De kortste overtocht van Nederland

Van Graft, De Woude rond, over Spijkerboor en De Rijp weer terug naar Graft, gelopen op zaterdag 22 maart 2014

Vaak heb je al een hele reis achter de rug vóór je echt met je wandeling begint. Zeker als je een route loopt die steeds verder van huis afdwaalt. Maar eigenlijk moet je zo niet denken, vind ik. Want zeker de heenreis hóórt gewoon bij de wandeling. Neem nou vandaag. Ik ben niet eens zo héél ver van huis, maar eenmaal in de bus van Alkmaar naar De Rijp krijg ik toch al een zeker avontuurlijk gevoel over me. Alsof er iets héél bijzonders gaat gebeuren, zogezegd. Ik heb nét iets te lang op het vertrek moeten wachten, waar het net iets te koud voor is; de chauffeur, als hij eindelijk terugkomt met zijn rechtmatige bekertje koffie, is zeker niet van plan mijn niettemin vriendelijke groet te beantwoorden en gaat nurks en nietsontziend volle kracht vooruit over de smalle weggetjes en dijkjes van de Schermer; en ik ben al die tijd de enige passagier. Kijk, dat maakt het al een beetje spannend. Dat zet al een beetje een weerbarstige toon. En als dan iedere volgende halte waar we zonder stoppen langs scheuren wordt aangekondigd met dwarse, vierkantige namen als Globdijk, Hondenweg, Jansen, Aanplakbord en IJzeren Brug, dan weet ik dat ik op pad ben. En in den vreemde.
In Graft, ook al zo’n eigenzinnige naam, stap ik uit bij het raadhuis. Een piepklein gebouwtje dat voornamelijk uit trapgeveltjes bestaat en dat je na  400 jaar nog altijd tegemoet glimt. Er schuin tegenover het volgens eigen uithangbord kleinste winkeltje van Nederland, maar dat is vandaag blijkbaar gesloten. Als de bus de hoek om is, is het stil in Graft. Uitgestorven.

Afbeelding

Ik loop vandaag het Trekvogelpad, het langste natuurpad van Nederland, maar omdat ik ook een bezoek wil brengen aan De Woude, dat iets verderop ligt, doe ik het niet helemaal volgens het boekje. Vanuit Graft loop ik eerst richting West Graftdijk de alternatieve route, die bedoeld is voor wanneer het pontje bij Spijkerboor niet vaart, hoewel dat dus wel vaart vandaag. Dan verlaat ik die route even om het rondje om De Woude te lopen, waar ik nog nooit geweest ben, en neem daarna de tweede helft van de alternatieve route naar Spijkerboor, waar ik oversteek met het pontje, dat dus gewoon vaart vandaag, en tenslotte via De Rijp terugloop naar het raadhuisje van Graft. En het kleinste winkeltje van Nederland. Een flinke dagmars, blijkt achteraf, en naarmate de dag vordert, begin ik me ook stilletjes aan af te vragen tot hoe laat er nog bussen zouden vertrekken, uit Graft, op zaterdagavond.
Maar goed.
Er staat een best windje en ik ben blij dat ik vanochtend op het laatste moment nog een sjaal heb meegegrist. Warm is anders. Dat het toch voorjaar is, blijkt uit een clubje koeien dat opgewonden voorbij komt rijden, in een kar achter een trekker, om een stukje verderop met uitheinige bokkesprongen op het land te worden gelaten. Aanstekelijke vrolijkheid. Ik besluit West Graftdijk niet voorbij te lopen, wat voor de hand zou liggen, en sla linksaf, om er juist een kijkje te nemen.

