Een ram met een schort voor

Een etappe van het Grootfrieslandpad, van Stavoren naar Workum, gelopen op zaterdag 22 augustus 2020

Voor het mooi hadden we natuurlijk de boot van Enkhuizen naar Stavoren moeten nemen, om van daaruit verder te wandelen, op ons pad. In een ononderbroken lijn van West- naar Ostfriesland. Maar dat had ons voor grote logistieke problemen geplaatst van uren extra reistijd, en daar doe je het allemaal niet voor. We hadden de tocht al eens gevaren, ter afronding van het Zuiderzeepad, en één keer is ook wel mooi zat, dachten wij. Bovendien hadden we geen zin in al te veel gedoe met mondkapjes. Helemaal ontkwamen we daar dan weer niet aan want om niet bij elkaar in de auto te hoeven zitten hadden we bedacht in Workum te verzamelen en vandaar met de trein naar Stavoren te reizen. U ziet, het is niet dat we het niet serieus nemen. Anders dan bij de NS is in het Arriva treintje trouwens nog steeds maar één stoel per vierzitter beschikbaar en zo zitten we diagonaal op maximale afstand een beetje onwennig om elkaars mondkapjes te gnuiven. Zo kenden we elkaar nog niet.



Eenmaal in Stavoren bezoeken we als eerste de geteisterde horeca, voor een kop koffie. Van de recentelijk weer aangescherpte coronamaatregelen is hier niet veel te merken, we hoeven ons niet te melden, krijgen geen formuliertje aangereikt en binnen is het oudetijds druk. Te druk voor ons, wij nemen plaats op het min of meer verlaten terras. Een verantwoordelijke beslissing die beantwoord wordt met een ferme plensbui zodat we uiteindelijk met parapluutjes op aan de cappuccino zitten. Het biedt ongetwijfeld een sneue aanblik, ons deert het niet. En een kwartier later staan we ons voor de zekerheid toch maar even in te smeren tegen de prikkende zon.
We brengen een saluut aan de Vrouwe van Stavoren, vaak wat denigrerend als vrouwtje aangeduid, en starten de wandeling langs de haven. Nog even omkijkend zien we een driemaster het zeegat uit varen, langs het rode vuurtorentje. Op de motor weliswaar, maar zeker onder de schilderachtige wolkenluchten die het wisselvallige weer met zich brengt, is het een plaatje met oudHollandsche allure.  
Links van ons de IJsselmeerdijk, als een groene streep tegen het zwerk in een verder al even groen en zo goed als leeg en volkomen vlak landschap. Boerennatuur. Een handvol koeien kijkt ons na. Grote zwermen vogels vliegen op en strijken weer neer. De lucht is geen twee minuten hetzelfde. Er staat de hele dag een straffe wind, die we gelukkig in de rug hebben zodat we er alleen profijt van ondervinden, en we elkaar gewoon kunnen blijven verstaan. Dat is fijn want we hebben elkaar altijd veel te vertellen onderweg.



Als we straks na Molkwerum de dijk op klimmen kijken we tot Stavoren uit over het IJsselmeer en zien we op verschillende plaatsen grote groepen windsurfers en kitesurfers en andere varianten op het genre kriskras heen en weer schieten over het water, met zó veel kleurige zeilen en vliegers aan touwtjes in de lucht dat je je afvraagt hoe het kan dat dat niet allemaal ontzettend in de knoop raakt. Er zijn helden bij die metershoog de lucht in springen. Het biedt een vrolijke en levendige aanblik en levert een wonderlijk contrast op met bijvoorbeeld het lieve, geknakte torentje van Hindeloopen, dat wat hulpeloos en ouderwetsig aan de horizon staat te staan. Het valt op dat de meeste surfers Duits zijn, door de gunstige wind blijkbaar in groten getale naar het IJsselmeer gelokt. Wat ook opvalt is dat het er, behalve de veelkleurigheid van de zeilen en de vliegers, nogal eenvormig uitziet allemaal. Iedereen heeft precies dezelfde spullen en tassen, kleding en tattoos. Iedereen is precies even cool.
Maar goed, we waren in Molkwerum. Dat blijkt een zeer charmant en pittoresk plaatsje dat, blijkens de her en der geplaatste toeristische informatieborden, kan bogen op een welvarend verleden vanwege de nauwe handelsbetrekkingen die het onderhield met het ooit rijke en belangrijke Amsterdam. Dat die Hollandse koopmansgeest nog altijd niet terug in de Friese fles is, blijkt uit zo’n typisch huis tuin en keuken te-koop-stalletje aan de weg, waar normaalgesproken zelfgemaakte jam of courgettes uit eigen tuin worden aangeboden. Hier en nu zijn dat handgemaakte, 100% katoenen en op 60 graden wasbare mondkapjes met opening voor het plaatsen van een extra filter. Drie euro per stuk.



Middenin het dorp staat, op een eigenlijk iets te klein plekje, omgeven door een kerkhof, de Lebuïnuskerk. Genoemd naar een heilig verklaarde Angelsaksische missionaris uit de achtste eeuw, zo luidt onze wikiwijsheid. Die Godt vertrowt had wol gebowt, staat er op een blauw bord stichtelijk te lezen boven een zwart schild met een witte zwaan, het wapen van Molkwerum. Net als veel andere oude kerkjes staat ook de Lebuïnuskerk garant voor een waterval aan jaartallen. De kerk werd gebouwd omstreeks 1850, als vervanging van een eerdere versie uit 1799. De toren zou ook van 1799 zijn, volgens de één, maar is 17e eeuws volgens de ander. De klokken stammen uit 1649, ook 17e eeuws dus, en het blauwe bord boven de ingang vermeldt het jaartal 1597.
Op een informatiebord lezen we verder dat Molkwerum, zo klein als het is, in vroeger tijden, op een paar honderd inwoners, drie verschillende richtingen van het gereformeerd geloof huisvestte. Zwaar, zwaarder, zwaarst, vermoedelijk. Zet twee Nederlanders bij elkaar en je hebt een kerk, voeg er een derde aan toe en je hebt een kerkscheuring. Wordt wel eens beweerd. Voor Friezen geldt dat blijkbaar ook.
Het toeristisch bakkerswinkeltje is vanwege de coronacrisis nog altijd tot nader order gesloten. Of dat veel verschil maakt weten we niet. Rondom het bankje waar wij onze krentenbol eten, buitelen de zwaluwen rakelings langs ons heen.



Hier beklimmen we de IJsselmeerdijk en hebben onze verdere wandeling uitzicht over het water dat door het onstuimig spel van wind, wolken en zon steeds van kleur verandert. Soms grijs, dan zilver of met een lichtgroene gloed die mysterieus over het golvend oppervlak glijdt. Hollands licht, Hollandse luchten. Een fascinerend schouwspel waar je niet snel genoeg van krijgt. Wij niet in elk geval. Aan de horizon zien we Hindeloopen de vinger al opsteken.
Dan klimmen plotseling twee stoere mannen over het hek en leggen daadkrachtig een schaap op de rug, met een routine die verraadt dat ze dat vaker hebben gedaan. Het schaap heeft geen schijn van kans. Het beest draagt een soort leren voorschoot, zien we. Nieuwsgierig en uit op een praatje vragen we de mannen wat er met het schaap gaat gebeuren. We worden meteen als stadsmensen weggezet met de mededeling dat dit geen schaap is, maar een ram, wat we, nu het schort is afgenomen, zelf ook duidelijk kunnen zien. Geen twijfel mogelijk. Terwijl de mannen trefzeker doorgaan met hun werk krijgen we het uitgelegd. De ram heeft de afgelopen tijd, met dat schort voor de edele delen en een geel verfblok op de borst, een aantal proefdekkingen gedaan. Zo kunnen de mannen zien hoeveel schapen er bronstig zijn, aan de gele vlek op de rug. Nu dat er genoeg zijn kan het schort eraf en mag de ram er op. Zo worden alle schapen binnen een korte periode drachtig en zullen ze straks ook allemaal in een periode van vier weken lammeren. Een vorm van geboorteregulering. Broodnodig, volgens de mannen, want dat wordt dan vier weken dag en nacht bokhard doorwerken en wanneer dat langer dan vier weken zou duren, zouden de mannen van vermoeidheid narrig tegen elkaar gaan worden. Dat is niet de bedoeling, aldus de man, want het is mooi werk. Hij zegt er nog bij dat hij dat nog meent ook, maar dat hadden we al gezien. Inmiddels is het gele verfblok vervangen door een groen, het zit met een soort tuigje tussen de voorpoten. Zo kan worden bijgehouden welke schapen hun beurt hebben gehad. Ik maak nog de onbenullige opmerking dat het voor de ram wel zielig is dat hij er al die tijd met een schort voor op moest, maar de mannen glunderen mij toe dat ik zelf immers ook zo ben begonnen? En dat was toch ook niet zielig? Tja. De mannen klimmen zwaaiend een hek verder, op naar de volgende ram.



Hindeloopen is een mooi stadje, druk bezocht door toeristen. In de krant lazen we onlangs dat ook de autochtone Hindelooper, de Hylper, er langzamerhand een beetje van begint te balen dat zijn stad als openluchtmuseum wordt gezien en behandeld, en dat er geen betaalbare woonruimte meer te vinden is omdat het meeste veel lucratiever aan toeristen wordt verhuurd. Moderne problemen tegen een nostalgisch decor. Als om dat te illustreren nemen twee motorrijders ronkend en brullend en met gevaar voor andermans leven een smal en steil houten voetgangersbruggetje.



Verder over de dijk maken we de wandeling af tot Workum. De route is deze tweede helft gelijk aan die van het Nederlands Kustpad, dat we eerder liepen, en we herkennen zo het één en ander. Het voormalig waterschapsgebouw Schuilenburg, dat ons dit keer genadeloos van de dijk afstuurt omdat ze geen wandelaars meer over hun stukje aarde willen hebben lopen, het badpaviljoen Hindeloopen, dat nog altijd onterecht leeg staat te verkommeren, en het witte toarntje bij Workum, een voormalige vuurtoren, thans bewoond door een kunstzinnige figuur met hart voor de Fryske tradysjes. Nieuw in het uitzicht is een stolpboerderij in aanbouw, waarvan de bijzonderheid moet zijn dat hij op zijn kop wordt gebouwd. De nok op de grond, het woongedeelte hoog in de lucht, waar normaal dus de nok zit. Een particulier initiatief, lezen wij later, dat inmiddels het gevreesde predikaat landmark heeft verworven. Het zal wel weer elitair zijn maar wij schatten het in als een erg dun grapje dat de tand des tijds niet zal doorstaan; net als dat hotel van gestapelde Zaanse geveltjes in Zaandam inmiddels stomvervelend is geworden.
In Workum eindigen we zoals we begonnen, bij de geteisterde horeca. Op de markt, aan de voet van de grote kerk, die zijn naam veel eer aandoet, en naast het oude raadhuis, op een terras in de zon. Waar ons engelengeduld enorm op de proef wordt gesteld. Als deze zaak failliet gaat, besluiten wij, zal het niet aan corona liggen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Lees meer over deze wandeling op samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad.

De bitch van Staveren

Kunst onderweg

Ze ziet er zo lief en onschuldig uit, zoals ze daar staat, op haar ronde bakstenen sokkel. Met haar hand boven haar ogen tuurt ze het zeegat van Stavoren uit, toen nog gelegen aan de woeste Zuiderzee, gezien de laat Middeleeuwse kledij die ze draagt. De Vrouwe van Stavoren. Staat ze daar hondstrouw maar met ongerust gemoed te wachten op de terugkeer van haar geliefde? Gelijk de bronzen vissersvrouw op de boulevard van Scheveningen? Een visserman zal het allicht niet zijn die zij terugverwacht, de puntmuts die ze draagt, met een sluier omkleed, doet vermoeden dat ze in hogere kringen verkeert. Al kan het ook een onmogelijke liefde zijn natuurlijk, nog romantischer.



Het bijbehorend tekstbord doet haar geschiedenis uit de doeken, aan hen die die nog niet kennen, en helpt je aldus uit de droom. Niks liefs, onschuldigs of romantisch aan, aan deze dame. Een eigenwijs, inhalig en egoïstisch kreng is het. Een hoogmoedige koopmansvrouw is hier in brons vereeuwigd. Wat je nu een ondernemer zou noemen. Een bankier, een grote graaier. Stinkend rijk. De rijkste van de stad, maar nog altijd niet tevreden. De VVD bestond nog niet, maar anders was de Vrouwe van Stavoren er wethouder voor geweest. Of senator, of iets anders lucratiefs.
Opvallend trouwens ook dat het hier, we schrijven rond 1800, een vrouw betreft. Die blijkbaar tóen al door het glazen plafond was gebroken en eenmaal aan de top dus precies het gedrag bleek te vertonen dat nu, ruim tweehonderd jaar later, vooral mannen wordt kwalijk genomen. Misschien dat de wereld er met vrouwen aan de macht toch niet echt heel anders uit zou zien. Misschien is het wel helemaal niet zo simpel.
Maar goed, de Vrouwe van Stavoren. En haar verhaal.
Hebzuchtig als zij was stuurde zij één van haar schippers eropuit, om het beste en het kostbaarste dat de wereld te bieden had voor haar te halen. Met minder nam ze geen genoegen. Toen de schipper, na vele omzwervingen en ampele overwegingen, terugkeerde met een boot vol graan, was zij zó beledigd dat zij opdracht gaf het hele spul in zee te kieperen. Terwijl de bevolking honger leed, nota bene. De bitch van Stavoren. Om geen Hollandser termen te gebruiken.
Een oud en wijs man – sorry dames, maar zó gaat het verhaal – probeerde haar nog op andere gedachten te brengen door haar te voorspellen dat zij, eenmaal zelf aan de bedelstaf geraakt, zou inzien dat graan toch echt kostbaarder was dan goud. Maar dáár had de Vrouwe helemáál geen boodschap aan. Als ultiem decadent antwoord gooide zij lachend haar gouden ring in zee, honend dat de kans dat zíj aan de bedelstaf zou geraken even groot was als de kans dat zij haar gouden ring óóit terug zou krijgen. Fuck you, wijze oude man, opzij!
Of statistiek al was uitgevonden weten wij niet, maar objectief gezien had ze een punt, aangezien ze volgens de verhalen eigenaar was van zo’n beetje alles wat kon varen, woonde in een huis met gouden vloeren en zilveren muren en het al met al dus zo’n beetje voor het zeggen had, in Stavoren en omstreken. Dat kin wat lijen, zou je zeggen.
Toch liep het verkeerd af, want Calvijn was natuurlijk al wel al lang en breed uitgevonden, 10 juli 1509, om precies te zijn.
Slechts een paar dagen later kocht de keukenmeid van de Vrouwe een schelvis op de markt, voor het diner – een krepserig armeluismaaltje ook nog – en ja hoor, verdomd als het niet waar is, in de maag van dat beest werd haar gouden ring teruggevonden.
De kansen van het vrouwtje keerden onmiddellijk. Al haar schepen vergingen op zee, op de plek waar het graan overboord was gekieperd ontstond een zandbank en de haven van Stavoren slibde dicht. Het vrouwtje ging failliet en raakte aan de bedelstaf, precies zoals de wijze oude man had voorspeld.
Waarom zou je van zo’n naar en ronduit slecht mens een beeld in je stad willen neerzetten? We moeten, begrijpen wij dan maar, het beeld niet zozeer als eerbetoon zien, maar eerder als een waarschuwing. Een wijze les: Hoed u voor bankiers en ondernemers, zij hebben slechts zelden het beste met u voor. Waarvan akte.
De bronzen Vrouwe werd gemaakt en in 1969 geplaatst in opdracht van het lokaal VVV, dat er een inzamelingsactie voor op touw had gezet, met het oogmerk waarschijnlijk Stavoren ermee op de kaart te zetten, hoewel wij niet zeker weten of die uitdrukking toen al bestond. Bij de plechtige onthulling op een zaterdagmiddag in het voorjaar werd de ballade van de Vrouwe van Stavoren voorgedragen en sprak de burgemeester de hoop uit dat Stavoren in de toekomst opnieuw een zekere welvaart aan het water zou ontlenen.


Pier Arjen de Groot poseert hier met beeld en model voor de Leeuwarder Courant, in 1969. Het is de enige foto die van hem op internet te vinden is.

De kunstenaar die de Vrouwe haar gestalte gaf, was Pier Arjen de Groot (1905 – 1995), destijds woonachtig in Den Haag maar in het bezit van een tweede huisje in Stavoren – Europese aanbesteding was destijds nog niet aan de orde. De Groot werd aan de Rijksacademie in Amsterdam opgeleid tot schilder, etser en tekenaar en heeft het beeldhouwen pas later in eigen beheer geleerd. Hij was, zo lezen wij in een kunsttijdschrift uit 1950, een man die de als Fries aangemerkte eigenschappen standvastigheid en hardnekkigheid in niet geringe mate bezat. “Hij heeft nooit ook maar één stap gedaan om het succes tegemoet te treden, en het begrip concessie komt in zijn woordenboek niet voor”, aldus de schrijver, die verder opmerkt dat dit eenkennig streven naar het enig juiste beeld in het oeuvre van De Groot goed is terug te zien.


Vroeg werk van Pier Arjen de Groot. Links een ets met als titel Oude vrouw, rechts een beeld uit steen, genaamd Kop van een man.

Wij waren reeds eerder in Stavoren en schreven toen ook al over de Vrouwe. Dit artikel is een aangevulde en licht gewijzigde versie daarvan.

Lees ook andere afleveringen van Kunst onderweg in het archief,
of op Samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad.

De maagd van Enkhuizen

Kunst onderweg

We zijn Enkhuizen nauwelijks binnengelopen of daar staat al een kunstwerk. Op de eerste de beste rotonde die we tegenkomen. Dat belooft wat.
Om te beginnen even iets over kunst op de rotonde. Rotondekunst. Of het een typisch Nederlands verschijnsel is weet ik eigenlijk niet, maar ik vind het wel een beetje een typisch Hollands verschijnsel. Neem me niet kwalijk. Wat is dat nou voor een plek om kunst neer te zetten? Op een rotonde. Daar heb je wel wat anders te doen dan naar kunst kijken. Op het verkeer letten bijvoorbeeld. Invoegen, richting aangeven, schelden op degene die geen richting aangeeft, fietsers voorrang geven, schelden op fietsers die geen voorrang hebben maar het toch nemen, uitkijken voor voetgangers, wielrenners, vrachtauto’s, moeders met kinderen. Het maakt geen reet uit wat er staat, aan kunst, er is geen hond die het ziet. Het staat er voor Jan Joker, om geen krachtiger term te gebruiken. En mocht je het als voetganger willen bekijken, dan kan dat alleen van verre. Of je moet eerst de weg oversteken, wat niet kan op de gemiddelde rotonde. Wat ook niet hoeft op de gemiddelde rotonde want daar is niks, behalve anwb borden en bloembakken.
Kunst op de rotonde.
Jongens, we moeten nou eenmaal kunst in de openbare ruimte, zet het in godsnaam maar op de rotonde dan, dat is toch verloren ruimte en daar heeft niemand er last van.
Kunst op de rotonde. Hollands cultuurbeleid. Kunst omdat het moet.
Enfin.



Op de rotonde dus, bij Enkhuizen, treffen wij, temidden van een flinke verzameling kleurig bloeiend perkgoed, het beeld van een vrouw. Uitgestanst uit een rode plaat is het feitelijk een tweedimensionaal beeld, een silhouet bovendien. Het is een jonge vrouw. Ze draagt een jurk met een nauwsluitend bovenlijf met horizontale gele strepen, zeer getailleerd, die vervolgens naar onder wijd uitloopt en schuin is afgesneden. Het doet denken aan zo’n Spaanse jurk, uit de flamencoscene. Ook haar lange krullende lokken hinten in die richting trouwens. Ze zijn rood, omdat het plaatmateriaal rood is, maar ze zijn duidelijk zwart bedoeld. De gele strepen accentueren de vormen van de vrouw – ze heeft een wespentaille zou je flauw kunnen zeggen – en doen vermoeden dat het een jurk is die de schouders bloot laat. Het zou ook een geel lint kunnen zijn, dat zich om haar heen heeft gewikkeld, omdat de gele strepen doorlopen op het schild dat ze vasthoudt en het lint dat daar dan weer aan vastzit.



Het wapen van Enkhuizen, met drie haringen zwemmend naar rechts, en de geel rode banen van de Enkhuizer vlag

Het is niet meteen duidelijk maar later begrijpen we dat het het wapenschild van Enkhuizen moet zijn, met drie haringen. Dat brengt ons dan ook meteen op de vlag van Enkhuizen, die uit rode en gele banen bestaat. Dertien even hoge banen van rood en geel, om precies te zijn. Op het beeld zijn het er vijftien, maar goed, het idee is duidelijk: vlag, wapenschild.. dit is vaderlandse geschiedenis. Op een flatgevel naast de rotonde staat dan ook nog een dichtregel die ons ter plekke al op het goede spoor zet door te spreken van Mijn Enkhuyzer Maegd.



De dichtregel op de gevel is van Jenke Kaldenberg

Wij besluiten meteen op onderzoek te gaan en onderweg naar het station nog uit te vinden wie deze Enkhuyzer Maegd dan wel mag zijn. Wij hebben nooit van haar gehoord en hopen op een spannend verhaal, gelijk het zeewijf van Edam, of Kenau Simonsdochter van Haarlem, die volgens de mythe eigenhandig de Spaanse belegeraar op afstand hield, met brandend stro en pek. Misschien dat ook de maagd een dergelijk sterk staaltje op haar naam heeft, de geschiedenis van Enkhuizen is er rijk genoeg voor tenslotte.
Kort en goed, we spreken er diverse mensen op aan, een meneer die in zijn voortuin op een trappetje zijn houtwerk staat te schilderen, de serveerster die op het terras aan de haven onze bestelling opneemt, een mevrouw die op haar stoepje van het zonnetje zit te genieten.. allen zelfverklaard inwoner van Enkhuizen, niemand die het weet. Dat ze bestaat, de maegd, dat is bekend, op de Koepoort staat ze ook, wordt ons verteld, maar wat haar verhaal betreft komt niemand verder dan wat schaapachtig beamen dat onze suggestie over een heldhaftige rol in de strijd tegen den Spanjaerd best wel eens zou kunnen kloppen.



De stedemaagd op de Koepoort, nog vóór een recente restauratie

Maar nee.. die klopt dus niet hè, mensen van Enkhuizen. Verre van, zou je kunnen zeggen. Toch maar weer op internet vinden wij namelijk uit dat de Maagd van Enkhuizen, ook wel Stedemaagd genoemd, niet enig in haar soort is. Tal van steden hebben een stedemaagd. Amsterdam bijvoorbeeld, Groningen, Alkmaar en Dordrecht. Denk ook aan de Nederlandse Maagd. Al deze maagden zijn bedoeld als de fraaie, lieflijke verpersoonlijking van hun stad of land, een gebruik dat terugvoert op de oude Grieken, die hun stedemaagden zelfs een goddelijke status gaven, en waarvan je zou kunnen zeggen dat het voortleeft in onze huidige advertenties, waarin het lekkere wijf nog steeds vaak de fraaie en lieflijke verpersoonlijking van zo ongeveer alles is.
Dat is het hele verhaal van de Maegd van Enkhuyzen. Ze mag het wapenschild vasthouden en verder is het tais toi et soit belle. Niks heldhaftigs of zelfs maar geëmancipeerds aan. Jammer hoor.



Hugo van Lelyveld, initiatiefnemer van de kunstuitleen Enkhuizen, nu weer aan het schilderen geslagen

Over de maker van het beeld hebben we niet veel kunnen vinden. Hugo van Lelyveld (1942) is zijn naam, en dat is het al zo’n beetje. Of hij ook echt beeldend kunstenaar is, is niet duidelijk. Wel dat hij oprichter van en jarenlang drijvende kracht achter de kunstuitleen in Enkhuizen was, samen met zijn vrouw. In een krantenartikel over het afsluiten van die periode lezen we dat hij nu weer aan het schilderen is geslagen, iets dat hij vroeger wel deed maar waartoe hem lang de tijd ontbrak.
Het beeld op de rotonde werd onthuld op een maandagmiddag in 2013 en was het eerste van een serie van tien kunstwerken met de Maagd als thema in de nieuwbouwwijken van Enkhuizen, een projekt om die met de oude stad te verbinden. In het oude gedeelte van Enkhuizen zijn ook tien beelden van de Maagd te vinden, vandaar. De tien nieuwe kunstwerken zijn ontworpen door bewoners van Enkhuizen, na een daartoe uitgeschreven wedstrijd. Of Hugo van Lelyveld bij de winnende inzenders zat of dat hij een opdracht kreeg voor zijn beeld vermeldt de geschiedenis niet. Dat het beeld op de rotonde staat was een bewuste keuze, lezen we. Hier komt iedereen langs, aldus de kunstenaar.

Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief, en nog meer bij samen uit en thuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad

In de verte de grote witte flat met de gouden bal op het dak

Een etappe van De lange weg naar huis*, van De Zilk naar Katwijk, gelopen op maandag 27 juli 2020

Wat je je wel eens afvraagt: waar blijven al die mensen die je tegenkomt aan het begin van je wandeling, op het parkeerterrein bij een natuurgebied? Het wemelt er doorgaans van de wandelaars in groepsverband. In flodderige korte broeken of felgekleurde kleding, met rare hoedjes en petjes en heuptasjes, al of niet met nordic stokken en standaard in een leutige stemming. Ook hier en nu, in De Zilk, bij de ingang van de Amsterdamse Waterleidingduinen. Oh hemel, ben ik geneigd te denken. Oh hemel, moet dat nou? Maar het valt eigenlijk altijd mee want na de eerste honderd meter zijn ze dus verdwenen. Weg. Ik vind het niet erg, maar je vraagt je soms af: waar blijven ze?



Op onze weg naar Den Haag volgen wij al een tijdje in grote lijnen het Nederlands Kustpad. Dat gaat altijd goed, maar hier, over het Langevelderslag, is het hopeloos. Nergens de bekende roodwitte markering. Wat op zich niet erg is, uiteindelijk vinden we zo ook de weg naar het strand en de zee wel, mijn zoon weet zijn gps te gebruiken bovendien, maar in eerste instantie lopen we toch wat gedesoriënteerd te zoeken. En vreemd is het ook. Later lees ik op internet dat de markeringen werden verwijderd op last van de terreinbeheerder. Die wilde er een zogenoemd struingebied van maken. Een struingebied, lees ik verder, is een wildernisgebied waar je van de paden af mag. Om te struinen. Een wildernis met paden dus. Waar je van af mag. Maar alleen op de aangegeven plekken. Om de truttigheid compleet te maken zien we wel een paarse en een zwarte route gemarkeerd. Het zullen struinroutes zijn.
We komen behoorlijk wat herten tegen, in dit eerste stuk wildernis, en ze zijn allerminst schichtig. Ze zijn op hun hoede, dat wel, maar laten zich van een kleine afstand rustig bekijken. We stellen vast dat het allemaal mannetjes zijn, aan de geweien te zien verschillend in leeftijd maar wel nog allemaal jong. We hebben er geen verstand van maar vermoeden al observerend en filosoferend dat de mannetjes in groepen bij elkaar leven tot er gepaard moet worden. We vinden het zelf helemaal geen slechte theorie.



Vlak voor onze neuzen kruipt een ondernemend drietal, het gewei behendig opzij manoeuvrerend,  door een vrij klein gat in het hek, om eens een stukje verderop te gaan struinen. Dat schijnt in deze contreien ook het probleem te zijn met herten, ze houden zich niet aan het struingebied en staan doodgemoedereerd in alle vroegte de achtertuin leeg te eten.
Wel of niet op de paden, de waterleidingduinen zijn altijd schitterend om doorheen te lopen. Uitgestrekt, weids,  licht glooiend en, okay, een tikkeltje woest en ongerept. Stukken bos in een kniehoog bed van frisgroene varens, afgewisseld met zanderige heuvels en open terrein. Tanige boompjes, door weer en wind beknot, sint Jakobskruid en doornappel. We proeven van de fel oranje vuurdoornbes, al weten we hoe zuur die is, we kunnen het niet laten. We herkennen een stel vinken.
Als we dan het strand opdraaien zien we aan de heiige einder Noordwijk liggen, en nog verder iets dat toch verdomd veel op Scheveningen lijkt. We herkennen het Kurhaus, de vuurtoren, het reuzenrad bij de pier en de grote witte flat met de gouden bal op het dak. Den Haag, ons beider geboortestad, het eerste doel van onze tocht is in zicht. De volgende etappe zullen we er binnen lopen.
Het weer is nogal matig vandaag en de bezetting op het strand navenant. Hier en daar zitten wat jonge gezinnen huiverend in hun jassen op vakantie te zijn, er klinkt wat Duits links en rechts, er wordt wat met de hond gewandeld, een enkeling probeert de branding uit, maar het houdt niet over.



Als we verderop weer omhoog zijn geklommen om door de duinen de weg naar Noordwijk te vervolgen, komen we in een heel ander landschap terecht. Hier staan voornamelijk loofbomen en het pad waarover we lopen is een bospad. Het doet niet heel duinachtig aan.
Dan gaat het regenen, het hing heel de ochtend al in de lucht. Eerst denken we nog even dat we het wel redden door onder een boom te gaan staan schuilen maar uiteindelijk komen regenjas en paraplu er toch aan te pas en worden we in een minuut of veertig behoorlijk nat. Echt erg is dat dan weer niet. Even voor Noordwijk mindert het alweer wat en wanneer we als eerste de witte vuurtoren met zijn gouden vlaggetje boven de groene top der duinen uit zien steken komt de zon er zelfs nu en dan doorheen.
Noordwijk. Wat zullen we ervan zeggen. Wij snappen ook hier weer niet zo goed, zo om ons heen kijkend, wat mensen hier precies vinden. Behalve het strand en de zee. Voor de rest moet je wel erg open staan voor de schoonheid van het lelijke. Scharrige flats in mislukte kleuren, met roestig uitgeslagen balkons. Troosteloze stapels appartementen. Sneue pogingen tot grandeur.
Bij de met veel plastic en pijlen en geprinte instructies coronaproof gemaakte visstal trakteren we onszelf op kibbeling en haring. Pas op voor de meeuwen, waarschuwt de jongeman achter de balie geroutineerd. Noordwijk.



Op de boulevard komt ons een kudde schapen tegemoet, een onverwachte en vreemde verschijning die mag rekenen op de nodige bekijks van het handjevol toeristen dat zich niet weg heeft laten regenen. De kudde wordt begeleid door wat waarschijnlijk vrijwilligers en een herder zijn, en er lopen wat honden met fluorescerende vestjes mee in de stoet, maar de schapen maken het ze niet te moeilijk. Mak als lammetjes, zou je kunnen zeggen, als het niet zo flauw was.
Helemaal achteraan loopt een langharige jongen met een bezem. Klaarblijkelijk is het zijn taak de keutels die de schapen achterlaten bijeen te vegen. Of weg te vegen. Of op te vegen. Het wordt niet zo duidelijk want erg veel werk maakt de jongen er niet van. Futloos en zonder de minste ambitie sleept hij zijn bezem zo af en toe wat heen en weer. Een enkele keutel rolt een meter naar links of naar rechts, al naar gelang, een andere wordt halfslachtig uitgesmeerd over het plaveisel en wij kunnen het spoor zonder enige moeite terugvolgen tot in Katwijk. Het zal, denken wij hardop, wel een regel zijn, een voorwaarde waar aan voldaan moet worden in verband met de vergunning, bureaucratie. Maar we vinden ook, als je daar dan lak aan hebt, leg die bezem dan demonstratief over je schouder en draag je rebelsheid met trots, bravoure en overtuiging.



Op zee zien we trouwens een hele verzameling boten liggen. Het lijken ons een soort cruiseschepen en ze lijken er doelloos te liggen. Ik meen ze bovendien, herinner ik mij nu, eerder deze zomer vanaf het strand bij Kijkduin ook al te hebben zien liggen. Ze liggen er al een tijdje dus en ze liggen niet te wachten tot er plek is, in de haven van Scheveningen. Het zou met corona te maken kunnen hebben, denken wij. Later op internet blijkt dat ook zo te zijn. Het zijn, lezen we, schepen van grote rederijen die wegens het virus niet worden gebruikt en nu met een minimale bemanning aan boord op betere tijden liggen te wachten. Buitengaats, omdat daar geen liggeld hoeft te worden betaald.
Door de Coepelduinen lopen we richting Katwijk, eindpunt van de dag. Ik heb hier vroeger miljoenen keren gefietst, heuveltje op heuveltje af, van huis naar Noordwijk of Zandvoort, en weer terug. Met, en later ook zonder mijn ouders. En in ander gezelschap. Het gebied is uitgebreid op de schop geweest sindsdien. Ik herinner het me als een ondoordringbare jungle van zwarte prikstruiken met een hek erom waar je over slecht onderhouden asfaltpaden niets anders dan omheen kon fietsen. Vandaag ziet het er een stuk gevarieerder, aantrekkelijk groen en zanderig uit. Fijn om doorheen te wandelen.
Het eerste dat Katwijk van zichzelf laat zien tenslotte, is de kerktoren, zoals het een goed vissersdorp betaamt.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Lees andere afleveringen van deze wandeling in het archief.

Op weg naar de Opel Kadett

Kunst onderweg



Bij de ingang van de Waterleidingduinen in Bloemendaal, bij het bezoekerscentrum, komen ze ons tegemoet. Een jong gezin. Vader, moeder, meisje, jongetje. De hond ontbreekt, maar verder het ideale gezin. Op de terugweg van een fijne dag in de natuur, ook nog. Vader en moeder dragen samen de picknickmand, zwaaiend tussen hen in. Ze lopen verkeerd en daardoor botst de mand steeds tegen hun benen, waar moeder een beetje over moppert tegen vader: kijk nou een beetje uit. De lege limonadefles steekt zijn hals onder de doek uit omhoog. De kinderen zijn moegespeeld. Het jongetje wordt door vader op de nek gedragen, maar zoals dat gaat met jongetjes op die leeftijd, stil zitten doet hij niet. Lekker opzij uit het lood hangend voert hij met zijn ene hand de laatste kruimels van zijn broodje aan een flinke vogel terwijl hij zich met zijn andere hand vasthoudt aan het hoofd van zijn vader, zijn vingers waarschijnlijk onhandig in een oog gestoken of achter een neus gehaakt. Iedere vader kent het gevoel. Het meisje, net wat ouder, moet zelf lopen en heeft daar maar weinig zin in. Bokkig dralend laat ze zich meetrekken door haar moeder. Je hoort haar bijna zeuren van: moeten we nog vèhèr? Bijna, want het gezin is van brons en het staat hier al sinds 1978 onderweg te zijn naar de auto, het zal een Opel Kadett Caravan zijn, dat kan bijna niet anders.
Het is een levendig en zo goed als levensgroot tafereel, met pasteuze flair geboetseerd door K. Verkade, blijkens een in de sokkel gekraste signatuur. K. Verkade, dat moet Kees Verkade zijn, bekend in Nederland, wereldberoemd daarbuiten.
Picknick, heet het beeld en het werd gemaakt en geplaatst in opdracht van het Gemeentelijk Waterleidingbedrijf van Amsterdam, dat nu hoogstwaarschijnlijk een veel hippere naam heeft. Ter gelegenheid van het 125 jarig bestaan van het Amsterdams waterleidingbedrijf en de opening van het vernieuwde bezoekerscentrum, in het kader dus van de bekende één procentsregeling voor beeldende kunst. 30 november 1978 werd het onthuld door minister Ginjaar, destijds minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Het is maar even dat we het weten.


