilig de aftocht blazen.

DSC03005

Voordat Delfzijl het overnam was Appingedam, in een economische bloeitijd, een stad van enige industriële betekenis, lezen wij later op internet. Met onder meer een steenfabriek, een strokartonindustrie en een kalkoven. Even buiten de oude stad, aan het Damsterdiep, komen we daarvan een overblijfsel tegen. Industrieel erfgoed, mogen we aannemen. Een witgepleisterd kantoorgebouw, dakpannen, een rood bakstenen fabriekshal met zo’n iconisch zaagtanddak, een bakstenen schoorsteenpijp, een trapgeveltje en eenvoudig, wat hoekig siermetselwerk. Honderd jaar geleden zal het een indrukwekkend groot complex geweest zijn. Vandaag, afgezet tegen wat we verderop rondom Delfzijl nog te zien krijgen, valt vooral de menselijk maat op. Hier werd, leert internet ons, tussen 1907 en 2004 de zogenaamde Bronsmotor geproduceerd, een vinding van de Groningse bouwvakker Jan Brons. Een zuinige maar krachtiger variatie op de dieselmotor, begrijpen we ervan. Zware motoren, toegepast onder meer in de scheepvaart en in gemalen.
In Delfzijl zien we dan voor het eerst weer de zee, dat wil zeggen, de Eems. Het is eb. Het kost enige moeite de zeedijk te bereiken, omdat Delfzijl zich opmaakt voor de toekomst, blijkens een metershoog banier, wat in het heden de gebruikelijke rommel geeft. Her en der rijdt zwaar materieel, overal liggen hopen zand en steen en staan bouwhekken en borden die de vrije doorgang ontmoedigen. Rechts wordt een jaren zeventig flat duurzaam afgebroken. Esthetisch gezien lijkt het ons geen groot verlies, maar in de Volkskrant lezen we later in de week een reportage over de laatste bewoners, die er veertig jaar met veel plezier hebben gewoond. Zijn we toch weer elitair bezig verdorie. Belangrijk argument voor sloop was trouwens, dixit de Volkskrant, dat het gebouw niet voldoende aardbevingsbestendig was. Waarmee de nieuwe Groningse werkelijkheid dus andermaal om de hoek komt kijken.

IMG_3800

Over de kruin van de zeekering, een smal betonnen pad met aan weerszijden een borstwering, lopen we in ganzenpas om Delfzijl heen, een fantasieloze omgevallen blokkendoos met veel geparkeerd blik. Voor de charme van Delfzijl moeten we toch echt aan de andere kant zijn. Daar zien we de Eems in het blauw oplossen, één wordend met de rookpluimen van Eemshaven in de verte, in monochrome aquarellen. En daarna windmolens, kranen en ander havengeweld dat scherp en kleurrijk afsteekt tegen de blauwe hemel. Aan de overkant ligt Duitsland. We passeren een aantal zijlen, kolkende verbindingen tussen de zee en het land, lopen langs de scheepswerven van Farmsum, via de groene zeedijk onder een rechtlijnig netwerk van glimmende pijpleidingen door, langs vreemde bouwsels op poten en een doods pekelbassin richting de industriële vergezichten die Groningen Seaport verder nog in petto heeft. De chemische industrie, de aluminiumfabriek, de vuilverbranding. Natuurschoon komt er weinig aan te pas, deze etappe, maar goed, dat hoeft van ons ook niet altijd. Wij zijn de beroerdsten niet en ook zeker in staat te genieten van het schouwspel dat ons wel geboden wordt. De laaghangende zon deelt zachtmakende, sepia-oranje-achtige kleuren uit aan al die grote en vreemde gebouwen, al dat ingewikkelde en dampende en stomende technisch vernuft, aan de inmiddels dreigende wolkenluchten erboven en zet deze hele onheilspellende wereld ondanks alles in een romantische gloed. Torenhoge windmolens en dikke rookpluimen worden mysterieus aangelicht. Als we omkijken zien we de vuilverbranding afsteken tegen een lucht die veranderd is in een vuurzee. Het is een spectaculaire aanblik. Wat we allemaal inademen, daar denken we dan maar liever even niet aan.