Afbeelding

Ooit was West Graftdijk zo’n beetje aan alle kanten ingesloten door de grote Noordhollandse meren, en nog altijd ligt het wat allenig in een hoekje achteraf, weggedrukt tussen het Vinkenhop en de provinciale weg. Het voelt alsof ik een eiland oploop: veel volk zie ik niet, maar ik heb toch sterk het idee dat dat niet wederzijds is. Bij het oude kerkje, bij het sluisje met de huisjes en langs de woonboten in de vaart, overal hebben de muren ogen. Een mevrouw met een hond vraagt me bars en wat argwanend maar wel op de man af waarom ik foto’s maak, en waarvan. Er gebeuren genoeg rare dingen, in West Graftdijk, voegt ze me toe, vandaar. Aan publiciteit is geen behoefte. Met geheven hoofd verlaat ik het dorp uiteindelijk langs de weg waarover ik kwam, zoals dat gaat met eilanden.
Tot aan het pontje naar De Woude loop ik nu langs de provinciale weg. Dat is zeker niet ideaal. Maar uitgerekend hier stuit ik op een grote kudde wandelaars. De schrik slaat me om het hart. Die zullen toch niet ook met zijn allen op het idee gekomen zijn om naar De Woude te gaan? Begrijp me niet verkeerd, ik vind het best leuk om andere wandelaars tegen te komen, mijn beste vrienden zijn wandelaars, ik maak er graag praatjes mee. Maar liever niet in groepen van vijftig, met petjes en hoedjes en vlaggetjes. Hallo, er zijn nordic walkers bij. De optocht wordt zelfs afgesloten met een buitengewoon tevreden om zich heen koekeloerende pijproker met snorloze baard. Hij heeft nog net geen Lederhosen aan. Gelukkig staat er een picknicktafel, op een veldje onderaan de oprit, waar ik met goed fatsoen even kan wachten, in de snijdende wind, tot ik denk, maar vooral hoop, dat ze ver genoeg weg zijn.

trekvogelpad graft - de woude - graft 173

De Woude is een eiland in het Alkmaarder meer. Nou is eiland misschien een beetje een groot woord wanneer de pont er naar toe alleen een kanaal van hooguit  veertig meter breed hoeft over te steken, een tochtje van dertig seconden, de kortste overtocht van Nederland, maar hé, de pont is de enige manier om er te komen als je niet wilt zwemmen en een eiland is een eiland is een eiland. Opgetogen laat ik mij overvaren.
Of hij de hele dag heen en weer blijft varen, vraag ik nog wel aan de schipper. Ik heb niet echt een idee van hoe lang de wandeling zal duren. Veertig meter en dertig seconden zijn voor hem niet lang genoeg om zijn ongenoegen te uiten over het feit dat hij inderdaad nog de hele dag op afroep heen en weer zal moeten varen zodat hij niet eens tijd heeft om zijn boterhammetje te eten. Het is verbazend hoeveel gemopper hij toch nog in zo’n korte overtocht weet te proppen, maar voor het einde van zijn litanie zou ik eigenlijk nog eens mee weer en weer heen moeten varen, en daar is geen tijd voor: het eiland roept, en de pont moet terug. De eerste auto staat er al op, een rijkeluisfamilietank. Een tot hippiecamper omgebouwde Ford Transit uit de jaren tachtig vraagt zich bezorgd af of hij er nog wel bij past, op de pont, of dat hij een rondje zal wachten.

Afbeelding

Als ik het dorpje De Woude inloop, lijkt het heel even of ik in een openluchtmuseum terecht ben gekomen, met die smalle straatjes en watertjes en glanzend groen geschilderde huisjes rond een schattig klein kerktorentje. Lang duurt dat dan weer niet want met één straat houdt het dorp alweer op. En aan het eind ervan staat een bord dat in grote letters belooft dat op hondenuitlaters het vuur zal worden geopend. Voor vriendelijkheid kun je ook op dit eiland blijkbaar niet terecht. Al heb ik zeker ook begrip voor de frustratie.
Een kilometers lange grasdijk leidt me het hele eiland rond. Links de lege polder, met hier en daar een ongelovig opvliegende gans en steeds de vriendelijke, bescheiden skyline van De Woude op de achtergrond, af en toe aangelicht door een voorzichtig zonnetje. Rechts het zwart klotsend en opspattend water van het Alkmaarder meer, met daarachter typisch Hollandse horizonten van molens jong en oud, wuivend riet, oranje puntdaken en rokende schoorsteenpijpen. Niks mis mee en hartstikke mooi, al had het van mij ook wel een iets kleiner eiland mogen zijn. De veerman brengt me zwijgend terug op het vasteland, hij zal wel honger hebben.