Kees Verkade, beeldhouwer

Kees Verkade werd geboren in 1941, kon op jonge leeftijd al aardig tekenen en meldde zich aan bij de Rietveld Academie in Amsterdam. Waar hij te burgerlijk werd bevonden, het waren de jaren zestig. Bij de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag schreef hij zich vervolgens in voor een cursus reclametekenen. Toen deze vol bleek te zitten week hij min of meer noodgedwongen uit naar boetseren en beeldhouwen en dat pakte helemaal niet rottig uit. Sterker nog, je zou kunnen zeggen dat het een gouden greep was want vanaf hier ontrolt zijn carrière als beeldhouwer zich bijna als een sprookje. Als the American Dream.
Keurig in pak met stropdas reed hij na de academie op de fiets de Haarlemse architecten af om foto’s van zijn werk te tonen. Zelf zegt hij daarover: ’Je kunt als kunstenaar wel kapsones hebben, maar geen mens komt zomaar op je af’. Zo haalt hij zijn eerste opdrachten binnen.
Dan, op een goede dag, let op want hier begint het sprookje, koopt een beroemd Amerikaans fotograaf wat van zijn werk, bij een kraampje op de Haarlemse kunstmarkt, jawel, toont het aan zijn jetset-entourage aan de Rivièra en Verkades kostje is gekocht. De internationale opdrachten stromen binnen, tot op de dag van vandaag.
Via zijn tweede vrouw, Ludmila, telg van Russische en Engelse adel, raakt hij dan ook nog verzeild in de kringen rond de koninklijke familie van Monaco, waar hij zo’n beetje huisvriend en hofleverancier wordt. Maar ook vanuit Nederland blijven met grote regelmaat bestellingen geplaatst worden, op veel plaatsen is zijn werk in de openbare ruimte te zien.


Twee beelden van Kees Verkade. Links Stadten (1966), zijn eerste grote opdracht, in Haarlem. Rechts Fietsles (1971), in Groningen

Alleen de Nederlandse musea, die willen er niet aan. ‘Ze vinden me te commercieel’, aldus Verkade daarover. Want zo gaat dat. Als je als kunstenaar een klein publiek hebt wordt je toegesnauwd dat je maar moet gaan werken, net als de rest; heb je een groot publiek dan vinden ze je te commercieel. Of nog altijd te burgerlijk.
Verkade maakt vriendelijke, herkenbare, toegankelijke kunst, dat is waar. Levendige beelden van alledaagse kost, met veel beweging erin, dat heeft altijd zijn interesse gehad. Moeders met hun kroost, spelende kinderen, de sportende mens, het gezinsleven. Zoals Picknick bijvoorbeeld. Het schijnt dat Verkades vrouw Ludmila model heeft gestaan voor de moeder. Lief toch.

Lees meer afleveringen van Kunst onderweg in het archief
Of bij Samen Uit Samen Thuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad

Ontmoetingen op veilige afstand

Een etappe van het Grootfrieslandpad, van Wervershoof naar Enkhuizen, gelopen op maandag 20 juli 2020

Op het parkeerterrein naast de kerk in Wervershoof maken wij ons op voor de wandeldag, die hier vandaag begint. De eerste gezamenlijke wandeldag sinds de coronamaatregelen zijn versoepeld. We mogen weer, zoals veel mensen bij van alles zeggen deze dagen. Alsof we kleuters zijn die voor straf een tijdje in de hoek hebben moeten staan terwijl we helemaal niks hadden gedaan. Het is niet eerlijk! We kunnen weer, daar houden wij het maar op. In het vertrouwen dat men over het algemeen het beste met elkaar voor heeft.



Terwijl we de wandelschoenen aantrekken en de rugzakken omgorden steekt een gekromde mevrouw de parkeerplaats over, in de uitbundige zon. Tergend langzaam, leunend op haar rollator. In de schaduw van de toren gaat ze zitten, om even uit te blazen wellicht, en beziet vanuit de verte ons gedoe. Of we aan de wandel gaan, roept ze ons toe. Wij beamen het voor de hand liggende en komen wat dichterbij om haar verder vragen te kunnen verstaan, en beantwoorden. Het wordt zo’n geschreeuw anders en al hebben we te maken met de kwetsbare doelgroep, een half parkeerterrein afstand is nou ook weer overdreven. We vertellen de mevrouw van onze plannen voor vandaag en wat het uiteindelijk reisdoel is. Het kost ons enige moeite haar ervan te overtuigen dat we een gemarkeerde route lopen en dus niet de kortste weg naar Enkhuizen, zoals zij die ons uitduidt, zullen nemen. De mevrouw vertelt op haar beurt dat ze vroeger ook veel gewandeld heeft, met haar man, op vakanties, in het buitenland ook, in de bergen. Dat het er nu niet meer in zit, knikt ze terloops naar de rollator, maar dat ze dat altijd heerlijk heeft gevonden. Nu is ze op weg naar het kerkhof, om haar overleden man te bezoeken. Op haar gemakkie, want haast heeft ze niet. Na een genoeglijk praatje nemen we afscheid. De dag is goed begonnen, in elk geval.



Langs het raadhuis en een molen die ‘De Hoop’ heet lopen we Wervershoof al snel weer uit. Over een lang en kaarsrecht, zéér zonnig fietspad naast de weg gaat het naar Zwaagdijk Oost. Het zal niet de mooiste etappe worden vandaag, er zitten veel van dit soort stukken in. En Zwaagdijk Oost lijkt vooral te bestaan uit de liefdeloze treurnis van de witte golfplaten bedrijventerreinbarakken waarmee zo langzamerhand ieder landschap en ieder dorpsgezicht verpest wordt om de plaatselijke economie een boost te geven en de betreffende provincieplaats op de kaart te zetten, zodat we blij zijn dat we het achter ons kunnen laten.
Daarbij worden we dan wel weer uitgeleide gedaan door een soort hellehond die ons honderden meters gemeen blaffend en grommend en grauwend achterna loopt, vooruit rent en weer terugkomt, de tanden ontbloot, klaar om ons de strot door te bijten. Hoewel er verderop mensen aan het werk zijn, is er niemand die hem terug roept of er zelfs maar notitie van neemt. Blijkbaar is dit de bedoeling. Je vraagt je af wat mensen te verbergen hebben als ze zo’n hond op je loslaten. Onze redding is de sloot die tussen ons en het monster in ligt. Kennelijk ziet de hond die als grens van het heilig territorium dat hij met zijn leven moet bewaken. Pas als hij door een aftakkende sloot niet verder kan geeft hij de achtervolging op en kunnen wij opgelucht verder. Al is wel onze geërgerde conclusie dat het kreng nu ook nog denkt dat hij ons heeft weggejaagd. Dat hij iets goeds heeft gedaan.
De sloot waar we langs lopen, en die ons gered heeft, is de Kadijksloot. Die zo heet naar de belendende Kadijk, waar we dus op lopen. Een voormalige binnendijk die hier in vroeger tijden het landbouwgebied van Hoogkarspel tot Enkhuizen tegen vreemde wateren moest beschermen. Ooit was dit een zogenoemde vaarpolder, met langgerekte akkers die uitsluitend per boot bereikbaar waren. Ruilverkaveling en grootschaligheid maakten een einde aan die romantische maar onpraktische ouderwetsigheid. De sloten die er nu nog liggen zijn alleen voor recreatief gebruik.



Het is goed dat de paden nog onlangs zijn gemaaid, aan het achtergebleven gras te zien stond het gisteren nog minstens kniehoog en dat zou lastig lopen zijn geweest. We passeren wat roestige staketsels van wat ooit kassen waren, of die misschien nog steeds als kas worden gebruikt door er plastic overheen te trekken want bij nadere beschouwing blijkt er toch ook wel iets georganiseerd in te groeien. Zo dun is de lijn tussen boeren-authentiek en verwaarloosde bende.
Verderop lopen we door natuurgebied De Weelen. Weelen, ook wel wielen genoemd, zijn ronde meren die ontstaan bij dijkdoorbraken. Gevormd en uitgediept door het woest binnenkolkend water, zo diep dat de dijk er later voor het gemak maar gewoon omheen werd gelegd.
We zien nog wat late jonge fuutjes, in hun gestreepte kostuum. Eén zit riant op de rug bij vader of moeder, zoals futen dat doen, de andere drie scharrelen zelf rond in het water. Onze belangstelling verontrust ze niet zienderogen. We nemen een bruggetje dat duidelijk betere tijden heeft gekend, passeren wat moderne kassen en loodsen en lopen dan het Streekbos in, een aangelegd natuur- en recreatiegebied, met moerassige stukken voor vogels en planten, en een zwemmeer met strandje en bezoekerscentrum voor mensen. Het is een mooie dag vandaag maar erg druk is het niet, in en om het water. Er liggen hier en daar wat jonge moeders lusteloos op het eind van de dag te wachten, kinderen spelen in het water, een opa voetbalt met zijn kleinzoon. In de horeca-uitspanning zijn felgekleurde looproutes en wachtstrepen aangegeven, met pijlen en grote letters, maar niemand wil een ijsje. De jongeman van dienst staat geeuwend achter zijn spatscherm.



En dan lopen we Enkhuizen binnen, niet direct langs de aantrekkelijkste route, maar dat zou heel goed te maken kunnen hebben met het feit dat we de markering ergens zijn kwijtgeraakt. Op een rotonde, ergens aan de rand van de stad, treffen we een groot, wat kleurig beeld. Het is het silhouet van een vrouw. Rotondekunst. Op de gevel van een aanpalend flatgebouw lezen we een dichtregel die kennelijk op het beeld slaat en waaruit wij begrijpen dat we hier te maken hebben met de Maagd van Enkhuizen. Het zegt ons niks, eerlijk gezegd, maar wij zijn dan ook niet van hier. Enkhuizen is een oude haven- en handelsstad met een lange en rijke historie, wij zouden ons kunnen voorstellen dat de Maagd een plaatselijke heldin is die de stad op enig moment van een brand, een pandemie of de vijand heeft gered. Kenau van Haarlem, schiet ons bijvoorbeeld te binnen. We zijn benieuwd wat het verhaal van de Maagd van Enkhuizen is en besluiten het de Enkhuizenaar zelf eens te vragen, in plaats van altijd maar achteraf op internet struinen. We spreken verschillende mensen aan op straat, hopend op context, duiding en details, maar de Maagd blijkt niet erg te leven onder de bevolking. Dat er op de Koepoort een beeld van haar staat, dat weet men nog wel te vertellen, maar hoezo en waarom, dat is ook voor de inwoner van Enkhuizen een groot raadsel.



In het centrum ondervragen we een mijnheer over de Maagd. De mijnheer meldt bescheiden niet uit Enkhuizen te komen en niets van een maagd te weten maar Enkhuizen wel een erg mooi stadje te vinden, wat wij op ons beurt weer volmondig beamen. Vanaf de overkant van de straat mengt zich dan iemand wat luidruchtig in het gesprek door ons toe te roepen dat Enkhuizen een mooie stad is, maar dat hij er nog niet dood gevonden zou willen worden. Wij zijn enigszins beduusd door de beschonken onthulling van de wat scharrige figuur die wij nu aan de overkant ontwaren, een al even scharrig hondje aan de lijn, maar gunnen hem ook zijn plek op aarde dus roepen terug dat wij persoonlijk helemaal nergens dood gevonden willen worden waardoor er per ongeluk een ingewikkeld gesprek ontstaat, over de gelukkig wel zeer veilige afstand van zeker tien meter, waarbij de bescheiden mijnheer zich duidelijk steeds ongemakkelijker gaat voelen en waarbij wij door het passerend publiek, over wiens hoofden het gesprek gevoerd wordt, meewarig worden aangekeken. De scharrige figuur vertelt dat hij in Rotterdam woont maar nu tijdelijk hier logeert, in het huis van zijn maat, die in het ziekenhuis ligt, om voor diens hondje te zorgen, het scharrige hondje aan de lijn. Omdat iemand dat tenslotte moet doen. Net als veel mensen die teleurgesteld zijn door het leven heeft hij meer met dieren dan met mensen. Dieren zijn tenminste eerlijk. En als woensdag zijn maat weer uit het ziekenhuis komt, is hij meteen weer naar Rotterdam vertrokken. Het is in meerdere opzichten een hartverscheurend verhaal, als je erbij stilstaat. Dat wel. Toch breien we er een eind aan en vervolgen onze weg. Pas dan durft ook de bescheiden mijnheer weer door te lopen.  

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Romantische bullshit

De Zeelbergtocht bij Valkenswaard, gelopen op woensdag 5 augustus 2020

Op het parkeerterrein dreigt het om te beginnen heel even mis te gaan vandaag. Dat wil zeggen, met mijn humeur. Ondanks een wandeldag in het vooruitzicht, ondanks het veelbelovende weer. Het eerste dat ik zie, ik ben nog niet eens uitgestapt, is een enorme verzameling luxe-afval dat nog de volledige omtrek aangeeft van de auto van waaruit men het heeft laten vallen, na het kennelijk aangenaam verpozen. Vreetverpakkingen, plastic frisdrankflessen, bierblikjes, chipszakken, niet eens noodzakelijkerwijs allemaal leeggegeten of -gedronken. Welvaartsafval. Je kunt je van alles afvragen over mensen met zoveel nadrukkelijke schijt aan alles, maar één ding staat vast: ze hebben allemaal stemrecht.



Het is sowieso verbijsterend, nu we het er dan toch over hebben, hoeveel troep je al wandelend in de natuur tegenkomt. Hoe ver je ook van het dichtstbijzijnde parkeerterrein en dus de bewoonde wereld af bent, en hoezeer je ook zou verwachten dat daar dan alleen de echte natuurliefhebber komt, de bewuste medemens, er liggen altijd wel drinkverpakkingen, snoeppapiertjes, blikjes, flesjes, rietjes. De plastic verpakkinkjes van rietjes. Sigarettenfilters. Ik heb maandverband gezien, tampons, volle luiers, condooms. Ik verzin dit niet. En witte zakdoekjes waar je kijkt. Ik heb er werkelijk geen woorden voor om te beschrijven wat ik van zoveel domme, ongeïnteresseerde achteloosheid vind, maar ik word er geheel tegen mijn wil een heel nare oude man van. Met een aantal van mijn wandelgenoten is het een tijdje een projekt geweest in elk geval al het plastic en blik op te rapen dat we onderweg tegenkwamen, maar we zijn daar weer mee gestopt. Het was te veel en werd daarmee een deprimerende aanslag op het wandelhumeur. Dat dreigde hier dan ook even te gebeuren, maar ik had geen zin in mijn eigen nare oude man dus ik stuurde hem weg. Ga maar ergens anders wandelen. Dat lukte deze keer. Wat híj gedaan heeft weet ik niet, maar ik liep voor de tweede maal deze vakantie een route van klikprintenwandel, ook deze keer weer een aanrader.



De tocht opent met een aantal voormalige viskweekvijvers, nog behorend bij de Valkenhorst. Toen begin vorige eeuw het vangen en africhten van valken voor de adellijke jacht een beetje op zijn einde liep, bedacht men hier, zo lees ik, een nieuwe bron van inkomsten. In de nabijgelegen beek de Tongelreep werden visvijvers gegraven waarin op grote schaal vooral karpers werden gekweekt en vetgemest, gelijk vandaag de dag de varkens. Karper, laat ik mij vertellen, was volksvoedsel in die tijd. Die enorme voedselvoorraad trok uiteraard ook tal van meeëters, als otters, roofvogels en andere visliefhebbers. Ongenode gasten die destijds te vuur en te zwaard werden bestreden maar de strijd nu in hun voordeel zien beslecht: vis wordt er niet meer gekweekt en de vijvers zijn uitgeroepen tot vogelreservaten, niet toegankelijk voor publiek. Ik loop er dus wel langs, maar te zien krijg ik ze eigenlijk niet. Ik moet genoegen nemen met de wetenschap dat het er is, ook mooi.



Verderop loop ik even langs een beek, waarvan ik voor het gemak maar aanneem dat dat reeds genoemde Tongelreep is, en ik weet niet wat het is met beken, of stromend water, het werkt meteen op mijn geluksgevoel. Beelden van eerdere vakanties komen bovendrijven, nostalgische beelden uiteraard, van de gezinsvakanties van nog maar zo kort geleden en twee jongetjes in de weer met stokken en stenen, maar ook het hier en nu vervult mij met een warm en vloeibaar gevoel in de borst. Soms heb je momenten, al wandelend, waarin je volledig met de wereld, het universum en jezelf samenvalt. Momenten waarin alles goed is en er meer niet hoeft te zijn, dan dit. Dit beekje, waar schaatsenrijdertjes ronddansen in hun eigen kringen op het water, dit landschap, dat er altijd al geweest lijkt te zijn, deze vrede, dit zijn. Een wandeling die je het liefst eeuwig zou laten voortduren in precies deze gemoedstoestand.
Romantische bullshit natuurlijk, dat weet ik ook wel. Bovendien herinner ik mij nu gelezen te hebben dat dit bos één van de eerste bossen is dat met recreatie in het achterhoofd werd aangelegd. Met gebogen paden en lanen, die fijn schilderachtig en natuurlijk ogend de verte in meanderen, in plaats van het rechtlijnige dambordstramien waarin productiebossen doorgaans worden verkaveld. Ik word dus waarschijnlijk gewoon mijn geluksgevoel in gemanipuleerd door de bedenkers van het landschap, maar het kan me niet schelen. Het is een fijn gevoel. Het gevoel waar je voor op pad gaat.



Op het Laagveld, waarover de tocht vervolgt, houdt deze stemming nog even aan. Open gebied met een woeste toets. Hier en daar een solitaire boom, magere en kale skeletten van afgestorven dennen omgeven door nieuw opschietend groen, stompen van afgezaagde bomen, takken en stammen die rondom zijn blijven liggen, gebleekt in de zon als de beenderen van een groot voorwereldlijk dier. Zacht wuivend kniehoog gras, heide die tegen de bloei aan hangt, de zon die alles meedogenloos aanlicht. De warme geur van de zomer.
Het is de eerste dag van een aangekondigde hittegolf die vandaag nog een beetje op gang moet komen, een vriendelijk briesje houdt het draaglijk allemaal. De dieren onderweg hebben zich waar mogelijk in de schaduw teruggetrokken. Een stel langharige oerkoeien kijkt mij meewarig na, vanuit een mager bosje. Met m’n rugzak. Een kudde schapen past precies in zijn geheel in de schaduw van de enige boom die ze tot hun beschikking hebben, het ziet eruit alsof de schaduw uit schapen bestaat, alsof de schapen zelf de schaduw zijn.
Ik hoor het mauwen van een buizerd en na enig speuren zie ik er twee boven de boomkruinen cirkelen. Het slaat helemaal nergens op, op elk boerenhek zit een buizerd, maar ik blijf altijd het idee houden dat ik iets bijzonders meemaak. En waarom ook niet? Verderop heeft er trouwens blijkbaar eentje zitten suffen, in de hitte, want met enig geraas valt hij plotseling en vrij dichtbij los uit de bosrand en maakt zich, voor mij uit vliegend boven het pad, uit de wieken. Een ijsvogel scheert over het water van een beek en verdwijnt met de bocht mee, sprinkhanen duiken voor mijn voeten uit de berm in, ik zie allerlei vlinders en libellen vliegen en ik meen zelfs de rode heidelibel te herkennen. Maar dat laatste zal hoogmoed zijn. En van dat ijsvogeltje ben ik ook niet zeker.



Even onder Valkenswaard rond ik het Brugven, dat eigenlijk twee vennen zijn. Het lijkt hier en daar wat droog te vallen, dat zal de aanhoudende droogte zijn waarover het de laatste tijd gaat, maar het biedt evengoed een zeer innemende aanblik. Eén van de hoogtepunten van de wandeling, zeker. Oorverdovende stilte, gelukzalige verlatenheid. Het is moeilijk te geloven hoe dicht je hier evengoed bij het eerstvolgende winkelcentrum bent. De strakblauwe lucht weerspiegelt in het water, net als de omringende bomen die in het tegenlicht best voor palmen door kunnen gaan, met hun ijle, hoge stammen, zodat je je hier, zeker in combinatie met de inmiddels toch wel opgelopen temperatuur, in de tropen kunt wanen. Welkom in tropisch Brabant.
Als ik op mijn eentje op pad ben, ben ik ook inderdaad het liefst alleen met het landschap en mijn eigen gedachten. Dat lukt op een enkele tegenligger na over het algemeen ook wel, maar vandaag gebeurt het een paar keer dat ik een medewandelaar in mijn kielzog krijg. Iemand die hetzelfde tempo aanhoudt ook nog, en zodoende eigenlijk in mijn nek loopt te hijgen. Het is een vrij land, ik weet het, en iedereen mag lopen waar ie wil, maar ik houd er niet van. Ik voel mij belaagd. Opgejaagd. Meestal houd ik in zo’n geval dus even stil, uit een vreemd soort beleefdheid zogenaamd om een slok water te nemen, iets nader te bestuderen of een foto te maken, ergens van, en wacht dan vriendelijk groetend net zo lang tot iemand veilig een heel eind uit beeld is, en de ideale situatie hersteld. Zo ook vandaag. De meneer met de korte broek die mij bij de laatste gelegenheid passeerde vroeg of hij misschien even moest wachten tot ik de foto genomen had. Dat was dan wel weer lief. Ach ja, wandelaars.. het zijn de slechtsten niet. Ze moeten alleen niet in je kielzog of in je blikveld blijven hangen.


Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Een zomerse dag op het Brabantse land

De Valkenhorsttocht, gelopen op zondag 2 augustus 2020

Vakantie in eigen land, veel mensen lijken het als iets armoeiigs te beschouwen. Een beetje sneu. Laatste keus. Een straf bijna. Wij niet. Wij zijn graag in eigen land, het is een prachtig land. En vakantie is vakantie, dat zit tussen je oren. Als je het hier niet vindt, dan vind je het waarschijnlijk ook niet aan de andere kant van de wereld. Maar goed.
Niet voor het eerst bivakkeren wij dit jaar in Valkenswaard, op loopafstand van Dommel, Malpie en Leenderbos. En Valkenhorst, zo werd mij deze keer aangeraden door iemand die het weten kan. En omdat dat nieuw terrein voor mij is, zoek en vind ik een wandeling die mij daar doorheen voert.



Maar liefst vier kantjes met aanwijzingen krijg ik mee van klikprintenwandel.nl, plus een kaartje, maar de routebeschrijving klopt dan ook als een bus. Nergens is ook maar enige twijfel mogelijk en ik zet de hele dag geen stap verkeerd. Het wordt een mooie rondwandeling door een afwisselend landschap van bos en heide, kennelijk productiebos, akkerland en een vriendelijk Brabants buurtschap, over bospaden, zandweggetjes, karresporen en voorname, schaduwrijke bomenlanen. De wandeling is duidelijk uitgezet door iemand die de omgeving op z’n duimpje kent.
Valkenswaard dankt zijn naam aan de jacht met valken, ooit een sport voor adellijke lieden, waarvoor hier, op de Groote Heide rond Valkenhorst, de valken werden gevangen en afgericht. Tot begin vorige eeuw de adel blijkbaar massaal was overgestapt op het makkelijkere en modernere jachtgeweer en er geen behoefte meer was aan valken. Voor het enorme heidegebied werd een nieuwe bestemming gevonden, onder meer in de recreatie.



En gerecreëerd wordt er. Het gebied is vandaag de dag ruimhartig doorspekt met fraai aangelegde wandel- en fietspaden en regelmatig tref ik zodoende rijtjes bejaarde echtparen met de spreekwoordelijke korte, pittige kapsels en witte kuitbroeken voor de dames en dito spillebenen bermuda’s en sokken in sandalen voor de heren. Keurige mensen, op elektrische fietsen.
Een groter probleem zijn de roedels wielrenners en mountainbikers, die het gebied op geheel eigen voorwaarden doorkruisen. In de krant was onlangs een discussie te lezen tussen de amateursportfietser en zijn tegenstander, waarbij de sportfietser zich – met de nodige jij-bakken – ten onrechte weggezet voelde als asociale hufter. Wel, houd me ten goede, er zullen best fatsoenlijke lui tussen zitten, maar de schijn hebben ze toch tegen, zeker als ze in groepjes van meer dan één rijden. Op één of andere manier hebben deze gasten – het zijn altijd gasten – het idee dat er een hoger belang gediend is met hun felgekleurde gejakker. Dat er daarom ook een wet is die bepaalt dat zíj áltijd en óveral vóór gaan, onder álle omstandigheden. Dat zíj nóóit hoeven af te remmen, achter elkaar hoeven te rijden of uit hoeven wijken. In een noodvaart gaat het pelotonsgewijs in elkaars wiel zoevend met drie naast elkaar over smalle toeristische fietspaden waar op zondag en in de vakantie ook gezinnen met kinderen rijden, en bejaarden dus, die met een geïrriteerd ‘Ja, hallooo..!’ aan de kant worden geblaft. Mountainbikers rossen daarbij nog met evenveel gemak over de voetpaden, waar ze van mij als wandelaar ook verwachten dat ik zonder protest in de berm verdwijn. En ondertussen roepen ze galmend hun stoere mannen ouwe wijvenpraatjes over en weer. Je hoort ze dus in elk geval wel al ruim van tevoren aankomen.



Na het eerste stuk behoorlijk onder de bomen te hebben gelopen kom ik op een meer open terrein rond twee vennen. Hier en daar zie ik de heide al voorzichtig roze kleuren, een ander stuk licht groen op van de varens zo ver het oog reikt. Er staan vriendelijke berkenboompjes, met losse hand in het rond gestrooid, groepen naaldbomen met het oranje doodvonnis om de stam gespoten en hier en daar een eenzaam achtergebleven spar of den met alleen nog wat takken als een malle pruik op zijn lange, ijle stam, ontsnapt aan de kettingzaag, zo lijkt het. Nog verderop loop ik over een woest en ledig terrein waar het naaldbos nog maar net is gerooid, nieuwe aanplant of begroeiing is er nog niet. Aan de randen staat afwachtend, aangeslagen nog een lange muur van oranje oplichtende stammen van hen die mochten blijven staan, voorlopig allicht. Het biedt een wat troosteloze aanblik maar heeft in zijn onopgesmukte ruwheid ook wel weer zijn charme. Als je die wilt zien.
In het water dat onder een veerooster staat ontdek ik een kikker, die hier blijkbaar zijn vijver van heeft gemaakt. Ik zie dat hij ziet dat ik hem zie, maar toch houdt hij zich roerloos. Een vlucht vogeltjes, die een tijdje van boom tot boom voor mij uit roetsjt, determineer ik geheel op eigen kracht als groenlingen, u zult me op mijn woord moeten geloven, want waarom zou ik liegen. Ik hoor het klaaglijk miauwen van een buizerd die zich echter niet laat zien, en ik zie een grote bonte specht die zich niet laat horen maar zich ijlings achter een boom verstopt en dan links en rechts van de stam steeds even kijkt of ik er nog sta. Ik hoor het krijsende gebedel van wat ik denk dat jonge eksters zijn dat stopt zodra ik in de buurt kom, ik ben wel gezien. Ik tref een eenzaam exemplaar van de gevreesde eikenprocessierups, het zal een nakomertje zijn, en een ree.



Nou ja, de ree wordt eigenlijk gespot door een vrouw die met haar dochter een eindje voor me uit wandelt. Als ik ze aan het eind van een flauwe bocht zie verschijnen zie ik dat de vrouw met haar telefoon iets staat te filmen en hoewel ik niet kan zien wat het is vermoed ik wel dat het weg zal lopen of vliegen wanneer ik plotseling tevoorschijn kom stampen zodat ik even inhoud en uiteindelijk ook oog in oog sta met wat dus een ree blijkt te zijn. Of een hert, ik vind het moeilijk te onthouden wat de verschillen zijn. Enfin. De dames tonen zich verrukt over de ontmoeting met het dier. Dat kan toch nog maar, in ons kleine kikkerlandje, vinden ze glimmend. Wat ze daar precies mee bedoelen begrijp ik niet zo goed maar hun enthousiasme vind ik aandoenlijk aangezien ik een week geleden nog door de Amsterdamse waterleidingduinen wandelde en daar struikelde over de herten die nog maar nauwelijks de moeite namen opzij te stappen. Jammer genoeg ben ik in mijn kennelijke behoefte aan een praatje dan weer zo ontactisch dat hier en nu met de dames te delen en vertel ik er om de domper compleet te maken nog bij dat de mensen in die contreien bepaald niet zo enthousiast zijn als de dames hier, dat men de beesten daar dagelijks uit de achtertuin weg moet jagen. Het is niet aardig van me en ik heb meteen weer spijt van mijn praatgrage uitbarsting, maar ja, berouw komt na de zonde. Gelukkig, als ik mij beschaamd uit de voeten maak, hoor ik de dames het erover eens zijn dat dit toch een cadeautje was, en ik weet gerustgesteld dat ze niet mij, maar de ree bedoelen. Of het hert.



De N396 overgestoken bij Molenheide kom ik al snel terecht op het gelegenheidsparcours van een hardloopevenement. Trailrunning, staat er stoer in het Engels op de witte routeschildjes die ik langs het pad aantref. De Leenderbostrail, blijkt dat dus later te zijn. Ik ben nogal verbaasd dat dit blijkbaar mag in coronatijd. Een langgerekte horde amateurhardlopers komt mij hier hijgend, blazend, zwetend en puffend tegemoet en voorbij, in een wolk van aerosolen waartegen anderhalve meter zeker niet afdoende is, als het pad daar al breed genoeg voor zou zijn. Ik vind een picknicktafel op ruime afstand en besluit daaraan even wat te eten en me op alternatieve stappen te beraden. Onderwijl zie ik het aan, het schouwspel. Meewarig, dat durf ik hier wel te bekennen. Het is niet fraai, wat ik zie. Ik weet niet hoeveel kilometer deze mensen er op hebben zitten maar er is werkelijk niemand die een beetje fit en energiek of veerkrachtig langs komt lopen. Als dit een voorbeeld moet zijn van de heilzame werking van sport op lichaam en geest zou ik zeggen: mensen, doe het niet. Er wordt gesjokt en gesloft en net niet gestruikeld en voorover gevallen, met rood aangelopen koppen en wanhopige blikken vol doodsverlangen.
Als het rennersveld wat lijkt opgedroogd loop ik weer verder, af en toe de berm induikend voor een achterblijver, en al snel buigt mijn route veilig af van het parcours. Veel later kom ik opnieuw schildjes tegen en besluit ik rebels er eentje mee te nemen als cadeautje voor mijn jongste zoon, die ook hardloopt maar dan wél mooi. Om het ongezien te kunnen doen moet ik alleen even dralen tot de twee laatste hardlopers voorbij zijn, die trouwens opmerkelijk kwiek uit de voeten kunnen, valt mij wel op. Het blijkt de opruimploeg van de organisatie te zijn, die de schildjes weer inzamelt. Tja. Keurig natuurlijk. Geen rommel achterlaten in de natuur. Zo hoort het.



Even voor Strijp, dat volgens de routemaker toch echt Leenderstrijp heet, breng ik een bezoekje aan de St Janskapel. Een piepklein bakstenen huisje met een zadeldak en een kruis erop. Het staat op een terp tussen een aantal hoge bomen die in hun streng geometrische opstelling de pilaren zouden kunnen zijn van de kathedraal die de kapel niet is. Als het kan stap ik altijd even binnen, in zo’n kapel. Ik ben niet religieus maar er hangt altijd een fijne, verstilde sfeer, die ik dan toch maar gewijd zal noemen, waar ik dan weer wel wat mee heb. Ook hier. Er branden wat waxinelichtjes, er staat een achttal zeer eenvoudige, welhaast spartaanse houten bankjes om in te knielen en het telt twee fraaie, helder gekleurde glas in lood ramen.
Als ik weer naar buiten stap word ik verrast door een man en een vrouw, het zal een echtpaar geweest zijn, die juist naar binnen willen. We raken even aan de praat en proberen er samen achter te komen hoe oud dit kapelletje zou kunnen zijn. Dat het heel oud is weet de vrouw in elk geval wel, omdat haar oma, zo vertelt ze, hier in Strijp woonde en dat die al niet beter wist dan dat het er stond. Een jaartal is echter nergens te vinden, al hebben we geen van drieën echt zin de weldegelijk aanwezige tekst in zijn geheel te lezen, vooral omdat die uit de onsympathieke en onleesbare gotische letter is gezet. Op internet, zeg ik dan maar afsluitend, valt het meeste meestal wel te vinden en ik wens ze nog een prettige middag. Het echtpaar steekt nog een kaarsje aan voor het een of ander.
Inmiddels zou ik ze kunnen vertellen dat de kapel in 1843 is gebouwd op de puinhopen van een in verval geraakte grotere kapel die er in de 15e eeuw al gestaan zou hebben maar die na de Reformatie gedwongen in onbruik was geraakt.
Ik loop verder door Leenderstrijp, of Strijp dus. Een langgerekt buurtschap met een aantal oude boerderijen. Op het terras van de plaatselijke herberg zie ik de onkwetsbare ouderen goedgemutst hutje mutje van hun koffie met appelpunt genieten. Wat er in de rest van de wereld aan de hand mag zijn, hier is geen vuiltje aan de lucht.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

De juiste kunstzinnige stadsversiering

Kunst onderweg

Woensdag 24 juni 1964, dat moet een bijzonder leuke dag geweest zijn in Zandvoort. Ik lees het in het Algemeen Handelsblad van de dag erna. Maar liefst vijf ‘fraaie beelden’ werden door toenmalig burgemeester Van Fenema onthuld op deze in zijn woorden zelfs ‘glorieuze dag’. Met ruim zestig genodigde notabelen uit Zandvoort zelf, uit andere badplaatsen én uit Amersfoort, parmantig gezeten in het autotreintje voor feesten en toeristen, met naar verluidt reclameborden voor een bekende frisdrank langszij, reed men van onthulling naar onthulling, ‘onder escorte van scooterpolitie en met een sleep van enige auto’s en fietsende jeugd.’ Een zéér Nederlands tafereel. Je hoort als vanzelf de zalvende galm van Philip Bloemendal.



Ik kom erop omdat we één van deze beelden tegenkomen, tijdens onze wandeling. Of eigenlijk twee. Maar aanvankelijk dus één. Op de kop van een door wat oudere nieuwbouwhuizen omgeven plantsoen komen ons op een sokkel van grindbeton twee bronzen jongedames tegemoet. Ze lopen stijf gearmd, de handtassen tegen zich aan geklemd, een open maar oppassende blik in de ogen. Ze gaan blootsvoets en hun rokken tot over de knie waaien vrolijk in de wind, waarschijnlijk bezoeken ze het beroemde Zandvoortse strand. Het hoofd van de dames is bedekt met iets dat het meest lijkt op zo’n gesteven hoofdkap uit de één of andere klederdracht, met aan weerszijden van het hoofd een wat summier aangegeven ornament. Het beeld blijkt na wat zoeken ‘De provinciaaltjes’ te heten, dus dat zou kunnen kloppen. Dat dit een wat denigrerende term is, waarmee Zandvoort zich bovendien als ‘de grote stad’ profileert, zullen we maar in zijn tijd zien.