IMG_3760

Een keerzijde is er ook, aan al deze futuristische schoonheid. De industriële vergezichten die Delfzijl het Rotterdam van het Noorden zagen worden, hebben ook slachtoffers gemaakt. Drie complete dorpen die hier eeuwen hebben gelegen zijn aan de vooruitgang opgeofferd. Van Heveskes zien we alleen het kerkje nog staan, aan de overzijde van de Oosterhornhaven. Een eenzaam overblijfsel van een oud verleden. Een anachronisme, nietig en reddeloos verloren tussen de boven haar uit torenende kathedralen van de chemische industrie. Van Oterdum zijn alleen de grafstenen bewaard gebleven. Het dorp zelf is, met kerk en kerkhof en al, afgebroken om plaats te maken voor verzwaring van de zeewering en uitbreiding van het industriegebied. De grafstenen zijn op de dijk geplaatst, als een laatste groet aan het dorp dat hier ooit lag maar door het land werd verzwolgen, om te voorkomen dat het land door de zee werd verzwolgen. Van Weiwerd tenslotte is niet veel méér over dan de wierde waarop het ooit lag. Een wat verwaarloosd kerkhof en een dichtgetimmerde boerderij contrasteren onaangenaam met de intimiderende machinerieën en buizencomplexen die letterlijk tot aan de rand van het dorp zijn opgerukt. Over de wierde ligt een plattegrond van klinkerweggetjes en beukenhaagjes die er zó nieuw en onderhouden uitzien dat ze bijna wel vooruit moeten lopen op de herinrichting van Weiwerd, die op een groot bord aan de weg wordt aangekondigd. Een herinrichtingsplan dat het dorp opnieuw in authentieke stijl wil opbouwen, op de fundamenten die er nog liggen, om er vervolgens kleinschalige high-tech bedrijvigheid in te vestigen. Een brainwierde, moet het worden, waar kennis en innovatie wordt ontwikkeld voor de omringende chemische- en metaalindustrie, die het plan ook initieerden. Klinkt mooi, en idealistisch. Maar wij lezen ook dat er weinig met de grond gedaan kan worden vanwege de archeologische waarde, met bijbehorende regelgeving. We lezen ook dat de bevolking van Weiwerd jarenlang behoorlijk is gepiepeld, door overheid en ondernemingen. Misleid en aan het lijntje gehouden met valse beloften en niet nagekomen afspraken en uiteindelijk toch verjaagd van de grond waar ze generaties lang woonden. Waar ze ondanks alles niet weg wilden. Grond waar nu, tientallen jaren later, eigenlijk nog steeds niets mee gedaan is. Geschiedenis, is het. Maar het klinkt ons ook razend actueel in de oren.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Groeten uit Grolloo

cropped-header-grolloo.jpg

Groene Wissel 344, Op avontuur in boswachterij Grolloo, gelopen op woensdag 25 oktober 2017

Is het mogelijk een wandeling van, naar en rond Grolloo te maken zonder over Cuby + the Blizzards te beginnen? Nee, zo blijkt dus, hier en nu. En is het niet te flauw boven het verslag van zo’n wandeling dan ‘Groeten uit Grolloo’ te zetten? Ja, eigenlijk wel natuurlijk. Behoorlijk flauw. Al staat daar als excuus tegenover dat Blues Village Grolloo er alles aan doet te zorgen dat zijn beroemde zoon niet onopgemerkt zal blijven. De Godfadder van de Nederblues is alomtegenwoordig. Alle borden en pijlen wijzen naar zijn museum, langs de weg staan spandoeken van opgeblazen foto’s met allen Harry Muskee als bepalend middelpunt en op het asfalt staat zijn songtekst afgedrukt. Appleknockers Flophouse. That’s where we live in. En vanaf de brink ziet het ongenaakbaar bronzen borstbeeld dat het goed is. Enfin, het is een halve eeuw geleden allemaal, maar het blijft een fenomeen, zullen we maar zeggen, Cuby. Al moet ik bekennen dat ik het pas later ben gaan waarderen. In retrospectief. De elpee heb ik nog niet eens zo gek lang in huis. Een krijgertje, ook nog. Ik was meer van Herman Brood.

DSC01277

Goed, terug naar onze eigen tijd. Wat de moderne techniek al niet vermag. Mij baserend op buienradar én weeronline ben ik vandaag van huis gegaan voor een flinke wandeling, in de veilige wetenschap dat, hoe grijs het er ook uit ziet, het de hele dag droog zal blijven. En nu zit ik dus in de auto, op een verlaten parkeerterrein in een ook verder uitgestorven Blues Village Grolloo op mijn telefoontje te turen, terwijl het roffelt op het dak en het water langs de beslagen ruiten stroomt, om te kijken of het al droog is. Hoe deden we dat vroeger toch ook weer? Als het schermpje zegt dat het droog is ga ik nog op pad ook, de capuchon op tegen de regen. Appleknockers Flophouse, it’s a place in the sun.
Het zal het twijfelachtige weer zijn, maar ik ben alleen op de wereld vandaag, zo lijkt het. Geen kip, kom ik tegen. Geen hond. Geen mens. Erg vind ik dat niet, zo loopt er niemand in mijn uitzicht en op honden onderweg ben ik toch al niet dol. En ik hoef niet na te denken over hoe er gegroet moet worden. Dat blijkt namelijk, wandelend in Nederland, overal anders te zijn. Het is moi of hoi of hé of nog iets anders. Veiligheidshalve houd ik het meestal op goeiedag, dat kan niet verkeerd gaan. Tenminste dat dacht ik. Nu er toch plotseling iemand opduikt, in strakke zuurstokkleuren, die mij groet met ‘goeiedag’, raak ik zo van mijn apropos dat mijn tekst hier wordt ingepikt, dat ik er bij mezelf een verbouwereerd, alles dooreen verhaspelend gmweûh uit hoor komen. De man zal zich de rest van de dag hebben afgevraagd waar ik in vredesnaam vandaan kwam.