Afbeelding

Verder lopend langs het Vinkenhop zie ik West Graftdijk vanaf de andere kant, Oost Graftdijk volgt niet veel later. Het lijkt me een vriendelijk dorp, zoals het daar zonder opsmuk schattig en mooi ligt te zijn, aan het water, rond zijn eenvoudig kerkje, en ik bedenk me te laat dat ik ook wel aan de andere kant van de vaart had willen lopen, door het dorpje heen. Aan de andere kant had ik dan weer niet aan deze kant gelopen, en zo blijft er altijd wat te wandelen over, voor later.
Als ik met het pontje bij Spijkerboor ben overgestoken loop ik langs de ringvaart terug naar boven, naar De Rijp en Graft. Eigenlijk ben ik moe. Ik loop dapper door, maar eigenlijk heb ik besloten de rest voor de volgende keer te bewaren. Fort Spijkerboor is gelukkig al gesloten, daar kan ik zonder blikken of blozen aan voorbij. Dat ik vrij achteloos door De Rijp loop, op weg naar de bus naar huis, is waarschijnlijk onvergeeflijk. De Rijp noemt zichzelf het mooiste dorp van Nederland. Gelukkig begint daar mijn volgende etappe van het Trekvogelpad, het langste natuurpad van Nederland. Dan zal ik het zien.

Zwartwandelen tussen tam wild

Hollands Kustpad, Katwijk – De Zilk, gelopen op 22 februari  2014

Halt! Besetzt! Het snerpt bijna karikaturaal over het tot dan zo zacht tevreden en vredig murmelend terras, voor het eerst zonovergoten en goedgevuld waarschijnlijk, dit jaar. Heel even verwachten we Rijk de Gooijer in een Wehrmacht-uniform, maar het is een wat vroege Duitse toerist. Die trouwens wel méént wat hij zegt. Hij heeft zijn jasje niet voor niets over één van de laatste twee terrasstoelen gehangen, vóór hij binnen ging bestellen, dus die laatste twee stoelen zijn voor hem. Verdammt noch mal! Zacht voor zich uit monkelend kiest de man die er juist wilde gaan zitten het hazenpad. De Duitse toerist en zijn vriendin nemen plaats en trekken zich tevreden hand in hand van hun bier nippend niets aan van het gesundes Volksempfinden dat hier, anderhalve generatie later, toch nog altijd over het terras huivert.
We zijn dan al bijna aan het eind van de etappe en hebben ons door de uitbundige zon en het terras laten verleiden vast wat op de zomer vooruit te lopen en even te gaan zitten en iets te drinken. Modern gewend aan digitaal betalen als we zijn, kunnen we er nog net genoeg contant geld voor uit twee portemonnees schrapen. Op het terras is het vervolgens nog warmer dan we al dachten, maar dat blijkt ook te komen door een rijtje warmtelampen, die de zon blijkbaar toch nog niet helemaal vertrouwen, zo in zijn eentje.  Nou ja goed, voor ons en voor het milieu had dat niet gehoeven, maar het komt misschien ook omdat het weer er vanochtend, toen we uit Katwijk vertrokken, een stuk somberder uitzag.