Eén plantsoen verder stuiten we op een tweede beeld, van ongeveer hetzelfde formaat, op een zelfde sokkel en in dezelfde positie ten opzichte van het achterliggend plantsoen. Wel is het duidelijk van een andere maker. Hier staat een vrouw de was op te hangen. De doek die zij aan de punten in haar handen heeft wappert en bolt in een stevig briesje, het zal niet lang duren eer de was droog is laat zich denken. Hier vermeldt de plaquette aan de achterkant titel en maker van het beeld, het gaat om ‘De wasvrouw’ van Wilfried Put. En die informatie leidt uiteindelijk naar de glorieuze dag in 1964, want deze wasvrouw was één van de vijf fraaie beelden die die dag onder notabele belangstelling werden onthuld.
Dit alles was destijds het gevolg van de in een gemeentelijke nota vastgelegde wens tot ‘kunstzinnige verfraaiing van het dorp’. Een zaak die serieus ter hand werd genomen. De beelden werden in opdracht van het gemeentebestuur speciaal voor hun plek ontworpen door zorgvuldig geselecteerde kunstenaars, en er was een budget van zesduizend gulden per beeld. Ze dienden dan wel figuratief te zijn en een sierlijk accent te geven aan de vaak nuchtere zakelijkheid van de Zandvoortse bebouwing. Een jaar later werden vanuit diezelfde gedachte nog eens vier beelden onthuld, daar waren ‘De provinciaaltjes’ bij. Het hele proces werd begeleid door de Amersfoortse stadsarchitect, die advies uitbracht over de te selecteren kunstenaars en de te verfraaien plekken in het dorp. Amersfoort, zo vond men destijds in Zandvoort, was een stad die ‘op de juiste wijze aan kunstzinnige stadsversiering doet.’ Dat verklaart meteen de Amersfoortse notabelen in het toeristentreintje.



Alle negen fraaie beelden bij elkaar, van links naar rechts en van boven naar beneden:
De zonnebaadster van Jan van Luijn, Moeder en kind van Aal Koning – De Jong, De visserman van Christina Put – Nijland, Springende meisjes van Nel Klaassen, Suzanna of de baadster van Gooitzen de Jong, Gezin van Hans Bayens, Moeder en kind van Charlotte van Pallandt, De wasvrouw van Wilfried Put, De provinciaaltjes van Loeki Metz.

Niet iedereen is enthousiast over dit toch zeer prijzenswaardig cultureel initiatief, lees ik. Het Zandvoorts Nieuwsblad monkelt in 1965: ‘Deze bronzen, hoe goed ook bedoeld, zijn te gering van afmeting en artistieke kwaliteit om iets tegen de troosteloze achtergrond van de woonblokken uit te richten. Zij staan er wat verloren en geïsoleerd bij.’
En de fietsende jeugd uit het Algemeen Handelsblad had liever een zwembad gehad, dan al die beelden. Maar, merkt de kunstredactie daarbij opgewekt op: ‘Dat was dan de enige kritische noot in alle blijde bijval. Niettemin werd er ook met de jeugd rekening gehouden en wel door burgemeester Van Fenema, die slim zijn onthullingswoorden via twee enorme luidsprekers ook tot de omwonenden van de plantsoenen richtte en daarbij vijfmaal hoopte dat men de beelden zou gebruiken om naar te kijken en niet om op te klimmen of op te tekenen.’
De omwonenden van de te verheffen plantsoenen, lees ik hieruit, waren blijkbaar geheel naar verwachting niet op komen dagen bij de onthulling.
De (s)cul(p)tuur heeft Zandvoort nog niet veroverd ’, wordt elders woordspelig opgemerkt. Of dat nog steeds zo is laat ik in het midden, al vermoed ik dat het voor deze beelden in elk geval niet zal opgaan. Ze staan er inmiddels bijna zestig jaar en men zal er aan gewend zijn geraakt. Gehecht zelfs, misschien. Het zijn figuratieve beelden met herkenbare dicht bij huis onderwerpen als moeder en kind, het gezin, spelende kinderen en traditioneel nostalgische voorstellingen als een wasvrouw en een visserman. Dát is tenminste kunst, zal men hier tegenwoordig van denken, heel wat beter dan al die moderne rotzooi waarvan je niet eens weet wat het voor moet stellen. Maar misschien valt dat ook wel mee, je weet het niet.



Vlnr: Loeki Metz en twee van haar werkstukken: de Erasmuspenning en het beeld Drie Schildpadden dat in Rotterdam staat.

De provinciaaltjes’ is een beeld van Loeki Metz (1918-2004), beeldhouwer en penningmaker. Zij was enig kind uit een welgesteld Joods huwelijk. Vanaf 1937 studeerde ze beeldhouwen aan verschillende kunstacademies in binnen- en buitenland. Vanwege haar Joodse afkomst werd ze in 1942 gedwongen de Rijksacademie te verlaten en onder te duiken. Op haar onderduikadres boetseerde ze beeldjes van klei, omdat dat geen lawaai maakte. ‘Wanneer je opgaat in je vak kun je veel vergeten’, zei ze daar later over. Ze stond bekend als een eigenzinnige vrouw. Het meeste succes had Metz misschien met haar werk als penningmaker, zo ontwierp ze het koninklijk grootzegel, maar ze is ook altijd blijven beeldhouwen. In Zandvoort, Rotterdam en Amersfoort staan daar voorbeelden van.



Vlnr: Wilfried Put op jonge leeftijd aan het werk en van zijn hand: de Breitnerpenning en het beeld Scrum 3 dat in Leusden staat.

De wasvrouw’ werd gemaakt door Wilfried Put (1932-2016), beeldhouwer, tekenaar en penningmaker. Geboren als één van de elf kinderen van de hoofdonderwijzer der katholieke dorpsschool in De Rijp. Na een opleiding in de edelsmederij koos hij uiteindelijk voor de penningkunst en het beeldhouwen. Put was een man die het liefst wat op de achtergrond bleef, rustig werkend aan zijn oeuvre. Als penningmaker had de portretpenning zijn voorkeur. ‘Dat vind ik het meest interessante,’ zei hij daar over. ‘Je bent met mensen bezig. Alles van diegene die erop staat, moet er ook staan. Het is niet zomaar een kiekje, het moet méér zijn, je moet de geportretteerde aanraken.’ Met de Breitnerpenning en de Van Pallandtpenning zorgde hij voor hoogtepunten in de penningkunst, wordt door kenners gezegd. Zijn beelden zijn onder meer te vinden in Zandvoort, Rotterdam, Amersfoort, Hillegom en Leusden.



De provinciaaltjes blijken trouwens ook in Rotterdam (de linkerfoto) te staan, in een duidelijk andere, grovere versie dan die van Zandvoort. Beide beelden zijn gedateerd in 1965. Je vraagt je dan af hoe dat gegaan is. Maakte Loeki Metz eerst het beeld voor Zandvoort en had ze in de tweede versie voor Rotterdam niet zo’n zin meer. Of was Rotterdam er eerst en heeft ze voor Zandvoort de kans gegrepen het beeld wat te verfijnen. Ik ben geneigd te denken dat Zandvoort er eerder was. Omdat de vrouwen op blote voeten lopen. Dat doe je wel op het strand, maar niet in de winkelstraat.

Lees meer Kunst onderweg in het archief, of op samenuitenthuis

Een vrij ernstige rekenfout

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Zandvoort naar De Zilk, gelopen op vrijdag 6 maart 2020

Eerder lieten we ons een aantal keer afschrikken door buienradar, met zijn dreigende weersvoorspellingen, en bleven we bij nader inzien liever thuis. Of vonden we, wat eigenlijk leuker was, een andere invulling voor onze gezamenlijke vader en zoon dag.

undefined

Zo kwamen we alvast in Den Haag terecht om de tentoonstelling Nooit gebouwd Den Haag te bezoeken, in het Haags Historisch Museum. Een uitje dat eigenlijk bedoeld was als sluitstuk voor de heenweg van onze lange wandeling terug naar huis, maar dat we, gezien het telkens uitstellen van etappes, niet meer zouden halen vóór de einddatum van de tentoonstelling. Nu hebben we toch gezien wat onze geboortestad door de eeuwen heen allemaal is misgelopen aan grote plannen en megalomane projekten, van een stadsmuur tot en met de wereldhoofdstad in de duinen. We hadden het niet willen missen. En te zijner tijd verzinnen we wel weer een ander sluitstuk.
Vandaag gaan we gewoon op pad. Het is vrij koud en het waait nogal, maar goed, we hebben ons nu lang genoeg laten ringeloren door buienradar, vinden we alletwee.
Per trein arriveren we in Zandvoort, waar we de vorige keer gebleven zijn, en waar sindsdien met houten vlonders vrij provisorisch een tijdelijk extra perron bij geknutseld blijkt te zijn, denkelijk in verband met de verwachte formule 1 hordes. Afgezet tegen de koninklijke bombarie waarmee dit evenement wordt omgeven oogt het allemaal wel erg knullig, menen wij, maar we bedenken ook dat de koninklijke bombarie uiteraard niet per trein zal arriveren voor zijn lawaaiig dagje uit. Blijkbaar wordt er al uitgebreid proefgereden ook, want een groot deel van de ochtend zullen we tot in de wijde omtrek van Zandvoort het gebrul van deze opdringerige rijkeluishobby blijven horen.

undefined

Omdat we er toch zijn besluiten we een stukje langs de zee te lopen alvorens terug te keren naar de route van het Nederlands Kustpad, dat we losjes volgen tot Den Haag. Op het strand heerst bijna koortsachtige bedrijvigheid om klaar te zijn voor het seizoen en de verwachte extra toeloop. Strandtenten worden opgebouwd, terrassen in ere hersteld, overal liggen grote hopen zand om het door stormen aangevreten strand weer aan te vullen, bouwverkeer rijdt heen en weer en her en der staan containers, waar waarschijnlijk de strandtenten in onderdelen in zijn opgeslagen geweest. We schrijven 6 maart. Over een week zal het land, om 18:00 uur precies, op stel en sprong in lockdown gaan om voorlopig nooit meer hetzelfde te worden. Hier ziet niemand dat nog aankomen. Wij ook niet. Oh zalige onwetendheid.
Langs het duin strekt zich de skyline van Zandvoort uit. We zien een lange rij vrijstaande huizen die de woonverdieping boven hebben om over het duin heen uitzicht op zee te hebben, en een achthoekige gemetselde toren die daar karakteristiek bovenuit steekt. Wij gaan er klakkeloos vanuit dat dit een vuurtoren is, maar later ontdekken we op internet dat de vuurtoren van Zandvoort in 1907 is gesloopt. Wat hier boven de huizen uitsteekt is de voormalige watertoren, gebouwd in 1950 en in gebruik geweest tot 1997. De typerende paddestoelvorm ontbreekt en wat wij aanzagen voor het lichthuis blijkt een restaurant te zijn geweest. Inmiddels verkeert de toren, hoewel uitgeroepen tot monument, in jammerlijke staat van achterstallig onderhoud en is zij willoos onderwerp van gesteggel tussen eigenaar, gemeentebestuur en de onvermijdelijke projektontwikkelaar in een gebied dat herontwikkeld moet worden. Je zou je hart vast kunnen houden. Als het zin had tenminste. Net als de meeste badplaatsen langs onze vaderlandse kust is ook Zandvoort ernstig aangetast door de met de jaren wijzigende inzichten over wat mooi en modern is en springen vooral intens lelijke, armoeiige en halfverloederde oostblokflats en toeristenbunkers in het oog. Achterhaalde ideeën en misvattingen over luxe en grandeur. Het grijze en koude weer zal niet bijdragen aan de sfeer maar het is moeilijk voor te stellen dat het hier met een zonnetje erop erg veel gezelliger zal zijn. Hoewel het strand altijd goed is natuurlijk. De zee is altijd goed.

undefined

Door een charmant duinachtig gebiedje – dat door Zandvoort wel erg duidelijk als hondenuitlaatstrook wordt gebruikt – laten we het strand achter ons. We moeten goed uitkijken waar we onze voeten neerzetten, de opruimplicht is hier bepaald niet populair. Langs een druk bereden weg bereiken we vervolgens de Amsterdamse waterleidingduinen waar we de rest van de dag in alle rust doorheen zullen lopen.
Net na de ingang staan twee dames wat verwilderd midden op het pad om zich heen te kijken, de telefoon in de hand. Misschien hebben ze moeite met de gps, denken wij, of de routebeschrijving of de telefoon in het algemeen, en galant als wij beiden zijn opgevoed vragen we of we misschien kunnen helpen. Als dan blijkt dat de dames een facebookpost staan te componeren trekken wij onze handen er vanaf. Er zijn grenzen aan de ridderlijkheid, we zijn Cyrano de Bergerac niet.

undefined

Als we een eindje op streek zijn horen we een specht tegen een boom timmeren. Onmiskenbaar en heerlijk geluid. Behoedzaam opeens gaan we op het geluid af en verdomd, na een tijdje zien we hem ergens hoog in een stam zitten hakken. Hij trekt zich er weinig van aan dat we een tijdje onder zijn boom blijven staan en hakt lustig verder. Verderop komen we nog een specht tegen die we in de vlucht een geluid horen maken dat in mijn oren sterk overeenkomt met de alarmkreet van een merel. Mijn zoon zou niet weten hoe dat klinkt maar neemt revanche door uitgebreid te vertellen dat een specht ’s winters de zaden uit dennenappels eet en de dennenappel dan ergens vastklemt, in een gespleten of gevorkte tak of zoiets, om de zaden eruit te hakken. En dat hij daar ook steeds hetzelfde plekje voor kiest, omdat de dennenappel daar lekker past. Dat dat een spechtensmidse heet, en dat je die kunt vinden door op de grond te zoeken naar een hoopje kapot gehakte dennenappels. Wat voor mij dus een heel nieuw verhaal is. Het is kennis die hij op school heeft opgedaan van een boswachter, tijdens een hike, en die hij hier met enthousiasme met zijn oude vader deelt. Mijn dag kan niet meer stuk.
Ondanks de kou horen we toch dat de lente weldegelijk in de lucht zit, allerlei vogeltjes doen flink hun best. Af en toe nemen we even de tijd er naar te luisteren, ook al zoiets leuks.

undefined

Al snel zien we ook de eerste reeën, allang niet schuw meer in dit gebied. Het is niet dat je ze kunt aaien maar ze trekken zich ook niet veel van onze aanwezigheid aan, onverstoorbaar wordt er door gegraasd. Verderop in de middag vinden we nog een groot deel van een skelet, uitgebleekt in de zon. De schedel ontbreekt maar we vermoeden, aan de grootte van de beenderen te zien, dat het een ree moet zijn geweest. Later word ik er door een aandachtige lezer op gewezen dat het hier niet om reeën maar om damherten gaat, waaruit maar weer blijkt dat wij ook maar wat zien.
In vroeger tijden, toen mijn jongens nog klein waren, nam ik ze mee op wandelingen die ik handig als avontuurlijke ontdekkingstocht had vermomd. Altijd vonden we iets bijzonders: gemummificeerde kikkertjes en padjes, lege eierschalen, krabbenpootjes, schelpen, mooie stenen.. en alles namen we mee naar huis voor onze immer uitdijende verzameling van dingen uit de natuur. En al is het nu meer de macht der gewoonte, of nostalgie misschien, ook nu steken we een botje in de rugzak.

undefined

Ons pad meandert ondertussen door een woest en ledig teletubbielandschap, zacht glooiend en bijna oplichtend groen van het mos dat als een tapijt de bodem bedekt zover het oog reikt, en dat is ver. Als met een fijn pennetje staan hier en daar wat tanige bomen tegen de hemel gekrast, gitzwart van het tegenlicht.
Ons plan voor vandaag was naar Noordwijk te lopen en daar de bus terug naar het noorden te pakken, volgens mijn berekeningen zou dat ongeveer 22 km zijn. Als we tegen het eind van de middag en beginnend vermoeid de gps er eens bij pakken om te zien waar we nou eigenlijk zitten, omdat ons idee daarvan niet erg met het boekje lijkt te kloppen, blijkt dat we nog 20 km hebben te gaan. Een vrij ernstige rekenfout, zou je kunnen zeggen. Even zitten we een beetje voor ons uit te sippen maar dan zien we dat De Zilk niet heel ver weg is en dat daarvandaan ook een bus rijdt. Weliswaar missen we die op een haar, waardoor we besluiten de resterende 4 km naar station Hillegom te lopen, waar we geheel naar verwachting ook de sprinter naar Haarlem op een halve minuut missen.. maar we zijn wel voor het donker thuis.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

Twee vervelende kerels

In deze nieuwe rubriek, Kunst onderweg, kijk ik wat ik te weten kan komen over het openbaar kunstbezit waar je anders maar aan voorbij zou lopen, langs de route die je wandelt.



Aan de haven van Medemblik treffen we een beeld van twee mannen in brons. Twee bonkige mannen zijn het, zeebonken zo te zien, met noeste, verweerde koppen. De één draagt een dichtgeknoopte schippersjas met een dubbele rij knopen, een schipperspet op het hoofd; de ander een matrozenkiel met bijbehorende kraag en een wollen mutsje. De schipper staat met de handen in de zakken, enigszins wijdbeens, het gewicht op het linkerbeen, het rechterbeen wat naar voren, de rechterschouder wat naar achteren in een zeer afwachtende houding. De matroos zit zwaar manspreadend iets voorover gebogen stoer te zijn op een bolder, de rechterelleboog leunend op de rechterknie, de hand losjes tussen de benen hangend, de linkerarm naar achter gebogen met de hand naar binnen gedraaid op de knie. Met norse blikken kijken ze uit over de haven die aan hun voeten ligt, ieder een andere kant op. Van wat ze daar zien denken ze heel duidelijk het hunne. De matroos lijkt iets te zeggen. Iets laatdunkends zal het zijn, aan zijn gezichtsuitdrukking te zien. De schipper doet er gemelijk het zwijgen toe, maar dat hij het ook niet fraai vindt lijdt geen enkele twijfel. Dat ís niks en dat wórdt niks, weten ze allebei. Maar het verbaast ze allemaal niet.



De beste stuurlui….., heet het beeld, met maar liefst vijf omineuze puntjes inderdaad. We lezen het op de bijbehorende plaquette. Het is ontworpen door J. van Velzen, een plaatselijk vrij bekend en geliefd kunstenaar uit Wervershoof, in opdracht van het gemeentebestuur, ter gelegenheid van 700 jaar stadsrechten voor Medemblik, in 1989. Betaald door de bevolking, het bedrijfsleven en verschillende cultuurfondsen, staat er ook nog bij.
Je mag dan dus aannemen dat het beeld iets van een ode is aan Medemblik, een lofzang op de Medemblikker. Dat hier twee typisch Medemblikker zeelui staan. Westfriezen. En zo op eerste oog klopt dat ook wel want Westfriezen staan bekend als stugge lui. Mannen van weinig woorden en nogal een dunk van zichzelf. Trots volk. Niet snel bereid iets van een ander aan te nemen en al helemaal niet wanneer het van een niet-Westfries komt. Dat is aan deze twee mannen wel af te zien. Goed getroffen dus. Toch heeft het ook iets vreemds, want zeker in combinatie met de omineuze puntjes en het feit dat deze beste stuurlui inderdaad aan wal staan zijn dat nou niet bepaald eigenschappen om zo uitgebreid prat op te gaan, met een groot bronzen beeld. Hier staan dus gewoon twee vervelende, chagrijnige betweters. Mooie ode is dat. Lekkere lofzang.
Immers, in het spreekwoordenboek van ene Carolus Tuinman uit 1727 wordt over beste stuurlui die aan wal staan al geschreven: “Die aan land van verren een schip in storm op de zee zien, plegen zich in te beelden, dat zy ’t beter zouden te recht stieren en redden, dan die er in zyn, terwyl zy in zulk een ongeval meer raadeloos en handeloos zouden staan.”
Of, zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal het iets moderner uitlegt: “Het is gemakkelijk om te zeggen hoe iemand zou moeten handelen, of om kritiek uit te oefenen, wanneer men zelf niet voor de moeilijkheid staat”.
Het lijkt in deze maanden van corona en pandemie over de Nederlandse volksaard in het algemeen te gaan, maar we kunnen het er toch over eens zijn dat het spreekwoord in elk geval niet complimenteus is bedoeld.
De vraag is dus: waarom maakte Jan van Velzen, zelf ook Westfries, een beeld van twee vervelende kerels als eerbetoon aan Medemblik? Is de Westfries zó trots op zijn volksaard dat zelfs die eigenwijze betweterigheid van beste stuurlui aan wal als iets moois en positiefs wordt gezien? Het zou kunnen, de vreemdste dingen worden als onvervreemdbare culturele identiteit verdedigd tenslotte, en vervelender kerels staan op sokkels her en der. Het kan ook zijn dat Jan van Velzen het zo gezien heeft dat niets menselijks de Medemblikker vreemd is en dat ook die onderling altijd wat te snarken heeft. Of heeft de kunstenaar met licht spottende ondertoon willen illustreren dat de haven van Medemblik, ooit een haven van betekenis, nu vooral een sporthaven is, waar amateurschippers hun kunsten vertonen, met hun plezierjachten en luxeboten, waar voor de betere stuurman, die aan wal buiten spel staat gezet, wel regelmatig wat op aan te merken zal zijn. Dat het hardwerkende verleden hier als het ware met lede ogen en wat meesmuilend op het lichte, zorgeloze heden staat te kijken.

undefined

Jan van Velzen aan het werk in zijn atelier aan het wasmodel voor Moeder en kind, in brons te zien in Onderdijk bij Wervershoof

Dat laatste zou best eens dicht naast de waarheid kunnen liggen wanneer we de carrière van de kunstenaar bekijken. Jan van Velzen (1931-2020) werd geboren in een tuindersgezin in Onderdijk bij Wervershoof, als één van negen kinderen. Tot 1981 was hij zelf ook tuinder, voornamelijk bloembollenkweker, een hardwerkend bestaan. Zonder strijd geen overwinning, was zijn calvinistisch motto. Toch sluimerde in hem altijd een verlangen naar meer, naar iets lichters, naar schoonheid. Als kind al boetseerde hij figuurtjes, met de klei van het land, en hoewel een studie aan de kunstacademie er niet in zat bleef hij, naast zijn tuindersbedrijf, wel altijd beelden maken. Als beeldhouwer was hij een getalenteerd autodidact. Onderwerpen vond hij dicht bij huis: het huiselijk leven, dieren, portretten en de werkende mens. Pas in de jaren tachtig legt hij zich toe op een carrière als kunstenaar. En niet zonder succes want in het gebied rond Wervershoof zijn, behalve de Stuurlui, meerdere beelden van hem te vinden, zoals De Dijkwerker in Onderdijk, Paulus Potter en Geit in Enkhuizen en Vrijheid in Zwaagdijk-Oost.

Lees eventueel meer afleveringen van Kunst onderweg op samenuitenthuis, weblog van een wandeling langs het Grootfrieslandpad.

Historiën ende geschiedenis

cropped-p1080231.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Twisk naar Wervershoof, gelopen op donderdag 20 februari 2020

Het is 20 februari dat wij de etappe Twisk Wervershoof lopen, het lijkt vandaag een eeuwigheid geleden. Het coronavirus is nog iets buitenlands, iets ver van onze veilige warme bedjes dat bovendien ook wel weer zal overwaaien, of met een sisser af zal lopen. Ik kan het me niet precies herinneren, maar ik geloof niet eens dat het in onze gesprekken onderweg aan bod is gekomen, hoewel we de actualiteit zeker niet schuwen. Wel hadden we het over repetities, voorstellingen, concerten en tournees voor onze bands en toneelgezelschappen. Plannen voor een groots verjaardagsfeest. Overbodig hier nog het roet te vermelden dat niet veel later met handenvol in het eten werd gegooid, de geschiedenis is genoegzaam bekend.
Ook het gezamenlijk wandelen werd er al snel voorlopig aangegeven. De lange autoritten vielen niet per se onder het kopje noodzakelijk reizen en met z’n tweeën in de auto was in ons geval al niet eens meer toegestaan. De moed om dan nog eens een wandelweblog bij te gaan zitten houden zonk ons daarmee ook behoorlijk in de schoenen. Wij zijn blijkbaar niet van die montere types die van de nood meteen een deugd maken. Onze zolders zijn niet opgeruimd, onze buitenboelen niet opnieuw geschilderd. En nu zitten we met de gebakken peren want nu de Grote Versoepeling is ingetreden staat de eerste afspraak toch maar weer gepland en lopen wij straks hopeloos achter. Om het verhaal toch compleet te houden duiken we dus nu alsnog de herinnering in. Kijken wat er is blijven hangen.

P1080127

In Twisk, waren we gebleven. Een glanzend lintdorp van twee kerken, een handvol Westfriese woonhuizen en vele, vele goed onderhouden en rijkversierde, oude stolpboerderijen die waarschijnlijk stuk voor stuk op de monumentenlijst staan. Het laat zich aanzien dat Twisk altijd een op zijn minst welvarend dorp is geweest. En nog steeds is. Het is bepaald geen straf er voor een tweede keer doorheen te lopen, we wijzen elkaar op fraaie details, daklijsten als kanten kragen, rond metselwerk en gebeeldhouwde voordeuren. En omdat er nauwelijks ruimte is om auto’s te parkeren komt het allemaal goed tot zijn nostalgisch oudHollandsch recht.
Even buiten het dorp staat bescheiden het station, als monument voor de inmiddels ook al weer ouderwets geworden moderne tijd van toen. Twisk, staat er fier te lezen. Zwarte kapitalen op een witgeschilderd vlak op de gevel. Vandaag alleen nog een halte voor de toeristische stoomtram, maar in vroeger tijden een serieus plattelandsstation langs de spoorlijn Hoorn Medemblik van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Met dienstwoning en al. Gebouwd in 1887. Tot 1936 was de spoorlijn in gebruik voor passagiersvervoer en nog tot 1972 voor goederenvervoer.

P1080134

Via buurtschap ‘t Westeinde gaat Twisk naadloos over in Opperdoes, bekend uiteraard van de Ronde, de aardappel die alleen zo mag heten wanneer hij binnen een straal van een kilometer rond de Opperdoezer kerk van de zavelgrond wordt gerooid. En vanwege het kenmerkende delicate schilletje gaat dat nog traditioneel met de hand ook, lezen wij, zodat het ons misschien niet eens echt erg lijkt dat het om een niet al te uitgestrekt gebied gaat. Maar goed, voor de mythevorming kan het geen kwaad: het schijnt dat voor het eerste kistje Opperdoezer Ronde dat op de markt komt, gelijk het eerste vaatje nieuwe haring, goud geld wordt betaald. Maar wij schrijven februari. Het is nog te vroeg.
Als we de buitenwijken van Opperdoes binnentrekken treffen we een postbode op de fiets, fluitend doet hij zijn ronde. Als hij ons ziet, met onze rugzakken en camera’s, roept hij ons toe wat een mooi dorp het toch is. Op ons vragen bevestigt hij wat wij al vermoeden: hij is geboren en getogen in Opperdoes en nooit meer weggegaan. U bent een echte Opperdoezer, roepen wij. Het flauwe Ronde slikken we net op tijd in.

P1080153

Zodra we de buitenwijk achter ons laten en het oude Opperdoes betreden krijgt de postbode trouwens wel gelijk, het is inderdaad een mooi en oerHollandsch dorp. En met die vaart in het midden, met voor ieder huis een brug erover, roept het associaties op met Fanfare, de film, zoals u weet, van Bert Haanstra. Er wordt, zo lezen wij, dan ook wel gesproken over het Giethoorn van Noord Holland. Als je dan bedenkt dat Giethoorn op zijn beurt het Venetië van het Noorden wordt genoemd, dan moet Venetië toch eigenlijk wel weer het Opperdoes van Italië zijn.
Langs wat ooit de Zuiderzee was schampen we Medemblik. We passeren kasteel Radboud, rond 1288 gebouwd door Floris de Vijfde, die destijds een ring van dwangburchten rond het zojuist door hem onderworpen West Friesland liet aanleggen om de rebelse Westfries eronder te houden en de oostelijke Fries te weren. Het mocht hem niet baten, in 1296 werd hij zoals we weten door de edelen vermoord en kwamen de Westfriezen, opgejut door de bisschop van Utrecht, opnieuw in opstand. Een geschiedenis waar we eerder in Krabbendam al langs liepen. Het kasteel dankt zijn naam aan het verhaal dat het gebouwd zou zijn op de fundamenten van het kasteel van Koning Radboud der Friezen, die ergens in de achtste eeuw zijn troon in Medemblik zou hebben staan. Enfin, historie te over in Medemblik.

P1080240

Wat te denken in dat kader van het Nederlands stoommachinemuseum. Omdat we toch een korte etappe lopen en de wind op zijn Noordhollandst is besluiten we tot een bezoekje. Het museum is gevestigd in het stoomgemaal Vier Noorder Koggen, dat vanaf 1869 een steeds groter wordende rol speelde in het drooghouden van de polders rond Medemblik. Aanvankelijk ter ondersteuning van de 24 poldermolens, die het karwei tot dan toe alleen hadden geklaard. Het gemaal spuide het door de molens opgevoerde water op de Zuiderzee. Na een uitbreiding van het gemaal werden de molens overbodig en op de toppen van zijn kunnen verplaatste het tot 800.000 liter water per minuut. We lezen het op internet. In 1975 werd een elektrisch gemaal in gebruik genomen en kon het stoomgemaal met pensioen. Vrijwilligers redden het van verval en ondergang en houden het tot op de dag van vandaag gaande. Het is zelfs wel voorgekomen, in 1998, in extreme weersomstandigheden, dat het oude stoomgemaal moest bijspringen om de boel droog te houden, een verhaal dat niet geheel ontriomfantelijk wordt gememoreerd door de vrijwilligers die wij in het ketelhuis spreken. En terecht natuurlijk. We zijn het uitvoerig met elkaar eens dat het schitterend is allemaal, al deze onverwoestbare machines, van meer dan honderd jaar oud soms, die nog altijd tevreden puffend en snorrend zonder problemen hun werk staan te doen. Draaien, pompen, trekken, duwen. Kom er nog eens om, in onze verdorven Action wegwerp maatschappij, waar de spullen al kapot zijn voor je ze goed en wel uit de milieuonvriendelijke verpakking hebt. Het enige dat aan deze machines ooit kapot is gegaan, pochen de vrijwilligers nu een beetje, is de fabrikant ervan. Die maakte de spullen te goed. Van dat enkele onderdeel dat soms nog geleverd moest worden viel niet meer rond te komen. En kijk ook eens naar het gebouw zelf, roepen we elkaar toe. Een industrieel gebouw nota bene, dat duidelijk met liefde en aandacht voor schoonheid en detail is ontworpen. Gebouwd voor de eeuwigheid. Wel even wat anders dan de liefdeloze, fantasieloze golfplaatwoestenij die vandaag de dag rond onze dorpen en steden woekert.

P1080278

Als we klaar zijn met onze ouwe mensen praatjes gaan we opgewarmd weer op weg, langs het IJsselmeer, richting Wervershoof. Het is overal erg nat, we soppen over het graspad, tot we niet verder kunnen zonder een vrij grote en enkeldiepe plas te doorwaden. Een weg eromheen is er niet. Heel even overwegen we de overtocht op blote voeten te maken maar besluiten, na enige aarzeling voor de vorm, dat het daarvoor te koud is. Als doorgewinterde Hollanders proberen we een soort van dijk te bouwen, met wat flinke takken van een verderop gesnoeide wilg maar uiteindelijk lopen we terug en maken een omweg, om het probleem heen. We zijn moderne Hollanders tenslotte. In Wervershoof trekken we de wandelschoenen uit en rijden terug naar onze huizen. De coronacrisis en de lockdown tegemoet. Maar dat weten we dan nog niet.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling

De dunne grenzen van het fatsoen

cropped-p1070905.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Santpoort Noord naar Zandvoort, gelopen op vrijdag 22 november 2019

Omwille van het klimaat en andere praktische overwegingen bereizen wij de etappes van onze lange wandeling naar huis met het openbaar vervoer. Dat is niet altijd even comfortabel. Vooral op de terugweg, die zich na een dag wandelen uiteraard door de avondspits beweegt, moeten we vaak tot boven Alkmaar genoegen nemen met een krappe staanplaats in een afgeladen halletje, of, als we geluk hebben, met een plakkerige zitplaats op een smerig trappetje. Het is niet anders. Wie het klimaat wil dienen moet offers brengen. Vanuit dat perspectief bezien zou je het ook als bemoedigend kunnen ervaren dat de trein zo goedgevuld is, al is het dan met gratis reizende studenten. Ik wil daar niet meteen een oordeel over hebben.

P1070778

Waar ik wel meteen een oordeel over heb, is de jongeman die we in onze eerste trein op de heenweg aantreffen. Lang- en breeduit uitgestrekt neemt hij samen met zijn rugzak een hele vierzitter in beslag, in een verder behoorlijk gevulde coupé. Hij houdt zich slapend en reageert niet op onze afwachtende aanwezigheid naast zijn koninkrijk. Zijn kapsel zit onberispelijk in model gekamd en geboetseerd, maar voor de rest ziet hij er wat smoezelig uit. Er zitten vlekken in zijn shirt, er liggen croissantkruimels op zijn jas en er hangt een meer dan vage dranklucht om hem heen. Mijn zoon wurmt zich mild en toegeeflijk tussen verschillende ledematen door naar de moeilijk bereikbare restanten van een zitplaats, maar ik heb het opeens wel even gehad met dat hedonistische, verwende, onverschillige en egocentrische millennialgedrag. Okay, dan maar een boomer. Ik duw wat tegen zijn schouder en roep iets over zitten, en plaats maken, wat dan uiteindelijk met gepaste onwilligheid gebeurt. Zolang we tegenover elkaar zitten blijft hij gedrogeerd knikkebollen. Niettemin lijkt hij op weg te zijn naar school, gezien het tijdstip op de dag, de rugzak en het station waar hij uitstapt. Ik heb ernstig medelijden met degene die zuks in de klas heeft zitten.
In de sprinter naar Santpoort Noord zijn we zelf de aso’s, al is het per ongeluk. Zo dun is die scheidslijn nou eenmaal en daarom moeten we er ook zo voorzichtig mee omgaan. Om de reistijd aangenaam te vullen hebben mijn zoon en ik, in de veilige beslotenheid van onze tweezitter, een gesprek over de thema’s van de tijd en zo komt, het is eind november, ook Sinterklaas langs, met zijn omstreden knecht. Zelf hebben wij daar nogal randstedelijke ideeën over, die in onze nieuwe woonomgeving echter maar nauwelijks worden gedeeld, zodat het fijn is het daar nu toch eens over te kunnen hebben, zonder op eieren te lopen. Zonder het gevaar ruzie te krijgen met iemand waar je helemaal geen ruzie mee wilt hebben. Als we zo een tijdje gemoedelijk in onze eigen bubbel hebben zitten schimpen en smalen, blijken we toch niet alleen te zijn geweest. Tussen de banken door wordt ons een verstoorde blik toegeworpen door een vrouw die voor ons zit, zo blijkt. Met, zo blijkt meteen daarna, een zoontje in de gelovige leeftijd. Snel en beschaamd veranderen we van onderwerp, al zal het te laat geweest zijn. Maar goed, ter onzer verdediging zij opgemerkt: wie rekent er heden ten dage nou nog op dat er kinderen in de trein zitten zónder witte oordopjes en hypnotiserende beeldschermpjes.