Verbouwereerd ook trouwens omdat het niet klopt met het door mij in de loop der jaren proefondervindelijk vastgestelde systeem van groeten. Mensen in zuurstokkleuren groeten geen wandelaars, in dat systeem, die hebben het daar te druk voor. Voor mensen in zuurstokkleuren op fietsen geldt dat nog sterker, die wanen zich van een hogere orde en nemen zelfs geen wandelaars waar. Wandelaars groeten iedereen, maar worden alleen teruggegroet door andere wandelaars, in de meeste gevallen. In uitzonderlijke gevallen ook door fietsers zonder zuurstokkleuren en ruiters. Dit systeem geldt alleen voor in de provincie. In randstedelijk gebied wordt in principe niet gegroet. Al passeer je elkaar op een pad van een halve meter breed en moet je voor elkaar de berm in, oogcontact wordt vermeden en ieder vervolgt het eigen gesprek of de eigen gedachtegang. Groeten wordt hier ervaren als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarom afgeraden.

DSC01297

Even buiten het beroemde dorp loop ik boswachterij Grolloo in. Uitgesproken koddig is het verzoek bij het betreden van de boswachterij de mobiele telefoon uit te zetten, in verband met de radiotelescopen van de sterrenwacht. Ik vraag me in alle vrolijkheid af hoeveel mensen hieraan gehoor zullen geven. Aan de andere kant zou het een alternatieve verklaring kunnen zijn voor het feit dat ik hier dus moederziel alleen loop. Met mijn uitgezette mobiel. Op het Wilhelmus zul je me nooit betrappen, een brave burger ben ik evengoed wel.
De blues ga ik hier niet vinden, in boswachterij Grolloo, dat heb ik al snel gezien. Wat een schitterend gebied. Stukken heide en open ruigtes rond vennen worden afgewisseld met naaldbospercelen, donkerzwart van de regen, natte gebiedjes met berkenhout en loofbossen waar de inmiddels doorbrekende herfstzon gouden strepen doorheen tovert. Zó groen is het loof ook hier en daar nog dat het met het zonnetje erop bijna weer lente lijkt. Een plaatje! De weelderige overdaad aan paddestoelen roept me tot de orde. Net als het verend roestbruin bladertapijt dat veel van de paden bedekt. In de percelen met naaldhout strekt een fluorescerend groen moskleed zich uit. Andere paden en paadjes zijn door de overvloedige regen van de afgelopen weken in zompige modderpoelen veranderd. Zelfs de olifantenpaadjes die zich daarnaast hebben gevormd zijn soms al moeilijk begaanbaar geworden.

DSC01417

De routebeschrijving belooft een avontuur maar is zó gedetailleerd dat verdwalen in elk geval vrijwel is uitgesloten. Zelfs waar het fout zou kúnnen gaan is de beschrijving de wandelaar steeds een stapje voor. Als hij er nog ligt, wordt er bijvoorbeeld gewaarschuwd, dient men óm de omgezaagde boom heen te lopen, teneinde daarachter het bedoelde pad te vinden. Een andere moeilijk vindbare afslag het bos in is men voorbijgelopen wanneer men een paaltje met een 9 ziet. Even een stukje terug, luidt het advies. Toch zijn tijd en werkelijkheid soms nóg sneller. Een stuk hoog naaldbos waar men 500 meter doorheen wordt geleid is inmiddels van de aardbodem verdwenen. Er resten slechts treurige stompen. De gezellige horeca die in Schoonloo wordt aangekondigd, lijkt zich heden ten dage zo op het eerste oog te beperken tot een twijfelachtige pizzeria-snackbar tegenover een zéér voormalig café dat alleen nog hoeft in te storten. Achteraf blijkt dat een te snelle conclusie te zijn geweest. Schoonloo is groter dan het leek.
Vanaf Schoonloo gaat het linksom weer terug naar boven, terug naar het beginpunt. Stukjes door bos en hei, iets vaker over boerenweggetjes, langs zwart akkerland waar de voederbieten juist vanaf zijn gehaald, en langs ruime weiden met paarden. Zeker niet minder aangenaam. Zeker niet minder de moeite waard. Het is juist de afwisseling van het één met het ander die een wandeling zijn charme geeft.
Als de avond begint te vallen nader ik Grolloo weer. Voor mijn lange schaduw uit loop ik over een modderige weg de ondergaande zon tegemoet. Als een poor lonesome cowboy. Maar dat is meer country, geloof ik.

DSC01426

Bekijk eventueel ook het fotoalbum

Een helder, bijna welluidend kroe kroe

header dwingelderveld

Een herfstwandeling over en langs het Dwingelderveld, gelopen op maandag 23 oktober 2017

Herfstvakantie. Dan kun je je plannen beter niet te veel van het weer af laten hangen want dan kom je de deur niet uit. En dat zou zonde zijn, nietwaar. Kijk maar eens naar een dag als vandaag. Ja, de lucht is grijs en dreigend. En ja, er valt eens een buitje, zoals buienradar al had voorspeld, en er zou er straks best nog een kunnen vallen. Maar veel vaker nog is het droog, het bos ruikt heerlijk als het is natgeregend, de lucht is frisser dan ooit en de grijze wolkenluchten en de heiige vergezichten hebben een heel eigen, betoverende schoonheid. Bovendien komt het zonnetje er ook af en toe nog doorheen, het is herfst tenslotte, veranderlijk weer. Prima omstandigheden voor een herfstwandeling, zo moet je het zien. Wij laten ons in elk geval niet kisten en krijgen daar geen spijt van.