Afbeelding

Onder pittoreske donkergrijze wolken namelijk lopen we om te beginnen over de boulevard van Katwijk, door de duinen, naar de boulevard van Noordwijk en trekken op grond hiervan de voorlopige conclusie dat badplaatsen eigenlijk nooit echt heel erg mooi zijn. Zelfs niet sfeervol. Te veel moderne tijden hebben er te vaak hun tanden in gezet en alle joyeuze allure die je er zou verwachten, en die er vroeger natuurlijk ook geweest is, is verdwenen of verloederd tussen lelijke, grootschalige wansmaak. Kleine stukjes vergane glorie vinden we er nog van terug.
In Katwijk wordt zelfs het strand zelf onder handen genomen. Op de kaart gezet, misschien wel, lieve help. Het is in elk geval hermetisch afgesloten en het groot materieel rijdt er als in een jongensdroom brommend en brullend af en aan.
In Noordwijk hangen zoveel intimiderende bordjes en borden met drank-, drugs-, overlast- en samenscholingsverboden in het rond, dat je je er onveilig bij zou gaan voelen. Wij hoeven niet uit in Noordwijk, dat is duidelijk. Al kopen we er wel een haring, bij een haringkar aan de voet van de duinen. We geven er zelfs ons laatste beetje geld aan uit, wat ons verderop op de dag nog bijna in de problemen zal brengen, op een terras in de zon. Aan de wel erg keurig nette jongemannen die achter de vitrine staan menen we te kunnen zien dat Noordwijk nog altijd die streng religieuze inborst heeft, die van oudsher gebruikelijk is in vissersdorpen. Zo treffen we dus toch ook nog iets waar de moderne tijd blijkbaar geen vat op heeft gekregen. De haring krijgen we bovendien op een stuk papier, in plaats van een plastic bakje. En dat is ook lang niet gek.

Afbeelding

In de duinen voorbij Noordwijk, waar de zon inmiddels is gaan schijnen, waan ik mij plotseling een beetje in het Zwarte Woud. Langs een modderig en met grote tractorbanden kapotgereden bosweg liggen hoge stapels in stukken gezaagde stammen op nadere orders te wachten. Met felle kleuren uit de spuitbus is met vreemde afkortingen en codes aangegeven welk hout van wie is, precies zoals ik dat op mijn wandelingen tijdens onze zomervakanties in Duitsland zo vaak tegenkwam. Het verschil is dat er hier in de Hollandse duinen op gezette afstanden een bordje aan hangt, dat waarschuwt voor de gevaren, en verbiedt er op te klimmen. Immer liever blo Jan.
Voor we bij het Langevelderslag weer landinwaarts trekken, lopen we eerst nog een stuk langs de zee.  Altijd een prettig weerzien. En we zien de zee tijdens deze wandelingen nou ook weer niet zo vaak als je van een kustpad misschien zou verwachten.
De Zilk bereiken we via de Amsterdamse Waterleidingduinen. Een uitgestrekt duingebied waar, de naam zegt het al, Amsterdam zijn drinkwater heeft liggen, om te zuiveren. Bij de ingang vertelt een gebrekkig geplastificeerd A4tje ons nog net dat we een toegangskaart nodig hebben. Eigenlijk wisten we dat wel maar alweer blijken wij, vijftigers nota bene, te modern voor deze wereld, want wij hadden hier natuurlijk gewoon een automaat verwacht. Waar je je toegang kunt pinnen. Het is tenslotte een voorbode van de wereldstad Amsterdam. Maar nee, dat hadden wij gedacht. De toegangskaarten zijn op drie verschillende adressen te krijgen, met moeilijke openingstijden en alle drie op minstens een uur lopen afstand. We besluiten voor deze keer dan maar eens zwart te wandelen, dat hebben we nog nooit gedaan. Doen wij ook eens een keer iets dat niet mag. En hé, dit is Amsterdam, nietwaar?

Afbeelding

Waar de waterleidingduinen ook bekend om staan, zijn de herten. Hertenoverlast, volgens anderen. We hadden ze al op de blanke top der duinen zien springen toen we nog langs het strand liepen, dus misschien zit er wel iets in, in dat standpunt, maar aan de andere kant blijft het een bijzondere ervaring deze dieren zomaar min of meer in het wild tegen te komen. Zeker de mannetjes, met hun enorme geweien, zijn bepaald indrukwekkend.  Wild is een groot woord blijkt trouwens al gauw want wegrennen is er niet bij. Maar goed, dat doen Heckrunderen ook niet, dus wat zou het? Ons hoor je niet klagen. En zeker vandaag niet. Een dag met een gouden randje zogezegd.