P1070798

In Santpoort pakken we met horten en stoten de draad van het Nederlands Kustpad weer op. Dat zal ons ons naar Den Haag brengen, onze geboortestad. Er wordt hier bepaald niet scheutig omgesprongen met de vertrouwde roodwitte markeringen en we rommelen wat heen en weer, slaan op goed geluk wat links- of rechtsaf hier en daar, maar vlak voordat het mopperen wordt komt het goed. Zoals altijd, het komt altijd goed. We lopen door en over de Duin en Kruidberg richting de zee, richting het strand. Het eerste stuk, de Heerenduinen, is een bebost gebied. De bomen zijn overwegend kaal, het bos doet grijzig aan, hoewel de zon er doorheen schijnt en het zwerk blauw is.
Aan de rand heeft zich een kuddetje konikpaarden opgesteld. Schijnbaar onbewogen staan ze dwars over het wandelpad hun ziel in lijdzaamheid te bezitten. Ik kan het niet laten wat foto’s te maken en ik ben niet de enige, ik moet de nodige moeite doen de paarden er zonder felgekleurde medewandelaars op te krijgen. De paarden zal dat allemaal worst wezen, zolang het geen paardenworst is natuurlijk. Er gaan er wat op hun rug liggen rollen, wat een leuk, aandoenlijk gezicht is. Taalkundig wikiweetje dat ik tegenkwam toen ik voor de zekerheid even checkte of dit inderdaad konikpaarden waren: dat zijn het dus niet. Het zijn koniks. Konik is het Poolse woord voor paardje, kon is paard. Het is een Pools ras oorspronkelijk, vandaar. Als we het over konikpaarden hebben, mensen, hebben we het dus eigenlijk over paardjepaarden, wat natuurlijk geen gezicht is, als woord. Weer iets geleerd.

P1070826

Verderop stuiten we op een boom die onze aandacht trekt. Het is een flinke wilg, zwaar toegetakeld door het bestaan en de elementen. Geblakerd, ingestort, afgebroken, hol, zonder schors en uitgebeten, maar wonderbaarlijk genoeg gedeeltelijk ook nog levend. Nieuwe twijgen wachten geduldig op de lente, die zeker weer komen gaat. We bestuderen het wrak een tijdje en vragen ons af of de bliksem hier misschien is ingeslagen, of dat er fikkie in is gestookt. We gaan even uit van het eerste. We zien de restanten van zo’n knoest waar heel veel kleine takjes aan hebben gezeten. Wat we zien moet het bewateringssysteem geweest zijn, een verzameling afgebroken houten buisjes. Maar weer eens onder de indruk van de natuur en haar veerkracht lopen we door. Misschien, denken we, dat als wij mensen de boel definitief voor onszelf hebben verpest, de natuur, opgelucht allicht, er wel weer bovenop komt. Aan de horizon achter ons, als om deze gedachte te illustreren, steekt nog regelmatig de dampende en rokende skyline van IJmuiden boven de duintoppen uit.
Door een meer open gebied, lichtgevend groen bemost met grijze doornenstruiken en naar de wind gevormde, mismaakte boompjes, knoestig, weerbarstig, zwart afstekend tegen de blauwe lucht, naderen we de zee, we horen haar al ruisen. Steeds meer paden blijken onder water te staan en ook flinke stukken duin lijken te zijn ondergelopen. De aanhoudende regen van de afgelopen tijd, nemen wij aan. Het is moeilijk voor te stellen dat er nog een probleem met een te laag grondwaterpeil zou zijn, bij deze aanblik, maar we weten het niet.
Dan draaien we het strand op, lopen een stukje langs die goeie ouwe branding, met de lage zon in de ogen en Zandvoort opdoemend uit de heiigheid in de verte. Druk is het niet. Een enkele wandelaar, een misplaatst ogende kraai en een groepje kantoormannen waarvan we bij het verlaten van het strand concluderen dat ze met ov fietsen zijn gekomen. Een teamuitje dus, waarschijnlijk. Een heisessie op het strand. Al wandelend langs de branding nieuwe ideeën opdoen, een verfrissende kijk op de zaken. Een beetje sparren, of zoiets. Wij spelen even met de gedachte een aantal van die identieke ov fietsen om te ruilen en zo de hernieuwde teamgeest op de proef te stellen. We verkneukelen ons bij voorbaat in het gedoe dat zal ontstaan, maar we doen het niet natuurlijk. De pret van de gedachte volstaat.
Bij Parnassia aan zee trekken we weer landinwaarts richting Haarlem, door de Kennemerduinen, grijsgroene glooiingen rond een aantal grote waterplassen en gelardeerd met het eeuwig donkergroen van naaldbossen. We klimmen en dalen over mulle zandpaden maar moeten elders ook regelmatig op zoek naar een alternatieve strook grond waar we de voeten droog neer kunnen zetten.

P1070898

In de berm vinden we een libelle, een rode libelle. Op sterven na dood, dat behoeft geen verwondering deze tijd van het jaar. Door hem op te pakken verstoren wij zijn sterfbed hoogstwaarschijnlijk, wat misschien niet kies is van ons, maar goed, het was al gebeurd voor we er bij nadachten. Hij valt bijna uit elkaar en heeft geen puf meer om te vliegen, met de laatste kracht klemt hij zich dan maar aan deze vreemde vinger vast, berustend in ieder lot. Is dat zielig, bij een libelle, vragen wij ons af. Moeten we ingrijpen, hem uit zijn lijden verlossen? Is er sprake van lijden? We weten het niet. We bekijken het beestje een tijdje en zetten het dan terug in de berm, waar de natuur dan haar loop maar moet hebben. Weer thuis lees ik in het tijdschrift van Landschap Noord Holland iets over de zeldzame vuurlibelle die onlangs weer rond de Noordhollandse duinwateren zou zijn gesignaleerd. Meer waarschijnlijk hebben we hier te doen met de steenrode heidelibelle. Die is algemeen voorkomend, lees ik, en vliegt nog net in november. Dus dat zou kloppen. De bloedrode heidelibelle, die ook nog bestaat dus, vliegt slechts tot oktober. Dan zou dit wel heel erg een latertje zijn. Uiterlijk kunnen we op de bijgeleverde plaatjes trouwens maar nauwelijks verschillen tussen deze drie types ontwaren. Geen eigenlijk.
Verder richting Haarlem passeren we een roze granieten steen met moeilijk leesbaar opschrift. Het blijkt te gaan om een oorlogsmonument en het is één steen uit een serie van acht die hier in de duinen is neergezet ter nagedachtenis aan de vele gijzelaars en verzetsmensen die hier in de oorlog gefusilleerd zijn. In 45 anonieme en ongemarkeerde massagraven is een gedeelte van de lichamen na de oorlog teruggevonden, de meesten daarvan zijn inmiddels herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Op elk van de stenen staat vermeld hoeveel mensen er rond die plek lagen begraven. Nog veel meer mensen zijn nooit teruggevonden omdat zij na hun executie gecremeerd werden, de bezetter wilde met dit alles voorkomen dat haar slachtoffers een eervol graf zouden krijgen. Dat de oorlog nog altijd leeft blijkt uit de grote hoeveelheid steentjes, gekleurde scherfjes en dennenappels die op het monument zijn gelegd, klaarblijkelijk als eerbetoontjes, weten we sinds Daan Roosegaarde met dit idee aan de haal ging.

P1070919

Bij Overveen, vlak voor Haarlem, kiezen we voor de routeverkorting van het Kustpad. De rondwandeling door Haarlem hoeven we niet per se te maken, vinden we eensgezind, we zijn tenslotte op weg naar Den Haag en hoewel dat nou ook weer niet helemaal kaarsrechttoe rechtaan hoeft natuurlijk, kun je ook overdrijven. Door het Brouwerskolkpark, langs een afwateringskanaal, lopen we richting Kraantje Lek, waar volgens de berichten 17e eeuwse vissersvrouwen, zeulend met emmers verse vis van Zandvoort naar de markt in Haarlem, het water in hun emmers verversten. Zich verfristen met een slok.
Met het zicht op een klein, wat lager gelegen parkeerterrein horen we een knal, het onmiskenbare geluid van blikschade en sneuvelende no claim kortingen. We zien het onder onze neus gebeuren ook nog. Een kek tweepersoons sport bmwtje parkeert achteruit uit en boort zijn achterwerk voortvarend in de achterbumper van een robuust bedoelde bmw suv. We bevinden ons onder de openhaardrook van Haarlem, het is een deftig parkeerterrein. Hoewel je daar meteen je aantekeningen bij kunt zetten want hoewel het een tamelijk bruuske en luidruchtige botsing was, verlaat het kekke sportautootje de plaats des onheils zonder omkijken of pardon. De schade aan de getroffen bumper is niet onaanzienlijk zien wij bij nadere inspectie, wat ook te denken geeft voor een suv natuurlijk, maar laten we die weg niet inslaan. Wij besluiten dat we dit niet zomaar kunnen laten passeren. We noteren het kenteken van het kekke sportautootje en schrijven een briefje met ons telefoonnummer voor onder de ruitenwisser. Nog vóór Zandvoort worden we gebeld en brengen we verslag uit van wat we gezien en gehoord hebben. Op een bomvol perron 4 van Sloterdijk worden we dan nogmaals gebeld en krijgt het verhaal een wat onwaarschijnlijke wending. De eigenaar van de suv had bij toeval op een parkeerterrein van een restaurant de sport bmw met ons kenteken zien staan, had de bestuurder ervan binnen aan de koffie getroffen en haar aangesproken op het gebeurde. Waarop die dat, deftig en al, in alle toonaarden ontkende, getuigen of niet. Truth is stranger than fiction, Mark Twain schreef het al. Hoe het afgelopen is weten we niet, maar het geval, en de slechtheid van de mens, heeft ons nog geruime tijd bezig gehouden.

P1070936

We komen langs het landgoed Elswout, waarvan ik weet dat daar de geweldige kinderserie Loenatik werd opgenomen, waar ik altijd met veel plezier naar keek, met mijn kinderen, maar waar mijn zoon dan weer geen enkele herinnering aan blijkt te hebben zodat ik me moet gaan afvragen of ik dat dan met mijn dochter keek, en hoe oud die serie dan eigenlijk alweer is en, niet in de laatste plaats, hoe oud ik zelf dan in godsnaam ben. En of ik dat nog wel wil weten.
Door de duinen gaat het dan langs het spoor naar Zandvoort. Het begint al wat te schemeren en wanneer we langs hetzelfde spoor met de trein Zandvoort weer uit rijden is het buiten nacht. En half vijf ‘s middags. Het veelbesproken circuit, waar we om die reden een kijkje wilden nemen, laten we voor de volgende keer.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Met die boten en die kranen en dat water

cropped-p1070696.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis*, van Beverwijk naar Santpoort Noord, gelopen op vrijdag 25 oktober 2019

We doen een korte etappe vandaag, het is niet anders. De eerste mogelijkheid om met het openbaar vervoer weer thuis te komen, na ons startpunt in Beverwijk, zou Overveen zijn en dat is, gelijk Omsk, net iets te ver weg. Daarnaast moet mijn zoon op tijd thuis zijn voor het één of ander en wordt het ook nog eens steeds vroeger donker want we zijn al aardig in de herfst terechtgekomen, kortom.. we besluiten tot Santpoort Noord te gaan en er daar, omdat dat dan wel weer een beetje erg weinig is, een extra rondje over landgoed Duin en Kruidberg aan vast te breien. Dat is ook geen straf.

P1070661

Vanaf station Beverwijk volgen we een plaatselijke route die ons door een park en weg van de weg helemaal niet slecht bij het Nederlands Kustpad terugbrengt, tot Den Haag is dat namelijk de route die we volgen. Dat we dat nu precies de verkeerde kant op doen is ons eigen gebrek aan oriëntatievermogen en richtinggevoel, een erfelijk dingetje. De schade blijft beperkt tot hooguit een kwartiertje, door een waarschuwingsbord dat ik mij herinner van mijn eerdere wandeling langs het Kustpad, jaren geleden alweer. Een bord dat waarschuwt voor de mogelijke aanwezigheid van munitie, met het verzoek melding te maken van eventuele vondsten van dien aard. Dat wil je wel onthouden. Het Kustpad liep ik jaren geleden de andere kant op dan vandaag, toen had ik geen andere keuze dan dit levensgevaarlijk terrein doorkruisen, nu kunnen we met een gerust hart omdraaien.
Langs de immense fabriekscomplexen en schoorstenen van het op een paar huizen na onaantrekkelijke Velsen Noord lopen we dan in de goede richting van het Noordzeekanaal en de overtocht met de pont, een tweede associatie met de onvolprezen Drs P.

P1070694

Vanaf het water zien we de lucht behoorlijk betrekken. Vieze, donkergrijze wolken pakken samen, verduisteren de lucht en dreigen ons er straks eens even flink van te laten lusten. Geen prettig vooruitzicht. Maar het kleurt wel aardig bij wat we aan de einder zien staan aan rook uitbrakende ingewikkelde installaties van pijpleidingen, hijskranen, vaalwitte blokkendozen, windmolens en silo’s. De geïndustrialiseerde samenleving luid en duidelijk in beeld. Een charmant klein, rond wachtershuisje met een windvaantje op zijn oranje koepeltje staat daar tegen af te steken als lief klein monument voor hoe het ooit begon. Een binnenvaartschip neemt met veel waterverplaatsing de bocht en vaart uit beeld naar het noorden, twee personenauto’s op het achterdek.
Je zou kunnen denken dat wij dit dan lelijk vinden allemaal, maar dat is niet zo. Zo zitten wij niet in elkaar. We lopen door Noord-Holland en dit hoort daar dus ook bij. Het kan niet allemaal ongerepte natuur zijn tenslotte, voor zover dat in ons land bestaat dan want de natuur krijgt hier de tijd niet om ongerept te zijn, denken wij wel eens. Er ligt altijd wel weer een nieuwe visie klaar. Maar goed. Hier aanschouwen wij dan het industrieel landschap en dat heeft in al haar onsmakelijke lelijkheid toch ook weer iets moois. Alles is puur functioneel, nergens is moeite gedaan het mooier te maken dan dat. Het is wat het is. Het heeft iets stoers ook, met die boten en die kranen en dat water. Het roestige, het bonkige.. het heeft iets romantisch ruwe bolster blanke pitterigs. Al stemt het ook droevig uiteraard dat het onderhouden van onze beschaving, onze eeuwige honger naar groter en meer, blijkbaar zoveel vuiligheid moet veroorzaken.

P1070717

Aan de overzijde lopen we een klein stukje landinwaarts met het Noordzeekanaal op en komen dan in Velsen Zuid. Een zeer charmant en nostalgisch authentiek ogend plaatsje van oude, meest bakstenen huizen en huisjes die stuk voor stuk een bordje dragen waarmee ze tot rijksmonument zijn verheven, plus zo’n gezellig bruin anwb bordje met toeristische informatie over het hoe en wat. Zo komen we langs het bepaald niet onriante witgepleisterde huis van de dorpstimmerman, het cachot, de woning van de vroedvrouw, het diaconessenhuis, het huis van de metselaar en nog zo het een en ander. Mede door het witte hek dat toegang biedt aan het plaatsje lijkt het of we door een openluchtmuseum wandelen. Maar ook Velsen Zuid blijkt niet zo ongerept als het er in eerste instantie uitziet. Op een groot informatiebord bij de kerk lezen we dat de helft van het dorp in de loop der afgelopen jaren is verzwolgen door het kanaal, dat sinds de opening in 1876 steeds breder moest worden. Iedere uitbreiding, de laatste en grootste in 1969, ging ten koste van een stukje Velsen Zuid. Onder meer de kweekschool, twee dokterswoningen, de smederij, de bakkerij, de slagerij en het postkantoor werden het slachtoffer van de groei-economie. Het stukje dat vandaag nog gespaard is gebleven is tot beschermd stadsgezicht uitgeroepen. Dus nu is het veilig. Zou je kunnen denken.
Aan de overkant zien we nog een monument staan, een moderner monument, maar een monument. Vier hoge en vier lage grijze achthoekige torens in formatie bijeen steken rank omhoog, naar boven iets taps uitlopend, met ieder bovenin rondom vijf rijen witte vierkante venstertjes. Het geheel biedt een licht geheimzinnige, ietwat oosterse aanblik. Maar het zijn gewoon de noordelijke schoorstenen van de ondergrondse ventilatieschachten van de Velsertunnel, aan de zuidkant staat nog zo’n complex. Gebouwd in de vijftiger jaren, tegelijk met een van reeds genoemde verbredingen van het kanaal.

beeckestijn

Met een tunneltje steken we de weg over en lopen dan landgoed Beeckestijn binnen. Een deftige bedoening met lange herfstige bomenlanen, een geschulpte vijver, een zichtlaan naar een wit landhuis, koetshuizen, een fraaie slangenmuur om de groentetuin en wat kitscherige witte beelden die de zaken een extra klassiek tintje moeten geven. Het landhuis ziet er puik uit en is smetteloos wit maar heeft er een lange geschiedenis opzitten. Begonnen in de 15e eeuw als versterkt landhuis in het bezit van de naamgevende familie Beeckestijn, in de 18e eeuw overgenomen door de familie Trip die er het landgoed omheen aanlegde en enige tientallen jaren later in bezit gekomen van de diplomaat Boreel die er de zijvleugels aan bouwde, de koetshuizen erbij zette en de eerste Engelse tuin in Nederland aanlegde, verderop komen we nog een folly tegen uit deze periode, een tuinmanswoning die er uitziet als een neogotisch kapelletje, maar het geen van beiden is. Tot in de 19e eeuw lag het landgoed direct aan het water en kon er over het Wijkermeer naar Amsterdam worden gezeild. Van dat meer is nu alleen de streep van het Noordzeekanaal nog overgebleven. Wij pikken even een deftig terrasje bij één van de koetshuizen, het zonnetje prikt inmiddels door de verkleurende bomen, de donkere luchten zijn overgedreven.
Door het onbijzondere Driehuis tenslotte buigen wij van het Kustpad af en klimmen over een hekje dat niet open wil landgoed Duin en Kruidberg binnen, voor ons toetje. We treffen er veel medewandelaars die met camera’s op paddenstoelenjacht zijn, wat geen heksentoer is want het is een prima paddenstoelenjaar, al lijkt ons de mooiste tijd daarvoor eigenlijk alweer zo’n beetje achter de rug. Met ons kleine extra rondje doen we het landgoed natuurlijk geen recht, maar dat is een mooie reden er binnenkort nog eens speciaal voor terug te komen.

*Met mijn jongste zoon loop ik een zelfverzonnen langeafstandswandeling van Schagen, onze woonplaats, langs de Noordzee naar Den Haag, onze geboorteplaats. En weer terug door het Groene Hart en langs het IJsselmeer. Zo lopen we van huis naar huis. Vandaar dat we deze vader en zoon wandeling ‘De lange weg naar huis’ hebben genoemd.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Territoriumdrift

territoriumdrift

 

Bij een vaste ochtendwandeling heb je dikke kans op vaste ontmoetingen. Iemand die dezelfde wandeling loopt bijvoorbeeld, zoals de meneer met de kleurige sportschoenen en de grote koptelefoon, die altijd met een brede lach en enig volume hallooo! roept wanneer ik hem tegenkom. Iemand die langs de route woont, zoals het oudere echtpaar dat wel eens net in de tuin staat te grutten als ik langskom en mij dan licht argwanend teruggroet. Of de boer die mij regelmatig ziet fotograferen en zich meer dan licht argwanend af komt vragen wat dat moet, wat dat te betekenen heeft. Dan zijn er de schapen die er steevast staan, in hun weiland. De eenden, de ganzen, de smienten, de witte reiger. De kiekendief die zich in het seizoen nog wel eens even laat zien. Allemaal leuke ontmoetingen, al zijn ze nog zo vluchtig en nog zo af en toe.
En er is de ontmoeting die zich bijna iedere keer voordoet, en dat is de ontmoeting met de hond. Een grote, zwarte hond. Een waakhond. Steeds wanneer ik een zekere bocht om ga vraag ik mij af of hij er weer zal zijn. Negen van de tien keer is dat het geval. Negen van de tien keer stuift het beest luid blaffend en grommend op mij af en wordt maar nauwelijks tegengehouden door zo’n gezellig, wiebelig kastanjehouten tuinhekje van de praxis. Blaffend en grommend en tegen het hek opspringend loopt hij met me mee naar de andere kant van de tuin waar hij achter het hekje net zo lang blijft staan schelden en tieren tot ik uit beeld ben verdwenen.
Wat is dat, vraag ik mij af. Waarom? Waarom moet ik als man van goede wil bij een doodnormale, onschuldige wandeling op de openbare weg worden geïntimideerd door een valse hond? Waarom moet ik er maar op vertrouwen dat dat beest niet dwars door of over dat lullige hekje heen naar mijn strot springt? Wat heb je te verbergen met zo’n hond in de tuin, dat ook.
De hond verdedigt zijn territorium hoor ik u zeggen, daarvoor is het een waakhond. Ja.. goed verhaal natuurlijk, maar liep ik niet op de openbare weg? En als ík bij iedere langslopende voetganger roodaangelopen en schuimbekkend mijn tuinpad af zou rennen, tegen mijn hekje zou trappen, schreeuwend van klootzak klootzak teringlijer, keukenmes in de aanslag, om mijn onbedreigd territorium te verdedigen, dan zou de stem des volks het geloof ik wel op prijs stellen dat ik zo snel mogelijk als verward persoon veilig werd opgeborgen, voor de rest van mijn leven. En terecht hoor, houd me ten goede.. zulke dingen doe je niet. Maar als je het door je hond laat doen, dan is het wel okay, blijkbaar. Dan behoort het kennelijk tot het algemeen beschaafd Hollandsch fatsoen.
Niet dat ik me er door van mijn wandeling laat weerhouden, niet dat ik mijn route aanpas, nee zeg.. wij zwichten niet voor terreur tenslotte. En het is de openbare weg, zeg ik nog maar eens. Dus zet ik mij iedere keer dapper schrap, bij de bewuste bocht. En als het monster dan weer grauwend met ontblote tanden tegen het hek aanvliegt begroet ik hem met een welgemeend driewerf: je bent een vuile gore kuthond! En voor zijn baasje steek ik er mijn middelvinger bij in de lucht. Iedere keer weer.
En zo begint het zelfs al te wennen. Ik vertrouw er inmiddels dan maar op dat het beest achter zijn hekje blijft en de laatste keer leek het er zelfs op dat ook bij de hond een zekere herkenning begint te spelen want toen ik hem mijn gebruikelijke begroeting had toegesist liet hij het er verder maar zo’n beetje half bij zitten.

Een eenvoudige wandeling op een mooie dag

cropped-p1070459-scaled-2560.jpg

Helderse Duinen, een wandeling van Landschap Noord-Holland, gelopen op donderdag 17 oktober 2019

In een lange, grijze reeks van hopeloos verregende dagen wordt voor deze donderdag aardig weer voorspeld dus ik besluit de boel de boel te laten en de gelegenheid te baat te nemen er op uit te trekken, met een wandeling van Landschap Noord Holland door de duinen bij Den Helder. Den Helder, daar wordt vaak van alles over beweerd, ik beweer er zelf ook wel eens iets over, het is niet al te ver van huis, geen totaal onbekend terrein dus ook, maar dat maakt allemaal niet uit.
Ik reis met de trein naar Den Helder Zuid en vandaar loop ik naar het beginpunt van de wandeling, het bezoekerscentrum van de Donkere Duinen. Het is niet het meest aantrekkelijke stuk van de wandeling, langs een ogenschijnlijk hermetisch dichtgemetseld azc, een levenloos bedrijventerreintje en een lange rechte asfaltweg met uitzicht op gifgroen grasland zover het oog reikt, en ik moet het aan het eind van de dag ook weer terug lopen, maar goed.. Ik had natuurlijk de auto kunnen nemen, of de bus vanaf het station, maar ik wilde het een beetje klimaatneutraal houden vandaag dus dan moet er wat water bij de wijn.

P1070251

Direct naast het station ligt overigens dan weer wel het Nollenprojekt van beeldend kunstenaar Rudi van de Wint. Hij nam het duingebiedje vanaf 1980 in bezit en veranderde het eigenhandig in een totaalkunstwerk waarin robuuste en tegelijk sierlijke beelden, geheimzinnige gebouwtjes, schilderingen, overblijfselen van militaire bebouwing, onderaardse gangen en de geregisseerde natuur betoverend samenkomen. Ik heb het projekt een aantal keer bezocht en ben er telkens weer enthousiast over. Vandaag loop ik er alleen maar langs, met een spijtig gevoel.. omdat er nu eenmaal keuzes gemaakt moeten worden.. vang ik alleen een glimp op, en bedenk dat het hoog tijd wordt er weer eens binnen te lopen ook.
Door een parkachtig terrein met speeltuin, terras, fietspad en uitzichttoren beland ik in Mariëndal. Hier kan het wandelen dan echt beginnen. Het is een waterig duingebiedje zonder paden, waar je vrij bent wat rond te struinen, gelijk de Schotse Hooglanders, die hier met een handvol kalfjes staan te grazen. De volwassen dieren hebben nogal vervaarlijke, puntige horens maar ze trekken zich geheel volgens verwachting bijzonder weinig van mij aan. Een nat gebiedje is het, zompig hier en daar, zonder hoge begroeiing, rond een duinmeertje. Aan de einder ligt wat bedrijvigheid zo te zien, aan de andere kant zitten we pal op de duinen, met daarachter de Noordzee.

P1070286

Al struinend tref ik enorme hoeveelheden paddenstoelen, in alle soorten en maten, met hoeden als ontbijtbordjes zo groot soms. Van geen enkele weet ik de naam, want een vliegenzwam zit er niet tussen, maar ik vind ze allemaal even mooi. Ik fotografeer me een slag in de rondte. Weinig origineel natuurlijk, facebook en twitter staan bol van de paddenstoelenreportages deze tijd van het jaar, maar het kan me niet schelen. Dat is altijd nog beter dan stemmingmakerige zeurverhalen over wie er het meeste gelijk heeft over van alles. En paddenstoelen blijven nou eenmaal fotogenieke en mysterieuze verschijningen die tot de verbeelding spreken.
Dan loop ik de Donkere Duinen in. Langs kronkelende schelpenpaadjes doorkruis ik een nurks, grijzig en stekelig landschap, al bijna in winterkleed zou je zeggen, met hier en daar hel in de zon oplichtend groen mos. Aan de horizon piept Lange Jaap kenmerkend rood boven de naaldbomen uit, de gietijzeren vuurtoren bij Huisduinen, bouwjaar 1878.
Halverwege daal ik even af naar het strand en de zee, voor een korte begroeting. Dat moet. Aan de zee kun je niet zomaar voorbij lopen. Een oranje met blauw bootje vaart langs, in een streepje van wit schuim. Aan de horizon lonkt Texel, maar bij de horizon kun je niet komen.

P1070358

Dan gaat het verder noordwaarts langs de Grafelijkheidsduinen. De bij de wandeling geleverde informatie vertelt dat deze duinen in vroeger tijden eigendom waren van de opeenvolgende Graven van Egmond. Vandaar waarschijnlijk de naam. In 1586 werd de Graaf van dienst echter in Brussel onthoofd – zo werden de zaken in boreale tijden opgelost – en moesten vanwege de financiële nood die daarmee ontstond bezittingen van de hand worden gedaan. De Grafelijkheidsduinen kwamen zo in handen van ene Isaac Le Maire, een Antwerpse ondernemer die eerst rijk geworden was in de VOC maar later een fortuin besteedde aan het traineren en dwarszitten van diezelfde VOC, wat dan uit pure nijd weer leidde tot de ontdekking van Kaap Hoorn. Wat je al niet meekrijgt tijdens een eenvoudige wandeling op een mooie dag. In de meer recente geschiedenis, lees ik nog, is het landschap nader gevormd door de talrijke – en voornamelijk geallieerde – bombardementen waar Den Helder tijdens de bezetting het doelwit van is geweest: naast de grote Harmplas zijn er dertig kleinere poelen ontstaan door inslagen van bommen.

P1070407

Aan de horizon zie ik al een tijdje drie vreselijk hoge stellages staan waarvan ik me afvraag wat het zou kunnen zijn. Het lijken steigers maar dat zijn het niet, ze komen zeer ruim boven de kerktoren uit. Ook voor een kermisattractie of een circustent is het veel te hoog. Ik vraag het een langs wandelend echtpaar, dat echter niet uit de buurt blijkt te komen, zoals ik voor het gemak had aangenomen, maar uit Breda. De vrouw zegt dat het in elk geval geen kunst is, wat ik leuk vind om te horen vanwege mijn al jaren lopende fotorubriek GeenKunst, op internet, waarin ik een collectie aanleg van zaken die weliswaar niet als kunst bedoeld zijn, maar het met een andere blik eigenlijk net zo goed wel kunnen zijn. De drie stellages zouden prima in die verzameling kunnen worden opgenomen, dat had de mevrouw goed gezien, al wist ze van het bestaan niet af uiteraard. De meneer meent te weten dat het een booreiland is dat voor onderhoud in de haven ligt, en dat kwartje valt wel bij mij. Een booreiland.. natuurlijk! Deze lezing wordt een eindje verderop nog eens bevestigd door een Helderse fotografe, die vanachter het hek een portret probeert te maken van een Schotse Hooglander. Met lokkende geluidjes tracht ze het beest zover te krijgen dat het wat dichterbij komt en in de lens kijkt. Het portret moet dienen, vertelt ze, als wandversiering in het verzorgingshuis waar ze werkt. Een tijdloos beeld, was het uitgangspunt. Het dier blijft stoïcijns onder haar verleidingstechnieken en ik maak haar attent op de Hooglanders die ik vanochtend in Mariëndal gewoon los rond zag lopen. Een tip die in dank wordt aanvaard, dus ik ben benieuwd of het tijdloos beeld inmiddels aan de wand hangt. Ik hoop het.
Ondertussen betrekt de lucht behoorlijk en zie ik aan het zwerk precies de wolkenpartijen oprukken die me op buienradar al waren voorspeld en die ik gehoopt had net te ontlopen. Het ziet er indrukwekkend dreigend uit, tot bijna zwart aan toe, maar ik vang alleen wat afwaaiend vocht, de paraplu noch de poncho hoeft er aan te pas te komen, de bui drijft over.
Fort Kijkduin, waar ik dan langsloop, werd gebouwd rond 1813, in opdracht van Napoleon. Die wilde van Den Helder het Gibraltar van het noorden maken. Of Gibraltar dan ook het Den Helder van het zuiden zou worden blijft de vraag. Nu is er onder meer een zeeaquarium in gevestigd. Er slenteren wat uitgebluste toeristen rond, ik besluit het voor een volgende keer te bewaren.

P1070449

Op het randje van Huisduinen, zo goed als in de zee, in de schaduw van Lange Jaap, staat nog een kleiner, bakstenen torentje dat ook sterk doet denken aan een vuurtorentje. Ik lees later op internet dat dit een kustwachttorentje is, gebouwd in 1948 ter vervanging van een ijzeren uitkijktoren. Dit nieuwe torentje droeg ook een licht en vormde zo, samen met Lange Jaap een lichtlijn om het scheepvaartverkeer veilig door het Schulpengat te leiden. Dat gaat er tegenwoordig moderner aan toe en nu is het torentje een éénkamerhotel waar je flink voor in de buidel moet tasten, maar dan slaap je dus wel zo goed als in zee.
Net onder Huisduinen gaat het dan landinwaarts de duinen in. Links steekt dan al snel de zogenoemde Kroontjesbunker boven het landschap uit, een overblijfsel van de Atlantikwall. Een betonnen bunker, flink bewerkt met de onvermijdelijke graffiti en met inderdaad iets van een kroon op het hoofd. Een doornenkroon, zou je bijna zeggen, als dat niet iets oneerbiedigs zou hebben. Met de ook op taalgebied kenmerkende Deutsche Gründlichkeit heet dit gebouw eigenlijk Flugabwehrgruppenkommandostand, maar krijg dat maar eens uit je mond zonder erbij te gaan blaffen. Kroontjesbunker klinkt liever. De bunker is het topje van de ijsberg want ondergronds schijnt het een enorm complex te zijn dat als hoofdkwartier en commandocentrum voor de Duitse luchtafweer werd gebruikt. Een handgeschreven bordje meldt dat de bunker is te bezoeken op 4 en 5 mei, tijdens open monumentendag en, minder voor de hand liggend, eerste kerstdag.
Weer naar het zuiden afbuigend, terug naar het begin, vraag ik me een tijdje af of er nou geen leukere route te verzinnen valt dan dit wat saaie fietspad achterlangs wat sportvelden. Door de Grafelijkheidsduinen bijvoorbeeld, die daar rechts aanlokkelijk liggen te zijn, met hun Harmplas, hun dertig kleine poelen en hun rijke geschiedenis, maar misschien zijn die nog altijd in adellijke handen. Het laatste stukje, langs het Refugium en door de Donkere Duinen maakt dan weer veel goed. Dat is een verrassend leuk stuk, met bospaden en al en als je niet beter wist zou je je hier makkelijk in de omgeving van Bergen of Schoorl kunnen wanen. Eind goed al goed, zoals het cliché al zegt. Met Den Helder is veel minder mis dan wel eens wordt beweerd.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Met mijn poten in de modder

TECO3385In een zo langzamerhand onafgebroken lijkende reeks van volgeregende en natgeplensde dagen stond de hemel er vanochtend opeens even strakblauw bij, een mooie gelegenheid er weer eens op uit te trekken voor mijn regelmatig bedoelde ochtendwandeling. En dat kwam mooi uit want ik kon wel een frisse neus en een verzetje gebruiken. En een leeg hoofd, want man man man, daar hoopte de kommer en de kwel en het oud zeer zich ook maar weer huizenhoog op. Bovendien had ik veel teveel tijd in de krant en op internet doorgebracht, waar het klimaat er de afgelopen dagen ook niet beter op was geworden. Er werd wat af gepolariseerd. De één sloeg de ander nog parmantiger met zijn haastig bij elkaar gesprokkelde wereldbeeld om de oren dan de ander een volgende. En iedereen wist de absolute waarheid wel op één of andere manier voor het eigen karretje te spannen. Strontchagrijnig was ik er van geworden. Al dat ijdele gekift had een niet ter zake doende negatieve uitwerking op mijn toch al wankele humeur. Hoog tijd voor wat tegenwicht, dus daar ging ik, op pad. Neus in de wind, wind in de haren, zon op de bol.
Om mijzelf te motiveren ook inderdaad regelmatig de deur uit te gaan, zoals de gezonde bedoeling is, heb ik van die ochtendwandelingen dan meteen een soort fotoprojekt gemaakt. Ik loop telkens hetzelfde rondje, maak onderweg steeds foto’s van onvermijdelijk zo ongeveer dezelfde plekken, door de seizoenen heen, en hoop aldus na verloop van tijd een aardige reeks te hebben die een divers beeld oplevert van dit kleine stukje omgeving. Ach, ik ga er verder niet ingewikkeld of kunstzinnig over doen, ik vind het leuk en we zien wel wat het wordt. Het krijgt me in elk geval in beweging en daar was het om begonnen.
Zo kom ik halverwege de wandeling bijvoorbeeld steeds langs een vriendelijk ogende boerderij die eigenlijk iedere keer mijn aandacht wel trekt en die ik al vanuit vele hoeken met allerlei licht- en weersomstandigheden heb gefotografeerd. Gelegen aan een wat bochtende weg met dito sloot, een beetje verscholen tussen hoge bomen staat hij daar zeer authentiek en rustiek te zijn.
Ook vandaag maakte ik er wat portretten van. De weg lag bezaaid met platgereden modderkluiten, hier werd gewerkt. In de berm stond een tractor geparkeerd met een bekooide aanhanger vol vers geoogste witte kolen. Verderop reed een tweede tractor heen en weer. In de bomen was de herfst voorzichtig vast wat begonnen
Juist toen ik de tractor met kolen wilde passeren, wilde ook de tweede tractor daarlangs. Voor de zekerheid stapte ik opzij de modderige berm in, het was een brede tractor op een smalle weg. Maar in plaats van door te rijden, zoals ik had verwacht, hield de tractor stil, pal naast mij. Het bevreemdde mij een beetje eerlijk gezegd. Waarom precies hier, vroeg ik mij af, maar goed, hij moest hier zeker zijn.
Toen ik mijn wandeling dan maar met een groetend gebaar wilde vervolgen sprong de berijder huts van zijn tractor en hield mij staande. Het was de derde dag van de boerenopstand, het tweede beleg van Den Haag was op hetzelfde moment in volle gang.. ik was het gespin, het gescheld, het gestook en de stemmingmakerij nou juist ontvlucht, met mijn kop in de wind, en nu stond ik hier verdorie oog in oog met een boer die mij zo’n beetje had klemgereden met zijn tractor. Trekker, moet je geloof ik zeggen, anders ben je meteen al een elitaire linkse randstedeling. Het was een echte boer, met een blauwe, zeer verwassen overall maar niet op klompen. Hij stak een kop boven mij uit en was een paar dagen geleden in kennelijke haast geschoren.
Misschien wil hij de weg naar Den Haag vragen, bedacht ik grappig, maar ik liet het wel uit mijn hoofd dat ook hardop te zeggen want vriendelijk keek hij niet.
Waarom liep ik hem te filmen?, werd mij dan zonder te groeten, op barse toon gevraagd.
Vorige week liep ik hem ook al te filmen, had hij mij heus wel gezien, en nu dus weer. Waar dat voor was, wilde hij nu wel eens weten.
De handen gingen in de zakken, de voeten wat uit elkaar. Hier stond een boer die niet meer met zich liet sollen, zoveel was duidelijk. Een nieuw, assertief elan was over hem neergedaald.
Er schoten mij een aantal bijdehante antwoorden door het hoofd die ook bepaald assertief waren en waar de actualiteit ook toepasselijk doorheen schemerde maar ik besloot toch liever de-escalerend te werk te gaan. Dat paste beter bij mij. Ik vertelde dus van mijn ochtendwandelingen en het kunstzinnig fotoprojekt dat ik daar bij verzonnen had. Weidde kort uit over een portret van het landschap en de omgeving, het licht en de seizoenen. Alles met mijn charmantste glimlach.
Waarna de boer ook niet meer wist wat hij nog moest zeggen, wat hij zo te zien jammer vond. Met toch nog een groet beklom hij zijn tractor en reed achteruit terug naar waar hij vandaan kwam.
En ik maakte mijn wandeling af. Kwam thuis met een frisse neus, maar zonder leeg hoofd. Want ja.. Ik kon de actualiteit natuurlijk proberen te ontvluchten, het platteland was daar deze dagen misschien niet de beste plek voor.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil

Wie, wie, wie?