DSC01063

We lopen van Dwingeloo in de bosrand langs het Dwingelderveld richting Lhee, over schelpenpaadjes en brede boslanen, maken een kronkel over de heide en vinden in de vallende schemer onze weg terug over smalle, soms moeilijk zichtbare paden en paadjes door het bos. Maar al lopen we op veel plaatsen over een dik, licht verend, roodbruin pakket van afgevallen blad, het herfsttapijt is nog lang niet af. De bomen gaan ook nog volop in herfstkleuren getooid, variërend van groenig geel en gelig groen tot roestbruin, bordeaux en knalrood. Een lust voor het oog, zo clichématig als het zijn mag. En nu dat woord toch gevallen is: het schijnt een misvatting te zijn dat paddestoelen alleen in de herfst voorkomen. Dat schijnt een romantisch en onwaar cliché te zijn. Dat heb ik wel eens ergens gehoord, dat heb ik wel eens ergens gelezen. Maar ik weet niet of de kabouters dat ook weten want tjongejonge, wat hebben we er veel gezien, paddestoelen bedoel ik. Paddenstoelen, zo u wilt. Bermen, stronken en boomstammen vol. In soorten, maten, cirkels, rijen, groepjes en kleuren. The usual suspects als vliegenzwam, stuifzwam en elfenbankje, de soorten waar je dan heel stoer de naam van denkt te weten, al begin ik nu ik het zo opschrijf alweer te twijfelen of elfenbankje wel een officiële naam is.. is dat niet meer een kinderaanduiding die ten onrechte is blijven hangen? Dat geldt trouwens misschien ook wel voor eekhoorntjesbrood.. En wat ik nu een stuifzwam noem, was dat niet een bovist? Is er verschil tussen een bovist en een boleet, en zo ja: welke is wat? Of andersom?

paddestoelen dwingelderveld

In het bezoekerscentrum, dat we een paar dagen later bezoeken, wordt ons bij een zwaar geurende herfsttafel bevestigd wat we al wel wisten ook: er bestaan honderden verschillende soorten paddestoelen, die zelfs de kenner soms maar moeilijk uit elkaar kan houden. We zouden het ontzettend leuk vinden er alles van en over te weten, maar leggen ons er bij neer dat dat er nooit van zal komen. Het is onbegonnen werk. Het is teveel. Al belet dat ons niet er plezier aan te beleven. We zien vreemde en buitenissige exemplaren en bij gebrek aan de boom der kennis zijn we niet te beroerd er zelf, als Adam en Eva in het paradijs, een naam voor te verzinnen. Zo ontdekken wij bijvoorbeeld de Anemoonamoniet, de Hortensiazwam, de Gewone Koeienvlaai en de Kokosbovist. Stuk voor stuk zeer afdoende namen wat ons betreft, al worden we voor twee ervan bijna ter plekke gecorrigeerd door de boswachter die toevallig ons pad kruist. Als hij ons vanuit de verte gebiologeerd over de natuur gebogen ziet staan, stapt hij van zijn houten fiets om ons op eventuele bijzonderheden te wijzen. En om een praatje te maken allicht, want zoals hij de eerste levende ziel is die wij tegenkomen, zijn wij dat misschien ook voor hem.

DSC01054

Of wij op het paadje links achter ons de gekraagde aardster hebben gezien? Vraagt de boswachter, met twinkelende oogjes. Een bijzondere, zo niet zeldzame paddestoel, die op het Dwingelderveld alléén op juist dát paadje voorkomt, voor zover hij weet. Wij herkennen onmiddellijk onze Anemoonamoniet en vertellen opgetogen dat die ons inderdaad is opgevallen. Onze Hortensiazwam, die langs hetzelfde paadje stond, herkent de boswachter dan weer als de Grote Sponszwam, al had hij hem zelf nog niet gezien op die plek. Voordat hij weer verder fietst, misschien wel om de Grote Sponszwam alsnog te gaan bekijken, vertrouwt hij ons toe dat we, als we geluk hebben, best eens kraanvogels tegen zouden kunnen komen. Een ontmoeting waar wij de rest van de wandeling op gespitst blijven.
We passeren sprookjesachtige miniatuurlandschappen van boomstronken begroeid met bekertjesmos, rendierenmos en piepkleine paddestoeltjes en zwammetjes, de sporen van het helgroene mos in dit perspectief als een geheimzinnig woud van reusachtige bomen. We gaan er graag voor door de knieën, om ons te laten betoveren. Een afgebroken stuk met bekertjesmos begroeid schors gaat voorzichtig in mijn capuchon gepakt mee naar huis. Net als twee door de bosbeheerder uit de grond gerukte dennetjes. Daar komen we de aankomende kerst wel mee door.