De mooiste dag uit de week geplukt

Noordhollandpad, van Lutjewinkel tot Veenhuizen, gelopen op woensdag 26 februari 2014

Het is niet de eerste keer dat ik het Noordhollandpad loop. Dat was een jaar of wat geleden, toen ik nog maar net in Noord Holland woonde, als uitgeweken randstedeling. Het leek me toen een leuke manier mijn nieuwe provincie van dichtbij te leren kennen. En dat was het ook. Nu loop ik hetzelfde pad opnieuw, maar met mijn oudste zoon. Dat maakt het op weer een heel andere manier een bijzondere wandeling. Om te beginnen is het natuurlijk al bijzonder dat je zoon dat nog wil, als aanstormend puber, een beetje in het openbaar met zijn oude vader lopen wandelen. Nou gebiedt de eerlijkheid hier ook te melden dat elke nieuwe etappe steeds meer tactisch enthousiasmerende inleiding behoeft, maar goed, het lukt toch nog altijd wel. En eenmaal op pad maak je als vader onderweg dus ook weer van alles mee waar je zonder je zoon aan je zijde misschien helemaal geen oog voor zou hebben gehad. Jongensdingen. De wereld door jongensogen. En gesprekken van jongens onder elkaar.

Afbeelding

We startten in De Cocksdorp, op Texel, twee jaar terug, verzonnen er in Den Helder een extra etappe bij, over het Marineterrein en langs Huis ter Duin, liepen weer volgens het boekje over Wieringen terug naar boven, naar Den Oever, en pakten vanaf de Pishoek bij Wieringerwaard de route naar het zuiden weer op, door Kolhorn tot Lutjewinkel, waar we de laatste keer, een paar maanden geleden alweer, waren gebleven. En waar we ons nu, bij dezelfde brug, weer af laten zetten.
Stomtoevallig maar feilloos hebben we de mooiste dag uit de week geplukt. Een dag die de naam voorjaarsvakantie recht doet, want het mag februari zijn, normaalgesproken een belachelijke maand voor een voorjaarsvakantie, maar, geloof het of niet, het ís vandaag ook lente. Je voelt het, je ruikt het, je ziet het. Wij wel in elk geval, want wij lopen lekker buiten, onder een strakblauwe hemel. En de zon kijkt stralend op ons neer. Wat een heerlijk dagje, roepen de merels en de mezen, de ganzen en de hazen, de kieviten en de scholeksters en alle andere vogels waarvan wij de namen kennen. De uitlopende narcissen. Het voorzichtige waasje groen overal.  Wat een heerlijk dagje, roept ook de kanoër, die ons monter inhaalt in het kanaal. Wat een heerlijk dagje, inderdaad, roepen wij vrolijk terug. We staan dan net een beetje te picknicken, leunend tegen een boerenhek, want, okay, de lente is nog wél te pril om op de grond in het gras te gaan zitten.