Om even uit te rusten, iets te eten en van het zonnetje te genieten streek ik neer op de eerste de beste picknicktafel die ik tegenkwam, zo halverwege mijn wandeling. Ik zag hem al van verre staan. Het was zo’n typische, robuuste picknicktafel van balken en bouten en moeren, met bankjes aan weerszijden waar je eerst ongemakkelijk overheen moet klimmen om er op aan tafel te kunnen zitten, en waar je met minimaal drie echtparen aan terecht kunt, met je thermosflessen en je tupperware broodtrommeltjes. Ze staan door het hele land, in bossen en duinen, op heide en parkeerplaatsen langs de snelweg. En hier stond er ook één, in de polder, speciaal voor mij.
Het tafelblad was niet standaard trouwens. Normaal zijn dat zeven of acht brede balken met steeds een centimeter tussenruimte, waar je je opgefrommelde boterhamzakjes en snoepwikkels handig zolang even tussen kunt stoppen, om te voorkomen dat ze wegwaaien; bij deze picknicktafel was het blad uit één stuk en had het een tweede functie als kleurig informatiebord. Met ditjes en datjes over de omgeving en getekende plaatjes van de verschillende weidevogels die hier met meer geluk te zien kunnen zijn.
Met brede viltstiften en een mespunt hier en daar was er in de loop der tijd nog het nodige aan deze lezenswaardigheden toegevoegd, we leven in een beschaafd land tenslotte, het vrije woord, u begrijpt. De meeste van deze uitingen kan ik hier met een gerust hart onbesproken laten maar één regel trok toch mijn aandacht. Op de hoek van de tafel stond in een goed leesbaar handschrift geschreven: Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?

lou bandy

Voor wie het niet weet: dat is de titel van een nogal flauw en wat rommelig lied dat werd geschreven door Jacques van Tol en in 1937 voor het eerst op de plaat werd gezet door Lou Bandy, die ook de muziek schreef. Boze tongen beweren dat Ringo Starr zijn oor hier later nog te luisteren heeft gelegd bij het componeren van Yellow Submarine. Maar goed, er zijn ook mensen die beweren dat de aarde plat is. Yellow Submarine werd in 1966 dan trouwens weer van een Nederlandse tekst voorzien door Wim Kan, Jelle zal wel zien, werd dat, waarna onder andere Johnny Hoes er in 1967 een hit mee scoorde. Dus mocht het waar zijn, van Ringo, dan is er wel erg zoete wraak genomen.
Jacques van Tol dus, die in de oorlog voor de Duitsers heeft gewerkt en daarna, op z’n Hollandsch, alleen nog onder valse naam als populair tekstschrijver werd gedoogd. Vader bovendien van Hans van Tol Tol Hansse, in 1977 bekend geworden met het lied Big City. Een appel die qua schrijfstijl dus in elk geval niet heel ver van de boom is gevallen, en ook alweer jaren dood.

Lou Bandy was in de dertiger en veertiger jaren van de vorige eeuw een buitengewoon populair revue-artiest, werkte in zijn nadagen nog mee aan het radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein en vierde successen met onder meer Louise zit niet op je nagels te bijten en Zoek de zon op, liedjes die waarschijnlijk alleen bij het alleroubolligste programma van Omroep Max nog ergens een vaag belletje doen rinkelen.
Ik bedoel maar.. wat is hier gebeurd? Wat moeten we hier van denken? Is hier een krasse negentigjarige op pad gegaan, met een viltstift, opgejut in een programma van Omroep Max wellicht, om de jeugd van tegenwoordig nog eens wat echte, Hollandsche cultuur bij te brengen? Met een écht liedje, in plaats van al dat onverstaanbare rare praten? Of heeft de Jeugd van Tegenwoordig deze vooroorlogsche klassieker soms gecovered, in een nieuw jasje gestoken, in een programma van Ali B? En is het, zonder dat ik er weet van heb, inmiddels opnieuw razend populair.. Het kan allebei, het zijn verwarrende tijden tenslotte, maar dat laatste hoop ik eigenlijk het meest van niet.

Het nadeel van buienradar

het nadeel van buienradar

Vandaag zou ik wandelen, met mijn jongste zoon. Zelf ben ik al jaren een enthousiast wandelaar, en tot mijn grote vreugde is mijn jongste zoon dat nu ook. Zodoende bedachten we een gezamenlijke langeafstandswandeling – van onze woonplaats op het platteland van Noord Holland naar onze geboorteplaats Den Haag, en weer terug – en lopen we daar met enige regelmaat een etappe van. Een stevige dagmars. Fijne, gemoedelijke dagen zijn dat altijd, met wat uitgebreidere vader en zoon gesprekken dan het gebruikelijke ‘zijn er geen krentenbollen’ en ‘zou jij je kamer niet eens stofzuigen’.
Beiden hebben we een goedgevulde agenda dus om de enige regelmaat er in te houden moeten die dagen ruim van tevoren worden afgesproken. Wat als nadeel heeft dat je geen rekening kunt houden met weersvoorspellingen, buienradar heeft ook zo zijn grenzen, en dat je dus maar moet afwachten wat het weer gaat doen, de afgesproken dag. Tot nu toe heeft dat allemaal reuze goed uitgepakt, we mogen daar niet over mopperen en dat doen we dan ook niet, maar voor vandaag hebben we de verwachtingen de hele week steeds somberder zien worden. Tot er gisteravond sprake was van 70% kans op regen en 10 mm neerslag. Daar zagen we geen van tweeën de lol nog van in en met enige tegenzin besloten we dat het verstandiger was de boel dan maar af te blazen deze keer.
Toch blijft het dan altijd de vraag of je jezelf daar nou een plezier mee doet. Want evengoed loop je de hele dag naar buiten te kijken of het nou al eens een keertje regent, of dat het nou nog steeds wel meevalt allemaal. Word je zelfs ronduit chagrijnig als de hemel nu en dan blauw kleurt, de zon er af en toe door komt. Loop je je heel je vrijgehouden dag wat spijtig af te vragen of je nou niet beter toch had kunnen gaan. Waarmee het dus inderdaad de vraag wordt of je niet beter toch had kunnen gaan.

Schoonwandelen in het recreatiegebied

cropped-p1070141-1.jpg

Van Zaanse Schans naar Landsmeer, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op woensdag 18 september 2019

Het is vier jaar geleden dat ik de vorige etappe van het Trekvogelpad liep. Vier jaar. Man! Ik geloof het zelf bijna niet. En ik heb het net nog even nagekeken, de eerste, van Bergen aan zee naar Alkmaar, liep ik in de herfst van 2012. Als ik in dit tempo doorga zal het nog wel even duren voor ik Usselo binnenwandel. Maar goed, zo erg is het ook weer niet, het pad loopt niet weg, en, om met DoeMaar te spreken, er is tijd genoeg.

P1070046

Ik stap van de trein in Zaanse Schans en meteen hangt de chocoladegeur zwaar in de lucht. Vergezeld door groepjes toeristen in het Spaans en iets Aziatisch loop ik over een dramatisch lelijke brug naar het Holland van weleer. Zaanse Schans. Er wonen wel mensen, maar het bestaat eigenlijk niet echt. Tenminste.. het is niet het authentieke Zaanse dorpje dat de tand des tijds dapper heeft weerstaan, al die eeuwen, waar je het ook voor zou kunnen houden, als je niet beter wist. In werkelijkheid is het een openluchtmuseum. In 1961 is men begonnen oude houten Zaanse huisjes en schuren en molens, waarvoor elders vanwege de oprukkende moderne tijd geen ruimte meer was, naar deze plek aan de overkant van de Zaan te verplaatsen. Waar ze niet zo in de weg stonden. En om ze te behouden voor de toekomst. Het heeft de plaatselijke economie geen windeieren gelegd want zelfs op een doordeweekse septemberdag buiten het seizoen als vandaag is het er een drukte van belang.
Het is een boeiend fenomeen, al die toeristen die hier in grote groepen en lange rijen doorheen lopen te slenteren, van klompenmaker naar oudHollandsch snoepwinkeltje, in de nergens tegengesproken veronderstelling dat ze een stukje authentiek Nederland beleven. Een stukje Nederland waar ook in eigen land zo smartelijk naar wordt verlangd. Het land waar Zwarte Piet nooit wordt afgeschaft en waar de Gouden Eeuw altijd van Goud blijft. Waar de tijd genadig is stil blijven staan in een achteraf glimmend opgepoetst verleden. Een nostalgische illusie.

P1070067

Eén industriegebiedje en tien minuten lopen verder ligt Haaldersbroek. Een typisch Zaans dorpje, maar dan wel echt. Hier geen souvenirwinkeltjes of klompen op reuzenformaat. Geen toeristen met selfiesticks. Alleen ik, wat besmuikt fotograferend. En een enkele bewoner die zijn buitenboel staat te schilderen, of in zijn tuin staat te grutten en de passerende wandelaar argwanend in de gaten houdt. Het is dan ook een doodlopend straatje dat niet bij de route hoort waar ik in ben gelopen. Hooguit een meter breed. Kleine bruggetjes over smalle vaarten, glimmend groene huisjes met spiralende makelaars aan de nok en hortensia’s in de tuin. Kippen op het erf. En waar het kan de middenklasser op de oprijlaan. Hier is, in een behouden verleden, de tijd gewoon doorgegaan.

P1070077

Langs de Zaan, met aan de overzijde de nodige industrie, loop ik met een grote boog om het Kalf heen, via een desolaat parkeerterrein rechts en sportvelden links het Jagersveld in. Een recreatieterrein met tekentafelpaden en kunstmatige strandjes rond de Jagersplas, een plaatselijk zeer diep meer dat ontstond door het weggraven van de enorme hoeveelheid zand die nodig was voor het aanleggen van de A8, die hier langzaamaan steeds dichterbij komt. Er staan goedbedoelde trimtoestellen en toiletgebouwen, met zelfs douches erin. Op een paal in het water zit een aalscholver de veren te poetsen. Het recreëren bestaat vandaag voornamelijk uit het uitlaten van de hond. En een enkele rood aangelopen hardloopster. Met witte pluggen in de oren, een telefoon aan de bovenarm gegord en de lege blik strak naar voren lijkt ze een op afstand bestuurbare robot. Het groeten nog niet ingeprogrammeerd.
Dan moeten, eenmaal onder de A7 door, een spoorbaan en een vaart worden overgestoken. Volgens mijn routeboekje kunnen daar trappen voor worden gebruikt. Trots vermeldt de Nivon dat deze op haar verzoek zijn aangelegd, door de gemeente Zaanstad en Rijkswaterstaat. Misschien zijn de trappen direct na het drukken van het boekje net zo hard weer wegbezuinigd, of ik heb stront in mijn ogen gehad, dat kan ook, in elk geval, ik heb ze niet gevonden. Wel waren er twee misschien wel honderd meter lange asfaltlussen naar boven en weer naar beneden waarmee je zeker twintig minuten pal langs de snelweg loopt te zigzaggen om aan de goede kant van het spoor en aan de goede kant van het water landinwaarts de tocht te kunnen voortzetten. Eerlijkheidshalve zal ik bekennen dat ik bij de afdaling gebruik heb gemaakt van het olifantenpaadje dat zich inmiddels, buiten medeweten van de overheden om, heeft ontwikkeld; waarschijnlijk precies op de plek waar ooit de trap bedacht was.

P1070114

Langs spoor en vaart gaat het dan recht zo die gaat, dwars door de polder Oostzaan. Authentiek veenweidegebied, vertelt mijn boekje. Een uitgestrekte archipel van rafelige, onregelmatig gevormde eilanden in een grote plas bruinig water, voedselbron voor weidevogels. Ze laten zich niet zien vandaag maar ze zullen er vast nog geweest zijn, het is nog zomer tenslotte.
Door De Haal Het Twiske in. Een laagveenmoeras dat in 1942 werd drooggelegd maar ongeschikt bleek voor landbouw, wat blijkbaar in eerste instantie de bedoeling was geweest. Middenin het gebied ligt de Stootersplas, ook weer ontstaan door het weggraven van zand voor de Coentunnelweg, de A8. In de jaren zeventig werd Het Twiske ingericht als natuur- en recreatiegebied. Het eerste gedeelte waar ik doorheen loop zal daarbij als natuurgebied zijn bedoeld en het heeft ook zeker charme, al kan ik me voorstellen dat ik er niet in de gunstigste tijd van het jaar loop. Het is redelijk kaal terrein met hier en daar een berkenbosje en wat eenzame grote bomen. Kale skeletten van dode en omgewaaide bomen onderstrepen de woeste en ledige sfeer. Dicht langs de grillige uitlopers van het riviertje Het Twiske, dat uitstroomt in de Stootersplas, meander ik over graspaden die zich bijna angstvallig steeds opnieuw van het naastgelegen fietspad afkeren.
Een uitgebreid gezelschap van koeien met hun kalfjes kruist mijn pad. Hier en daar staat een kalf bij zijn moeder te drinken, een bijna vergeten beeld. Het is mooi om te zien hoe één van de koeien zich losmaakt uit de groep en wat argwanend poolshoogte komt nemen bij mij, de wandelaar. Op enige afstand blijft ze staan, scherpe hoorns boven een waarschuwende blik in de ogen.

P1070145

Wanneer ik vanaf vogelkijkhut Het Drijfsijsje – we zitten niet al te ver van die goeie ouwe Amsterdamse humor vandaan – aan de overkant van het riviertje terugloop in de richting van Landsmeer betreed ik het gedeelte dat als recreatieterrein is ingericht. Speeltuinen, strandjes, wandelsteigers, informatieborden en parkeerterreinen. Hier begint het meanderen me een beetje te irriteren. Het lijkt of er gedacht is: we gaan dit gebied optimaal gebruiken en slingeren de route er zo onlogisch mogelijk doorheen. Mountainbikers vinden dat leuk. Die maakt het geen reet uit waar ze fietsen, als er maar lekker veel scherpe bochten en rare hobbels in het parcours zitten. Voor mij had het niet gehoeven. Ik maak een bocht van een kwartier, langs nou helemaal niet van die speciale stukken of vergezichten, om tien meter van het startpunt van deze omweg weer uit te komen. Het wordt een soort schoonwandelen, op deze manier; het gaat om de krullen. Als de markering me dan ook nog in de steek laat word ik ronduit chagrijnig, ik kan er niks aan doen. Met behulp van de kaart in het boekje zoek ik mopperend verder mijn eigen weg wel, en dat bevalt al meteen weer een stuk beter.
De aanlooproute naar Landsmeer, eindpunt voor vandaag, is dan ook weer een gladgeschoren en -gestreken recreatiegebied met parkeergelegenheid en tot slot de fietsroute achterlangs de sportvelden, dus eerlijk gezegd, als ik in de bus naar Sloterdijk zit, vind ik het niet heel erg dat deze etappe erop zit. Maar misschien waren mijn verwachtingen na vier jaar wel te hooggespannen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Lees ook eerdere verslagen van het Trekvogelpad in het archief.

Bereik in de Prehistorie

cropped-p1060558.jpg

Een kleine rondwandeling in Naturschutzgebiet Walbert, in de Eifel, gelopen op dinsdag 13 augustus 2019

Bij mijn wandelingen op vakantie vind ik het altijd moeilijk niet teveel in nostalgie te vervallen. Dat gaat eigenlijk vanzelf. Ik loop langs een beekje en zie mijn jongens er uren lang stenen in verleggen, dammen in bouwen, stokken in gooien.. jaren geleden alweer. Ik zie zo’n typisch Duitse Jagdstuhl – een vaak maar nauwelijks gecamoufleerde schiethut op hoge poten – en klim in gedachten de ladder met ze op, om te kijken of er kogelhulzen liggen, of iets anders spannends. Soms niet eens alleen in gedachten trouwens. Maar goed.
Is het erg, al die nostalgie? Ach welnee, dat ook weer niet. Ik heb soms het gevoel dat ik de dag van vandaag er tekort mee doe, maar verder doe ik er niemand kwaad mee, niemand wordt gekwetst. Het zijn mooie herinneringen aan een rijk recent verleden die nou eenmaal graag nog eens worden afgespeeld. Ik geniet ervan.

P1060578

Ook nu weer. Al wandelend ben ik in een spectaculair, sprookjesachtig, betoverend stukje Eifel terechtgekomen – drie bijvoeglijke naamwoorden zijn hier volkomen op hun plaats. Walbert heet het, volgens de kaart, een Naturschutzgebiet. Onderdeel van wat wel de Schönecker Schweiz wordt genoemd. En ik weet zeker dat mijn jongens dit in die jaren ook fantastisch hadden gevonden. Die hadden hier zo een halve dag in het rond kunnen klimmen en klauteren en de mooiste avonturen beleven.
Volgens een informatiebord ter plekke is het een landschap dat honderden miljoenen jaren geleden ontstond, toen de oercontinenten Laurazië en Gondwana tegen elkaar aan botsten en de tussenliggende zeebodem als een tafellaken werd bijeengeveegd en opgevouwen. De imposante, tientallen meters hoge rotsformaties waar ik hier zo opeens tussen loop zijn de rechtop gezette brokstukken daarvan. De oplettende toeschouwer zou er talloze fossiele resten en afdrukken van zeeleven in moeten kunnen vinden, het leven waar het leven mee begon. Ik vind het meteen een buitengewoon fascinerend idee dat deze rotsen, waar ik nu mijn handen op leg, dus ook het dekor zijn geweest van de dinosauriërs. Dat ze onze verre, verre, verre betovergrootvaderen nog langs hebben zien komen, gewapend met speren en vuistbijlen. Nu zien ze mij hier ademloos staan kijken, maar het doet ze niks. En terecht. Voor hun is het zó weer voorbij. Een oogwenk in een eeuwigheid. Wat zullen ze over duizend jaar zien? Over honderdduizend jaar? Misschien dat ze dan weer deel uitmaken van de zeebodem.
Ik ben zo lyrisch enthousiast over deze ontdekking dat ik besluit er later in de week nog eens terug te keren, met mijn vrouw en mijn oudste zoon, die ook mee is op vakantie, om het ze te laten zien. Om het ze te laten voelen. En ik hoop natuurlijk dat bij mijn zoon nog een keer hetzelfde lichtje op gaat als bij mij.

P1060594

Nou. Goed. Hij gaat gewillig met ons mee, dat moet gezegd, hij klautert niet onwelwillend achter ons aan, of voor ons uit en desgevraagd is het ook best wel mooi allemaal, maar ja, het zijn stenen, vindt hij. Grote stenen, maar stenen. We lopen hier in de prehistorie maar belangrijker is de vraag of er bereik is of niet. 4G of geen 4G. Voortdurend wordt het gecheckt en als het er is moet er gebruik van worden gemaakt. Voor het één of ander, ik heb geen idee. Het is de moderne tijd, kun je denken, al zal de gemiddelde Neanderthaler ook niet direct bezig zijn geweest met de schoonheid van dit alles, dus.. ja..
Ben ik nu teleurgesteld? Nee, welnee, dat niet. Wat geweest is is geweest, en het gaat, zoals het gaan moet.. voorbij. En voor nostalgie is die jongen nog niet oud genoeg.
Ik vind nog wel een kaakbeen, van een zwijn, of een ander dier. Er zit nog een heel rijtje gave kiezen in. Vroeger zouden we die onder luid gejuich meegenomen hebben, in de leeggegeten broodtrommel, in een zakdoekje gewikkeld, om thuis toe te voegen aan onze verzameling van dingen uit de natuur. Nu houd ik het bij een foto, want ja..
Maar daar heb ik later dan wel weer spijt van gekregen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Bohemian Rhapsody in het Karstlandschap

cropped-p1060461.jpg

Wandeling in de Eifel, van Schönecken naar Ober Hersdorf, gelopen op zaterdag 10 augustus 2019

Gelukkig ben ik een flexibele wandelaar, anders was het vandaag misschien minder goed gelopen dan het nu gelopen is. Op de wandelkaart van onze tijdelijke omgeving was mijn aandacht getrokken door Schönecken. Vanwege de veelbelovende naam allicht, die nog onderstreept werd, letterlijk ook, op de kaart, met een uitgebreid assortiment aan gekleurde, gestippelde, doorgetrokken en geblokte kronkelende lijnen die allen een wandelroute markeerden, met ieder een eigen nummer, symbooltje, pictogrammetje of logootje. Soms voerden er wel vier of vijf tegelijk over hetzelfde bospad. Het Schneifelpad, het Jakobspad, het Nimstalpad, om er maar eens een paar te noemen, plus nog verschillende routes van de Eifelverein.. dat moest wel de moeite waard zijn, had ik gedacht. Daar ging ik heen.

P1060175

Heel even kwam de angstige gedachte bij me op dat dat dan misschien wel heel veel andere wandelaars zou aantrekken ook en ik, bewaar me, terecht zou komen in jolige wandelvierdaagse-taferelen van in file achter elkaar aan lopende prestatiewandelaars met heuptasjes met voldoende water, bezwete koppen onder rare petjes en hoedjes en ook verder in merkwaardige uitdossingen gestoken, maar dat was natuurlijk onzin want tijdens de wandelingen die ik tot nog toe gemaakt heb in Duitsland, ben ik slechts hoogstzelden een tweede wandelaar tegengekomen.
Heel even lijkt het alsnog verkeerd uit te pakken, er staan verdacht veel auto’s op de Wanderparkplatz en bij het informatiebord staat zich zelfs al een berugzakt en bewandelschoend duo te oriënteren, dat ik in het eerste half uur van de tocht overigens met enige moeite uit mijn kielzog  kwijt weet te raken, maar dat blijkt later verder allemaal reuze mee te vallen. De werkelijke moeilijkheid zit hem in de hoeveelheid aangeboden wandelingen. Op de toch behoorlijk gedetailleerde kaart is er, door de samenklonteringen van symbooltjes en nummertjes die soms cruciale splitsingen en kruisingen aan het oog onttrekken, maar moeilijk wijs uit te worden welk pad in te slaan voor de door mij gekozen route en ook ter plekke blijkt: het zijn er teveel. De paaltjes die ervoor bedoeld zijn, zijn te klein voor zo veel pijlen, plaatjes en stickers, soms half over elkaar geplakt en met stift veronduidelijkt met handgeschreven extra pijlen en aanwijzingen. Er is geen touw aan vast te knopen.

P1060152

Enigszins opgejaagd door het duo in mijn nek en, ik zal het eerlijk toegeven, tevens te bekakt om mij zelf ook even kalm en bedaard bij het informatiebord te oriënteren, sla ik lukraak rechtsaf, om er van af te zijn. Dat ik meteen een steil klimmetje moet maken klopt niet met hoe ik de route gepland had, op de overvolle kaart, want ik zou langs een beek, maar die gedachte maakt plaats voor de charmante en fotogenieke aanblik van een omber- en okergele rotspartij die plotseling in al zijn robuuste schoonheid boven mij uittorent. Kalkzandsteen, gok ik. Op het uiterste randje lijkt het laatste rijtje bomen zich krampachtig, huiverend, met al hun wortels vast te houden om te voorkomen dat ze de diepte in storten. Kijk, dit zijn de dingen waarvoor je eropuit trekt, dat hebben we thuis niet, in de polder. Ik neem er even de tijd voor.
Zoveel pijlen en bordjes er net nog stonden, zo weinig staan er nu, nu ik verder wil. Geen enkele aanwijzing over links, rechts of rechtdoor. Het kan alle drie. Ik ben net op weg en nu al verdwaald. Teruglopen is geen optie, op gevoel sla ik linksaf en klim pittig verder over een nogal grofkorrelig okergeel grindpad dat meer weg heeft van een drooggevallen rivierbedding, het heeft gisteren flink geregend en dat is hier nog goed te zien. Het gaat trouwens weer een beetje regenen merk ik, en wat nog erger is, de natuur roept. De natuur dringt aan zelfs. Hoewel ik goed voorbereid op pad ben gegaan, om het zo maar te zeggen, is er geen ontkomen aan, ik moet. En liefst een beetje snel. In de top 2000 van dingen waar ik een pesthekel aan heb is dit de Bohemian Rhapsody: schijten in de natuur, ik draai er maar niet meer om heen. Erover uitweiden ga ik trouwens evenmin, dat hoeft nou ook weer niet, al is het natuurlijk zo menselijk als wat, maar daar zit ik dan, in de bosjes naast het pad, die aan de magere kant zijn, in de regen, zakdoekje paraat, met in mijn achterhoofd het wandelduo achter mij, dat nu niet ver weg meer kan zijn. Mama Mia let me go.

P1060184

Wanneer ik even later, de nood gelenigd, de bui overgewaaid, het wandelduo afgeschud, in een ruime zigzag beweging een dal in meander, herken ik die beweging van de kaart. Dit is mijn terugweg. Dat wil zeggen, dit was mijn terugweg, want nu besluit ik er ook meteen korte metten mee te maken. Ik pak de kaart erbij en bepaal ter plekke een nieuwe route. Zo doen we dat. Het weidse, groen glooiende uitzicht dat ik hier heb bevalt me wel, is eigenlijk precies waar ik op uit was na een eerdere wandeling over voornamelijk bosbouwpaden door geometrisch productiebos, dus ik zou wel gek zijn als ik nu weer op zoek ging naar de juiste pijltjes en nummertjes. Vrijheid blijheid, wie doe me wat.
Het blijkt een goede beslissing want het wordt al met al een schitterende, gevarieerde wandeling door loofbossen, langs steile rotswanden, gouden korenvelden, glinsterende beekjes en glooiende dalen met witte dorpjes en leistenen kerktorentjes in de verte en roofvogels aan de blauwe hemel.
Wandelen is voor mij niet per se alleen maar in een straf tempo met voldoende water van a naar b lopen. Dan kun je beter met de fiets, denk ik dan. Het leuke van wandelen is juist het kalme, het langzame. Het bewuste, zo u wilt. Het onderdeel zijn van het geheel. Wandelen is ook af en toe stilstaan om te zien wat er te zien is, te horen wat er te horen is, te ervaren wat er te ervaren is, en zo het geluksgevoel te laten indalen.
Dus als ik verderop in het bos op tientallen meters even lange als hoge rotsformaties stuit, bizarre stapelingen van enorme, met mos begroeide stenen die, zeker in combinatie met het lieflijk ruisend beekje ter rechterzijde, een feeërieke en voorwereldlijke sfeer van ongereptheid oproepen, laat ik mij graag betoveren. Ik waan mij vanzelf een ontdekkingsreiziger en start de klimtocht tussen en over de rotsblokken naar de top. Een jongensachtige excursie die mij ook doet terugdenken aan de wandelingen die ik vroeger met mijn zonen maakte, die dit destijds helemaal de bom hadden gevonden, maar ik wil ook voorkomen dat het leven alleen nog maar uit nostalgische overwegingen bestaat dus ik ga hier gewoon toegeven dat ik dit geklauter, dit bedwingen van de woeste natuur, hier en nu, in mijn eentje, ook gewoon als een hoogtepunt van de wandeling beschouw.

P1060268

Uiteraard loop ik ook nog een stukje door het ruisend beekje, waarvan mij eerder al was opgevallen, waarvan het mij eerder al had bevreemd dat het hele stukken alleen maar een droge bedding was maar dat er dan plotseling ook weer ergens water door kabbelde. Een informatiebord legt het uit. Het is in het Duits dus ik doorgrond het maar half, met mijn verzakte middelbare school Duits, en bij aardrijkskunde heb ik het misschien ook wel gehad maar dat vond ik toen nog saai, maar ik doe mijn best. Wat ik ervan begrijp is dat het water gedeeltelijk ondergronds loopt. Doordat kalklagen in de bodem zijn opgelost is daar ruimte voor. Plaatselijk, waar minder kalk heeft gezeten neem ik dan maar aan, welt het water naar boven om bovengronds haar weg te zoeken, om waar het kan dan weer weg te zakken, zoals water nou eenmaal graag doet. Bij voldoende aanvoer van hemelwater zal de beek trouwens wel helemaal vollopen als ik die bedding zo bekijk. Het zou leuk zijn, bedenk ik, het dan ook eens te zien. Verder lees ik dat op sommige plekken zulke grote ondergrondse ruimtes met water ontstaan dat de boel instort en er een groot, kratervormig gat in de bosbodem ontstaat. Verderop kom ik daar inderdaad een voorbeeld van tegen, dat ik zonder het bord niet had herkend. Eén en ander zijn kenmerken van het zogenoemde Karstlandschap. Dus dat weet ik nu dan ook weer. Kennis om thuis mee aan te kunnen komen.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Ontmoetingen en avonturen in Blôte Bieneland

cropped-p1050562.jpg


Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Nieuwe Niedorp naar Twisk, gelopen op vrijdag 21 juni 2019

Geparkeerd onder de pittoreske kerktoren van Nieuwe Niedorp hopen we als eerste een kop koffie te kunnen scoren, om de wandeling voor vandaag officieel te openen. Dat blijkt nog niet zo makkelijk. Aan het plein zien we De Roode Eenhoorn, dat met een uitgestald terras weliswaar sterk op een uitspanning lijkt maar het bij navraag niet blijkt te zijn. Ze hebben wel koffie, vertelt de jongedame die ons te woord staat, maar ze zijn geen café. De mededeling blijft wat onduidelijk in de lucht hangen zodat wij beleefd groetend maar weer naar buiten klossen.

de roode eenhoorn
De Roode Eenhoorn in andere tijden

Later op internet blijkt de Roode Eenhoorn nota bene het oudste café van Nederland te zijn geweest, dat in 1530 reeds werd genoemd als rustplaats voor man en paard, maar in 2012 werd omgebouwd tot een woonzorghuis. We zijn gewoon te laat. In de voormalige feestzaal zijn nu negen appartementen gevestigd, waar evenzoveel zorgbehoevenden wonen, het cafégedeelte is de gemeenschappelijke ruimte waar wordt gekookt, gegeten, gespeeld en ontmoet. En koffie gedronken. Maar niet door ons dus.
Wij lopen door naar De Maurits, die op dit uur echter nog gesloten blijkt, behalve uiteraard voor de eigenaar, die genoeglijk met een bakkie en zijn telefoon op zijn eigen terras neerstrijkt. Wij hebben ons geluk dan al beproefd bij de buren, een wat beduimelde snackbar waarvan je je zelfs zou kunnen afvragen of hij ooit betere tijden gehad zal hebben maar waar een vriendelijke jongeman ons twee superieure cappuccino’s brengt. Zo zie je maar. Ook de pittoreske kerktoren blijkt overigens niet helemaal te zijn wat het lijkt want de bijbehorende kerk werd meerdere malen afgebroken en voor het laatst in 1966 vervangen door het zwaar gedateerde, gewilde modern van kerkgebouwen uit die tijd, met de dan weer niet ontoepasselijke naam Fenixkerk.

P1050508

Door de Dorpsstraat wandelen we Nieuwe Niedorp uit, langs grote, fraaie en soms rijk versierde huizen die aan één kant van de straat achter een vaart liggen en vanaf de weg ieder met een eigen brug bereikbaar zijn. De vaart, de beurtvaart, werd in vroeger tijd gebruikt om de oogst naar de groenteveiling te vervoeren maar is nu zo goed als onbegaanbaar doordat de bruggen laag en breed net boven het water hangen ten behoeve van de auto’s des huizes. De zomer begint vandaag, de bomen staan volop in het groen. Een aantal imposante zwarte beuken verleent het dorpsgezicht extra statuur.
Via de n239 lopen we rechtsaf het land in richting Aartswoud, het kolossaal silhouet van het Seminario Redemptoris Mater kijkt ons na. Even zien we in de verte het Kremlin nog door de bomen schemeren. Niet het echte uiteraard maar een plaatselijk bekende, misschien zelfs beroemde tuin waarin de bewoner louter voor zijn eigen plezier een groot aantal fantasierijke bouwsels in Russische stijl heeft neergemetseld. Zogenoemde follies. Ons boekje maakt er geen melding van, maar we komen er ook niet echt langs natuurlijk. We hebben het erover omdat het boekje wel melding maakt van follies in Italiaanse stijl, bij Aartswoud. Daar zouden we dus wel langs komen. Het kan zijn dat we niet verder hebben gekeken dan onze neus lang is, maar ook deze follies gaan aan onze neus voorbij. Ze zijn niet te vinden. Maar ach, we kunnen zonder, er is genoeg te zien.