DSC01116

Verderop, wanneer we de heide zijn opgelopen en een aantal vennen zijn gepasseerd, worden we andermaal met onze onwetendheid op natuurgebied geconfronteerd. Op een picknicktafel ligt iets, of groeit iets, of leeft iets, iets intrigerends, dat ons voor raadselen plaatst. Het is een bobbelig hoopje van een behangerslijmachtige substantie, een onsmakelijk drilpuddinkje, alles bij elkaar ter grootte van een duim. Als een sterk uitvergroot klompje cellen ligt het daar, een onverklaarbaar embryo. Er steekt een sliertje uit, een navelstreng, een restje darm, met het vermoeden van bloederigheid en eromheen en half er op liggen zwarte bolletjes, alsof iemand er een lepel kaviaar overheen heeft geschept. Zijn het de inmiddels opgezwollen ingewanden van een diertje dat hier op een nare manier aan zijn eind is gekomen? En zijn de zwarte bolletjes zijn laatste maaltje geweest? De zaden van het een of ander? Is het een slijmerige zwamsoort? Een schimmel? Met zwarte bolletjes als sporen? Heeft iemand hier iets vies zitten doen? We komen er eenmaal weer thuis, op internet pas achter. Het blijkt te gaan om sterrenschot, uit bijgelovige overlevering ook wel heksensnot genoemd. Hier is een vrouwelijke kikker te grazen genomen, door een reiger, of een ooievaar. Of een kraanvogel natuurlijk. En wat op tafel is blijven liggen, is het weer uitgekotste kikkerdril. De wittige substantie het door maagsappen en regen opgezwollen en opengebarsten eiwit, de zwarte bolletjes de onfortuinlijke kikkertjes die nooit zullen meemaken hoe weergaloos mooi maar ook gevaarlijk en wreed het leven op het Dwingelderveld kan zijn.

DSC01148

Dan, als we de hoop al bijna hebben opgegeven, horen we een helder, bijna welluidend kroe kroe in de lucht. Allebei tegelijk steken we onze vinger in de lucht: hoor je het? We horen het allebei. Het is een nieuw geluid voor ons leken, en we weten dus niet welke vogel er bij hoort, maar voor hetzelfde geld is het een kraanvogel. Uiteraard hebben we ook geen idee welk geluid een kraanvogel maakt. We weten zo weinig eigenlijk. Wel zien we in een flits een grote vogel achter de bomen verdwijnen zodat we ons in elk geval even kunnen verheugen in de mogelijkheid dat het een kraanvogel was die we hoorden. Een verheugen van korte duur omdat we vrij snel daarna opnieuw het kroe kroe horen, dat deze keer duidelijk zichtbaar gemaakt wordt door iets dat zeer zeker geen kraanvogel is. Eerder een kraai. Maar een kraai, dat weten we dan in elk geval nog wel, zegt géén kroe kroe. En zeker niet helder of bijna welluidend. Het is ook groter dan een kraai, zien we nu. Met waarschijnlijk kinderlijk aandoende logica besluiten we dat het dan wel een roek zal zijn. Waarom niet. Ook leuk. Thuis op internet worden we vervolgens in verwarring gebracht wanneer we lezen dat de kraanvogel weldegelijk een helder, trompet-achtig kroe kroe voortbrengt. Zie je nou wel, zeggen we tegen elkaar. Maar als we het bijgeleverde geluidsbestand afspelen weten we weer beter, een kraanvogel was het niet. Voor de zekerheid spelen we dan ook de roek af. Een factcheck kan nooit kwaad tenslotte. En dat blijkt, want mijn hemel, wat een roek voortbrengt, dat komt niet eens bij welluidend in de buurt. Het is geen kroe kroe, het is geen krassen, het is niks, het is geluidsoverlast. Uiteindelijk komen we uit bij de raaf. De raaf roept precies het kroe kroe dat wij hebben gehoord. Helder en bijna welluidend. We snappen er niks van. Wordt in de bekende fabel van De La Fontaine niet beweerd dat de raaf zó vals krast dat hij niet mee mag zingen in het koor van vogels? Dat moet een vergissing zijn. De La Fontaine heeft duidelijk een roek gehoord, maar heeft net zo veel verstand van de natuur gehad als wij.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

Het rijke Groningse verleden

header uithuizen

Van Uithuizen naar Tjamsweer, een etappe van het Nederlands Kustpad, gelopen op zondag 8 oktober 2017