Afbeelding

Het kanaal Alkmaar-Kolhorn hebben we de hele ochtend langszij gehad, glinsterend in het lage licht. Links of rechts, want hier en daar steken we over naar de andere kant, over steeds weer dezelfde ouderwetse, smalle betonnen brug, waarvan er bij het aanleggen van het kanaal blijkbaar meteen een flink aantal zijn gegoten. Langs Winkel en Nieuwe Niedorp gaat het. Bekend terrein inmiddels, maar nieuw vanuit het gezichtspunt van de wandelaar over de grasdijk, waar je in het dagelijks leven niet komt.
Op sommige punten is de route veranderd ten opzichte van de vorige keer dat ik er liep. Bij Winkel is een stukje dijk, dat destijds nog tamelijk drastisch onvriendelijk als privédijk was afgesloten, nu toch opengesteld, zodat we het industriegebied niet in hoeven. Verderop verlaten we eerder dan ik me herinner de verharde weg en stuiten we op een duidelijk nieuw aangelegd vogelmeertje. Vogels zijn er nog niet, zo nieuw is het blijkbaar. Maar hazen zijn er des te meer. We hebben ze verrast, ze springen ons vlak voor de voeten weg. We schrikken er bijna van en vragen ons lachend af hoe het kan dat ze ons niet hebben zien aankomen. Het zijn wilde dieren, nota bene. Hoe moet dat als er een vos aankomt? Ze hebben geen schijn van kans! Maar tegelijk vragen we ons af hoe het mogelijk is dat wijzelf zulke grote beesten niet eens hebben zien zitten, op een stoppelig grasveldje, terwijl we er nota bene met ons neus bovenop stonden. Het is gelukkig de prehistorie niet, we zouden jagers van niks zijn geweest.

Afbeelding

Verderop, bij Verlaat, schrikken we nogmaals van wilde dieren. Honden, zijn het deze keer, en kwaadaardig bovendien. Vanuit het niets springen ze hard blaffend en gemeen grommend tevoorschijn vanachter hun boerderij, die blijkbaar zelfs  op klaarlichte dag nog zwaar bewaakt moet worden, dat geeft toch ook te denken. Mijn zoon, een hondenliefhebber nog wel, zoekt bescherming bij zijn vader, die niets van honden moet hebben, en wel precies hierom: dat je als voorbeeldig burger nietsvermoedend op de openbare weg kunt lopen en dan zonder enige aanleiding bedreigd en geïntimideerd kunt worden door twee loslopende, moordlustig uitziende grote honden, zonder dat er ergens een eigenaar te zien is die zijn kuthonden onder controle houdt, laat staan zijn excuses aan komt bieden voor zijn onbeschoft gedrag. En je weet ook nooit zeker of die krengen bij hun erfgrens gaan stoppen, want opgevoed zijn ze dus niet. Dit keer komen we met de schrik vrij gelukkig, maar kilometers later hebben we het er nog over.
Oude Niedorp is deze dagen omgedoopt tot Valkenburcht, zo blijkt als we er binnen lopen. Een jolig bord, met niet eens een grappige naam, in een kleilandschap langs een verlaten polderweg. Carnaval in Noord Holland. Het is een beetje een sneue vertoning.
Bij Oude Niedorp wijken we trouwens met een klein ommetje van de route af om een rondje om de ruïnekerk te lopen. Van de vorige keer, toen het per ongeluk gebeurde, weet ik nog dat dat de moeite waard is. En vandaag zelfs nog meer want tot onze verrassing is de ruïne inmiddels, na een soort van renovatie, opengesteld en kunnen we in de luwte op een bankje van het zonnetje genieten. Tussen de dakloze, afgebrokkelde muren met de gapende, lege boogvensters hangt een eeuwenoude, gewijde sfeer. We bekijken de foto’s die hier en daar hangen en leren zo dat dit de St Werenfriduskerk is, die het nodige heeft meegemaakt, op het stille Hollandse land. In de late Middeleeuwen als katholieke kerk gebouwd, in 1648 verbouwd en protestants geworden. Een toren die er in 1732 werd bijgezet, werd in 1814 alweer gesloopt, samen met twee zijbeuken. In 1953 gerestaureerd en in 1977 tenslotte afgebrand tot de ruïne die het nu nog is. We lopen wat rond en proberen ons voor te stellen hoe het ooit geweest is. We ontcijferen de verweerde en in vreemd oud Nederlandsch gestelde opschriften op de grafstenen en filosoferen wat over het leven en de vergankelijkheid.

Afbeelding

De bedoeling was om vandaag Obdam te halen, maar dat blijkt een halte te ver. En om het leuk te houden, weet vader inmiddels, is het zaak om op tijd te stoppen. De volgende etappe begint daarom niet in Obdam, maar in Veenhuizen.