P1050545

We ondergaan uitgestrekte groene landschappen met frisblauwe luchten erboven die schilderachtig zijn opgemaakt met helderwitte, zonbeschenen wolken. We zien eenden met pullen zwemmen, een tweede leg, kun je vermoeden, in deze tijd van het jaar. Jonge fuutjes ook, met nog een gestreepte kop maar te groot al voor op mama’s rug. We passeren een loods waar schapenwol te koop wordt aangeboden, waar het rafelig schaap dat kreupel in het weitje aan de weg staat te rochelen en te steunen geen aanbeveling voor is. Tot hoog boven de horizon wordt in de verte met een aantal windmolens aan het nieuwe Nederland gebouwd. Dichterbij steken de oranje pannendaakjes van het oude Nederland boven het groen uit, een volle waslijn ernaast, bollend in de wind. Een tractor rijdt heen en weer door het hooi om het te keren en werpt daarbij grote stofwolken op. Het is een nostalgisch beeld, met een nostalgische geur.
Even buiten Aartswoud ontmoeten we een dame met een fiets, een zonneklep en een blijde lach. De fiets staat geparkeerd bij een kippenbruggetje over de Veersloot en het lijkt of de dame ons op staat te wachten. Wat niet zo is uiteraard, maar zo komt het al snel tot een praatje. Als het even kan zit ze op de fiets, vertelt de dame. Tentje achterop en gaan. En maar zien waar ze uitkomt. Naar België en Frankrijk ook wel, maar ook veel in eigen land. Moet ze ergens met de trein heen, gaat de fiets mee. Voor de verloren uurtjes. Rieta heet ze, met i e, en fotografe is ze. Te Monnickendam. Portretten. Trouw- en rouwreportages. Geen nieuwsfoto’s, dat moeten anderen maar doen, dat is niks voor haar. Ze geeft ons haar kaartje mee. De fiets is een verhaal apart, vertelt ze, en zo ziet ie er ook uit. Als een studentikoos vehikel. Het is een peperdure kwaliteitsfiets, verklapt ze ons, maar ter voorkoming van diefstal heeft ze hem eerst wat nonchalant in de matte witte verf gezet, waarna de kleinkinderen hielpen met versieren en ze aldus op het fleurige idee kwam om iedereen met wie ze onderweg een praatje maakte zijn of haar naam op de fiets te laten schrijven. Ze heeft er speciaal een handvol gekleurde stiften voor in het stuurtasje zitten. Ook wij mogen een plekje uitzoeken, op het volgeschreven frame. Van veel namen weet Rieta nog uitgebreid te vertellen wie en waar het was. Wij vleien ons daarom met de gedachte dat wij nu ook in haar repertoire zijn opgenomen en besluiten dat de wereld enorm opknapt van mensen als Rieta.

P1050606

We lopen verder over ‘t Blôte Bienepad, wat Westfries is voor blote benenpad. Waarom het zo heet wordt niet duidelijk, een blote voetenpad is het in elk geval niet. Het schijnt dat de streek rond Aartswoud Blôte Bieneland genoemd wordt, door de Westfries, en dat zou er dan weer mee te maken kunnen hebben dat Aartswoud in vroeger tijden aan de woeste Zuiderzee lag en dat haar bewoners in die tijd bekend stonden als laten we zeggen nogal ondernemende en proactieve strandjutters. De stompe kerktoren zou in die dagen ook dienst hebben gedaan als soms wat misleidende vuurtoren, lezen wij. Maar goed, deze historische duiding speculeren we hier ter plekke bij elkaar, zie maar wat u ervan gelooft.
Voor we bij Lambertschaag opnieuw op de Westfriese Omringdijk stuiten gaat ’t Blôte Bienepad over in het Pannepad. Over de oorsprong van die naam heeft ons routeboekje gelukkig iets te melden. Hier werden vroeger stieren gefokt die van een zo hoge kwaliteit waren dat ze wereldwijd werden verkocht. En al deze stieren heetten Pan, om één of andere reden. Het pad is naar hen genoemd.
Of het een nazaat van zo’n beroemde Pan is weten we natuurlijk niet zeker maar het zou zomaar kunnen want feit is dat we juist hier een pink aan de verkeerde kant van het hek treffen. Hoe ze er gekomen is, is ons een raadsel, al horen we later van iemand die het weten kan dat pinken ‘achterlijk hoog’ kunnen springen. Daar staat ze, midden op het pad. Haar soortgenoten staan nieuwsgierig tegen het hek gedromd om maar niets te missen van wat komen gaat en dat er wat komen gaat is onvermijdelijk, wij besluiten namelijk dat we iets moeten doen. Zo zijn wij dan weer. Al weten we niet precies wat wijsheid is, want zo zijn we ook. We knopen het hek, dat met boerentouw is dichtgebonden, los en zetten het op een kiertje, niet te groot want we zijn als de dood dat de andere pinken straks ook de benen nemen en we met een veel groter probleem zitten opgescheept. Dan proberen we met strategische danspassen en armbewegingen de wegloper terug het weiland in te krijgen, maar die houdt zich niet aan ons rommelig plan en dreigt paniekerig steeds verder af te dwalen. Gelukkig krijgen we hulp van twee fietsers die toevalligerwijs ieder van de andere kant aan komen rijden en zo het smalle pad in beide richtingen afsluiten. Een tijdje kijken ze ons geklungel welwillend aan, dan neemt één van hen de leiding over. Hij is opgegroeid op een boerderij, vertelt hij, en weet dus hoe te handelen. En inderdaad is de kudde in een vloek en een zucht herenigd, aan de goede kant van het hek. Onze redder in nood blijkt juist op weg te zijn naar de eigenaar van deze pinken en hij neemt afscheid met de belofte een goed woordje voor ons te doen.

P1050624

Vanaf Lambertschaag maken we ons op de A7 over te steken. We lopen er op af over een fantasieloos stuk van de Westfriese Dijk met rechts van ons een druk bereden n239. Een ononderbroken stroom vrachtverkeer trekt voorbij. De schoorstenen van Hartog dierenvoeders stoten verschillende merkwaardige kleuren rook uit. We rapen enorm veel plastic en blikjes uit de berm, de meegebrachte boodschappentas is ook vandaag weer te klein. Veel is door de maaier al tot scherpe en voor dieren levensgevaarlijke snippers gemalen, je mag hopen dat het gedroogde gras dat hier ligt niet als hooi gebruikt gaat worden.
Dan gaat het naar Twisk, langs een dichtbevolkt vogelgebied. We lopen langs de natuurlijke oever van de Oostermare, lezen we, een oude veenstroom, nu in gebruik als waterberging en broedgebied voor allerlei vogels. De roerdomp, de slobeend, de tureluur, de grutto.. ze komen hier allemaal voor. Wij herkennen de kluut en het visdiefje. Aan de overzijde van het water is een oeverzwaluwwand geplaatst waarvan het meer dan tachtig paartjes geen bal uitmaakt of dat van beton is of niet.
In Twisk verlaten we de voorgeschreven route en slaan rechts- in plaats van linksaf, omdat daar de auto nou eenmaal staat geparkeerd. Zo zien we dan weer wel een gedeelte van Twisk dat anders voor ons verborgen zou zijn gebleven. Het lintdorp ziet eruit als een openluchtmuseum. Links en rechts van de klinkerweg staan lange rijen goed onderhouden en rijkversierde stolpboerderijen en rijksmonumenten in de middagzon te glimmen. Het zal geen straf zijn hier de volgende etappe in omgekeerde richting weer te beginnen.
We sluiten de dag af zoals we hem begonnen, met een zoektocht naar koffie. Een enorme uitspanning die met grote parasols en protserige witte beelden nogal de aandacht op zich vestigt blijkt niettemin gesloten en zo eindigen we ook in Twisk bij de buren: een uit de kringloop ingerichte koffiehoek die onwillig deel uitmaakt van een dorpse winkel van sinkel annex bouwmachineverhuur die tevens dienst doet als postagentschap en waar een nurkse meneer die alles al een keer gezien heeft en zich nergens meer over verbaast de scepter zwaait. Zonder zich te haasten verdeelt hij zijn karige aandacht over ons en de talrijke klanten die zich in zijn winkel aandienen. Bij de balie staat een molen met kromgetrokken ansichtkaarten uit de begintijd van de fotografie, met straatbeelden van het Twisk van toen. Het hondje van de zaak loopt zich regelmatig vast tussen de stoelpoten rond onze voeten, aan zijn touw van dertig meter waarmee hij ook het terras bestrijkt, in de hoop dat er een stukje appeltaart zal vallen. Warme appeltaart, dat dan weer wel.

Dit verslag werd ook gepubliceerd op Samen Uit En Thuis, weblog van een wandeling langs het Groot Frieslandpad, met ook nog tal van rubrieken.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Een kakikleurige meneer met handige zakken

cropped-p1050286.jpg

Een etappe van De lange weg naar huis, van Castricum naar Beverwijk, gelopen op donderdag 23 mei 2019

Hoe we het doen weten we zelf ook niet precies, maar we pikken er telkens een schitterende dag voor uit om op pad te gaan. Terwijl het in deze moderne tijden toch echt ook lang van tevoren geplande evenementen zijn, agenda tegen agenda. We wandelen onder een ons goedgezind gesternte blijkbaar. Tot nog toe, in elk geval. In het verleden behaalde resultaten zullen ook in dit geval geen garantie voor de toekomst bieden. Maar goed. We lopen van Schagen, onze woonplaats, naar Den Haag, onze geboorteplaats, en weer terug, mijn jongste zoon en ik. Van thuis naar thuis en omgekeerd als het ware. Vandaar dat we onze zelfverzonnen langeafstandswandeling De Lange Weg Naar Huis hebben genoemd.

P1050197

We verzamelen op station Castricum vandaag, want mijn zoon moet eerst nog even een uurtje naar school. Hij heeft een zwaar leven. Langs nagelnieuwe en ruim gedachte villa’s voor de beter gesitueerden lopen we Castricum uit. Het is nog voorjaar, de bomen staan nog fris in het groen, maar de bloemen die beregend worden op het bollenveld dat we passeren zijn al geen tulpen of narcissen meer, daar is het dan toch alweer te laat voor. Wat er wel in bloei staat weten we niet maar het biedt een kleurige aanblik.
Over vriendelijke bospaadjes, tussen kronkelende heksenboompjes door, komen we in een uitgestrekt duingebied. Daar stuiten we om te beginnen op een geheel door aalscholvers in bezit genomen bosje. Dat biedt nogal een aanblik. Eerder waren we al eens tot het besluit gekomen dat de aalscholver van dichtbij eigenlijk wel een soort schoonheid bezit, maar dit is geen gezicht. We tellen tientallen nesten, wat niet moeilijk is want het zijn grote vogels die grote nesten bouwen maar bovendien alles doodschijten waar ze bij in de buurt komen. In het volle zicht manoeuvreren ze log en onhandig wat heen en weer, met die grote zwemvliesvoeten, op hun slordige bossen hout tussen de kale, witte, afgestorven takken die in een gestolde wanhoopskreet tegen het zwerk afsteken.
Blijkbaar hebben we ons laten afleiden door dit prehistorisch tafereel want korte tijd later komen we erachter dat we verkeerd lopen. Dankzij de boompjes. Tanige, weerspannige boompjes die hier en daar al jarenlang dapper maar vruchteloos weerstand hebben staan bieden aan de wind. De wind van zee, die ze met haar lange adem hardnekkig slechts één groeirichting toestaat. Als oude mannetjes staan ze voorover gebukt, gekromd, gebocheld. Allemaal naar rechts, valt ons op. Wat ons na een tijdje op de gedachte brengt dat de zee dan links van ons zal liggen. En dat we dus de verkeerde kant op lopen. Reuze trots zijn we dat we het landschap zo doeltreffend hebben kunnen lezen. Dat we nu een klein stukje op onze schreden moeten terugkeren nemen we op de koop toe.

P1050229

Zoals inmiddels gebruikelijk rapen we onderweg blikjes en plastic afval dat schijnbaar achteloos in berm en beemd wordt achtergelaten. Het doet mij deugd dat mijn negentienjarige zoon zich hier net zo fanatiek in toont als zijn oude vader, en hetzelfde verontwaardigde onbegrip ventileert over mensen die blijkbaar de rust en de schoonheid van de natuur opzoeken maar dan evengoed een spoor van verontreiniging achterlaten. Het valt niet te rijmen inderdaad. We komen thuis met een flinke boodschappentas vol. Dat er bijna de hele wandeling elke vijf minuten een passagiersvliegtuig over komt geeft onze opbrengst, onze hele missie, uiteraard de schijn van volslagen zinloosheid, van vechten tegen de bierkaai en paarlen voor de zwijnen, maar daar laten we ons niet door van de wijs brengen. Wat moeten we anders?
Dan duikt een kakikleurige meneer met handige zakken op uit de bosjes. Met onder zijn arm wat provisorische vlaggetjes en in zijn hand een geel apparaat. Nieuwsgierig vragen wij hem wat hij doet, en dat wil hij graag vertellen. Hij gaat er zelfs eens goed voor staan. Hij is bioloog, vertelt hij, plantkundige, om precies te zijn. Gepensioneerd inmiddels weliswaar, maar naar eigen beleving nog niet oud genoeg voor de permanente vakantie en vandaar als zelfstandige nog regelmatig in opdracht aan de slag. Zoals nu een onderzoek naar de vegetatie in dit gebied. Steekproefsgewijs, op verschillende van te voren willekeurig bepaalde plekken, legt hij uit, inventariseert hij wat er zoal groeit of bloeit. Met enige trots toont hij zijn gps, het gele apparaat, dat achtduizend euro gekost heeft maar hem dan ook tot op tien centimeter nauwkeurig brengt waar hij moet wezen. Wij tonen ons onder de indruk.
Met de provisorische vlaggetjes zet hij een cirkelvormig lapje grond af van vier, tien of honderd vierkante meter, afhankelijk van de hoogte van de begroeiing. Hoe hoger de begroeiing, hoe minder planten per vierkante meter, hoe groter het lapje grond. De door de steekproef opgegeven coördinaten dienen als middelpunt, en het is natuurlijk handig te weten dat de oppervlakte van een cirkel pi maal de straal in het kwadraat is. Goed. Binnen die cirkel telt en benoemt hij ieder plantje, bloempje en grasje dat er groeit, of het nu een boom, korstmos, helmgras of moeraswespenorchis is. En alles wat er zou kúnnen groeien kent de meneer – uit zijn hoofd – bij naam. En komt hij toch iets tegen dat hij niet kent, neemt hij een foto om het thuis te determineren. Vooral bij campings komt hij wel eens iets tegen dat hier eigenlijk niet hoort, in de Noordhollandse duinen. Dat is dan als pluisje of zaadje aan tentzeilen en in slaapzakken meegereisd uit andere delen van het land en de wereld en heeft het aangedurfd hier te ontkiemen en wortel te schieten. Als ware journalisten vragen wij dóór naar wat het bijzonderste is dat hij vandaag heeft gevonden, en dat is een dode buizerd. Dat valt dus feitelijk buiten het onderzoek maar wordt evengoed wel doorgegeven, zodat gekeken kan worden naar de doodsoorzaak. Wij vinden het schokkend om vervolgens te horen dat er blijkbaar ook mensen bestaan die deze vogels vergiftigen. Net waren we nog verrukt er één te zien vliegen.
Op onze beurt vertellen wij de meneer over onze tocht naar Den Haag, de meneer blijkt daar ook te zijn geboren en opgegroeid en zo wordt het een hartelijk afscheid. Hij stapt in zijn elektrische auto en laat zich door zijn dure gps het volgende coördinatenpaar wijzen. Even later komen we hem opnieuw tegen, in de andere richting. Met de zelfspot die Hagenaars eigen is bekent hij door het open raam dat hij verkeerd is gereden. Vrolijk zwaaien we hem na.

P1050298

Het is moeilijk de vinger er precies op te leggen maar we constateren dat de duinen er hier, richting Wijk aan Zee, wat anders uitzien dan rond Bergen en Schoorl. Het lijkt wat weerbarstiger, wat stekeliger, en beduidend minder deftig.
We treffen ook veel bomen en struiken die volledig zijn ingepakt door de spinselmot. De meidoornspinselmot, aan de restanten van de bomen te zien. De Yponomenta Padella. Het biedt een macabere aanblik. Spookachtig en ook een beetje viezig, die grote, wriemelende kluiten rups, maar het heeft dan eigenlijk ook wel weer iets. De getroffen bomen worden van top tot teen kaalgevreten door het krioelend gespuis, maar ik begrijp dat wanneer de vlinders gevlogen zijn de boom met nieuwe moed aan een tweede gebladerte begint. De natuur laat zich niet snel ontmoedigen.
De heckrunderen op ons pad kuieren wat door het bos. Ze zoeken de schaduw op. Er is er niet één die lekker in het zonnetje gaat staan, terwijl dat ook zou kunnen. Dat geeft enigszins te denken, denken wij, over het romantisch beeld van de Hollandsche koetjes in de wei. Die staan met dit weer waarschijnlijk toch ook liever in de luwte van de stal.
En zo voeren we onze gesprekken onderweg, over wat we zien en tegenkomen en wat daarvan te denken en te vinden. De Europese verkiezingen zijn vandaag, daar praten we wat over. Als we straks uitstappen op station Schagen zullen we daar gezamenlijk onze stem uitbrengen. We hebben fijne en serieuze vader zoon gesprekken, over de streken van het leven, het verleden, de toekomst, de liefde. Thuis in het dagelijks leven komen we daar niet altijd aan toe, maar al wandelend komt er veel aan de orde.

P1050314

Het Julianaplein in Wijk aan Zee doet er alles aan om een levendige indruk te wekken. Herberg de Posthoorn, Restaurant Klein Zwitserland, Club Star Aan Zee. Snack Corner, Super Kibbeling, Döner Combi. Tip Tourist Information en een Kunstontmoetingsplek. Maar het meeste lijkt dicht en Wijk aan Zee zo goed als uitgestorven. Zelfs het kerkhof naast de bakstenen kerk is maar matig bezet.
We kopen een ijsje bij de Snack Corner en vragen de dame die onze bolletjes schept of het druk is in Wijk aan Zee vandaag. We vragen naar de bekende weg. Maar het valt wel mee, zegt de dame. Wij nemen plaats op een bankje bij de kerk en eten ons ijsje. En wachten af.
Een zilvergrijze auto rijdt het plein op. Een man en een vrouw stappen uit. De man is kaal geschoren, is klein maar breed, breed maar klein, en heeft een stoer en gehaast loopje. De vrouw is blond, maar niet van zichzelf. Ze heeft diverse tattoos en streeft tevergeefs iets meisjesachtigs na. Uit de achterbak komt iets tevoorschijn dat wij na enig overleg thuisbrengen als een kooi voor een papegaai. De man brengt de onderdelen één voor één van de auto naar binnen. Ze wonen boven de Snack Corner. De voordeur valt telkens dicht, er zit waarschijnlijk een veer op, wat nu onhandig uitpakt. Als de man de laatste stapel ongeregeld naar huis loopt moet hij een paar keer terug om iets op te rapen wat onderweg van de stapel viel. Hij legt dat dan weer terug op de stapel. Ook de laatste keer werkt de deur niet mee. De vrouw brengt ondertussen de auto weg, want op het plein mag niet worden geparkeerd.
Dan komt een bejaarde met bretels en een olijk hoedje het plein op lopen. Met zijn handen in zijn zij roept hij een paar keer hard naar een man die, ondanks de warmte, zijn dakgoot staat te schuren. De olijke bejaarde komt niet boven het lawaai uit en moet zijn kreet een aantal keer herhalen voordat de schilder zijn schuurmachine uitzet, zijn oordoppen afdoet. Dan heeft de olijke bejaarde alle aandacht van heel Wijk aan Zee op zich gevestigd. Volgt de grap dat hij ook nog wel iets te schuren heeft.
Ons ijsje is op, wij vervolgen onze weg naar Beverwijk. De uitbater van Döner Combi zit moedeloos in zijn deuropening en kijkt ons niet na.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze etappe.

Ben + Tim

P1050885

Wandelend over de heuvelrug genaamd Der Schwarze Mann, in de Eifel, plaatselijk bekend als één van de hoogste, werd ik door meerdere bordjes uitnodigend gewezen op een bijzonder uitzichtpunt. Eifelblick, heette de route die ik liep, geloof ik. Een Aussichtanlage was het, met uitzicht op drie landen. Duitsland, uiteraard, België en Luxemburg. En dan ben ik toerist genoeg om even een kijkje te nemen.
In de berm was een iets verhoogd podium gebouwd dat ruimte bood aan minstens veertig belangstellenden. Met een stevig hek eromheen voor de veiligheid, een bank om op te zitten voor de ouderen en de corpulenten, en een informatiebord om op te lezen waar je welk land kon zien en waarom.
Ik zag het niet, maar dat vond ik niet erg. In een hoekje namelijk stond iets dat alles goed maakte.
Het was een bescheiden, eenvoudig maar vooral zelfgetimmerd bankje. Een restje schuttinghout, met twee handenvol ferme spijkers op evenveel aan de haard ontkomen stammetjes vastgenageld. Aan één kant volgens een min of meer symmetrisch systeem, aan de andere kant met een wat lossere aanpak. Aan beide kanten was goed te zien dat er flink getimmerd was.
Een rugleuning had het bankje niet nodig, dat was te ingewikkeld, maar op de zitting was een bordje gespijkerd waarop je kon lezen wie dit bankje gemaakt had. Dat waren Ben + Tim. Het stond er met zwarte stift geschreven, in onbeholpen letters en met zo’n verdraaide N.
Tim het oudere broertje, vulde ik ter plekke in, die al aan elkaar heeft leren schrijven, en Ben de jongste, die vooral zijn eigen naam heeft geoefend. De N blijft lastig. Papa heeft de datum erbij gezet. 25 4 19. Tim timmerde de rechterkant, Ben de linker. Papa trots het bordje. Samen hebben ze het naar hier gebracht, als geschenk aan de wereld. Met een beetje pijn in het hart achtergelaten misschien, zo’n mooi werkstuk.
Ik besloot even op dit bankje te gaan zitten. Ik had toch net trek in een appeltje. En een slokje water. Ik wilde toch net even rusten, om even wat te mijmeren.
Het uitzicht over drie landen kon mij verder gestolen worden, ik genoot dankzij dit bankje van een veel mooier uitzicht. Op de dagen namelijk dat deze papa zelf zijn dochter meenam naar het atelier, en later ook zijn zonen, gedrieën zijn eigen Tim en Ben, zo kort geleden nog maar, zo lang geleden alweer, om een dagje te zagen en te timmeren. Iets moois te maken, op eigen kracht, met een beetje hulp van papa, die toen nog alles wist en alles kon.
Uitzicht op de rijkdom van je bestaan. Het beste inzicht dat je kunt hebben. En geen bordje dat je er op wijst. Daar heb je een bankje als dit voor nodig.

Waxinelichtjes in aluminium cupjes

cropped-p1050848.jpg

Wandeling rond Sellerich-Hontheim, gelopen op maandag 5 augustus 2019

Vanuit ons vakantieverblijf in de Eifel maak ik vanmiddag een eerste verkennende wandeling. We logeren wat onderaan in een dal, dus waar ik ook besluit heen te lopen, het begint met klimmen. Flink klimmen, ook nog. Ik vind dat een soort van spannend, laat ik het nu maar bekennen, want sinds mijn hier tot nu toe verzwegen operatie vorig jaar is het voor het eerst dat ik dat weer doe. Wandelingen bergop leverden mij voorheen steevast de bekende pijn op de borst, waardoor ik elke klim in behapbare stukken of stukjes moest verdelen en telkens op adem moest komen. Waar ik in de loop der jaren behoorlijk behendig in was geworden. Overigens was ik er in de loop der jaren ook buitengewoon handig in geworden dit soort noodzakelijke pauzes te maskeren met een meer of minder uitgebreid fotomoment, een sanitaire stop, een slok water of het raadplegen van kaart of mobiel. Niet alleen voor eventuele medewandelaars, ook, of misschien wel vooral, voor mezelf.
Goed.
Van wandelingen thuis weet ik inmiddels wel dat, wat het me verder ook allemaal aan al of niet blijvende nasleep heeft opgeleverd, de pijn op de borst is verdwenen. In elk geval voorlopig, houd ik immer op mijn hoede een slag om de arm.

P1050845

Desondanks begin ik niet helemáál onbevangen aan de weg naar de top van dienst, der Schwarze Mann, wat trouwens een tikje onheilspellend klinkt, maar dat heb je wel vaker in het Duits. Het wordt zo’n klim waarvan je bij elke bocht of wending denkt dat je er wel zo’n beetje bent maar die dan telkens een nieuw stuk in petto heeft. Aanvankelijk moet ik een beetje zoeken naar een geschikt tempo, veel lager dan ik hoogmoedig heb ingezet, zoeken ook naar rust en vertrouwen in mijn lijf, maar zonder kleerscheuren of ademnood geraak ik boven. Hetgeen mij tot bescheiden tevredenheid stemt.
Onderweg hoop ik altijd wild te treffen. Een ree, of twee, een koppeltje wilde zwijnen.. ze moeten er zijn, in deze uitgestrekte bossen, er staat niet voor niets elke tweehonderd meter een Jagdstuhl – zo’n op stelten van multiplex en asfaltpapier in elkaar geflanste schiethut van waaruit de sportieve jager zijn prooi op zijn gemakje, zonder al te veel arbeidsintensief sluipen en achtervolgen, af kan knallen – maar ze laten zich niet zien. Niet aan mij. Het is niet de juiste tijd van de dag, weet ik natuurlijk ook wel, veel te warm, veel te vroeg. En een rammelende rugzak en dat eeuwig knerpende grind onder de wandelschoenen helpen ook niet echt. Ik moet het doen met een lui opvliegende blonde Greifvogel en het nodige klein grut waar ik de namen ook niet van weet.
Zoals mij wandelend in Duitsland al wel eens eerder gebeurde, kom ik ook vanmiddag de oorlog tegen. Halverwege de klim naar boven stuit ik op een monument dat oproept in de Here Jezus te geloven. Het monument is neergezet, lees ik, ter nagedachtenis aan drie mannen die hier, de eerste maand na de oorlog, bij herstelwerkzaamheden aan de waterleiding, op een landmijn stuitten. Of het een geallieerde of een Duitse mijn was vermeldt het verhaal niet. Ik vraag me een tijdje af of dat verschil zou maken, voor de tragiek ervan, maar kom er niet uit. De Here Jezus zat er verder niet mee in elk geval.

P1050863

Bovenop de heuvelrug tref ik een bunker. De resten van een bunker, met een door de tand des tijds aangevreten hek er nauwelijks nog omheen. Het lijkt mij een vreemde plek voor een bunker, zo lukraak midden in het bos, tot ik bedenk dat ik hier natuurlijk langs de Westwall loop. En dat dat bos er destijds waarschijnlijk niet stond en men vanaf dit hoge punt een riant uitzicht en vrij schootsveld over het aanpalende dal gehad zal hebben. Bunker, vermeldt een vervaagd opschrift in gothische letters, om misverstanden uit te sluiten. Het is een wanordelijke stapel grove brokstukken zwart en grijs beton waar de bewapening aan alle kanten roestig uit steekt. Alsof er met een enorme hamer op is geslagen hangt de tientallen centimeters dikke dakplaat aan zijn betonijzer in stukken naar binnen. Het lijkt er niet op dat dit ook het werk van de tand des tijds is. Het lijkt er meer op dat deze bunker met het nodige geweld aan zijn einde is gekomen. Dat zou dan dus oorlogsgeweld geweest kunnen zijn, ben ik geneigd te denken, want als het een naoorlogse opruimactie is geweest, waarom de brokstukken dan niet ook afgevoerd? De ellendige omstandigheden waarin mensen elkaar hier naar het leven hebben gestaan, ben ik geneigd er in gepaste stilte bij te denken.
Alweer op de terugweg bezoek ik nog een kleine, witte Mariakapel die we eerder al hadden zien afsteken tegen de groene verte. Het is opmerkelijk hoeveel kapelletjes, Maria’s en kruisbeelden je op de vreemdste en meest afgelegen plekken tegenkomt, waar ook vaak nog een kaarsje in brandt, of verse bloemetjes bij zijn gezet, in een vaasje.
Aan de rand van de weg ernaartoe staan eerst nog twee grote, klassiekerig uit brokken geel steen opgemetselde pilaren, in het niets. Restanten van een toegangshek, schat ik zo in. Nu slechts toegang biedend aan een lege weide, en het glooiend landschap erachter, maar eerder misschien aan de oprijlaan van een inmiddels verdwenen landhuis of burcht.
Een te romantische gedachte. Volgens een bijgeleverd bord gaat het om de Eingangstor zum ehemaligen Reichsarbeitsdienstlager Hontheim. Internet leert dat dit van 1933 tot 1945 dienst heeft gedaan als opvoedings- en werkkamp voor Duitse jonge mannen, die hier zes maanden verplicht te werk werden gesteld in de oorlogsindustrie. Er zou bijvoorbeeld gewerkt zijn aan benodigdheden en onderdelen voor de Westwall. Later, toen de jonge mannen op begonnen te raken, werden er ook vrouwen aan het werk gezet.

P1050925

Het kapelletje ten slotte, want daar kom ik voor, blijkt in 1948 te zijn opgericht ter ere van de heilige maagd Maria, als dank voor het feit dat Zij de plaatselijke bevolking zou hebben gered bij het passeren van de geallieerde frontlijn, 21 september 1944, in de nadagen van de oorlog. Maria geeft geen krimp, aan de muur van haar witte kapel. Zij laat het zich gewoon maar aanleunen.
Het is stil en vredig in het kapelletje. En warm. Op twee tafeltjes branden kaarsjes, waxinelichtjes in aluminium cupjes, op een eenvoudig altaar staan bloemen. Aan de muren zijn tal van bordjes geschroefd waarmee Maria dank wordt gezegd voor allerlei andere, niet nader benoemde verleende diensten – in marmer gebeiteld, geëmailleerd of aandoenlijk met naïeve hand in dito vrolijke kleuren geschilderd. Er hangt ook een geplastificeerd verzoek niet uit eigen beweging schildjes op de muur te bevestigen. Maria, nogmaals, ziet het allemaal onbewogen aan.
Als ik de gewijde stilte van het kapelletje weer verlaat, parkeert er juist een auto op het grindpad. Dat zal de koster wezen, denk ik, die de boel komt afsluiten. Als niet-religieus begin ik mij alvast schuldig te voelen voor mijn ironische, louter toeristische belangstelling voor deze verheerlijking, maar het blijkt al gauw dat de vermeende koster, geheel in het groen gekleed, met een heel ander oogmerk aan de rand van het bos komt parkeren. Dure groene tassen komen er uit de kofferbak tevoorschijn, onderdelen worden aan elkaar geschroefd. Mijn groet wordt niet beantwoord. Met plotseling enige huiver passeer ik de resterende Jagdstuhlen op weg naar ons tijdelijk huis.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Ei

ei

 

 

De ganzen hebben het niet slecht voor elkaar, zie ik bij mijn ochtendwandeling. Hun pullen zijn in een paar dagen tijd enorm groot geworden en nog altijd even talrijk als ik ze me van de vorige keer herinner, toen ze nog klein en hulpeloos waren. Ook nu worden ze nog fanatiek in een groep bij elkaar gehouden door de achterdochtige volwassenen, zijn ze nog pluizig en kunnen ze nog niet vliegen maar de puberleeftijd lijken ze al wel te hebben bereikt en het ziet er naar uit dat de plaatselijke ganzenpopulatie zich ook dit jaar weer succesvol heeft vertienvoudigd. De boeren schijnen daar niet blij mee te zijn en daar zullen ze hun redenen voor hebben maar ik vind het een mooi en bemoedigend gezicht, al dat jonge nieuwe leven. De eendenpullen van vorige keer zijn van de aardbodem verdwenen, zijn waarschijnlijk omgezet in andere diersoorten, en ook de kleine meerkoetjes zijn gedecimeerd. Boven mij zie ik mijn kiekendief zijn inspectierondjes draaien.
Uit de omringende bomen hoor ik een aantal koekoeks gestadig over en weer naar elkaar roepen, met de bekende kreet. Een gezellig geluid wel, al weten we natuurlijk allemaal dat schijn hier bedriegt. Telkens als ik denk er één zo dicht te zijn genaderd dat ik hem straks waarschijnlijk zie zitten, vliegt ie er snel vandoor en zie ik niets anders dan een vage flits. Ze zien mij een stuk eerder dan ik hen, zoveel is duidelijk, en aan pottenkijkers hebben ze geen behoefte.
Aan de kant van de weg zie ik een flinke kraai die een kapot gevallen ei staat leeg te vreten. Met zijn kop schuin gebruikt hij zijn snavel als lepel. Slim inderdaad, maar wat zijn het toch klotebeesten, kan ik niet na laten te denken. Ik weet wel, het is de natuur en kraaien moeten ook eten en hun jongen ook, en ik weet niet wat voor ei het is maar als er nooit eens iets wordt opgegeten worden het er ook gewoon wel weer teveel misschien, maar sneu vind ik het ook.
Ergens hoop ik dan maar dat het het ei van een koekoek is, want het is natuurlijk gewoon asociaal zoals die hun enorme ei bij een klein vogeltje in het nest dumpen, er zelf verder hun vleugels van aftrekken om in de volgende boom de hele lente lang een beetje gezellig koekoek naar elkaar te gaan zitten roepen. Dat die kraai nu op het randje van datzelfde nest heeft gezeten en heeft gedacht: ik pak lekker de grootste, die kleintjes laat ik liggen. Maar ja, wat kan zo’n ei daar dan weer aan doen?

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Mits

mits

 

 

Bij een genoeglijke wandeling langs bos en hei passeren mijn vrouw en ik een bordje waarop staat dat in het achter het bordje gelegen gebied honden los mogen lopen, mits zij geen overlast veroorzaken. Wij barsten altijd in lachen uit bij dat soort bordjes, al is het ook als een boer met kiespijn. Dat soort bordjes gelden meestal namelijk alleen voor de mensen zónder hond. Het mag inmiddels duidelijk zijn dat wij tot die groep behoren. Nergens tref je zoveel loslopende honden op je pad als na een bordje waarop staat dat de hond moet worden aangelijnd. Hondenbezitters laten zich niet graag de wet voorschrijven. Dat maakt het bordje waar wij nu langs wandelen ook tot een ingewikkeld bordje. Want wie bepaalt wanneer de hond overlast veroorzaakt? En wie gaat het baasje of het bazinnetje daar dan op aanspreken? En heeft u dat wel eens geprobeerd? Een hondenbezitter aanspreken op zijn gedrag? Of dat van zijn hond? Wij raden dat niet aan. Dat kan uw dag goed verpesten. Daar houden hondenbezitters nog minder van dan van bordjes. Dat blijkt ook nu weer, uiteraard, anders zou ik er niet over beginnen.
Het leuke van wandelen, vinden wij, is dat je onderweg van alles ziet. Niet alleen weidse landschappen, wolkenluchten en vergezichten, maar ook een specht die wegschiet, een bloemetje waar je de naam niet van kent of een mestkever die de grootste moeite heeft met de klus die hij moet klaren. De ingang van een hol, en de vraag die dat oproept van welk dier dat zou kunnen zijn. Dingen waar je bij stil blijft staan. Om er even wat langer naar te kijken, elkaar er op te wijzen, het er even over te hebben. Dingen waarvoor je dan wel eens door de knieën gaat, omdat het zo klein is. Iets waar je even bij gaat zitten, omdat het zich op de grond afspeelt. En als er dan plotseling een vrij grote hond uit het niets de hoek om komt draven en in je gezicht gaat staan blaffen, dan ervaar je dat als overlast. Wij wel tenminste. Dus daar gaan we.
Inmiddels hebben zich nog twee honden gemeld die weliswaar niet blaffen maar het wel duidelijk met hun soortgenoot eens zijn. Dan pas komen de baasjes de hoek om, waarvan er één nogal bars roept dat ‘er niks aan de hand is’. We hopen dat dat tegen de hond is, maar omdat we zelf net iets snauwerigs tegen de hond zeggen weten we dat niet zeker. Het lijkt ons wel een mooi moment om de baasjes er, het bordje van daarnet indachtig, op te attenderen dat wij het niet erg prettig vinden om zo intimiderend te worden toegeblaft. Dom natuurlijk, dat weten we zelf ook wel, maar je flapt er wel eens iets uit. Wat hadden we verwacht? Dat de baasjes ons gelijk zouden geven? Begrip zouden tonen? Zich zouden verontschuldigen en de honden bij de halsband zouden nemen? Nee, zo gaat dat niet. De baasjes vinden het maar flauwekul want wie gaat er nou op de grond zitten? Daar schrikt de hond toch van? Dan weet de hond toch ook niet meer waar hij aan toe is? Zeikerds, zijn we.
En dan zijn wij natuurlijk uitgepraat, want wat moet je daar nou nog tegenin brengen?