Er zijn slechtere plekken om je wandeling te beginnen. Tjongejonge zeg.. Vanaf de Menkemaborg in Uithuizen wandel je wel even op stand. Langs een kaarsrechte oprijlaan, beschaduwd van dubbele rijen rechthoekig geschoren bomen, betreden we de statige luister van het rijke Groningse verleden. Omsloten door een ferme slotgracht ligt daar, gelijk een kasteel, met twee speelse torentjes ook nog, de Menkemaborg, naar de gelijknamige familie die hier sinds naar schatting 1500 heeft geresideerd. De toegang tot de brug naar het woonhuis wordt op klassieke wijze bewaakt door twee stenen leeuwen. Het zijn leeuwen zoals je ze tegenwoordig wel in trieste rotten van vijf in het tuincentrum ziet staan, zoals je ze tegenwoordig wel op muurtjes van de carport gemetseld ziet, in lelijke nieuwbouwwijken, ter verfraaiing van onderhoudsvrije voortuintjes. De leeuwen die hier, fris in de verf maar wel zwaar loensend op de gang van zaken toezien, zijn van betere komaf, voor zover wij hebben kunnen nagaan. Dat laat zich aan hun gouden nagels en aan hun gekleurde wapenschilden ook al vermoeden trouwens. Terzijde van de slotbrug alhier staan ze pas sinds 1921, het jaar waarin de Menkemaborg aan het Groninger Museum verviel na de dood van zijn laatste bewoner, de kinderloze vrijgezel Gerard Alberda van Menkema, in 1902. Daarvóór hebben ze dienst gedaan bij de borg Dijksterhuis in Pieterburen, die eigendom was van dezelfde Gerard Alberda van Menkema en in 1903, na dus diens dood, werd afgebroken, maar al in de familie Alberda was sinds 1706. Nóg eerder behoorden de leeuwen bij de Thedemaborg in Bedum, die waarschijnlijk begin 17e eeuw werd gebouwd. Aansluitend wordt 1600 inderdaad ook genoemd als geboortejaar van de leeuwen. Wanneer ze dan van Bedum naar Pieterburen zijn verhuisd, vermeldt de geschiedenis niet, maar wel dat in 1774 na een sterfgeval een groot deel van de boedel van de Thedemaborg werd verkocht, dus allicht ook de twee leeuwen, die ons nu vervaarlijk grijnzend nastaren wanneer we, na de koffie in het skathoes, aan de tocht richting Tjamsweer beginnen.

DSC00857

Na deze luisterrijke start lopen we verder over boerenwegen, met klei besmeurd zo hier en daar. Op de akkers rondom ligt de uienoogst in lange rijen op nadere instructies te wachten. Rechts zien we een stalgebouw in de stutten staan, we mogen aannemen vanwege de bodemverzakking, een aanblik die cynisch genoeg vertrouwd begint te worden. Links van ons steekt de kerktoren van Uithuizermeeden tussen de bomen uit, een opvallend exotische verschijning, met zijn hemelsblauwe koepeltjes en zijn opengewerkte witte verdiepingen, verlopend van vierkant, via achthoekig naar rond. Het heeft iets luchtigs, iets frivools, iets dat je hier niet zou verwachten, om één of andere reden. Net zo min als het gegeven dat hij er toch al van begin 18e eeuw staat, ter vervanging van de in 1734 ingestorte losstaande toren. Bijzonder. Het is het ontwerp van een in die tijd veelgevraagd Gronings schrijnwerker, van wie ook werk in het interieur is terug te vinden, aldus wikipedia. Het is eigenlijk jammer dat je op zo’n wandeldag ook vaak gebonden bent aan de route en de afstand die je wilde lopen, de plek waar de auto staat te wachten, en je niet altijd toe kunt geven aan de impuls om voor zo’n bijzonder kerkje als dit een omweg te maken en wat tijd uit te trekken. We genieten daarom maar van wat we wel uitgebreid kunnen bekijken, en houden de rest in ons achterhoofd. Er komt altijd een tweede kans.

DSC00900

Het kerkje van Oldenzijl voldoet wel geheel en al aan ons klassiek Gronings verwachtingspatroon. Een klein Romaans bakstenen gebouw met kleine vensters, een bescheiden dakruiter, gelegen op een wierde temidden van een oud kerkhof. Of.. nou.. oud.. later lezen we dat het kerkhof in de vijftiger jaren flink is afgegraven omdat het, door het gebruik zullen we maar zeggen, hoger was komen te liggen dan de kerkvloer, wat voor vochtproblemen zorgde. Hmm.. er zijn misschien ook dingen die je niet per se hoeft te weten. Goed.. De halfronde apsis aan de achterkant is verrijkt met siermetselwerk dat als typisch middeleeuws wordt aangemerkt. Let wel, wij citeren slechts de kenners op internet.. dat u niet denkt dat wij al deze kennis met ons meezeulen de hele dag. Een ander interessant detail is de hagioscoop, een klein, fraai vormgegeven venster dat op ooghoogte is aangebracht. Nu zit er glas in, maar in vroeger tijden was dit gat in de muur waarschijnlijk mede bedoeld om de mis van buitenaf te kunnen volgen. Mensen die de kerk niet in wilden, zoals kluizenaars, of niet in mochten, zoals misdadigers, overspeligen en lepralijders, konden zo toch gesticht worden en hopen op verlossing, blijkbaar.

DSC00883

Binnen treffen we een eenvoudig maar beeldschoon interieur. Witgepleisterde wanden, een gewelfje achterin, een blauwgeschilderd houten plafond, trapvormige vensterbanken, verweerde kapiteeltjes en gevelstenen, een houten kansel en een rijkversierde herenbank waarin de kapitaalkrachtige christen zich liet stichten en verlossen. Eén van de familiewapens laat weten dat deze bank mede bestemd was voor de familie Alberda, waarvan dus ook een telg in de Menkemaborg resideerde. Niet alleen de wereld, ook Groningen is klein.
We wandelen langs vette akkers van klei, in glimmende voren geploegd. We komen langs de Diek’n en door ’t Zandt, via een indrukwekkende tunnel van bomen passeren we de voorname Alberdaheerd, met een 19e eeuws theehuis op palen in de tuin en versgeschoren alpaca’s op het erf, we jagen een enorme wolk spreeuwen de lucht in, en belanden dan in een gebied waar de Groningse actualiteit een gezicht krijgt. Aangekondigd door een metershoge affakkeltoren ligt daar, achter hekken, een aardgaslocatie van de NAM. Het onderscheidt zich feitelijk niet van ieder ander industrieterrein waar we langs zijn gelopen: golfplaat, camerabewaking, verzamelpunt, kilometers pijpleiding, grindbeton, prikkeldraad, stelconplaten.. Maar waar we er elders nog wel eens de robuuste romantiek van in konden zien, de schoonheid van de lelijkheid, de esthetiek van de pure functionaliteit, krijgt het hier, door het verhaal erachter, door wat we ervan weten, door wat we ervan hebben gehoord en gezien onderweg, eerder iets grimmigs. Iets beladens.

DSC00976

Met een welhaast symbolische bocht lopen we om de locatie heen en laten de zaak weer achter ons. Wat kunnen we anders. Voor Groningen is het dagelijkse kost, dat beseffen we ook. Het is cynisch, bedenken we, terwijl we het laatste stuk naar Tjamsweer lopen, dat de vruchtbare bodem die Groningen zijn rijke verleden heeft gebracht, het rijke Groningse verleden dat wij om ons heen zien, de herenboerderijen, de kerken en de borgen, de landgoederen, dat diezelfde bodem de rijkdommen herbergt die de toekomst nu in zo’n korte tijd onzeker heeft gemaakt.

Schuldig landschap en oernatuur

cropped-header-201708312.jpg

Een wandeling van Ramscheid tot Schönenseiffen, gedeeltelijk langs GR56, gelopen op vrijdag 4 augustus 2017

Op vakantie in de Eifel begin ik zonnig gehumeurd aan een wandeling langs de Duits-Belgische grens. Noem het naïef, noem het onwetend, ik had daar aanvankelijk geen andere gedachte bij dan dat grenzen nou eenmaal altijd tot de verbeelding spreken, in elk geval tot de mijne, zelfs als ze zijn afgeschaft. Nog geen dertig meter van de parkeerplaats word ik bij de eerste de beste bocht al met mijn argeloze neus op de historische feiten gedrukt. Een steen met gouden inscriptie herdenkt dat hier, op deze plek, in de nacht van 16 december 1944 het Duitse Ardennenoffensief begon. De slag om Rheinland en Eifel, The Battle of the Bulge, die maandenlang duurde en vele tienduizenden soldaten het leven heeft gekost. Ik loop langs kilometers drakentanden, betonnen driehoeken tot ruim een halve meter hoog, streng in het gelid, in rijen van drie of vijf of meer.

DSC00009

De Westwall, lees ik later, die het Duitse rijk moest beschermen tegen aanvallen vanuit het westen, werd gebouwd vanaf 1938 en is 630 kilometer lang. En nog altijd, nu bijna zeventig jaar later, doorsnijdt dit lugubere bouwwerk hier het landschap. En niet alleen het landschap, het snijdt ook mij door de ziel. In hun onafzienbare rijen doen deze betonnen driehoeken, verweerd, bemost en begroeid, scheefgezakt hier en daar tussen de later opgeschoten bomen en struiken, sterk denken aan de zerken van een verwaarloosd kerkhof. Verlaten en vergeten. Overwoekerd door de tijd.

Een terechte gedachte, komt mij voor. Tienduizenden anonieme soldatengraven zijn het, waar ik langsloop. Wat een trieste aanblik. Ik raak er danig van onder de indruk, en kan hier niet in straf wandeltempo aan voorbijlopen. Als een onbedoeld monument dwingen deze stellingen mij tot overpeinzing. Zoveel zinloze doden. Zoveel angst, zoveel lijden, zoveel verdriet staart mij hier aan. Zo een onvoorstelbare barbaarsheid. Ik maak wat foto’s, maar het lukt me niet de foto te maken die uitdrukt wat het bij me oproept. Later besef ik dat dat ook helemaal niet kan. Wat hier uitgedrukt moet worden, valt niet op een foto vast te leggen. Ook niet in woorden waarschijnlijk.
Verderop kom ik nog een aandenken uit die tijd tegen. Het Jonny Brückchen, het bruggetje van Jonny, vertelt het verhaal van een Belgische soldaat die in de oorlog verliefd werd op een Duits meisje en zich na de oorlog bij haar in de Eifel vestigde, een zoon met haar kreeg, maar in 1948 door de Duitse douane werd doodgeschoten terwijl hij voedsel voor zijn gezin over de grens probeerde te smokkelen. Een persoonlijk drama, maar het geeft ook te denken. Want als mensen van twee strijdende partijen verliefd op elkaar kunnen worden, en samen zonen kunnen krijgen, waarom wordt dan uiteindelijk gestreden? Moeten we niet allemaal verliefd op elkaar worden en zonen en dochters krijgen? Zou de wereld daar niet enorm van opknappen?