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Een oude bekende

IMG_2507

 

 

 

Voor het eerst in toch alweer iets te lange tijd maak ik mijn vaste ochtendwandeling. Het is niet dat ik daar geen zin meer in heb, of dat ik het niet meer nodig zou hebben, verre van dat. Er staan gewoon steeds andere dingen op het programma. Het leven raast ook maar gewoon door nietwaar. Tja, wat doe je eraan.
In elk geval, ik ben weer op ochtendwandeling en er is nogal wat veranderd sinds de laatste keer, merk ik op. Uiteraard is er nogal wat veranderd, dat haalt je de koekoek. Er is een volle maand lente overheen gegaan, dat wil wel. Waar de vorige keer alles nog kaal, woest en ledig was, springt het nieuwe leven me vandaag overal vandaan tegemoet. Een wellustig fris, jong groen kleurt bomen en struiken waar je kijkt. Bermen staan botergeil in bloei met enorme bossen fluitekruid en koolzaad, boterbloemen, pinksterbloemen, paardebloemen en allerhande anders dat ik zonder boekje niet weet te benoemen. De meidoorn bezwijkt zo hier en daar bijna onder de bloemenvracht. Nieuw riet schiet op in de boerensloot. Waar ik trouwens nog veel meer nieuw leven in zie. Een moeder eend paradeert trots met een sliert pulletjes in haar kielzog, een meerkoet duikt onduidelijk voedsel op voor twee kleintjes, die ondanks hun pluizigheid eigenlijk weinig aandoenlijks hebben, valt mij altijd op. Ik zie een weide vol ganzen die al hun pullen in een soort kinderopvangsysteem bij elkaar hebben gedreven. Zij voeden hun kinderen op volgens het Afrikaans spreekwoord: It takes a village to raise a child. Als ze mij zien aankomen, met mijn camera, maken ze zich groepsgewijs waggelend en gakkend uit de buurt, de kinderschare veilig in het midden. Opvliegen, wat ze normaalgesproken doen, is er voorlopig even niet bij. Opvallend genoeg blijven vijf ganzen achter, die zich gezamenlijk met één jong bezig staan te houden. Er worden hartige woorden gesproken, die ik jammer genoeg niet kan verstaan. Al kan ik me er, door de wol geverfd als vader van drie en opa van twee, wel iets bij voorstellen.
Verderop kom ik drie eendenpullen tegen waar geen enkele volwassen eend zich om lijkt te bekommeren, ik zie er niet één tenminste. Moederziel alleen klitten ze piepend bij elkaar in de sloot. Braaf vluchten ze steeds een eindje voor me uit, zoals ze dat van moeder geleerd hebben waarschijnlijk, maar na een tijdje geven ze dat op en blijven ze maar wat liggen. Het kan mijn vaderhart zijn natuurlijk, maar het lijkt er zelfs een beetje op dat ze hoopvol naar me op kijken. Of ik misschien weet waar hun moeder is. Of ik ze misschien kan helpen. Maar ja.. nee.. wat moet ik doen? Wat kan ik doen? Niks natuurlijk. Zo gaan die dingen. Met bezwaard gemoed loop ik door.
Mijn humeur klaart weer wat op als ik plotseling een oude bekende zijn rondjes door het luchtruim zie zweven. Het is de bruine kiekendief die ik vorig jaar al regelmatig rond zag vliegen en waarvan ik geheel zelfstandig had geconcludeerd dat het een bruine kiekendief was. Daar was ik toen best trots op en sindsdien ben ik hem als oude bekende gaan beschouwen. Hij mij niet, uiteraard. Al liet hij zich vrij regelmatig zien. Nu was hij dus weer terug van blijkbaar weggeweest, want dat het een trekvogel was wist ik dan weer niet. Ik weet heel veel niet. Ik ben blij met het weerzien en hoop hem dit jaar nog beter en van dichterbij te zien te krijgen. Nu kijk ik hem na, hoe hij in glijvlucht zijn koers verlegt. Schitterend, vind ik het. Dan dringt het opeens tot mij door dat hij in de richting van mijn drie eendjes glijdt. En dat hij niet voor niets kiekendief heet. Ik houd mijn hart vast. Gelukkig heb ik geen verrekijker bij me.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Langs de verloren beek

Trage Tocht Wisselse Veen, gelopen op vrijdag 3 mei 2019

P1050095

Op een onbezorgde, overwegend zonnige vrijdag in de meivakantie wandelden wij rond het Wisselse Veen, bij Epe. Over zandwegen en paden en onder fraaie wolkenluchten liepen wij door natuur en cultuurlandschap. En langs de verloren beek. Die niet zo heet omdat hij kwijt was geraakt maar omdat hij nimmer is gebruikt als energiebron, in tijden dat beken dat waren.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Alles wat groeit en bloeit

cropped-p1040545.jpg

Van Bergen aan zee naar Castricum, een etappe van De lange weg naar huis, gelopen zondag 21 april 2019, eerste paasdag

Voor de laatste keer laten we ons volledig verzorgd met de auto op ons startpunt afzetten, mijn jongste zoon en ik. Bergen aan zee. Vanaf hier zullen we met het openbaar vervoer moeten heen en weren. Zo ver zijn we al van huis, op onze tocht naar Den Haag en weer terug. Het is eerste Paasdag, het weer is ons welgezind. De temperaturen zijn zomers, we zullen licht verbrand terugkeren vanavond, al weten we dat nog niet. Wel heb ik als voorzorg mijn hoedje opgezet. Eerste keer dit jaar.

P1040408

Bij de Zeeweg duiken we meteen de duinen in, een schitterend gebied. Meanderende zandwegen door glooiend en open terrein, met plukjes bomen hier en daar die zich ondanks protest uiteindelijk toch telkens opnieuw, grillig en krullend, naar de wind hebben moeten voegen. Bij een poeltje staan wat paardjes loom en fotogeniek te wezen. Ze kijken ook naar ons. Er wordt bedachtzaam wat gedronken. We staan er een tijdje bij stil en zien dan plotseling een gele kwikstaart. En nog één, en nog één. Op het laatst zijn het er vijf. Het staat mij vagelijk bij dat dit een bijzondere waarneming is, maar dat kan net zo goed onzin zijn. Wel ben ik erg tevreden met mezelf dat ik deze vogeltjes zonder pardon en haperen weet te benoemen. Al is dat ook weer niet zó moeilijk want als ik er zelf een naam voor zou moeten verzinnen zou het waarschijnlijk ook gele kwikstaart worden. Het is een vogel die zijn naam eer aan doet. Ze lijken een beetje bij de paarden rond te blijven darren. Vermoedelijk omdat daar lekker veel insecten op af komen, vertel ik mijn zoon iets voor de hand liggends.
Verderop buigen we ons gezamenlijk over wat sporen in het zand. Vragen ons en elkaar af wat hier gelopen zou kunnen hebben. We menen kussenpootjes met nageltjes te zien, te klein voor een vos, volgens ons. Niet de lange achterpootafdrukken van een konijn. Een wezel of een hermelijn misschien. Als die hier voorkomen tenminste, daar hebben we hier en nu geen idee van maar later blijkt op internet dat dat inderdaad tot de mogelijkheden behoort. Het tweede spoor is meer een soort bandenspoor. Ik houd het op een hazelworm, of een slangetje. Een flinke rups, zou ook nog kunnen, bedenk ik me nu ik dit schrijf.

P1040428

Halverwege Egmond nemen we een stukje strand, het is niet voor niets strandweer tenslotte. Erg veel mensen zien we nog niet, het is nog vroeg en we zitten ver van beide badplaatsen. Wat wandelaars. Twee vissers zitten hun tijd te beiden. Een rijtje joggers. Naarmate we Egmond naderen wordt het wat drukker met badgasten. Er worden kuilen gegraven, dammen opgeworpen en balletjes overgegooid.
Langs de duinrand staat een lange rij stacaravans als strandhuisjes opgesteld. Mooi is anders, vind ik persoonlijk, en ik stoor me graag aan het idee dat mensen zich op deze manier een stuk strand toe-eigenen, als een soort privégebied, waar het strand natuurlijk van iedereen is. Hoewel dit dan wel weer beter is dan de onder architectuur gebouwde patserige eenheidsworst waar de gemiddelde projektontwikkelaar het liefst heel de kust mee wil verpesten, als hij de kans krijgt.

P1040452

Het gebouw dat als eerste oprijst op een duintop, als voorbode van Egmond, doet wat denken aan het Zeehuis in Bergen aan zee. Ondanks de lelijke glazen aanbouw heeft het een zekere grandeur. Helaas zegt de lelijke glazen aanbouw meer over Egmond dan de rest van het gebouw want grandeur komen we verder niet tegen. Egmond is gewoon lelijk, sorry dat we het zeggen. Wat er eventueel nog aan authentiek vissersdorperigs zou kunnen staan is aan het oog onttrokken door stompzinnig lelijke appartementenflats met uitzicht op zee en andere toeristenmeuk. Op de boulevard staat vergeefs een treurige kermis opgesteld. De vuurtoren JCJ van Speijk staat van top tot teen in de steigers maar is zelfs zo nog verreweg het mooiste meisje van Egmond. Toeristen hebben daar geen boodschap aan, blijkt. Over de boulevard sjokken Duitse families en gezinnen goedgemutst richting het strand, bepakt en bezakt met parasols, klapstoelen, boodschappentassen met diversen en kratten en koelboxen vol etenswaren. Fraai is het allemaal niet, maar goed. De zomer lijkt begonnen.
Na Egmond mogen we gelukkig de duinen weer in, al is het tegen betaling. We horen heel de dag al, en ook hier weer, enorm veel vogelgeluiden. Alleen van de koekoek in de verte weten we zeker wat het is. Het gemauw van een buizerd gaat ook nog. Het lukt me een paar kleine vogeltjes min of meer scherp op de foto te krijgen zodat ik thuis kan uitvissen wat we gezien hebben. Dat blijkt dan ook wel weer lastiger dan ik dacht omdat je als vogelaar eigenlijk ook het geluid erbij moet kunnen onthouden. Alleen zo zijn tjiftjaf en fitis van elkaar te onderscheiden. En dan kan het ook nog een fluiter zijn. Een tweede vogeltje lijkt mij een nachtegaal toe, maar dat durf ik hier nauwelijks op te schrijven. Een derde lijkt zoveel op de roodborsttapuit dat ik dat wel met zekerheid durf te stellen.

P1040466

Waarom het nou zo leuk is om dat allemaal dan weer precies te willen weten, weet ik eigenlijk niet en dat is natuurlijk ook helemaal niet interessant. Als je iets leuk vindt moet je je vooral niet af gaan zitten vragen waarom. Vandaar dat we ook nog even een vogelkijkhut in sluipen. We kijken uit over een meertje met daarin alleen een meerkoet. Tja, die hebben we thuis ook. Sterker nog, in het slootje aan onze achtertuin zit een stel pal onder onze neuzen stoïcijns te broeden. We willen alweer rechtsomkeert maken als er plotseling toch nog iets anders langs zwemt. Het is klein, het duikt onder water maar ik zie wel dat het geen kuifeendje of koet is. Ik poch met mijn niet bestaande kennis tegen mijn zoon dat het wel eens een dodaars zou kunnen zijn. Ik weet zelf niet waar ik het vandaan haal, maar thuis blijkt het wel zo te zijn. Kleinste fuut van Europa, of de wereld zelfs. En uitermate schuw. Pakken we toch maar weer even mee.
Tegen Castricum aan lopen we langs een stuk nieuwe natuur. Dat wil zeggen, dat moet het misschien nog worden. Nu is het een tamelijk troosteloze zandvlakte waar alles wat groeit en bloeit met wortel en tak is uitgeroeid. Er staan alleen nog wat skeletten van bomen, die er misschien voor de insecten of het verrottingsproces zijn blijven staan. Of voor de apocalyptische sfeer. Er is geen informatie over wat de plannen zijn, welk nobel doel gediend wordt, en dat is jammer want na een dag wandelen door een schitterend natuurgebied ziet dit er toch tamelijk vijandig en destructief uit.

P1040537

Terwijl ik er wat kunstzinnige foto’s van maak, want zo ben ik dan ook wel weer, blijven twee dames in zeer onflatteuze korte broeken angstvallig buiten beeld staan wachten. Ze willen niet op social media, roepen ze ter verklaring. Ach ja, het gevaar loert overal. Daarna blijven ze wel nog vrij lang in ons uitzicht voor ons uit wandelen.
Op het zandpad verdiepen we ons in een vrij groot insect dat steeds een stukje voor ons uit lijkt te vliegen en gravende bewegingen maakt in het rulle zand. Het lijkt mij een soort wesp, en dat is het ook, lees ik later. Een langsteelgraafwesp. Jaja. En daarvan de duinaardrupsendoder, om precies te zijn. Waarop ik wel eens wilde weten hoe de duinaardrups er uit zou zien, maar zo zit het niet. Er bestaat geen duinaardrups. De duinaardrupsendoder doodt elke rups die hem voor de voeten komt, om hem in te graven als voedsel voor één van zijn larven. En naast de duinaardrupsendoder bestaan dan ook nog andere soorten rupsendoders. De kleine rupsendoder, bijvoorbeeld. Terwijl er dus ook een paddenstoel blijkt te zijn die rupsendoder heet. Ja, je leert best veel op een wandeling. Als je je ogen maar open houdt, en niet te veel haast hebt.
Dan lopen we het verkoelende bos in richting het station van Castricum. Het klinkt ondankbaar op zo’n vroege mooie dag, maar de zon is best warm. We zijn bovendien aangekomen bij het moment waarop we merken dat we licht verbrand zijn.
Het bos heeft die typische lichtgroene kleur van de lente. Berkjes die net zijn uitgelopen, abelen die licht lijken te geven met hun witbehaarde blaadjes, kastanjes al vol in het blad, eiken die nog moeten beginnen. Een en al belofte van leven en geluk.
De trein missen we op drie seconden, hooguit vier, maar dat laten we ons de dag niet bederven.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Iga

iga kunicka

 

 

We wandelen vanaf Dirkshorn. Van het oude raadhuis en de kerk lopen we langs het haventje het dorp uit, steken onderlangs de N245 over en door een sluis van robuust hekwerk dat het ergste doet vermoeden komen we op de grasdijk langs het meer. Het meer van Dirkshorn. Heel groot is het niet, maar dat zegt niks.
Halverwege treffen we een kruis tegen de rietkraag. Een herdenkingskruis. Zelf in elkaar geknutseld van in de fabriek al witgespoten hardhouten balkjes en een door de elementen verweerd plankje waarop met zwarte stift een naam, twee data en een onleesbare zin in het Pools staan geschreven. We nemen tenminste aan dat het Pools is, geen vreemde veronderstelling in deze contreien.
Iga Kunicka.
SP, staat er nog voor. De Poolse versie van RIP, vermoeden wij. Spoczywaj w Pokoju. Zoek het maar op, op internet. Een halfvergaan en kleurloos geworden kransje van nepbloemen ligt even verderop in het riet. Voor het kruis staat nog een latje in de grond geprikt met daaraan een wat knullig geplastificeerd stukje multomappapier waarop dezelfde naam, de tweede datum en daaronder RIP. De tweede datum, dat zal een sterfdatum zijn, is 26 juli 2014. Toch is de tekst op het papier vandaag nog goed te lezen, al is het wat uitgelopen door het vocht. Je mag dus aannemen dat dit extra bordje er later nog bij is gezet. Naar het waarom daarvan kunnen we natuurlijk alleen maar raden, maar het lijkt er alles bij elkaar op dat Iga Kunicka na vijf jaar nog niet vergeten is, in Dirkshorn.
Op internet vinden wij nieuwsberichten uit Poolse kranten die haar tragisch einde beschrijven, in krakkemikkig Google Translate Nederlands. 21 jaar was ze, een seizoenskracht in de bollenteelt. Geliefd bij de mensen met wie ze werkte, een gangmaakster, lezen we in het Noordhollands Dagblad. In haar schooltijd deed ze mee aan schaaktoernooien, in een ander Pools artikel. Tijdens een feestelijk, zomers boottochtje met haar veelal Poolse collega’s raakte ze te water en verdronk.
In de commentaren onder de Poolse artikelen schrijven mensen die haar blijkbaar gekend hebben dat ze goed kon zwemmen. Dat ze geduwd werd. Verder wordt er al even naargeestig en respectloos heen en weer gevit en gescholden als hier onder willekeurig welk Volkskrantbericht op facebook, daar wensen wij verder geen wijs uit te worden.
Is ze zelf gesprongen? Verleid tot een verkoelende duik? Het was een warme dag. Werd ze tijdens een stoeipartijtje geduwd? Zo’n typisch verkennend stoeipartijtje met een jongen misschien, die haar leuk vond. Die zij leuk vond. Kon ze toch niet zo goed zwemmen? Misschien had ze gedronken.. we weten het niet. Het meer van Dirkshorn is diep, en koud. En zwijgzaam.
Het Noordhollands Dagblad meldt een week later dat de toedracht rond haar dood alsnog nader wordt onderzocht. Een bericht dat geen vervolg krijgt.
Wij denken dus maar aan Iga Kunicka, niet ouder geworden dan 21. En aan haar ouders, in Hrubieszów, in Polen, aan de grens met Oekraïne. Meer kunnen we niet doen.
Het halfvergane bloemenkransje, dat we al bijna als plastic zwerfafval hadden meegenomen, hangen wij terug aan het kruis.

Eerder gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Het vriendelijk uitbottend landschap

cropped-p1040225.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Dirkshorn naar Nieuwe Niedorp, gelopen op vrijdag 29 maart 2019

In Dirkshorn raak ik, nog vóór we goed en wel vertrokken zijn, mijn wandelgenoot kwijt. Voor een foto van het kleitablet naast de deur was ik het trappetje van het oude raadhuis opgeklommen en na gedane zaken weer op de begane grond bleek zij mij spoorloos. De over een boekje gebogen gestalte waarvan ik bij tegenlicht met een half oog veronderstelde dat zij het was, die zich daar op de route oriënteerde, bleek de helft van een duo Jehova’s Getuigen te zijn. Jehova’s Getuigen zijn altijd met z’n tweeën, om één of andere reden. Het kan niet anders of er is per regio altijd een even aantal Jehova’s Getuigen. In elk geval, zij stonden zich op iets heel anders te oriënteren, namelijk de bekering van Dirkshorn, maar waren, na mijn wat verwarde uitleg, niet te beroerd met mij in het rond te kijken. En inderdaad, daar stond mijn wandelgenoot één en ander met stijgende verbazing te bezien.

P1040116

Langs het haventje verlaten wij Dirkshorn, steken onderlangs de N245 over en bereiken via een sluis van robuust hekwerk de grasdijk langs het meer. Het meer van Dirkshorn. Langs de ringvaart van de polder die vroeger het Woudmeer was lopen we verder. Een meneer met een Adidasbroek zit op een hekje, de zonnebril in de grijze krullen gestoken, het gezicht idolaat naar de zon gekeerd. Beter kan het haast niet, roept hij ons toe over het water. Wij beamen het grif, het is schitterend weer. De lente is amper een week oud of we lopen nu al zonder jas.

P1040160

Links, aan de overkant van de vaart, staat een gemaal. Industriële uitstraling. Robuust, maar ook met een oog voor schoonheid opgemetseld uit rode baksteen.
Rechts zien we een groot, knaloranje weiland liggen, een smet op het vriendelijk uitbottend landschap. Doodgespoten met glyfosaat, beter berucht als Roundup. Wij mopperen dat het een schande is en dat we beter zouden moeten weten. Dat er in Amerika al hoge schadevergoedingen aan kankerpatiënten worden toegekend, maar dat we dat hier natuurlijk allemaal overdreven Amerikaanse malligheid vinden. Dat we hier wel even democratisch zullen besluiten dat dat hele glycofaatverhaal een hoax van linkse gekkies is, net als de klimaatverandering, en dat je er hier dus heus geen kanker van krijgt. Fakenews, om onze hardwerkende boeren dwars te zitten. Ja, de recente politieke ontwikkelingen in ons mooie vaderland zitten ons nog behoorlijk hoog, deze heerlijke dag vlak na de verkiezingen. Maar wat doe je eraan?
De lucht weerspiegelt blauw in het water, de zon verandert het riet in goud, in de berm bloeien dotterbloem, klein hoefblad en narcis. Dat dan weer wel.

P1040207

De lange, monumentale dorpsstraat van Oudkarspel leidt ons tot bij de Allemanskerk. Die zo heet omdat hij, na in 1969 tijdens dakreparaties bijna volledig door brand te zijn verwoest, vanaf 1970 werd herbouwd met geld dat grotendeels door de bevolking van Oudkarspel bijeen werd gebracht. Met vereende krachten, zogezegd. Daarvóór had de kerk trouwens ook al het nodige meegemaakt. De oudste resten zijn nog van de 11e eeuw, toen de kerk nog Aldenkercha heette. De oorspronkelijke toren stamt uit de 12e eeuw. In de 14e eeuw werd daar dan weer een nieuwe kerk aan gebouwd, die in de 15e eeuw werd uitgebreid met een koor. Tweemaal werd de toren getroffen door de bliksem, tweemaal werd hij herbouwd. In 1868 werd de aanvankelijk sobere kerk uitbundig gepimpt tot een neogotisch exemplaar, waarbij de toren een spits kreeg. Bij de laatste herbouw is die spits weer weggelaten, op zeer uitdrukkelijk verzoek van de Rijksmonumentendienst, die de kerk terug wilde zien in de originele staat, zoals hij bekend was van oude afbeeldingen, zonder spits. Hoewel de toren die in 1621 door de bliksem werd verwoest toch ook een spits gehad schijnt te hebben. Ook een originele staat, zou je zeggen. Maar goed, daar waren misschien geen plaatjes van.

P1040226

Dan gaat het richting Nieuwe Niedorp, over hier en daar door schapen begraasde grasdijken langs het kanaal Alkmaar Kolhorn, de Omval. We lopen langs akkers met frisse, jonge aanplant – we gokken op boerenkool, maar weten het niet zeker. Een sleedoorn in zeer uitbundige bloei. Kieviten buitelen door de lucht, zwanen zitten op hun nest, kraaien begeven zich op rooftocht. Hier en daar zien we een lege eierschaal liggen waarvan je rond deze tijd toch waarschijnlijk nog moet vermoeden dat de kraai met succes heeft toegeslagen.
In een verder verlaten uitloper van het Waartje ligt een ongeregeld rijtje boten, in diverse staten van onderhoud en min of meer bewoond. Het doet aan als een verzamelplaats voor vrijbuiterige types die hier zo’n beetje hun gang kunnen gaan zonder dat de buren komen zeuren. We raken in gesprek met een man die aan die omschrijving voldoet. Hij vertelt over zijn herdershond, die gedurig enthousiast om ons heen dart en die hij telkens goedmoedig tot de orde roept. Hij was met de hond op politietraining gegaan, vertelt hij, maar dat had hij niet lang volgehouden. Hij had het zielig gevonden voor de hond, omdat die er altijd maar agressief moest zijn. Dat leek hem zo veel stress opleveren. Hij had zijn hond liever zoals hij nu was, vrolijk en speels. Werd hij waarschijnlijk nog ouder ook.

p1040332.jpg

We lopen verder door vlak groen land, grijze akkers die omgeploegd liggen te wachten op wat onvermijdelijk komen gaat: maïs of kool. Hier en daar een betonnen brug over het kanaal, in de verte lange rijen hoge bomen langs de weg. Vanuit hun weiland kijken twee alpaca’s ons dommig na. Oude poldermolens en moderne windmolens doorbreken eensgezind de einder. Ook die enorme, witte molens beginnen al zo’n vertrouwd beeld te vormen dat je ze eigenlijk ook wel gewoon weer mooi zou kunnen gaan vinden. Waarom niet? Die oude poldermolens werden in hun tijd ook verguisd als horizonvervuiling, wanstaltige bouwsels die, zodra het stoomgemaal zijn intrede deed, maar beter snel konden worden afgebroken. Nu zijn ze zo’n beetje het oerHollandsch symbool geworden van nostalgiegekkies die altijd maar bang zijn dat er eens iets zou veranderen.
Met de volgende brug steken we het kanaal over en dalen af naar Nieuwe Niedorp, waar de auto onder de kerktoren staat geparkeerd. Terwijl we de schoenen verwisselen en ons opmaken voor de thuisreis klinkt er saxofoonmuziek uit een raam. Het was een mooie dag.

Bekijk eventueel het fotoalbum bij deze wandeling.

Reigers en aalscholvers

cropped-p1030977.jpg

Van Schoorldam naar Bergen aan zee, een etappe van De Lange Weg Naar Huis, gelopen op zondag 17 maart 2019

We zijn onderweg naar Den Haag, mijn jongste zoon en ik. In etappes wandelen we van onze woon- naar onze geboorteplaats. En weer terug. Een maand geleden uit Schagen vertrokken staan we hier, op de Westfriese dijk, vlak voor Schoorldam, waar we vorige week gebleven waren en waar we ons vandaag weer af hebben laten zetten, dus nog maar aan het begin van onze lange weg naar huis. Vol goede moed uiteraard, want we doen het voor de lol. Bovendien is het weer eens prachtig weer, de zon komt telkens opnieuw achter de haastig voortjagende wolken tevoorschijn.. we hebben ja niks te klagen, dus dat doen we dan ook niet.
Via de helwitte Schoorldammerbrug steken we het in tegenlicht blikkerend Noordhollands kanaal over, duiken met het fiets- en voetgangerstunneltje onder de N9 door, langs het Betoverde Bos van kunstenaarsduo BlokLugthart, met de zeven gitzwarte merels die refereren aan het wapen van Schoorl, en door de lommerrijke buitenwijken van Schoorl lopen we richting de kust, die we pas in Bergen aan zee echt zullen bereiken.

P1030955

In die lommerrijke buitenwijken treffen we ook een klein maar fijn stukje bos waarin wat naaldbomen staan die hun kroon als een enorm parapluscherm hoog over het pad uitspreiden. Als zwarte gaten in het takkenpatroon ligt daarop een aantal flinke reigernesten verspreid. Dat het reigernesten zijn weten we zeker wanneer we een reiger net zo nieuwsgierig naar beneden zien kijken wie er daar onder zijn huis staat te dralen als wij naar boven of we een teken van leven ontwaren. Het is een koddig gezicht, die toch echt verbaasde vogelblik boven die eigenwijze puntsnavel. Wat de reiger van ons denkt wordt duidelijk wanneer een ferme straal dunne vogelpoep vlak naast ons in de berm fluimt. Dat had heel anders af kunnen lopen.

P1030966

Het centrum van Schoorl kondigt zich aan met een kerk en daarnaast het piepkleine oude raadhuisje. Omdat ik hier ter gelegenheid van een eerdere wandeling al eens wat over had opgezocht, kan ik nu ook aan mijn zoon vertellen dat dit schattige raadhuisje van 1601 is. Dadsplaining zou je dit kunnen noemen, omdat die wijsheid ook met grote, gouden letters op de gevel staat genoteerd. Het raadhuisje, lepel ik de rest van mijn internetkennis op, bestaat uit slechts één ruimte, de raadszaal. Met, okay, nog een portaaltje. Niettemin is het in gebruik geweest tot 1901 voordat het door inmiddels ook allang weer verlaten nieuwbouw werd vervangen. Over duurzaam bouwen gesproken. In 1931 kwam het gebouwtje in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich het behoud van architectonisch of historisch waardevolle gebouwen ten doel heeft gesteld. Aan het Schoorlse raadhuis hebben ze een hele kluif gehad omdat de gemeente destijds bij de overdracht de voorwaarde had gesteld dat het gebouwtje een paar meter naar achter zou worden verplaatst, zodat, toen al, de weg verbreed kon worden, ten behoeve van het oprukkend autoverkeer. Het raadhuisje is toen baksteen voor baksteen afgebroken en iets naar achteren weer opgebouwd.
In het perkje voor raadhuis en kerk wordt één van Schoorls grootheden, schilder en tekenaar Jan van Scorel (1495 – 1562), geëerd, met twee bronzen beelden. Voor het raadhuis staat de kunstenaar zelf, ten voeten uit; voor de kerk een ruimtelijke opvatting van één van zijn schilderijen, de Jeruzalemvaarders. Daarover schreef ik al in de rubriek Kunst Onderweg op het weblog van de wandeling langs het Groot Frieslandpad.

P1030977

Bij het bezoekerscentrum beklimmen we de trap naar wat het hoogste duin van Nederland genoemd wordt, we spreken graag in de overtreffendste trap in ons landje aan de Zuiderzee. Eenmaal boven is het uitzicht echter zeker weids te noemen. Aan onze voeten ligt de landkaart van de kop van Noordholland. We zien de karakteristieke twee kerktorens van Schagen, waar we vandaan komen, dichterbij de kerktorens van Warmenhuizen en Dirkshorn, de windmolens langs de N242 en aan de horizon de flatgebouwen van Hoorn. Achter ons laat de zee zich al zien, tussen de Schoorlse duinen.
Vanaf hier volgen we de roodwitte stickers en pijlen van het Nederlands Kustpad richting Bergen aan zee. Al snel passeren we onafzienbaar lange rijen hoog opgetaste boomstammen die langs de weg liggen te wachten op verder transport. Hier wordt aan de natuur gewerkt. Natuurbeheer. Er is de laatste tijd veel over te doen.

P1030984

Natuurbeheerders claimen meer variatie in het landschap te willen aanbrengen door stukken bos te kappen: stuifduinen, verschraalde gebieden, heide, een hoger grondwaterpeil, waardoor ook verdwenen plant- en diersoorten hun herintrede zouden kunnen doen. Boze tongen beweren dat al dat gekapte bos de organisaties goed geld oplevert als biomassa voor het opwekken van groene energie, die daarmee uiteraard opeens een stuk minder groen wordt. En hoe lang kun je daarmee doorgaan voordat de bomen op zijn? Wij weten niet zo goed wie we moeten geloven. Maar een rotgezicht is het wel, zo’n muur van gerooide bomen. Verderop komen we inderdaad wat drassige stukken tegen, maar weten dan weer niet of dit nu al het resultaat kan zijn van al dat natuurbeheer. Verder vinden we het gebied waar we doorheen wandelen eigenlijk al behoorlijk afwisselend. We lopen door stoïcijnse naaldbossen waar de stammen kaarsrecht in het gelid staan en maar weinig verdere begroeiing onder zich gedogen, door zilverwit oplichtende, ijle berkenbosjes, door krullerige heksenbosjes waarvan de stammen en takken zich kermend en in grote radeloosheid ten hemel lijken te kronkelen. We doorkruisen heidevelden en passeren vennetjes en poeltjes, we stijgen en dalen en glooien tevreden met de zandpaden en klinkerweggetjes mee. Van ons zou het ook wel zo mogen blijven, mocht iemand het willen weten.

P1040057

Bij een klein meertje, gedeeltelijk omzoomd door grillige, zwart afgekloven skeletten van bomen treffen we twee aalscholvers die op een boomstronk vlak boven het water zitten te zitten. Het geheel biedt een licht prehistorische aanblik. Dat heb je met aalscholvers, daar is niet veel meer aan het basisontwerp gerommeld, sinds de schepping. Deze twee zitten niet in de karakteristieke houding met de vleugels wijd te drogen. Blijkbaar zijn ze al droog, en wachten ze tot het tijd wordt voor een nieuwe duik. Ze lijken niet erg onder de indruk van onze aanwezigheid en zelfs wanneer we steeds iets dichterbij sluipen, blijven ze onverveerd op hun boomstammetje zitten, al houden ze ons duidelijk zichtbaar wel scherp in de gaten. Ze zullen niet veel zin hebben om net opgedroogd als ze zijn meteen weer te water te moeten en stellen dat paniekmoment zo lang mogelijk uit. Het stelt ons in de gelegenheid de vogels een tijdje rustig van dichtbij te bekijken, wat wij als bijzonder ervaren. We zien dat ze veel mooier zijn dan je van een afstandje zou zeggen. Niet egaal dominee-zwart maar met een schitterend, subtiel schubbenpatroon op de vleugels, wufte witte pluimpjes die daaronder uit piepen en een staart als een gesteven plooirokje tot net iets boven de knie. Een fikse punk-hanekam op het hoofd. Ons oordeel over de aalscholver is bij dezen bijgesteld.
Als eerste teken dat we Bergen naderen zien we het torentje van Huize Glory boven de bomen uitsteken. Lang geleden beklommen we dat enigszins in verval zijnde torentje, langs wenteltrappen en trappenhuizen, om boven op de glazen omgang met meegebrachte verrekijkers de omgeving af te speuren. We weten het allebei nog. Langs het Zeehuis tenslotte lopen we Bergen aan zee binnen. Het laatste stukje doen we over het strand, om de zee even gedag te zeggen. Het waait stevig, het zand stuift op, we worden verwelkomd en uitgezwaaid door een woeste branding.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

De lange weg naar huis

cropped-p1030696.jpg

Van Schagen naar Schoorldam, de eerste etappe van De Lange Weg Naar Huis, gelopen op zondag 17 februari 2019

Het was een vaste gewoonte, tijdens onze gezinsvakanties, dat ik met ieder van onze twee zonen een dagtocht ondernam. Leuke avonturen waren dat altijd, waarbij we elke Jagdstuhl beklommen die we tegenkwamen, van het pad af gingen om beekjes te volgen tot aan de bron, mysterieuze vijvers vol vis ontdekten en alles opraapten wat te mooi was om te laten liggen. Nog altijd heb ik ergens dozen vol botjes, schedeltjes, stenen, schelpen, gedroogde kikkerlijkjes en wat al niet. Met mijn oudste zoon heb ik dat het langst vol kunnen houden, die wilde zelfs buiten de vakanties om nog wel eens mee op stap, de jongste liet op een goed moment weten dat wandelen ‘niet echt meer zijn ding was’. Ach ja, zo gaat dat dan. Maar sinds hij afgelopen zomer een zogenoemde hike heeft ondernomen in Frankrijk, met zijn maat, is hij opeens wel weer te porren voor een serieuze wandeltocht met zijn oude vader. En om daar enige continuïteit, een doel en een soort van betekenis aan te geven hebben we bedacht vanuit huis naar Den Haag te lopen, ons beider geboortestad, en vandaar weer terug naar Schagen, waar we nu alweer meer dan tien jaar wonen. Zo lopen we in beide richtingen naar huis en dat vinden we alletwee wel een mooi idee. Het plan heeft een tijdje op de plank liggen wachten tot de oude vader weer voldoende hersteld was van zijn operatie, dat duurde even, maar vandaag is het zover en zetten wij de eerste stappen op de lange weg naar huis.