DSC00055

Aangeslagen loop ik verder door het stroomdal van de Olef, een beekje waarvan je hier nog niet zou denken dat het verderop zal uitlopen in een machtig stuwmeer. Het is een prettig landschap, ik draai weer een beetje bij. Groene, sappige flanken met het idyllisch kronkelend geruis van water in de diepte. Op één of andere manier krijg ik zo het idee dat ik door de natuur loop zoals die bedoeld is, ooit, in het begin. Een soort oernatuur. Flauwekul natuurlijk, ik loop tenslotte over een keurig geëgaliseerd pad van precies een tractor breed door wat hoogstwaarschijnlijk een productiebos is, maar toch.. het is de ervaring die telt.
Later kom ik trouwens over een terrein waar helemaal korte metten wordt gemaakt met mijn romantisch ideaalbeeld. Want al die naaldbomen, valt er op een Duits informatiebord te lezen, horen hier helemaal niet. Die zijn hier tweehonderd jaar geleden allemaal aangeplant, voor het hout. Door de mens. Daarvóór werden deze heuvels, aldus nog steeds het informatiebord, al sinds de Romeinen gebruikt als grasland, voor het hooi. En dáárvoor, ja, dáárvoor was het dan oernatuur. Natuur zoals het bedoeld was. Met essen, elzen en wilgen. En díe oernatuur wordt hier en nu, onder meer door het rigoreus verwijderen van naaldbomen, weer teruggebracht. Waarna, zo belooft het bord ten slotte, de mens er verder met zijn tengels vanaf zal blijven. Tot het volgende nieuwste inzicht zich aandient, denk ik er zachtjes bij. Zover is het nu in elk geval nog niet, zie ik als ik zo eens om me heen kijk. Ik overzie een zo goed als kaalgeslagen terrein, zonder naaldbomen inderdaad, waarop ingewikkelde, wetenschappelijk ogende installaties staan opgesteld, met zonnepanelen, antennes, witte kastjes met genummerde bordjes, pinnen in de grond, aluminium constructies met opvangzakken van wit gaas en veel rood-wit afzetlint. Daartussen piepen dan hier en daar héél kleine loofboompjes, het zaailing-stadium maar nauwelijks ontgroeid. Die, zo neem ik aan, worden nu door alle technische rompslomp tot spiksplinternieuw oerbos gemonitord. Hoe de natuur het toch ooit zónder ons gered heeft, het is een groot raadsel.

DSC00050 x

Ik ben er dus dol op dit soort dingen tegen te komen tijdens het wandelen. Dingen die vragen oproepen. Raadsels soms. Die ook wel eens onopgelost blijven. Ook dat is wandelen voor mij. Af en toe stilstaan, en je verwonderen over wat je ziet. En niet eens alleen de grootse vergezichten, juist ook de kleine dingen.
Ik sta een tijdje stil bij een regenplas en zie dat daar van alles in leeft. Er schieten kleine salamandertjes tevoorschijn en weer weg, er scharrelen torretjes over de bodem, schrijvertjes dansen een Bauhausballet over het wateroppervlak met hun eigen wonderlijke schaduwen.
Ik buig me een tijdje over een mierenhoop en laat me hypnotiseren door het schijnbaar ordeloos gekrioel, maar krijg dan, wanneer ik het niet heel scherp meer zie, de indruk dat het juist een zeer systematisch krioelen is waarbij alle mieren in zeshoekige formaties steeds op dezelfde afstand van elkaar blijven en samen als één groot organisme functioneren. Het gestuntel en gehannes van een klein groepje mieren dat een dode kever naar boven probeert te slepen is daar dan weer grappig mee in tegenspraak.
Ik klim nog even in een Jagdstuhl, om hoog boven het dal wat te mijmeren over vroeger, toen mijn zonen onvermoeibaar élke Jagdstuhl beklommen, om te kijken of er misschien kogelhulzen lagen. Hier lagen ze niet, maar de herinnering was de klim wel waard.

DSC00155

Als ik na een dag door het bos wandelen het eindpunt nader en daar voor het eerst het bos verlaat, sta ik op een groene, hooggelegen vlakte plotseling oog in oog met groepjes enorme windmolens die daar kalm en bedaard hun rondjes draaien. Vreemd genoeg stralen ze een soort serene rust uit, dat zou je niet verwachten. En wat er verder ook over windmolens gezegd en gedacht mag worden, ik kan ze hier en nu niet lelijk vinden. Dat is allemaal maar een kwestie van tijd. Onze inmiddels tot heilig icoon verklaarde oerHollandsche windmolens werden in hun tijd óók als horizonvervuiling gezien. Een noodzakelijk kwaad waarvan bij de introductie van het stoomgemaal ook betoogd werd dat ze maar zo snel mogelijk moesten worden afgebroken. Dus. Als ik ze hier nu zo zie, als grote vriendelijke reuzen, die met de neus in de wind allemaal dezelfde kant op staan te kijken, vind ik dat eerder een surrealistische ervaring. Ik stel me voor dat ze zo, op een inmiddels uitgestorven aarde, worden aangetroffen door een onbekende buitenaardse beschaving, waarvan de geleerden zich dan voor dezelfde raadsels geplaatst zien als wij bij de beelden op Paaseiland, en er allerlei theorieën bij ontwikkelen over godenverering, offerceremonies en zonnerituelen. Maar goed, dan loop ik natuurlijk wel een beetje op de zaken vooruit.