P1030671

Het is half februari maar de lente is een paar dagen geleden al in volle glorie losgebarsten en we kunnen luchtig gekleed op pad. Onderweg zien we zeeën van bloeiende krokusjes, narcissen hier en daar, we spotten wat kieviten die blijkbaar alweer terug zijn, of misschien wel helemaal niet eens zijn vertrokken want een echte winter hebben we ook niet gehad, we zien bomen en struiken aarzelend wat eerste groene puntjes op verkenning sturen, we zien mensen uit hun huizen komen en in de tuin aan het werk gaan, koffie drinken in de zon of anderszins van het weer en het leven genieten. Eenden zitten elkaar luidruchtig achterna in sloten waar twee weken terug nog een laagje ijs overheen lag.
Langs vertrouwde wegen en paden verlaten we Schagen, het eerste stuk komt overeen met mijn vaste ochtendwandeling, daarna gebruiken we tot St Maarten de Groene Wissel Schagen. Via de Tolkedijk steken we onder de provinciale weg door richting Groenveld. We lopen over smalle en vrij rustige landweggetjes maar ook over grasdijkjes en dwars door weilanden. Aan de horizon zien we tal van kerktorentjes die we nu eens, nu we nog vlak bij huis zijn, allemaal herkennen. Valkkoog, Dirkshorn en de dubbele torens van Schagen.

P1030684

In Groenveld lopen we langs de Groenvelder, een poldermolen die op het woongedeelte na is afgewerkt met riet en die volgens het jaartal op de kap van 1560 is. Wij hebben geen reden daaraan te twijfelen en dat doen we ook niet, maar later lezen we op internet dat over dat bouwjaar wel het nodige te doen is geweest. Omdat het molenwiel boven in de molen volgens een inscriptie van 1716 is, werd lang aangenomen dat dat ook het bouwjaar van de molen zelf was. In 1981 komt men, op basis van een oude landkaart waarop de molen staat vermeld, tot het nieuwe inzicht dat die er in 1572 al heeft gestaan. In 2007 blijkt hij dan ook op een landmeterskaart van Laurens Pietersz uit 1560 al voor te komen. Dit jaartal staat nu weliswaar op de kap maar bleek in 2016 toch ook weer niet helemaal te kloppen want op initiatief van de molenaar en het Hoogheemraadschap werden dat jaar verschillende houtmonsters genomen die er op wezen dat de molen zeer waarschijnlijk in 1529 al werd gebouwd. Daarmee is het dan meteen één van de oudste poldermolens in Nederland geworden. De kap werd gedateerd op 1751. Blijkbaar heeft de molen het een en ander meegemaakt aan storm of brand of tegenspoed, waardoor eerst het molenwiel en korte tijd later de kap moest worden vervangen. De Groenvelder stond er om de Valkkoger polder te bemalen en heeft dienst gedaan tot 1990, vanaf 1955 met hulp van een elektrisch gemaal. Ook nu draait de molen nog af en toe. Soms, op afroep,  nog steeds om de polder te bemalen en soms voor het soepel houden van het gestel. Draaien voor de prins, schijnt daarvoor een oude molenaarsuitdrukking te zijn. Die is vandaag de dag extra toepasselijk omdat de molenaar van de Groenvelder Prins heet, lezen wij.

P1030719

Zigzaggend door de weilanden, langs boerensloten en langs het automatisch gemaal Valkkoog dat de taak van de Groenvelder heeft overgenomen, bereiken we St Maarten. Op een picknicktafel bij het ijsbaantje stillen we de eerste trek. Er zal niet meer op vorst gerekend worden maar de kluunmatten liggen er nog en op een briefje achter een raampje staat te lezen dat het verboden is het ijs te betreden. Mocht de boel toch nog een keer dichtvriezen, is het wel een heel leuk ijsbaantje, denken wij. Met klifachtige graswallen rondom waarop je kun zitten om je veters aan te halen, je snapchat te checken of een glas glühwein te drinken.
Dan klimmen we de Westfriese omringdijk op om de tocht te vervolgen. Een dijk van 126 km lang die heel Westfriesland omarmt, zoals de naam al doet vermoeden, maar hier tussen St Maarten en Eenigenburg moet wel één van de mooiste stukken zijn. Het weidse uitzicht over de akkers en de velden met recht vooruit in de heiigheid de duinen van Schoorl al in zicht, rechts een glimp van de kerncentrale bij Petten, links het kerkje van Eenigenburg dat op zijn terp bescheiden boven de einder staat uit te steken. Maar vooral ook de dijk zelf, die op dit stuk buitengewoon pittoresk in bijna driekwart cirkels als een enorme slang om een aantal zogenoemde wielen heen kronkelt. In barre tijden is de dijk op deze plaatsen doorgebroken en kolkte de zee ongehinderd en opgezweept door stormwind naar binnen, een groot rond uitgeslepen meer achterlatend dat zó diep was dat het bij het herstel makkelijker was de dijk er maar gewoon links of rechtsom omheen te leggen. Wielen, worden deze meertjes genoemd. Ze liggen er vandaag de dag van riet omzoomd vredig en zeer fotogeniek bij te liggen, pleisterplaats voor allerlei vogels. Het kronkelen biedt de wandelaar bovendien een fraai uitzicht op de dijk zelf, die je in de verte al gauw weer een nieuwe bocht ziet maken waardoor je hem onder weer een andere hoek ziet en waardoor je je ook begint te realiseren wat een enorm bouwwerk dit is, zeker wanneer je bedenkt dat hier in de 13e eeuw al aan gewerkt werd. Ik kom er graag. En ik niet alleen. Het is zondag vandaag en één van de eerste lentedagen, voor het eerst in lange tijd is het heerlijk weer.. het is stervensdruk op de dijk. Iedereen is er op uit getrokken om dit unieke en rustieke stukje Noordholland vandaag te bezoeken. Felgekleurde fietsers die ons met een luid achterop komen suizen, er van uitgaand dat wij wel opzij zullen springen voor het te laat is; lange colonnes glimmende en ronkende motoren die in kuddeverband hun individuele vrijheid aan het botvieren zijn en die je een kwartier later, wanneer ze Alkmaar binnen rijden, nog altijd kunt horen, als er tenminste niet net een tweede of derde cohort langs komt razen; en tip top gerestaureerde oldtimers, met open daken en al even goed geconserveerde oldtimers achter het stuur, waarvan je goed kunt ruiken dat ze nog heel authentiek 1:2 rijden. Maar goed.. we ergeren ons niet, de zon schijnt en het is en blijft een prachtig stukje dijk.

P1030757

Bij Eenigenburg dalen we weer even de polder in om door dit kalme en door de tijd vergeten lijkend dorpje te wandelen, en een bezoekje te brengen aan het schattige kleine kerkje dat van 1792 is. De terp waar het op staat moet al van de 14e eeuw zijn en herbergt nog de resten van de wegens ouderdom gesloopte, grotere voorganger van het huidige kerkje. Eenigenburg telt 170 inwoners maar beschikt niettemin over een eigen museum, waar een piepklein daglonershuisje deel van uitmaakt. Om het te bezoeken zullen we later nog eens terug moeten komen, buiten het hoogseizoen is het gesloten.
Het Huys te Nuwendoorn, dat een eindje verderop tegen de dijk aanligt, is een moderne reconstructie van de restanten van een dwangburcht die Floris de vijfde hier in de 13e eeuw zou hebben laten neerzetten als uitvalsbasis in zijn strijd tegen de weerspannige West-Friezen. Over het succes valt te twijfelen want in dezelfde 13e eeuw werd de burcht verwoest en weer opnieuw opgebouwd, om in de 14e eeuw alweer van de aardbodem te verdwijnen. Niet helemaal overigens want in de tweede helft van de 20e eeuw werden resten van fundamenten gevonden, in de aardbodem, en om een en ander te behouden en te accentueren is er op de teruggevonden fundamenten een soort van nepruïne gebouwd, met een stalen skelet dat de toren van weleer suggereert. De toren valt te beklimmen, maar ook daarvoor is het nog niet het seizoen.

P1030765

Wanneer we vervolgens weer terug willen naar de dijk moeten we een hekje over waaraan een bordje hangt met de universeel verontrustende waarschuwing: pas op voor de stier. De kans dat je in deze barre tijden nog een stier in een weiland rond ziet lopen lijkt mij eerlijk gezegd zo goed als nihil, dus waarschijnlijk hangt het er voornamelijk voor de authentieke sfeer, al lopen er wel een aantal schapen achter het hek met vervaarlijk uitziende horens. Zodra we over het hekje zijn, drommen de beesten om ons heen. Mijn zoon vindt dit een tikkeltje verontrustend, in combinatie met de vervaarlijke horens en misschien ook wel het bordje. Ik ben hier toevallig deze week al eerder geweest, tijdens een andere wandeling, en ik meen vrij zeker te weten dat dit welvaartsschapen zijn, die bij mensen met rugzakjes al meteen de conclusie trekken dat er wat te vreten valt. Ik doe dus een beetje laconiek. Ik wil zelfs niet uitsluiten dat ik een beetje stoer doe, voor mijn huiverige jongste zoon. Dat krijg je, als je zonen boven je uit beginnen te steken. En baarden gaan dragen. Maar ik moet toch ook bekennen dat ik inderdaad bijna op de vervaarlijke horens wordt genomen door een schaap met een kort lontje. En dat ik daarna ook snel maak dat ik over het hekje kom.
Het laatste stuk, van Krabbendam tot Schoorldam, lopen we weer over de omringdijk, die hier beduidend lager is, vanwege de hoge duinen van Schoorl. Er rijden ook beduidend meer auto’s, die niet altijd evenveel zin hebben om af te remmen of uit te wijken voor een stelletje wandelaars, wat op het laatst ronduit irritant wordt. Gelukkig kunnen we dan al gauw naar beneden om langs het Noordhollands kanaal in alle rust de brug bij Schoorldam te bereiken. De kop is er af. Op naar Den Haag.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum bij deze wandeling.

Welkom in Westfriesland

cropped-p1030565.jpg

Een etappe van het Groot Frieslandpad, van Schoorl naar Dirkshorn, gelopen op vrijdag 15 februari 2019

We zijn er een jaartje tussenuit geweest, dus misschien dat het daaraan ligt, maar in Schoorl lopen we als een stelletje beginnelingen in het rond te dwalen op zoek naar hoe het nou toch in vredesnaam verder gaat, na de eerste etappe. We volgen wel pijlen maar gaan gaandeweg twijfelen of het de goede zijn, we komen inderdaad op een vijfsprong maar weten niet of het dezelfde is als die het boekje beschrijft, lopen heen en toch maar weer terug en zo plakken we onbedoeld een paar kilometer doelloos rondjes draaien aan de wandeling vast. Maar wat maakt het uit, het weer is prachtig, het lijkt verdorie wel lente geworden, midden in februari. Het wemelt van de jonge gezinnen met kinderen rond het bezoekerscentrum, terwijl het gewoon een vrijdag is en bij ons weten nog geen vakantie. Moeten al die mensen niet werken, vragen wij ons af, moeten al die kinderen niet naar school? Maar goed.. Wij lopen hier immers ook, op dezelfde gewone vrijdag, onder hetzelfde lentezonnetje, terwijl we er toch nog niet uitzien als pensionado’s, hopen we dan maar dat de andere mensen denken.

P1030465

In Schoorl zelf komen we als eerste terecht bij een schattig klein raadhuisje. Volgens het opschrift op de met krullen en consoles versierde topgevel is het van 1601. Het staat naast de hervormde kerk, die van 1783 is. Het raadhuisje, lezen we op internet, bestaat uit slechts één ruimte, de raadszaal, met een portaaltje. Niettemin is het in gebruik geweest tot 1901 voordat het door nieuwbouw werd vervangen. In 1931 kwam het gebouwtje in handen van de Vereniging Hendrick de Keyser, die zich het behoud van architectonisch of historisch waardevolle huizen ten doel heeft gesteld. Aan het Schoorlse raadhuis hebben ze een hele kluif gehad want wij lezen dat de gemeente destijds bij de overdracht de voorwaarde had gesteld dat het gebouwtje een paar meter naar achter zou worden verplaatst, zodat, toen al, de weg verbreed kon worden. Het raadhuisje is toen baksteen voor baksteen afgebroken en iets naar achteren weer opgebouwd. In het perkje voor raadhuis en kerk wordt één van Schoorls grootheden, schilder en tekenaar Jan van Scorel (1495 – 1562), geëerd, met twee bronzen beelden. Voor het raadhuis staat de kunstenaar zelf, ten voeten uit; voor de kerk een ruimtelijke opvatting van één van zijn schilderijen, de Jeruzalemvaarders.

P1030526

Verder lopen we met een boogje om Schoorl heen, steken bij Schoorldam de N9 en het Noordhollandsch Kanaal over en betreden dan via de Westfriese Omringdijk de uitgestrekte platheid van de drie Frieslanden die onze route de komende tijd doorkruist. Hoog bovenop de dijk krijgen we daar een aardig voorproefje van, weidse vergezichten van weilanden, akkers en sloten met om de zoveel tijd een bescheiden kerktorentje aan de einder. We lopen er maar een klein stukje van en zeker niet het interessantste maar de Westfriese Omringdijk is 126 km lang en doet precies wat de naam al zegt, hij omringt heel West Friesland. Van Noordzee naar Zuiderzee en weer terug. Een bijzonder idee. Ook om je voor te stellen dat aan de linkerkant van deze dijk de zee dus eeuwenlang een meer dan serieuze bedreiging is geweest, het ziet er nu zo vredig uit allemaal en de zee lijkt erg ver weg. Maar ook: zó hoog is die dijk nou ook weer niet. Hoe veilig zou je je erachter voelen wanneer de golven er bij storm en tegenweer tegenaan zouden beuken? Het kwam in zijn lange geschiedenis dan ook regelmatig voor dat de omringdijk doorbrak en het binnenkolkend zeewater enorme kraters sloeg in het achterliggend land. De ronde meren die daardoor ontstonden waren zo diep dat het makkelijker was de dijk er bij reparatie maar omheen te leggen. Deze zogenaamde wielen met de zich eromheen kronkelende dijk bieden vandaag een betoverende en schilderachtige aanblik, maar ze getuigen ook van de drama’s die zich er in vroeger tijden hebben afgespeeld.

P1030501

Bij aanvang van het Groot Frieslandpad hebben wij ons een goed voornemen gemaakt: al wandelend ontfermen wij ons over plastic zwerfafval in berm en beemd. We rapen het op, we nemen het mee en gooien het thuis in de plastic bak. Iemand moet het doen anders ligt het er voor eeuwig tenslotte. Dan maar gutmenschen, dan maar klimaatdrammers. Ook vandaag hebben we er speciaal een tasje voor meegenomen en wanneer we de dijk even verlaten om een stukje langs het Noordhollandsch Kanaal te lopen zien we de eerste oogst al liggen. Stukken plastic, bierblikjes, plastic flessen.. welgemoed beginnen we te rapen, maar al gauw slaat de twijfel toe. We lopen hier achter een camping met vaste huisjes langs, waar de grijze mistroostigheid overigens als een natte dweil overheen hangt, en het lijkt erop dat deze grasstrook met bosschage tussen kanaal en camping als hangplek fungeert. Hier kunnen we aan het rapen blijven. Straks lopen we de rest van de wandeling met ieder twee extra tassen vol andermans plastic schillen en dozen. Heel even komen we in gewetensnood maar we besluiten toch dat dit te gek is. Zelfs van gutmenschen kun je dit niet verwachten. We nemen de ergste stukken mee, maar verder moet de camping zelf maar even de handen uit de mouwen steken.

P1030548

Weer terug op de dijk lopen we door Krabbendam, een vriendelijk dorpje dat aan weerszijden tegen het dijklichaam opkruipt, en zien dan dat datzelfde dijklichaam aan de andere kant van Krabbendam opeens een heel stuk hoger is. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de duinen van Schoorl, de hoogste duinen van het land, die verderop gelegen overgaan in de Hondsbossche zeewering, een notoire zwakke plek in de kustverdediging. Hier kon de omringdijk wel een extraatje gebruiken.
Dan staat daar Huis te Nuwendoorn. Of wat er voor door moet gaan. Een voormalige dwangburcht van Floris de Vijfde. Gebouwd, verwoest en weer opgebouwd in de 13e eeuw, en in de 14e eeuw zonder verklaring van de aardbodem verdwenen. Op de fundamenten die in onze eigen tijd werden teruggevonden en hersteld, is een paar jaar geleden een soort van ruïne gebouwd, met nep afgebrokkelde muren van moderne materialen, tot zelfs van die tuincentrum stenen in betonijzerkooien aan toe, hoe treurig wil je het hebben? De toren, het minst erge onderdeel, wordt gesuggereerd door een stalen skelet met dito trappen en fungeert in het seizoen als uitzichttoren. Voor toeristen. Als die eropaf komen tenminste.

P1030568

Terwijl wij dit allemaal zo staan te overwegen en de term Vinex-ruïne uit onze mouw schudden, stopt er een auto op tien meter afstand. Wat een beetje vreemd is omdat we aan het eind van een stoffig en doodlopend landweggetje staan. Het is een donkere auto, met donkere ruiten. Er stapt een jongeman uit, met een koffer. Verborgen achter de auto buigt de jongeman zich over de koffer, de koffer gaat open. Het is niet het soort koffer waar je een weekendje mee gaat logeren bij vrienden. Wat de jongen aan het doen is kunnen we niet zien, maar hij ís iets aan het doen. Misschien kijken we teveel Homeland, maar zo’n koffer is het wel. Het wordt tijd om verder te wandelen, besluiten we conflictvermijdend, al moeten we dan wel langs de auto, en de jongeman. Uiteraard loopt het goed af, de jongeman staat een peperdure drone startklaar te maken en geeft ons maar al te graag een demonstratie. Op zijn schermpje kunnen we zien wat de drone aan beelden doorgeeft. Zo zien we onszelf een beetje sullig omhoog staan te kijken, met onze rugzakjes om. Maar als de drone dan echt het luchtruim kiest en we hem nog slechts als een onhoorbaar stipje aan het zwerk zien staan, zien we Huis te Nuwendoorn op het schermpje vanuit de lucht, we zien de Westfriese Omringdijk door het landschap kronkelen, we zien de wijde omgeving, haarscherp. Het is even verbazingwekkend als verontrustend.

P1030596

De wandeling gaat verder door Eenigenburg, een charmant dorp waar de tijd minder vat op lijkt te hebben. Dat het op een aantal terpen is gebouwd, is vanuit de verte nog goed te zien. Op één ervan staat het kerkje, met een piepklein kerkhofje ernaast. We lopen er even naar toe, al hoeft dat niet van het routeboekje. Het is een schattig kerkje met een houten torentje en het is van 1792. Ene Dirk Pronk legde de eerste steen, op zijn zesde. De lange oprijlaan herinner ik me statig omzoomd van hoge bomen, maar die zijn inmiddels van voor tot achter vervangen door ijle sprietjes waarvan het moeilijk is voor te stellen dat het ooit weer hoge bomen zullen worden.
Als we Eenigenburg weer verlaten biedt het boekje ons twee mogelijke routes. Op de gok kiezen we er één maar voor we goed en wel op weg zijn wordt ons een halt toegeroepen door een meneer die in zijn tuin snoeiafval staat klein te knippen. De meneer is tanig van gestalte, draagt een oorring, een baardje van een week en doet wat denken aan een piraat. Of een kunstenaar. Dat we de andere route moeten nemen, adviseert hij ons vriendelijk doch dringend, omdat die veel leuker is. De route die wij nu gekozen hebben is saai, aldus de meneer. En zo keren wij terug op onze schreden, want ja.. ga daar maar eens tegenin. Spijt hebben we er niet van gekregen trouwens want het was een aardig ommetje langs een zeer onaangeharkt stukje niemandsland, en daar houden wij wel van.
Het laatste stuk voert ons nog door Stroet, een lintdorp dat wij in de breedte passeren, na 357 stappen zijn we er al weer uit. Vlak voor Groenveld, in het zicht van de molen, buigen we naar rechts af om dwars door de weilanden en over grasdijkjes, langs de golfbaan Dirkshorn te bereiken. Vertrekpunt voor de volgende etappe.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.
Voor meer verslagen over deze wandeling kijk je op samenuitenthuis, het weblog van de wandeling langs het Groot Frieslandpad.

Opperdoezer rondje

cropped-p1030364.jpg

Groene Wissel Opperdoes, gelopen op zondag 3 februari 2019

Startpunt voor de wandeling van vandaag is station Opperdoes. Toch ben ik niet met de trein gekomen, daarvoor ben ik te laat. Als ik dat had gewild, had ik mijn dagje tussen 1887 en 1936 moeten plannen. In die jaren werd er een regelmatige stoomtreindienst onderhouden tussen Hoorn en Medemblik, en Opperdoes was aan die spoorlijn een halte. Eind dertiger jaren was deze dienst voor passagiers, met de opkomst van de flexibeler busdiensten, niet rendabel meer. Het goederenvervoer ging wel nog door, tot zelfs 1980 aan toe.
station_opperdoes-2

p1030156.jpg

Het stationsgebouwtje staat er vandaag nog steeds, aan zijn enkel spoor, met kloek opschrift aan voor- en achterzijde, en wordt ook nog steeds gebruikt, al is het nu alleen voor de toeristische stoomtram. Daarvoor ben ik dan weer te vroeg, deze derde februari, hoe stralend blauw die ook mag zijn. Een briefje aan de deur van het station raadt de reiziger overigens voorzichtig af te Opperdoes op of af te stappen. Het mag wel, zo staat er te lezen, maar voor de optimale treinervaring is het beter de hele rit, van Hoorn naar Medemblik of vice versa, te maken.
Op internet lees ik dat Opperdoes een streng calvinistisch eiland is, in een overwegend atheïstisch of op zijn hoogst rooms West Friesland. Ik meen daar iets van mee te krijgen wanneer ik, het dorp doorkruisend, een kerk passeer waaruit een zwaar en vreugdeloos gezang opklinkt dat zich log achter het orgel aan voortsleept. Ik hoor het een tijdje aan, omdat ik er nu toch ben, en waan mij in vroeger tijden. Of in een Nederlandse boekverfilming, waar het er ook graag gereformeerd aan toe mag gaan.

P1030170

Verderop staat trouwens nog een kerkje, zie ik dan. Veel ouder dan het gebouw waar ik naar sta te luisteren. Het staat op een terp, wat niet zo vreemd is aangezien Opperdoes minder dan negentig jaar geleden nog zo’n beetje aan zee lag. De Zuiderzee, wel te verstaan. Beschermd tegen de woeste, onberekenbare baren achter de Westfriese Omringdijk. De dijk ligt er nog steeds, inmiddels verworden tot monument want de woeste baren werden in 1930 het zwijgen opgelegd, toen de Wieringermeer werd drooggemalen en ingepolderd. De naamloze hervormde dorpskerk op de terp werd gebouwd in 1530, ter vervanging van de kort daarvoor door Grote Pier, met zijn Friese en Gelderse troepen, platgebrande kerk.
Ik verlaat Opperdoes langs een lange kaarsrechte weg, aan één kant afgezet met al even lange en kaarsrechte bomen die als silhouetten scherp afsteken tegen de lage, verblindende winterzon, en betreed een leeg en uitgestrekt, functioneel landschap dat wordt gedomineerd door grote, groene loodsen van golfplaat. Landbouwmachines. Een kerktorentje aan de horizon hier en daar en plukjes hoge bomen die de wind wegvangen voor een enkele boerderij. Zwartgrijze moddervelden waar resten kool op liggen te stinken, maar ook keurig in lijnen geploegde akkers die al helemaal klaar lijken te zijn voor de volgende oogst, van misschien wel de vermaarde Opperdoezer Ronde.

P1030243

Op weg naar Oostwoud word ik ingehaald door een medewandelaar in felgekleurde sportkleding. Ik had haar al opgemerkt terwijl ik stond te fotograferen, een activiteit die het tempo er nog wel eens uit wil halen bij mij. Nou heb ik helemaal geen hekel aan medewandelaars, maar als ze gedurig vlak achter me of vlak voor me blijven lopen kan ik dat nog wel eens vergeten. Mede op grond van de felgekleurde sportkleding had ik nu echter al ingeschat dat zij harder ging dan ik. En dat dit dus goed ging aflopen. Had ik gedacht. Maar het loopt anders. De felgekleurde medewandelaar houdt haar pas in en blijft naast me lopen om een praatje te maken. Dat ik zeker de hele dag op pad ben, aan de rugzak te zien. En dat ik wel wat warm gekleed ben, in die leren jas. Ik beaam het allemaal, vooral de leren jas is te warm voor het weer, en veronderstel op mijn beurt dat zij dan waarschijnlijk uit Opperdoes komt gelopen. En van het één komt het ander, we babbelen wat over het weer en wandelperikelen en zo word het zomaar een ontmoeting onderweg. Zie, daar ben ik dan ook weer niet te beroerd voor.
Oostwoud blijkt een charmante mengeling van glimmend onderhouden stolpboerderijen, rijk geornamenteerd en glanzend in de groene en witte lak, en panden die de tijd minder goed hebben doorstaan, met rommelige erfjes en geïmproviseerde boetjes en bouwsels, waar een soort vrijbuitersbestaan lijkt te worden geleid. Door mensen die het zelf wel uitzoeken. Op één of andere manier heb ik dat altijd als iets typisch Noordhollands gezien, wat natuurlijk nergens op slaat want dit soort gezellige rommelerven vind je waarschijnlijk overal wel. Maar goed, laat mij maar.

p1030289.jpg

Heel even denk ik dat ik ook nog iets van een voormalige haven tegenkom: een open gebleven veldje aan het water met een handvol uit de kluiten gewassen dukdalven en meerpalen. Ik meen ook iets van een beschoeiing uit de grond omhoog te zien steken. Het doet me een klein beetje denken aan de gedempte haven op Schokland, vandaar. Maar ook dit zal wel onzin zijn want Oostwoud ligt toch wel erg ver van de zee en ik vind er later ook niks over terug, dus.. Ik heb geen idee waar ik dan wel naar sta te kijken.
Broerdijk, waar ik dan doorheen loop, is een kleine verzameling huizen en huisjes in de bocht van de weg, aan het spoor. Het is wat het is, kun je denken, maar zo is het blijkbaar niet. Er staan maar liefst twéé toeristische informatieborden, die de boel er echter niet per se beter op maken. Het ene is voor een molen uit 1570, de molen van Gerbrandt Jacobsz Van Hoechkerspel namelijk, waarvan meteen maar wordt vermeld dat niemand eigenlijk weet waar die nou precies gestaan heeft, terwijl hij, volgens hetzelfde bord, pas in 1964 werd gesloopt. Het tweede bord brengt een inmiddels verdwenen ‘destructor’ in herinnering. Een slachthuis voor, ik citeer: oud en wrak vee. Het rook niet erg lekker, eufemeert het bord nostalgisch, als de wind verkeerd stond moesten ramen en deuren gesloten blijven. Ach, ach, ach, die goeie ouwe tijd toch. Bij tijd en wijle hangt er in deze regionen overigens wel precies die spruitjeslucht. Dat zijn dan de koolbladeren die na de oogst op het land achterblijven. En dan maakt het niet uit hoe de wind staat. En ook niet of je ramen en deuren gesloten houdt.

P1030372

Langs een fietspad slinger ik door de weilanden terug naar het noorden en beland zo in Twisk. Een lintdorp dat schijnbaar volledig bestaat uit zeer goed onderhouden en glimmend opgepoetste stolpboerderijen vol pracht en praal, en pittoreske Noordhollandse huisjes en geveltjes. Geparkeerde auto’s zijn zo goed als buiten beeld gehouden, en ik krijg al snel het idee door een openluchtmuseum te lopen, al blijft het opletten voor de rijdende exemplaren want die zijn meestal groot, breed en geruisloos, aan een goudkust als deze, en de weg is smal en zonder stoep.
Hierna gaat het terug naar Opperdoes. Ik passeer een ruime waterplas, met veel riet en een broedwand voor oeverzwaluwen. De plas fungeert als opvangbekken voor een teveel aan water in barre tijden. Eens in het jaar gebeurt het dat het gebied onder water komt te staan, lees ik op de site van het Westfries Weekblad. Verder is het een broedgebied en rust- en verblijfplaats voor vele soorten vogels, die het blijkbaar geen punt vinden dat ze pal naast de N239 en de gemeentewerf zijn gepland.
Op het laatste stuk terug naar het begin heb ik de Westfriese Omringdijk aan de linkerhand als horizon. Zou ik die willen beklimmen, om een afsluitende blik op de Wieringermeer te werpen, en me er de Zuiderzee voor te stellen, dan moest ik een breed water en de provinciale weg oversteken, dus dat komt er niet van. En als ik later zelf over de provinciale weg langs de dijk naar huis rijd, bedenk ik pas te laat dat ik de auto even aan de kant had kunnen zetten, om de dag alsnog in zelfbedachte stijl af te ronden, hoewel dat makkelijk had gekund.

Bekijk eventueel ook het fotoalbum.

This Guy Was Taking His Morningwalk When He Saw A Canada Goose Wearing A Plastic Necklace. And This Is What Happened Next.

IMG_1564

 

 

Er wordt sneeuw verwacht vandaag, maar zover is het nog niet. Het duurt nog tot de middag, wordt beweerd. De weilanden waarlangs mijn ochtendwandeling loopt, dragen dan ook nog hun alledaags groen. Wel lijken er vanochtend veel meer ganzen te bivakkeren dan anders. Misschien wachten ze de sneeuw af, sla ik maar eens ergens een slag naar. Misschien hebben ze ook een code geel gekregen, en een negatief reisadvies. Een vliegverbod. Ik weet niet hoe hysterisch ganzen daarover doen, over sneeuw. Het zal wel toeval zijn.
Mijn aandacht ondertussen, tussen al dat opgewonden gegak en gehonk, wordt getrokken door een groepje Canadese ganzen. De Branta Canadensis, de grote Canadese gans. Een beetje deftige ganzen vind ik dat, vooral misschien door die lange, slanke, zwarte nek, en de witte bef onder de kop, waardoor ze wat doen denken aan rechters, of officieren van justitie. Er loopt een heel groepje achter elkaar aan te paraderen, links en rechts wat grazend, maar alles buitengewoon waardig.
Eentje springt eruit. Eentje heeft iets groenigs om de nek. Iets groen met wits. Ik zie het wel, maar de afstand is te groot om goed te zien wát het is. Plastic, denk ik direct. Plastic afval, de vloek van onze tijd. De schande van onze beschaving. Het beest heeft argeloos de kop ergens ingestoken en loopt nu met het handvat van een plastic draagtas om de nek, of een verpakking van McDonalds.
Ik zie ook meteen facebook- en twitterfilmpjes voor me, waarin dappere mannen met baarden hulpeloze schildpadden, zwanen of haaien uit iets plastics helpen, met een hoop gedoe, of een schaap weer op de poten zetten, of twee herten uit de knoop, met zo’n Amerikaanse tekstregel eronder waarvan om onduidelijke redenen ieder woord met een hoofdletter begint.
This Guy Was Taking His Morningwalk When He Saw A Canada Goose Wearing A Plastic Necklace. And This Is What Happened Next.
Ik zie het mezelf nog niet doen, maar dat hoeft dan ook niet. Op mijn lekker ingezoomde foto zie ik dat het anders zit. Dit lijkt meer een soort ring zoals je eerder om de poot zou verwachten, maar dan dus om de hals. In witte letters staat er een soort code op. EGK, maak ik ervan. Het is een vrij groot ding en het is natuurlijk geen porum, tjees, ik krijg gewoon medelijden met het beest.
Weer thuis op internet lees ik dat dat helemaal niet nodig is, dat medelijden, want dat de vogel er nauwelijks hinder van ondervindt. Aldus de Sovon, de Stichting Ornithologisch VeldOnderzoek Nederland, dus die zullen het wel weten. De ring is zo groot en zit om de hals zodat hij makkelijk vanaf grote afstand kan worden afgelezen zonder de vogels te verstoren, in tegenstelling vaak tot de pootring. Alleen vrouwtjes worden er mee uitgerust. Waarnemers van over de wereld geven de codes die ze gezien hebben door en zo verzamelt de wetenschap informatie over de eventuele trek, over overlevingskansen en broedsucces.
Wat dat laatste betreft is men dan bijvoorbeeld te weten gekomen dat de gemiddelde gans maar één keer in het leven succesvol jongen grootbrengt, terwijl men dacht dat dat ieder jaar was. Het zou misschien, denk ik dan weer, interessant zijn te onderzoeken in hoeverre zo’n halsring het broedsucces beïnvloedt. Misschien loopt de gemiddelde mannetjesgans liever geen onnodig risico met zíjn kansen op broedsucces en mijdt hij die merkwaardige vrouwtjes met zo’n raar groot, groen ding om de nek met geheimzinnige witte tekens erop. Daar komen rare eieren van, zal hij denken. En geef hem eens ongelijk.

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.

Passer Domesticus

img_8983

 

 

Omdat mijn afspraak voor de ochtend verstek liet gaan, hield ik vanochtend zomaar een lege ochtend in mijn handen. En dat kwam goed uit want ik had zelf ook al niet zoveel zin in mijn afspraak voor de ochtend, dus ik was blij dat er werd afgemeld. Sterker nog, omdat het zeker niet de eerste keer was dat het zo liep had ik er heimelijk al een beetje op gehoopt. Gerekend misschien zelfs wel. Ik ken mijn pappenheimers.
In elk geval, zo had ik opeens mooi tijd voor een ochtendwandeling en dat kwam ook weer goed uit want het was werkelijk schitterend weer. Er lag een dun laagje ijs over de sloten en de plassen en een zonnetje met lentekwaliteiten liet daar geheel belangeloos haar licht over schijnen. Het kon bijna niet beter. Ach, het was eigenlijk perfect. Ik was warempel gelukkig, zoals ik daar liep, jazeker.
En dat gevoel werd nog eens verder aangewakkerd toen ik langs een manshoge braamstruik liep die bomvol lustig kwetterende musjes zat. Want zo gaat dat met gelukkig zijn, als je het eenmaal bent worden de kleinste, simpelste dingen plotseling wonderen van schoonheid en lijkt het kinderlijk eenvoudig het voor de rest van je leven gewoon maar te blijven. Dat het zo niet werkt gaat genadiglijk aan je voorbij.
De braamstruik was er nog niet voldoende van overtuigd dat zijn tijd voorbij was en zat nog behoorlijk in het weliswaar zwart wordende blad, zodat ik vreemd genoeg geen enkel musje zag. Ze waren alleen te horen. Wat het eigenlijk nog bijzonderder maakte. Want daar stond ik dus, te luisteren naar iets dat vlakbij was, onder handbereik, maar dat ik niet kon zien. Ik stond aandachtig te luisteren naar een kwetterende, tsjielpende struik. Het zal een merkwaardig gezicht zijn geweest, maar wat een heerlijk en vrolijk makend geluid. In mijn oren althans, want misschien zaten de musjes elkaar de huid wel vol te schelden. Zaten ze trillend van woede en blinde haat en met overslaande stemmen de bitterste verwijten en verwensingen door elkaar heen te schreeuwen. Werden er de donkerste bedreigingen geuit. Ik wist het niet, want ik verstond er niks van. Maar ik kon het me eigenlijk niet voorstellen, dat musjes zich daartoe verlaagden. Ze hadden misschien heus wel eens onenigheid, of een verschil van inzicht, maar dat werd dan op een beschaafde manier in der minne geschikt. Zo deden musjes dat namelijk.
En opeens was het afgelopen. Als op een afgesproken signaal waren ze uitgepraat, was het stil.
Ik bedankte de musjes hartelijk, en vervolgde tevreden mijn wandeling.

Ook gepubliceerd op Het Bewijs, weblog van een man van goede wil.